Vermeerdering geslachtelijk

Inhoud

Geslachtelijke vermeerdering
Inleiding
1     Zaaitijdstip
2      Wat is zaad, wat heeft het nodig?
3     De 4 basisbehoeften
4      Voor- en nadelen van zaaien
5      Manieren van zaaien
6      Zaaimethoden
6.1       Breedwerpig zaaien
6.2       Zaaien op rij
6.3       Dibbelen
7      Grond zaaiklaar maken
8      Zaaien op rijen in de volle grond met de hand
9      Breedwerpig zaaien in een zaaibakje
10        Zaadsoorten
11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

Inleiding
Om een soort in stand te houden dient dit zich te vermeerderen.  Als je bij de vermeerdering te maken hebt met 2 geslachten spreek je over geslachtelijke- ofwel vegetatieve vermeerdering.
Bij planten heb je dan te maken met zaad. Het uitstrooien van zaden heet zaaien. Zaaien wordt bij veel cultuurgewassen toegepast. Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt in de bloem.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

 

1     Zaaitijdstip
De beste tijd om te zaaien is tussen januari en juli. We moeten hier wel een onderscheid maken tussen éénjarigen en vaste planten.

Immers, de eerste groep zaaien we vroeger, zij moeten de tijd krijgen om tot een volle bloeiende plant uit te groeien en vervolgens zaad af te geven voor de herfst.

Met de zaden van vaste planten hebben we minder haast omdat die meestal toch pas het jaar erna bloeien, en dit geldt tegelijk ook voor de tweejarigen.

 

     Wat is zaad, wat heeft het nodig?
Een zaadje is te vergelijken met een embryo in een ei. Het heeft de juiste voorwaarden nodig om uit te komen want zelfs zo´n klein nietig zaadje heeft een soort overlevingsdrang, ze willen wel uitkomen maar soms zijn de omstandigheden niet goed genoeg om na het uitkomen te overleven en daarom lijkt het hun beter om nog wat door te slapen en te wachten tot de omstandigheden verbeteren.

Zeg daarom niet: ik heb slechte zaden gekregen, iets wat ik mensen wel vaker hoor zeggen, nee, er is niet aan de juiste voorwaarden voldaan voor dat zaadje om uit te komen.

 

Er zijn 4 basisbehoeften waaraan moet worden voldaan voor een zaadje voordat het wil/kan uitkomen. Dit zijn achtereenvolgens water, zuurstof, licht en temperatuur.
 

Het is de kunst om per zaadsoort de juiste balans te vinden tussen deze 4 sleutels om het kiemmechanisme van het zaad te ontsluiten. De samenwerking tussen deze 4 zaken brengt een chemisch proces op gang wat leidt tot de kieming van de plant.

En deze balans is per plantensoort verschillend en dat maakt het soms zo moeilijk

Raak nu niet direct in paniek, het overgrote deel van de planten kiemt toch wel bij een temperatuur tussen 15 en 20 graden, als ze voldoende water hebben, niet te nat staan en niet te diep onder de grond verscholen zijn.

Je kunt de meeste zaden dan ook beter te weinig bedekken dan teveel.

3     De 4 basisbehoeften
Water: Iedereen weet dat je water nodig hebt om zaad te laten ontkiemen. De kieming start als het water de zaadhuid binnendringt. Het zaad neemt het water op, zet zich uit en de zaadhuid begint te barsten, het plantje ontrolt zich zodat de wortel de grond ingaat en de stengel naar boven.

Zuurstof: Zaden hebben dit nodig voor de chemische processen tijdens het kiemen. Daarom is een luchtige, goed doorlatende grond van belang. Als u bv. op zware klei zaait blijft het water daarop staan en neemt het de plaats in van de lucht. Er zal dan ook sneller schimmel optreden die uw zaden zal belagen.

Licht: Een zaadje zou het verschil kennen tussen donker en licht. Voor een klein zaadje kan een paar centimeter onder de grond hetzelfde zijn als een paar meter. Het is gewoon helemaal donker, daarom mogen kleine zaden nooit te diep onder de grond gezaaid worden, niet of nauwelijks bedekken is de boodschap. Het schijnt dat zonminnende planten gevoelig zijn voor de hoeveelheid rood in het licht, en ze ontkiemen dan ook niet als het te donker is, wat hun betreft is het niet het goede moment in het jaar om uit te komen.

Zaden in de volle zon plaatsen is zeker ook niet goed, ze kunnen dan verbranden.

Temperatuur: Elk chemisch proces heeft een bepaald temperatuur nodig om door te kunnen gaan. Als een zaadje het te warm of te koud heeft zal het niet ontkiemen en sommige zaden hebben bepaalde grenzen waarboven of waaronder ze er niet over zullen denken om te ontkiemen.

In het algemeen kun je zeggen dat warmte ontkieming bevordert maar teveel warmte remt het af. Dit is logisch als je bedenkt dat het zaadje moet weten dat het lente is en nog geen zomer.

Bij het bewaren van zaad kan ook nogal eens wat mis gaan, als u zaden krijgt en u bent niet van plan ze direct te zaaien dan is het het beste om ze in de ijskast te bewaren, de zakjes in een afgesloten plastic bakje. De meeste zaden behouden hun levensvatbare eigenschappen gedurende twee jaar op kamertemperatuur, maar een koude bewaring is toch beter voor ze, het zou zelfs de levensduur van de zaden verlengen. Bewaar uw zaden NOOIT in de serre, de warmte en de vochtigheid zijn dodelijk voor uw zaden, ze hebben dan maar een levensverwachting van zes weken ipv. twee tot drie jaar.

 

4    Voor- en nadelen van zaaien
In de plantenteelt zijn er twee manieren om planten te vermeerderen, namelijk

  1. a) geslachtelijk (zaaien)
  2. b) ongeslachtelijk.

Vergelijk je beide manieren met elkaar, dan heeft zaaien de volgende voor- en nadelen

Voordelen van zaaien

  • Je hebt na zaaien vrij snel een groot aantal nieuwe planten.
  • De kans op het overbrengen van virusziekten is kleiner.

Nadelen van zaaien

  • Het is niet altijd eenvoudig om zaden te winnen.
  • Het duurt langer voordat er een kant-en-klare plant is die de markt op kan.
  • Omdat het zaad afkomstig is van een moederplant en van een vaderplant, heeft die ook twee verschillende groepen van eigenschappen. De nieuwe planten die uit het zaad ontstaan, kunnen daardoor sterk afwijken van de ouderplanten. Ze kunnen beter of slechter zijn.
Een tuincentrum verkoopt veel verschillende soorten zaadjes van planten.

5  Manieren van zaaien
Zaaien kan op vele manieren. Die manieren hebben voor- en nadelen 

Ter plaatse of niet ter plaatse
In de landbouw worden de gewassen ter plaatse gezaaid. Ook gazons worden vaak ter plaatse gezaaid.
Ter plaatse wil zeggen dat je zaait op de plaats waar de planten kunnen blijven groeien tot ze oogstbaar zijn. Ter plaatse zaaien kan breedwerpig of in rijen gebeuren.

In de tuinbouw zaait men meestal niet ter plaatse. Niet ter plaatse zaaien wil zeggen dat de plantjes na een lange of korte periode verplaatst worden. Dit gebeurt onder andere met de meeste groenten, een- en tweejarige planten.
Bij het niet ter plaatse zaaien zaait eerst in speciale zaaibakken of in zaaitrays. Een zaaitray is een voorgevormde plastic plaat waar zaadjes machinaal in kleine kluitjes aarde worden gezaaid. Na het ontkiemen zet men de plantjes met het inmiddels doorgewortelde kluitje in een pot. Het grote voordeel van deze methode (vergeleken met verspenen) is dat je de wortels niet beschadigt. Hierdoor krijg je een snelle doorgroei.

 

 

6  Zaaimethoden
Zaaien gebeurt op drie manieren:
– breedwerpig;
– zaaien op rij;
– precisiezaai;
– dibbelen.

breedwerpig zaaien

6.1      Breedwerpig zaaien
Bij breedwerpig zaaien strooi je het zaad over het gehele perceel. Eerst maak je de grond fijn en los. Daarna verdeel je het zaad zo regelmatig mogelijk over het perceel. Breedwerpig zaaien is mogelijk met kleinere zaden. Het moet erg gelijkmatig gebeuren.
Na het zaaien moet je soms lichtjes met een hark over het perceel gaan. Hierna bedek je de zaden met een dun laagje aarde. Vervolgens rol je de grond, zodat de zaden goed in contact komen met de vochtige grond. De zaden ontkiemen kriskras over het perceel verspreid. Het is dan ook moeilijk om op een later moment het onkruid tussen de planten te verwijderen.
Breedwerpig zaaien gebeurt bijvoorbeeld bij gras en spinazie.

 

op rijen zaaien

6.2      Zaaien op rij
In de praktijk worden bijna alle gewassen op rij gezaaid. Denk maar aan wortels, maïs en granen. Eerst trek je in de grond kleine geultjes. De diepte van de geultjes is afhankelijk van de grootte van de zaden: hoe groter de zaden, hoe dieper de geultjes. Als hulpmiddel bij het zaaien gebruik je bijvoorbeeld een schoffel. Grootschalig gebeurt het met een zaaimachine. Na het zaaien maak je het geultje dicht en druk je de grond zachtjes aan.
Let erop dat de onderlinge rijenafstand groot genoeg is. Je moet het onkruid mechanisch kunnen bestrijden, bijvoorbeeld met een schoffel of hak.

 

 

6.3  Dibbelen
Dibbelen is het zaaien op hoopjes. Dit past men vaak toe bij groenten in de moestuin. Voorbeelden zijn erwten en bonen.

7  Grond zaaiklaar maken

Als je in de tuin gaat zaaien, moet je ook eerst de grond bewerken. Je gaat eerst spitten en dan harken. Tijdens het harken maak je de grond vlak. Dat heet egaliseren.
Werkwijze:
1   Spit de grond om.
2   Let tijdens het spitten op je houding. Voorkom rugklachten!
3   Na het spitten maak je de kluiten klein. Dat doe je met de rug van de hark.
4   Pak de hark vast zoals in de figuur.

Met de hark worden de kluiten kapotgeslagen.

 5   Sla met de rug van de hark de kluiten kapot.
6   Als alle kluiten klein zijn, ga je egaliseren. Dat doe je ook met de hark.
7   Blijf de hark op dezelfde manier vasthouden.
8   Waar bergjes liggen, hark je de grond weg naar de dalen.
9   Blijf dit doen totdat de grond zo vlak is als een biljartlaken!
10 Als je klaar bent, maak je het gereedschap schoon en ruim je alles netjes op.

 

 

 

 

 

 

8  Zaaien op rijen in de volle grond met de hand

Als je thuis in je tuin wil gaan zaaien, heb je niet direct een zaaimachine bij de hand. Je kunt ook met hele eenvoudige materialen in de volle grond zaaien.

 

 

 

Benodigdheden
– hark
– schoffel
– riek
– spade
– gieter met broes
– pakje zaadnaamkaartjes

Werkwijze
1   Maak het zaaibed gereed:
–   maak de grond onkruidvrij door te spitten;
–   hark de grond gelijk vlak.
2   Maak over de lengte van het zaaibed sleuven van twee centimeter diep. Om rechte sleuven te krijgen kun je gebruik maken van een lange stok of van een pootlijn die je uitzet. De afstand tussen de sleuven is afhankelijk van het soort planten (zie daarvoor de beschrijving op het pakje zaad).
3   Zaai het zaad in de sleuven; leg grote zaden op de juiste afstand uit elkaar; strooi kleine zaden dun in de geul uit.
4   Maak de sleuven dicht met de achterkant van de hark en druk deze licht aan met een plankje.
5   Vul de naamkaartjes in en steek de ingevulde naamkaartjes in de grond.
6   Geef bij droge grond water met een gieter met een fijne broes.

9  Breedwerpig zaaien in een zaaibakje

Kweken in zaaibakken

Zaadjes kun je opkweken in zaaibakjes. Een zaaibakje moet schoon zijn en het liefst ontsmet. In het bakje doe je in zaaigrond. De bovenste zandlaag moet je zeven. Die laag moet goed vlak zijn, zodat er bij het water geven geen plassen ontstaan.
Als je de zaadjes gezaaid hebt, dek je ze af met een klein laagje zaaigrond. Gebruik niet meer dan dat het zaad dik is. Hele kleine zaden en zaden die licht nodig hebben om te kiemen, hoef je niet af te dekken. Zorg er altijd voor dat de zaaibak voldoende vochtig is. Als laatste dek je de zaaikist af met een glasplaat of plastic tot dat de zaden gekiemd zijn. Dit is om het uitdrogen te voorkomen.
Je moet altijd ongeveer 1 cm onder de rand van het zaaikistje blijven. Als de zaden dan uitkomen, staan ze niet gelijk tegen het glas of het plastic aan.

 

Stappenplan voor een zaaikist
– Kistje schoonmaken
– Zaaigrond zeven (fijne grond)
– Kist voor drievierde vullen met grond
– Randen licht aandrukken
– Afvullen met gezeefde grond
– Grond vlak maken

Zaaien
– Klein laagje grond erover doen (net zo dik als zaad zelf is)
– Licht aandrukken
– Water geven indien nodig
– Wegzetten en afdekken met glasplaat of plastic
– Werkplek schoonmaken en het gebruikte gereedschap schoon opruimen

10 Zaadsoorten

Begonia’s worden gekweekt uit erg duur begoniazaad!

Er zijn duizenden zaadsoorten. Die zaadjes verschillen in grootte, kleur vorm et cetera. Ze verschillen ook in prijs! Sommige zaadjes zijn zo duur, dat ze tot de duurste producten op aarde behoren. Een voorbeeld is begoniazaad. Duizend zaadjes is ongeveer 1/16 gram. Stel je eens voor hoe klein die zaadjes zijn: heel, heel erg klein! Een hoeveelheid van 1/16 gram kost ongeveer 15 euro. Een gram begoniazaad kost dus 16 x 15 euro = 900 euro. En een kilo dus 1000 keer zoveel: 900.000 euro! Daar heb je dan ook wel 16.000.000 planten voor. Als je het bedrag omrekent naar een bedrag per plantje, valt het dus wel mee.

Er zijn andere zaden die veel groter zijn, bijvoorbeeld het afrikanenzaad (Tagetes). Duizend van die zaadjes wegen ongeveer 5 gram. Duizend zaadjes van zonnebloemen wegen nog veel zwaarder: 100 gram. Zo zie je, dat de grootte van zaden erg verschillend kan zijn.

 

 

11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

 

Stel u eerst de volgende vragen: is het zaad leefbaar, slaapt het, is het het goede seizoen, moet de zaadhuid doorbroken worden, is het zaad te koud, te warm, te nat, te droog?

U heeft aan alle voorwaarden voldaan, alles volgens het boekje, de juiste temperatuur, goede grond, genoeg licht, niet in de volle zon, goed bewaard en toch komen uw zaden niet uit.

Misschien zijn de zaden te oud en hebben ze geen levenskracht meer. Dit zal u waarschijnlijk niet gebeuren als u zaad krijgt van grote erkende zaadhuizen maar het is mogelijk als u het uit een onbekende bron krijgt. Toch zal dit niet vaak gebeuren.

Het is waarschijnlijker dat het zaad nog steeds slaapt en dat er verschillende stappen genomen moeten worden om het uit deze slaap te halen.

De zaadhuid is te hard en moet doorbroken worden: dit geldt voor bv. Lathyrus en Lupinen. We weken deze zaden 24h in lauw water en zaaien ze daarna. Een andere mogelijkheid is om een stukje van de zaadhuid af te schrapen, u moet hier wel oppassen dat u het ´oog´ niet raakt, een puntje aan de zijkant van het zaad.

Het zaad is een vorst- of koudekiemer: veel zaden hebben een soort rem op hun ontkieming die opgeheven moet worden, en dit gebeurt door middel van kou. Koudekiemers zaait u in vochtige tuinturf, geef ze dan een paar dagen de tijd om het vocht op te nemen en stel ze dan bloot aan kou, zet de bakjes (of plastic zakjes) in de ijskast en laat ze daar 3 tot 6 weken instaan. Als er kiemplantjes verschijnen is het uiteraard tijd om ze eruit te halen.

Vorstkiemers zaait u best in het najaar en laat ze in de winter buiten staan, let er dan wel op dat de zaden niet uit de bakjes kunnen wegspoelen door de regen of dat muizen het niet als wintervoedsel gaan gebruiken, bescherm uw bakken. Haal ze in februari weer binnen en geef ze een hogere temperatuur, als ze beginnen te kiemen behandeld u ze verder als gewone zaailingen. Zelf heb ik het ook al aangedurfd om een paar bakjes in de diepvries te zetten voor een week om daarna de bevroren bakjes op hun gemak te laten ontdooien en ze dan wat meer warmte te geven. Voor verschillende soorten is mij dit gelukt maar niet allemaal. Ik zou er dus geen algemene regel van willen maken.

 

Vermeerdering ongeslachtelijk

Inleiding
Het ongeslachtelijk vermeerderen van cultuurplanten gebeurt voornamelijk kunstmatig. Omdat het nogal een voorkomt dat klanten ernaar vragen zullen we de belangrijkste manieren behandelen.

Als we planten vermeerderen door zaad noemen we dat geslachtelijk (generatief).
Als we bij de vermeerdering uitgaan van een stukje plant noemen we dat ongeslachtelijk (vegetatief)  Er zijn vele manieren van ongeslachtelijke vermeerdering. Voorbeelden van ongeslachtelijke vermeerdering zijn stekken, scheuren, uitlopers, broedplantjes, sporen, bolle, knollen, wortelstokken, enten en weefselkweek.

1          zaaien of ongeslachtelijk vermeerderen?
Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt, na bestuiving, in de bloem.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

Ongeslachtelijk vermeerderen is minder eenvoudig. Hierbij gebruik je een stukje van ėėn plant om een nieuwe plant te krijgen.  Plantendelen kunnen alleen uitlopen als er knoppen opzitten. Normaal geldt dat voor de stengel. Er zijn echter ook planten waarbij andere organen knoppen bevatten. Deze knoppen heten toevallige knoppen ofwel adventiefknoppen, of slapende ogen. In die gevallen kun je voor de vermeerdering ook andere plantendelen gebruiken.

2          Stekken
De meest toegepaste manier van ongeslachtelijke vermeerdering is stekken.
In de meeste gevallen gebruik je bij het stekken een stukje stengel met een of meerdere blaadjes. We maken onderscheid in kopstek en tussenstek.
Ook komt het voor dat men enkel een stukje stengel gebruikt. Je spreekt dan over stengelstek.
Bij sommige plantensoorten maakt men gebruik van andere organen. We hebben dan te maken met bladstek en wortelstek.

2.1 kop- en tussenstek
Men spreekt over kopstek wanneer je voor de vermeerdering een stukje stengel met bladeren en een eindknop gebruikt. De onderste bladeren worden verwijderd.
Bij tussenstekken heb je geen eindknoppen. Als een tussenstek slechts een knop, en dus ook een knoop, bevat spreek je over oogstek. Oog is een ander woord voor knop. In het laatste geval kun je geen blad verwijderen. Kop- en tussenstekken kom je bijvoorbeeld tegen bij Fuchsia en Pelargonium.

Als je een stengel hebt kun je daar een kopstek en meerdere tussenstekken uithalen. Om deze reden kiest men vaak voor tussenstek. Een andere reden om tussenstek te maken is de hardheid. Als kopstek te zacht is zal deze verdrogen of gaan rotten. Als er aan een stek een stukje houtachtige stengel zit spreekt men over stek met een hieltje. Stekken worden recht afgesneden zodat de wond zo klein mogelijk is. Na het snijden worden zo snel mogelijk weggestoken in stekgrond.

 

 

Particulieren stekken wel op water. Het stekje vormt dan waterwortels. Na het oppotten moet de plant dan alsnog grondwortels maken.

 

 

 

 

Voor het stekken in grond gebruikt men allerlei bakjes. Tuincentra verkopen vaak speciale stekbakjes en potjes. De stekken komen tot het onderste blaadje in de grond.  Ze worden goed aangedrukt. Vetplanten laat men na het snijden eerst drogen. Om het bewortelen te versnellen kun je gebruik maken van stekpoeder. Om het uitdrogen door verdamping  te voorkomen worden stekken in veel gevallen onder plastic folie geplaatst. Klanten kun je adviseren om in een bloempotje te stekken met daarover heen een plastic zak.

2.2 Bladstek
Als bladeren toevallige knoppen bevatten kun je deze in veel gevallen stekken. Dit geldt bijvoorbeeld voor Saintpaulia, Peperomia, Begonia, Sansevieria en veel cactussen. Als bladeren niet te groot zijn en ze hebben een duidelijke bladsteel dan wordt de bladsteel tot aan de bladschijf in de stekgrond gestoken. De jonge plantjes ontstaan dan bij de bladsteel. Bij sommige planten gebruikt men stukjes blad om te steken. Dit geldt bijvoorbeeld voor bladbegonia en Sansevieria. Sansevieria heeft als nadeel dat de jonge plantjes de gekleurde bladrand missen.

 

3  Scheuren
Scheuren of delen is een methode die je kunt toepassen bij planten die met meerdere stengels uit de grond komen. Het komt veel voor bij vaste planten.

De plant wordt dan in twee of meerdere stukken opgedeeld. Slechte delen worden verwijderd.
Ook planten die uit zichzelf jonge planten naast de oude plant vormen worden gescheurd bijvoorbeeld Clivia en diverse bromelia’s.

Bij harde wortels moet je vaak gebruik maken van een mes of een schop. Als je de stukken apart uitplant heb je meerder planten gekregen. Deze methode kun je bijvoorbeeld toepassen bij Asparagus en Sansevieria. Het duurt erg lang voordat je op deze wijze veel nakomelingen hebt.

 

4    Uitlopers en broedplantjes
Bepaalde planten vormen zelf nieuwe planten. Deze hangen dan aan de moederplant zoals bij de aardbei, de Chlorophytum en de Saxifraga. Dit heet uitlopers.
Bij andere planten zitten de jonge plantjes  op andere organen als bladeren. Dit komt bijvoorbeeld voor bij Tolmia en Kalanchoe. en heet broedplantjes.

Uitlopers en broedplantjes kun je rechtstreeks oppotten.

 

 

 

5   Sporen

Een aantal planten vormen. Ook dit is ongeslachtelijk. Het zijn stoffijne deeltjes die zich vaak in hoopjes onder het blad bevinden. Bladeren met rijpe sporen kun je verzamelen, in papier gedraaid drogen, fijn wrijven en daarna als zaad uitstrooien.

 

6  Afleggen
Als zijtakken de grond raken gaan deze vaak wortelen. Zijtakken kunnen op die manier uitgroeien tot een nieuwe plant. Bij kunstmatig afleggen wordt een tak van een struik of boom naar de grond gebogen en vast gezet. Om wortelvorming te bevorderen kan er een kleine wond in de tak worden gesneden. (er wordt dan callusweefsel gevormd bij de wond waardoor wortelvorming bevorderd wordt).
Afleggen komt o.a. voor bij bramen, bessen en forsythia.

 

 

 

7  Bollen

Een bol is een ondergronds orgaan, dat bij sommige planten voorkomt. De bol wordt gevormd door een kort stengeldeel (de bolschijf) waarop een aantal bladeren staat. De buitenste bladeren zijn soms droog, vliezig en verkleurd; men noemt ze vliezen. De andere bladeren zijn steeds min of meer sappig en bevatten reservevoedsel; men noemt ze bolrokken.

 

 

schubben

Als de bladeren klein zijn als bij de bol van een lelie worden de bladeren bolschubben genoemd. We spreken van gerokte en geschubde bollen.

Op de bolschijf staan ook de eindknop en de okselknoppen. De eindknop kan uitgroeien tot bovengrondse delen: gewone bladeren en bloemen. De okselknoppen worden bij de bol klisters genoemd. Ze kunnen nieuwe bollen vormen.
Bij bollen maakt men ook onderscheid tussen eenjarige bollen en meerderjarige bollen. Eenjarige bollen worden elk jaar leeggezogen. De okselknoppen in de bol groeien uit tot nieuwe bollen. Meerderjarige bollen als hyacinten en lelies vormen alleen nieuwe bolletjes als de oude bol beschadigd is.

 

8  Knollen
We onderscheiden stengelknollen en wortelknollen.
Stengelknollen zijn verdikte stengels. Ook hier onderscheidt men eenjarige knollen en meerderjarige knollen.
Aardappels zijn eenjarige stengelknollen. Deze plant vormt ondergrondse uitlopers (zijstengels) waaraan knollen (verdikte stengels) ontstaan. Deze jonge knollen kunnen weer uitgroeien tot nieuwe planten. Aan de ogen (okselknoppen) kan men zien met een stengel te doen te hebben. Stengelknollen komen ook voor bij krokus en dahlia. Meerderjarige knollen kun je niet ongeslachtelijk vermeerderen. Deze tref je bijvoorbeeld aan bij knolbegonia en cyclaam.

Wortelknollen zijn verdikte wortels. Dahlia,s zijn planten met wortelknollen. Als er stukken van de wortelpruik afbreken kunnen deze uitgroeien tot nieuwe planten.
Omdat wortels in het algemeen geen knoppen hebben kunnen ze alleen uitlopen als er een stukje stengel met knoppen aanzit.  Bij het scheuren van

9  Wortelstokken
Een wortelstok is een ondergronds stengeldeel. Uit iedere knop kan een nieuw plantje kan ontstaan. Vele lastige onkruiden als brandnetel, kweek en zevenblad vermeerderen zich op deze manier. Ook zijn er veel sierplanten die zich via wortelstokken door de tuin verspreiden.

 

 

 

 

 

 

10  Veredelen (enten)
Bij veredelen ofwel enten wordt het vruchtdragende bovendeel (de ent) van een boom of struik op een onderstam geplaatst. De onderstam kan van dezelfde- maar ook van een ander soort zijn maar moet wel tot de familie behoren.
Enten  wordt gedaan bij bomen, struiken en groenten. Er zijn diverse redenen voor bijvoorbeeld:
– plant wortelt moeilijk;
– plant heeft een lange tijd nodig om vrucht te ontwikkelen ( Walnoot en Kiwi’s  krijgen pas na 10 jaar vrucht).
– Regelen van de groeikracht (grootte en groeisnelheid)
– Voorkomen van bodemziektes.

Oculeren – is een vorm van veredelen. Alleen een knop met een stukje bast wordt op het cambium van de onderstam gezet. Dit past men bijvoorbeeld toe bij rozen en fruitbomen.

11    In vitro-teelt (meristeemcultuur)

Bij meristeemcultuur wordt een uiterst klein groeipuntje (meristeem) op een voedingsbodem gezet. Hieruit ontstaat een klompje cellen, dat men weer kan delen enz. Zo kan men uit één individu zeer veel nakomelingen verkrijgen. Als men een nieuw ras aan het ontwikkelen is en men slechts een of enkele exemplaren hiervan heeft is dit een zeer geschikte manier om in korte tijd toch over veel “nakomelingen” te beschikken. Als planten uit een ouderplant ontstaan zijn spreken we van een kloon. Bij anjers wordt deze techniek gebruikt voor het kweken van virusvrije planten.

 

 

 

 

 

12    Marcotteren
Bij marcoteren wordt een ring uit de bast gesneden of een ijzerdraadje heel strak om de tak gewikkeld, zodat er een wond ontstaat. De wond wordt omwikkeld met vochtig gemaakt veenmos (veenmos) waar omheen een plasticzakje gewikkeld wordt. Daar omheen zwart plastic wikkelen (zwart houdt warmte vast) zodat wortelvorming sneller plaatstvindt.

 

 

 

Verduurzamen van hout

Inleiding
De levensduur van Europees tuinhout is beperkt. Toch kun je het langer als tuinhout gebruiken door het te verduurzamen. Verduurzamen van hout is een methode waarbij je het hout meestal inwendig behandelt zodat het bestand is tegen allerlei vormen van aantasting.

1 Aantasting en bederf
Er zijn vier verschillende factoren waardoor aantasting kan optreden:

  • vocht;
  • schimmels en insecten;
  • zuurstof;
  • (hoge) temperatuur.

2 Verduurzamen
Hout kun je niet zomaar verduurzamen. Eerst moet je het hout:

  • drogen;
  • ontdoen van bast- en schorsresten;
  • alle houtverbindingen en boorgaten aanbrengen, zodat deze bewerkingen de verduurzaming niet (gedeel- telijk) ongedaan maken.

Om hout te verduurzamen kun je kiezen voor verschillende methoden.
Je kunt onder andere kiezen voor:

  • de Vacuümdrukmethode;
  • de Bespuit- of bestrijkmethode;
  • Drenken;
  • Dompelen.

2.1 Vacuümdrukmethode
Bij de Vacuümdrukmethode plaats je het hout in een grote metalen cilinder (tot vierentwintig meter lang en twee meter breed) waar je de lucht uit haalt (vacuüm). Zo’n cilinder heet een autoclaaf. Wanneer het vacuüm bereikt is, giet je het verduurzamingsmiddel in de autoclaaf en voer je de druk op tot ongeveer tien atmosfeer.
Zo pers je het verduurzamingsmiddel in het hout. Na afloop trek je de autoclaaf weer vacuüm om al het over- tollige middel terug in de voorraadtank te laten stromen. De tijd dat het hout in de autoclaaf ligt, is afhankelijk van de houtsoort. Deze manier van verduurzamen is verreweg de duurste, maar geeft ook het allerbeste effect. Vrijwel alle bedrijven passen deze methode toe. Als je het hout na het impregneren geforceerd droogt, zorg je er voor dat het middel ‘op zijn plaats blijft’.

2.2 Bespuit- of bestrijkmethode
Bij de Bespuit- of bestrijkmethode bespuit of bestrijk je het hout met het verduurzamingsmiddel. Dit kan de klant zelf doen maar is een minder goede methode. Met deze methode kun je namelijk scheuren en naden  niet  verduurzamen,  omdat  je  ze  niet  of  onvoldoende  met  het  middel  kunt  bewerken.  Omdat  deze scheuren en naden niet verduurzaamd zijn, kunnen hier gemakkelijk micro-organismen, schimmels en insecten naar binnen. Bedrijven gebruiken deze methode niet.
De Bespuit- of bestrijkmethode lijkt op verven of lakken. Dit zijn echter geen verduurzamingsmethodes.

Je kunt hout behandelen met:
a) Dit is speciale beits voor onderhoud van verduurzaamd hout (hout dat is behandeld);
b) Dit is speciale verfbeits die het hout beschermt tegen weersinvloeden en het bovendien een andere kleur geeft
c) Deze gaat het vergrijzen van teakhouten meubelen en andere hardhoutproducten tegen
d) verf

Met tuinbeits, tuindecoratiebeits en teakolie houdt het hout zijn natuurlijke uitstraling. Met verf kan het  hout  elke  gewenste  kleur  krijgen  maar  de  structuur  van  het  materiaal  wordt onzichtbaar

2.3 Drenken
Bij de methode Drenken dompel je het te verduurzamen hout onder in een bak met verduurzamingsmiddel. Hierbij geldt de vuistregel dat voor iedere centimeter dat het hout dik is, het hout 24 uur ondergedompeld moet blijven met een maximum van zeven dagen. De kern van het hout zul je met deze methode nooit bereiken. De methode Drenken geeft niet zo’n diepe indringing als de vacuümdrukmethode. Bij een dwarsdoorsnede zul je dan ook zien dat het middel lang niet helemaal is ingedrongen.

2.4  Dompelen
De methode Dompelen is een makkelijke methode. Bij deze methode dompel je het te verduurzamen hout in een bak. De dompeltijd varieert tussen de tien en twintig minuten. Doordringing naar de diepere houtdelen is niet mogelijk.

2 Verduurzamingsmiddelen

Het impregneren of verduurzamen van hout gebeurt met chemische middelen. Deze middelen bestrijden de schimmels die houtrot veroorzaken. De chemische middelen moeten lang werken om de schimmels tegen te houden. Het zijn dan ook middelen die langzaam afbreken. Ze zijn daarom milieubelastend.
Welke middelen je mag gebruiken bepaalt het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB). Dit college  is  aangesteld  door  de  overheid  en  toetst  de  bestrijdingsmiddelen  op  hun  toelaatbaarheid.  Punten waarmee het college rekening houdt zijn milieu en volksgezondheid.
Het CTB test zowel nieuwe als reeds eerder toegelaten middelen. De eisen die de overheid stelt, veranderen immers en worden steeds zwaarder. Naast de overheid stellen ook de milieubeweging en de consumentenbond steeds hogere eisen.
Sinds januari 2000 zijn de toelatingsregels weer verzwaard en heeft het CTB een aantal middelen verboden. De verduurzamingsmiddelen mogen nu geen koper, chroom en arseen meer bevatten en ze mogen niet meer gebruikt worden voor de verduurzaming van hout dat bestemd is voor de consument en dat in contact kan komen met de grond, het grondwater of het oppervlaktewater. Handel in en import van verduurzaamd hout is echter nog steeds toegestaan. Ook mogen de impregneerbedrijven doorgaan met het produceren van verduurzaamd hout voor de buitenlandse markt, dus voor de export. Mogelijk worden de regels nog aangescherpt.

De verduurzamingsmiddelen die het CTB sinds januari 2000 heeft verboden, zijn:
Wolmanzouten.
Dit zijn mengsels van koper- en chroomverbindingen aangevuld met arseen, borium, fluor of zink. De wol- manzouten geven het hout de groen-blauwe kleur. Deze middelen bevatten zware metalen en zijn schadelijk voor het milieu.
Creosootolie.
Dit is een destillaat uit steenkoolteer; een middel dat nog maar weinig werd toegepast en al eerder is verboden door het CTB. Met creosootolie verduurzaamd hout heeft een bruine kleur, is vettig en ruikt rokerig.
Carbolineum.
Dit middel lijkt op creosootolie en werd net zoals creosootolie al eerder verboden door het CTB. Bij behan- delingen met carbolineum wordt alleen de oppervlakte bewerkt. Een voordeel van het gebruik van carbolineum is dat droogtescheuren en naden bij deze methoden ook goed worden verduurzaamd.

3 Milieuproblemen (impregneren)
Verduurzamingmiddelen kunnen uitlogen in het milieu. Uitloging is het proces waarbij stoffen uit het hout ontsnappen en terechtkomen in de lucht, het water of de bodem. Deze stoffen zoals arseen, koper en broom zijn slecht afbreekbaar en schadelijk voor bodem- en waterorganismen. De mate van uitlogen van deze stoffen is afhankelijk van hoe goed het verduurzamen is gebeurd.
Het afval van verduurzaamd hout kun je niet zo maar afvoeren. Het storten van dit afval is niet mogelijk door het  proces  van  uitloging van  gevaarlijke  stoffen.  Ook  kun  je  het  afval  niet  zonder  meer  verbranden,  omdat daarbij schadelijke stoffen kunnen vrijkomen. Het is vanwege deze schade aan bodem- en waterleven en de bedreiging  van  de  gezondheid  van  mens  en  dier  dat  de  milieubeweging  en  de  consumentenbond  al  jaren pleiten voor een totaal verbod op verduurzamingsmiddelen.

4 Zonder chemicaliën
Het  is  ook  mogelijk  hout  te  verduurzamen  zonder  het  gebruik  van  chemicaliën  Voorbeelden  van  dergelijke methoden zijn:

  • de Stellac-methode;
  • de PLATO-methode;
  • de Perdure-methode.

4.1 Stellac-methode
Bij de Stellac-methode maak je het hout duurzaam door stoffen die van nature in het hout zitten op een of andere manier te laten reageren op warmte. De duurzaamheid van Stellac-hout is te vergelijken met Bangkirai en Azobé (duurzaamheidklasse 1 en 2). De Stellac-methode is genoemd naar het Finse bedrijf Stellac Oy dat de methode heeft ontwikkeld.
4.2 PLATO-methode
De PLATO-methode is weer heel anders. PLATO staat voor het Providing Lasting Advanced Timber Option- proces. Vertaald betekent dit zoveel als voorzien in een blijvend goed soort hout. In het PLATO-proces wordt hout in een waterige oplossing onder hoge temperatuur en druk verdicht waardoor de hardheid en duurzaamheid van het hout worden vergroot. De PLATO-methode duurt vier tot zes uur, afhankelijk van het soort hout. Daarna start het drogen dat enkele dagen kan duren. Na de eerste verhitting vindt een tweede verhitting plaats. Het hout wordt ongevoelig voor schimmels en insecten. Net als hardhout valt met de PLATO-methode behandeld hout onder de duurzaamheidklasse 1 en 2. Het effect van het PLATO-proces op het milieu lijkt gunstig ten opzichte van andere verduurzamingmethoden. Je gebruikt bij deze methode geen schadelijke chemicaliën. Daarnaast is de totale hoeveelheid energie die je met deze methode verbruikt vergelijkbaar met het energie- verbruik van andere methoden. De productiekosten van het PLATO-hout zijn relatief hoog.
4.3 Perdure-methode
Dan bestaat er ook nog de Perdure-methode. Het Perdure-hout is gemaakt van massief hout of houtvezels. Deze grondstof ondergaat een hittebehandeling waarbij het hout vaster van structuur wordt. Het product neemt door de behandeling minder vocht op. De vorm wordt vaster: krimpen en uitzetten zijn daardoor tot een minimum teruggebracht.

5  Tropisch Hardhout
Tropisch hardhout komt van langzaam gegroeide bomen en is daardoor hard en minder gevoelig voor bederf. In dit langzaam groeien schuilt het probleem dat vervanging van bomen lang duurt. Hierdoor worden tropische bossen bedreigd.

Het tropische regenwoud vervult een aantal functies:

  • Bescherming tegen bodemerosie (bij hevige regen spoelen anders hele bodemgedeelten weg).
  • Opslag van  erfelijk  materiaal  (hierdoor  is  het  mogelijk  meer  gewassen  te  kruizen  en  is  er  meer  erfelijk materiaal).
  • Opslag van geneeskundige planten;
  • Herbergen van soms nog onbekende dier- en plantensoorten.
  • Leefgebied voor mensen die daar al jaren leven.
  • Economische waarde (het hout brengt geld op waar weer andere producten mee kunnen worden gekocht).

Het oorspronkelijk regenwoud, waar de mens geen invloed op heeft gehad, heeft een natuurlijk evenwicht. De plantengroei (de binding van koolstof) enerzijds en de vertering/verrotting (productie van koolstof) anderzijds vormen een evenwicht.
Het verdwijnen van de tropische bossen heeft een aantal oorzaken. De bevolkingsaanwas is groot. Mensen moeten kunnen wonen en eten. Het gevolg hiervan is uitbreiding van bestaande steden en het vestigen van nieuwe. Dit heeft weer tot gevolg dat er een toename is van de vraag naar landbouwgronden (vaak zwerfland- bouw). Daarnaast ontwikkelt de industrie zich. Voor al deze activiteiten is hout nodig, als bouwmateriaal en als brandstof. Daarbij is het landelijk inkomen vaak heel laag. De verkoop van hout is nodig om de aankoop van andere goederen te bekostigen.

International Tropical Timber Organization (ITTO)
Het verdwijnen van de regenwouden is vooral te wijten aan:

  • de stedenbouw;
  • industrie en infrastructuur;
  • de zwerflandbouw;
  • de aanleg van plantages voor bijvoorbeeld koffie en thee.

Zwerflandbouw  wordt  door  de  arme  bevolking  uitgevoerd  om  in  leven  te  blijven.  Slechts  weinig  hout  wordt gekapt voor de verkoop; het is grotendeels voor eigen gebruik. Denk maar eens aan Nederland dat vroeger een land met water en bos was. Door de bevolkingsgroei ontstaat verstedelijking. De bossen worden gekapt om plaats te maken voor de mens. De omvang van de export van tropisch hardhout is maar een fractie van de totale houtkap. Waar wel naar moet worden gestreefd, is om in goed overleg met de betreffende landen te komen tot een verantwoord bosbeheer. Dit betekent niet alleen bos kappen, maar ook de beplanting instand- houden.

Speciaal daarvoor is de International Tropical Timber Organization (ITTO) opgericht. In deze organisatie zijn producerende landen en consumerende landen vertegenwoordigd. Het doel van de organisatie is om het tropisch regenwoud niet verder te laten slinken. Duurzaam bosbeheer speelt hierbij een belangrijke rol.

6 Vervangers van tropisch hardhout
Een andere manier om het probleem van de regenwouden op te lossen is het zoeken naar mogelijke vervangers van tropisch hardhout. Er zijn genoeg houtsoorten met dezelfde natuurlijke duurzaamheid. Robinia gaat van nature net zo lang mee als tropisch hout, klasse 1 of 2, maar op dit moment is het nog niet mogelijk Robinia te leveren met voldoende lengte en dikte. Bovendien zijn er in het verleden weinig Robiniabomen aangeplant voor de houtproductie. De bomen zijn pas na ongeveer veertig jaar volgroeid en geschikt om te worden verzaagd. Op dit moment worden de bestaande soorten geselecteerd op groeisnelheid om zo in kortere tijd meer volgroeide bomen te krijgen. Maar het duurt nog enkele jaren voordat dit effect heeft.

Vaste planten

Inleiding
Een vaste plant is een plant die langer dan twee jaar leeft. Ze worden ook wel overblijvende of overjarige plant genoemd.
De term “vaste plant” wordt gebruikt voor niet-houtige planten (kruiden). Klanten hanteren het begrip vaste plant vaak fouttief voor alle planten die overwinteren.

1      Kenmerken
– Vaste planten sterven in de winter meestal boven de grond af.
– Ze zijn kruidachtig
– In het voorjaar lopen ze opnieuw uit en komen weer boven de grond
– Ze worden voornamelijk als borderplant gebruikt
– Sommige vaste planten bedekken de bodem
– Ze hebben soms mooie snijbloemen 

2      Steunen
Sommige vaste planten vallen om als je ze niet vastbindt. Vooral na een regenbui kunnen planten topzwaar worden.
Meestal bind je de vaste planten tijdens het groeiseizoen aan. Planten kun je aanbinden met tonkinstokken, touw en/of raffia. Je kunt ook plastic plantensteunen gebruiken.

Er zijn verschillende manieren van opbinden. Bijvoorbeeld:

  • stokken achter de plant plaatsen;
  • stokken in de plant plaatsen;
  • stokken om de plant plaatsen.
Zo kun je vaste planten ondersteunen

Aandachtspunten bij het plaatsen van stokken

Stokken achter de plant

  • Let op de groeirichting van de plant.
  • Gebruik per plant één stok.
  • Steek de stok diep in de grond, zodat hij vast staat.

Stokken in de plant

  • Gebruik per plant één stok.
  • Plaats de stok in het midden van de plant. Zorg dat de plant als een toefje om de stok zit.
  • Steek de stok diep in de grond, zodat hij vast staat.

Stokken op hoeken van de plant

  • Gebruik drie stokken voor elke plant.
  • Plaats de stokken op de windhoeken van de plant.
  • Steek de stokken diep in de grond, zodat ze vast staan.

Aandachtspunten bij het vastbinden

–       Maak van de raffia of het touw een ruime lus om de plant.
–       Knoop de raffia of het touw om de stok. Houd rekening met de natuurlijke vorm van de plant. Trek de raffia dus niet te strak aan!
–       Snijd de eindjes touw af.

3      Scheuren
In een border staan vaak vaste planten. Om vaste planten jong en levendig te houden moet je ze verjongen. Dit doe je door ze te scheuren. Scheuren is tevens een manier van vermeerderen.
Je scheurt planten als ze te groot of te oud worden. Doe je dat niet, dan groeien ze minder goed of sterven ze af in het midden van de pol.

Redenen
Vaste planten groeien vanuit het midden van de planten pol naar buiten toe. De jongste en groeikrachtigste plantjes zitten dus altijd aan de buitenkant van de pol. Na verschillende jaren zal het centrum minder groeikrachtig worden en de stengels in het hart van de plant worden dan ook een stuk lager dan de buitenste takken. Als je dit opmerkt dan wordt het tijd om de plant te verjongen. Dit kan dan door ze te scheuren of delen.

Werkwijze
Scheuren is planten met genoeg wortels uit elkaar trekken om zo twee of meerdere planten te verkrijgen. Het gebeurt met vaste planten en sierheesters (struiken). De planten die we scheuren noemen we de moederplanten.
Scheurperioden:
a) HERFST: september – oktober – november.
b) LENTE: maart – april – mei.
De voorkeur gaat uit naar het voorjaar. De pas gedeelde plantjes hoeven dan niet onmiddellijk strenge vorst te trotseren. Daarentegen kunnen ze in het lentezonnetje beginnen met nieuwe wortels en bladeren te vormen, zodat we vrij snel kunnen genieten van onze nieuwe plantjes.

–     De moederplanten verzamelen als ze nog in rust zijn of net beginnen uit te lopen.
–     Steek de vaste plant in zijn geheel uit de grond.
–     De planten met de hand scheuren, met een mes, snoeischaar of een spade.
–     Zorg ervoor dat de gescheurde plantjes één of meerdere groeipunten en goede wortels hebben.
–     De nieuwe plantjes oppotten of uitplanten in de tuin op een voedzame grond en begieten.
–     Plant de planten met het plantschopje. Druk de grond stevig aan.
–     De planten afharden en afschermen tegen de volle zon.
–     Als we scheuren in de herfst moeten we deze vorstvrij overwinteren.

Aandachtspunten
Probeer het aantal scheurwonden te beperken en zorg ervoor dat ze zo gaaf mogelijk zijn. Als je een (bijna) bloeiende plant scheurt, dan verwijdert u het best alle bloemknoppen, bloemen, zaden en vruchten. Bloemknoppen die binnen een maand na het scheuren worden gevormd kun je het beste ook nog verwijderen. Deze vragen veel te veel energie van het net gescheurde plantje, die dit beter kan benutten voor wortel- en bladgroei.

4      Uitplanten
De meeste vaste planten worden door scheuren vermeerderd. Ze worden meestal verkocht in vierkante potjes van 9 cm breed en 10 cm hoog. Bij de aankoop moet je erop letten dat de wortels goed doorworteld zijn in het potje. Omdat de planten in een potje verkocht worden, kun je ze het hele jaar door planten. Als planten gerooid en gescheurd worden, is het voorjaar de beste tijd om ze in de grond te zetten.

Bepaal waar de planten komen te staan. Je moet dit plantvak:
– Goed spitten;
– Fijn van structuur maken;
– Vlak afwerken

Het plantvak is in orde als je gemakkelijk met een plantschepje kunt planten. Daarna leg je de planten goed verdeeld en op de juiste plekken klaar. Als het plantvak groot is, kun je het beter in gedeelten spitten en vlak Steek het plantschepje in de losse grond en maak een gat dat voldoende diep is. Zet de plant erin. Voor een snelle aangroei moet je de grond om de plant goed aandrukken. Maak de grond tussen de planten met de hand gelijk. Probeer zo veel mogelijk vanuit één plek te planten. Zo voorkom je dat je de grond dichttrapt. Schuif tijdens het werk de plantpotjes in elkaar en ruim ze direct op. 

Plantdiepte
Je plant nieuwe of gescheurde vaste planten. Dit doe je op dezelfde diepte als dat de planten stonden. Als je de planten te diep plant, hebben ze moeite om door te groeien. Plant je ze niet diep genoeg dan kunnen ze uitdrogen. De wortels komen dan namelijk boven de grond uit!

5      Algemeen onderhoud
Een plantvak met vaste planten moet je het hele jaar door onderhouden. Als je de border niet continue onderhoudt:

  • groeien er planten over de paden;
  • raken sommige planten overwoekerd;
  • zit de border binnen de kortste tijd onder het onkruid;
  • stoppen de planten met bloeien.

Onkruid verwijderen
Je moet regelmatig onkruid verwijderen. Dit doe je met een schrepel of een schoffel, of met de hand. Bij schrepelen haal je heel nauwkeurig onkruid weg met een kleine hak (schrepel).
Schoffelen is een grovere manier van wieden. Dit doe je in grote plantvakken, waar veel ruimte is tussen de planten. Onkruid weghalen met de hand is de ‘fijnste’ manier van wieden.
Bij het verwijderen van het onkruid moet je erop letten dat je de wortels van de vaste planten niet beschadigt. 

Bemesten
De planten in de border onttrekken veel voeding aan de bodem. Daarom moet de border het hele jaar door bijgemest worden. Na de winter gebeurt dit meestal met organische mest. Door het jaar heen gebruik je meestal kunstmest.
Zorg dat je niet te veel mest strooit. Het kan de planten verschroeien. Daarnaast spoelt het teveel aan mest uit in de bodem en verontreinigt het daarmee het milieu.

Afdekken
De meeste vaste planten sterven voor de winter boven de grond af. Van nature beschermen deze planten de wortelhals met het afgestorven blad.
In de tuin is het goed om kwetsbare soorten tijdens de winter af te dekken. Dit kun je doen met bladeren, turfmolm, compost of takken. Gebruik geen folie. Hieronder kunnen de planten stikken. Soorten die niet afsterven kun je tegen uitdroging beschermen door ze te omwikkelen met bijvoorbeeld rietmatten. Breng de beschermlaag aan voor de vorst en verwijder hem in het voorjaar als de kans op strenge vorst voorbij is.

Loof en bloemen verwijderen

Door tijdens de zomer uitgebloeide bloemen weg te nemen gaat er geen energie verloren aan zaadvorming. De plant zal dan rijker en langer bloeien.

Als voor de winter het bovengrondse deel afsterft kun je er voor de netheid van de tuin voor kiezen om de plant boven de grond af te snijden. Als je het blad zijn gang laat gaan zal dit in veel gevallen vanzelf verdwijnen en tijdens de winter de plant beschermen. Afgestorven loof kan tijdens de winter de kale border een decoratieve uitstraling geven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Hypericum in de sneeuw.

6      Sortiment
Hieronder is een kort overzicht van lang bloeiende vaste planten weergegeven.
De afkortingen in de beplantingslijst staan voor:
z = zonnig; hs = halfschaduw; s = schaduw;
n = normale grond; d = droge grond; w = ’s winters afdekken.

 

Plantennaam: Bloeitijd: Kleur: Hoogte (cm): Licht/grond:
Scabiosa butterfly blue 4–10 blauw,lila 40 zn
Veronica peduncularis oxford blue (roodkleurig loof) 5–9 blauw-helder, bloeit niet rijk 30 zd
Anthemis woronowii (stevige stelen) 6–10 creme-geel 70 zd
Bidens heterophylla (grote groeikracht) 6–10 creme-geel, explosieve bloei 200 zhn
Anthemis subtinctoria (diep ingesneden loof) 6–10 creme-witte margrietjes vertakte plant 60 zd
Oenothera missouriensis 5–9 geel 15 zd
Euphorbia pilosa major 5–9 geel grote schermen 45 zn
Euphorbia sequieriana 6–10 geel,groen 60 zn
Heterotheca mucronata 6–10 geel-donkere, kleine bloempjes 70 zn
Euphorbia ceratocarpa (blauwgroen blaadjes rode st.) 5–10 geel-goud, grote schermen 120 zdw
Euphorbia seravschanica (grijzig loof) 6–10 geel-licht 90 zd
Erysimum plantworld series 5–10 geel-lila 25 zd
Diascia lady valerie 6–10 geel-rood 30 zdw
Diascia lilac belle 6–10 lila, kleine bloem 25 zdw
Erysimum bowles mauve 3–10 lila-mauve 60 zdw
Zauschneria garetti (grijsbladig) 6–10 oranje-helder pijpbloemen 15 zd
Meconopsis cambria aurantiaca flore plena 6–10 oranje-rood 40 zhd
Agastache barberi firebird 6–10 oranje-warm 50 zdw
Erysimum wenlock beauty 5–10 paars-dof,geelbruin 30 zd
Erysimum julian orchard 4–10 paars-licht,oranje trossen 35 zd
Geranium ann folkard 6–10 paars-rood 120 zn
Geranium cinerium violaceum 5–9 paars-rood, wit hartje 30 zd
Geranium dillys (lange ranken) 6–10 purper, bloeit talrijk, kleine bloemen 15 zhd
Dicentra formosa bacchanal 5–9 rood-bloed 40 zhn
Gaillardia aristata 6–10 rood-bruin 35 zd
Scabiosa pink mist 5–9 rose 40 zn
Digitalis dubia 5–9 rose 50 zdw
Lavatera thuringiasa candy floss 6–10 rose 150 zd
Geranium swatense 6–10 rose, grote bloemen 35 zdw
Erigeron mucronatus 5–9 rose,wit 25 zdw
Diascia blackthorn apricot 6–10 rose-abrikoze 25 zdw
Diascia rupert lambert 6–10 rose-donker 45 zdw
Diascia anastrepta (dicht uitloper vormend) 6–10 rose-heldere bloem met donkere vlek 20 zd
Dicentra formosa furse’s form (grijsgroen blad) 5–9 rose-licht 50 zhn
Diascia patens 6–10 rose-licht 30 zdw
Diascia integerrima (klein grijsgroene blaadjes) 6–10 rose-licht, trosjes 30 zdw
Geranium sue crug 6–10 rose-purper, grote bloemen 40 zhn
Diascia coral belle 6–10 rose-warm 35 zdw
Lavatera thuringiaca candy floss 6–10 rose-zacht 150 zd
Dicentra formosa langtrees (blauw blad) 5–10 wit 40 zhn
Linanthus nuttalii (fijn naaldachtig loof) 5–9 witte, bloemen uit de vertakingen 15 zd
Anthemis cupaniana (zacht grijsgr.loof,bodembedekker) 5–9 wit,margrietachtig bloem 30 zdw
Potentilla alba (donkergroen blad, kruiper) 5–9 wit-helder, rijkbloeiend rotsplant 15 zd
Corydalis ochraleuca 5–9 wit-romig 30 hn
Lavatera thuriniaca barnskey 6–10 witrose schalen met rood oog 150 zn
Lavatera thuringiaca barnsley 6–10 wit-rose, rood oog 150 zd
Scabiosa irish perpetual (vertakkende plant) 5–9 zacht-blauw 50 zd

BRONNEN                                
Ploeger de Bilt
Rotsplanten

Rotsplantenvereniging

Jacobs plant
Vaste planten lesbrief
Vaste planten uitplanten

Houtkoomen
tuinadvies

 

 

 

Tuinverlichting

Inleiding
De tuin vormt steeds meer een eenheid met het woonhuis. In de tuin wordt dan ook geleefd zoals er binnen geleefd wordt. Tuinverlichting is een van de middelen om dit te realiseren.
Bij tuinverlichting heb je te maken met energievoorziening, lichtbronnen, stijlen, materialen, toepassingsmogelijkheden en allerlei hulpmaterialen.
Voor alles geldt dat er meerdere mogelijkheden zijn. Op een aantal van deze aspecten zullen we ingaan.

1      Geschiedenis
Van  de  Romeinse  keizer  Nero  is  bekend  dat  hij  regelmatig feesten gaf  in  zijn  tuinen. Tijdens  deze  feesten waren die tuinen verlicht met fakkels. Tot ver in de Middeleeuwen maakte men gebruik van eenvoudige olielampjes.  De olie voor deze lampjes werd geperst uit zaden. Een pit, meestal in een tuit, zoog de olie op uit een reservoir. Deze pit kon je aan het uiteinde aansteken. Later  slaagde  de  kaarsenindustrie  erin  de  olie  uit  het  schapenvet  en  rundervet  te  scheiden  van  de  vaste bestanddelen.
Het gebruik van petroleum in de negentiende eeuw leidde tot een betere verlichting met eenvoudigere lampen. Op het einde van de negentiende eeuw kwam ook de gasverlichting in gebruik. Ook werd in deze periode de booglamp uitgevonden: een lamp waarin men elektrische vonken laat overspringen tussen koolspitsen waardoor een fel wit licht ontstaat.
In 1879 maakte Edison een bruikbare gloeilamp. Deze lamp heeft langzamerhand alle andere vormen van verlichting verdrongen.

Nog altijd kun je ervoor kiezen om je tuin te verlichten met fakkels, maar gelukkig zijn er tegenwoordig ook veiligere manieren te vinden. Verlichting in een tuin was in eerste instantie praktisch. Zo kon je na zonsondergang zien waar je liep. Misschien is in de tijd van de Romantiek, toen er veel aandacht was voor natuurbeleving, meer aandacht gekomen voor verlichting van de tuin zelf. Door een uitgekiende verlichting kun je namelijk een sfeer creëren Je kunt spelen met lijnen en vormen. Bomen en struiken die overdag nauwelijks opvallen, kunnen in het juiste licht de tuin een heel ander aanzien geven. De laatste jaren is verlichting vooral ingezet om de veiligheid rond het huis te vergroten. Het spreekt voor zich dat je dan spreekt over kunstlicht. Niemand zou met een veilig gevoel gaan slapen als er buiten zonder enig toezicht nog fakkels branden.

2        Gebruiksmogelijkheden van tuinverlichting

2.1        Functionele tuinverlichting
Als je de tuin vergelijkt met een huiskamer zal het duidelijk zijn wat je verstaat onder functionele verlichting. Een huiskamer zonder licht is niet leefbaar. Misschien is de tuin wel zo donker dat je ’s avonds geen hand voor ogen kunt zien. Om dan zonder struikelen de weg van de schuur of de garage naar de huisdeur te kunnen vinden, heb je gewoon licht nodig. Een vaste lamp is in dit geval praktischer dan elke keer een zaklantaarn meenemen.

2.2    Sfeerverlichting
Met sfeerverlichting kun je na zonsondergang zorgen voor een gezellige omgeving. Maar je kunt ook bomen, struiken of een kunstwerk uitlichten. Dit vraagt een gerichte, sterke, neutraal witte bundel. Als je ’s  avonds  enkel in  de  tuin  wilt  zitten,  dan  kan een  zacht  licht  gericht  op  de  directe omgeving voldoen. Sfeerverlichting kan tevens een functionele toepassing hebben.

2.3 Veiligheidsverlichting
Er  zijn  verschillende  manier  waarop  je  verlichting  kunt  gebruiken  als  beveiliging.  Je  kunt  bijvoorbeeld  met sensoren ervoor zorgen dat de verlichting aangaat als er iemand in de buurt van de lamp komt. Deze veiligheidsverlichting is bedoeld om eventuele indringers af te schrikken. Veiligheidsverlichting kan de bewoners er ook op wijzen dat er iets gebeurt dat niet in de haak is. In dit laatste geval is er vaak sprake van een zwaailicht gecombineerd met een alarm. Daarnaast hebben lampen op opvallende plaatsen om het huis vaak al een preventieve werking. Inbrekers kunnen overdag al zien dat ze ’s nachts beter uit de buurt kunnen blijven.

2.4    Grondspots
Bij grondspots moet je denken aan verlichting die is weggewerkt in de bestrating. Deze verlichting kan zowel decoratief als functioneel zijn. Je kunt bijvoorbeeld een sierlijke boom uitlichten met een grondsport. Dit is een voorbeeld  van  decoratief  gebruik.  Functioneel  is  de  verlichting  als  parkeervakken  of  wandelpaden  worden verlicht. Grondspots zijn uitgevoerd met extra stevig glas, omdat je er over moet kunnen lopen of rijden. Een groot voordeel van deze lampen is dat je ze mooi kunt wegwerken en dat ze overdag bijna onzichtbaar zijn, terwijl ze ’s avonds een mooi lichteffect geven. In grondspots zitten vaak vrij sterke lampen:

Bij de aanleg van grondspots moet je er op letten dat je eerst een bedje van verstevigd zand of fijn grind aanlegt waar je de spots inzet. Dit is nodig voor een goede afwatering, zodat er geen verzakkingen kunnen ontstaan. Op deze manier voorkom je ook dat het glas kan barsten doordat er een verkeerde druk op het glas wordt geplaatst. De armaturen van grondspots zijn meestal van aluminium of roestvrij staal. Daarnaast zijn goede armaturen weerbestendig.

Op alle verpakkingen van verlichting voor zowel binnen als buiten staan twee letters en twee cijfers, bijvoorbeeld IP 44. Hoe hoger het getal des te beter de armatuur bestand is tegen het binnendringen van water en stof. Bij buitenverlichting is het getal altijd hoger dan 44. Je spreekt dan over spatwaterdicht. Bij grondspots ligt de IP- waarde tussen de 65 en 67.

2.5     Onderwaterverlichting
Een lamp in een vijver kan heel decoratief zijn. Het licht trekt vissen en andere onderwaterdieren aan en door het  licht  zijn  ze  goed  zichtbaar.  Onderwater verlichting  moet  waterdicht  zijn.  Water  en  elektriciteit  kunnen gecombineerd levensgevaarlijke situaties veroorzaken.

De meeste onderwater verlichting is laagvoltage, omdat dat veiliger is voor mens en dier. Als de klant dan voor een sterke lamp kiest moet je erop wijzen dat de stroomsterkte vrij groot wordt. Om te voorkomen dat de kabel warm wordt moet hij dan een extra dikke maat gebruiken.

Het snoer en de lamp zijn vaak uit één geheel gemaakt, omdat zo de kans op lekkage minimaal is. De bijgeleverde transformator moet je zo droog mogelijk installeren. Onderwater verlichting is in vele prijsklassen te koop. Let hierbij ook weer op de IP – waarde, die hierbij geldt vanaf 80. Onder- waterverlichting is vaak uitgerust met meerdere kleurenfilters en komt het beste tot zijn recht bij bewegend water.

Je plaatst de lampen afhankelijk van de functie van de verlichting. Daarnaast wil je overdag niet de hele tijd tegen de lampen aankijken. Je zult ze daarom verdekt moeten opstellen. Maar je kunt ook kiezen voor een lamp die overdag erg decoratief is. Denk maar eens aan een ouderwetse straatlantaarn. Voor deze vorm van verlichting kan een tuinplan van bijvoorbeeld een tuinarchitect uitkomst bieden. Deze tuinarchitect bedenkt een oplossing vanuit de wensen van de klant.

3        Armaturen
Bij verlichting maak je onderscheid tussen de lamp, het glazen ding dat daadwerkelijk licht geeft en de houder waar je die lamp in plaatst, de zogenaamde armatuur. Er  is  tegenwoordig  een  enorm  aanbod  van  de  meest  uiteenlopende  modellen  en  lichtbronnen.  Vooral  de armatuur (het omhulsel) is bij deze verlichting vaak bepalend voor de sfeer. Armaturen voor tuinverlichting kunnen bijvoorbeeld gemaakt zijn van kunststof, hout, steen of metaal.
Kunststof armaturen zijn vaak zwart van kleur. De armaturen worden door ons klimaat blootgesteld aan verschillende weersomstandigheden: zomers aan warmte en het licht van de zon en in de winter aan vocht en vorst. Het kunststof moet daarom van hoogwaardige kwaliteit zijn. Vaak heeft het klimaat invloed op de hardheid van het product en breekt het materiaal eenvoudig in stukken.
Bij  houten  armaturen  heb  je  ook  te  maken  met  de  invloed  van  het  weer.  Bij  warm  weer  ontstaan  er  kleine scheurtjes. Dit komt doordat er veel vocht uit het hout verdampt: het hout krimpt. Wanneer het weer omslaat en het vochtiger wordt, verdwijnen de scheurtjes weer. Het hout zet dan uit. Dit proces heet het werken van het hout.
Bij goedkopere houtsoorten zoals grenen, vuren en beuken zal het hout na verloop van tijd gaan rotten, doordat er schimmels in de scheurtjes gaan zitten. Bij duurdere houtsoorten zoals Bangkirai en tropisch hardhout treedt vrijwel geen rotting op. Het enige probleem bij deze duurdere houtsoorten is de verkleuring van het hout. Het hout wordt door weersinvloeden grijs van kleur. Sommige mensen vinden dit echter juist mooi. De verkleuring is tegen te gaan door het hout met oliën en andere middelen te behandelen.
Voor metalen armaturen geldt hetzelfde als voor kunststof armaturen. Het klimaat in Nederland tast de producten snel aan. De producten moeten daarom van hoogwaardig materiaal zijn gemaakt.

Krijgt  bijvoorbeeld  gietijzer  niet  een  laatste  harde  afwerklaag,  dan  zal  het  gietijzer  snel  gaan  roesten.
Veel voorkomende metalen zijn:
koper;
roestvrijstaal;
aluminium;
zink (lantarens);
gietijzer.

4       Elektriciteit
Bij tuinverlichting  wordt gebruik gemaakt van elektriciteit. Deze wordt geleverd door het net of door de zon.

Begrippen waarmee je te maken hebt zijn:
a) Spanning:  de eenheid hiervoor is Volt
b) Stroomsterkte: De eenheid hiervoor is Watt
c) Weerstand: de eenheid hiervoor is Ohm
d) Vermogen: De eenheid hiervoor is Watt

4.1     Spanning
Deze geeft het drukverschil aan tussen de  + en de -. Hoe groter het drukverschil, des te hoger wordt de spanning.

4.2       Stroomsterkte
Deze geeft aan hoeveel deeltjes er per seconde door een draad stromen.  Je kunt het vergelijken met een hoeveelheid water die door een tuinslang stroomt.
Niet alle apparaten die stroom gebruiken, hebben evenveel nodig. Als je de stroomsterkte zou aanpassen, zou je echter knipperende verlichting krijgen. Dat is niet erg handig. Vandaar dat je werkt met zogenaamde weerstand.

4.3     Weerstand
Deze geeft aan hoe moeilijk of gemakkelijk de deeltjes door een draad stromen. Wanneer de stroom gelijk blijft bij een groter wordende weerstand zal het voltage omhoog moeten.

4.4     Vermogen
Een ander begrip dat je veel tegen zult komen als het gaat over elektriciteit, is Vermogen. Vermogen is de elektrische energie die een apparaat gebruikt uitgedrukt in Watt. Dit is voltage x stroomsterkte.

4.5     Soorten stroom
In Nederland kennen we drie soorten stroom:
a) Zwakstroom. Dit is lager dan 110 volt. Zwakstroom kun je gebruiken voor veiligheidsapparatuur, maar ook voor tuinverlichting en vijververlichting. Door het lagere voltage is het gebruik van deze stroom veiliger.
b) Netspanning  van 230 volt (hetzelfde als 220 volt). Deze soort stroom kun je gebruiken voor kleine huishoudelijke apparaten, tuinverlichting en machines.
c) Sterkstroom of krachtstroom van 380 volt. Deze vorm van stroom kun je gebruiken voor machines die een hoger voltpercentage nodig hebben.

4.6     Veiligheid
Als er te veel stroom door een draad gaat kan deze doorsmelten of brand veroorzaken. Om dit te voorkomen zijn installaties beveiligd met zekeringen.
Vroeger werden hiervoor zogenaamde stoppen of smeltzekeringen gebruikt. Bij een te groot stroomgebruik smelt de zilverdraad in zo’n stop door en valt de stroom uit. Maar de ouderwetse stoppenkasten worden steeds vaker vervangen door installatieautomaten. Deze automaten beveiligen zichzelf tegen een te hoog stroomgebruik. Na kortsluiting hoef je de zekering niet te vervangen. Door de zwarte knop in het midden van de automaat in te drukken zal de stroom weer normaal gaan stromen.

aardlekschakelaar

Verder gebruikt men een aardlekschakelaar.  Deze vergelijkt de stroom die bij de bron vertrekt met de stroom die terugkomt. Is daar verschil tussen dan betekent dit dat er ergens stroom weglekt. Dit kan gevaarlijk zijn. De aardlekschakelaar springt dan uit.

4.7     Aanleggen van kabels en leidingen
Tuinverlichting wordt veel toegepast. Het aantal mogelijkheden neemt snel toe. Zo zie ja steeds meer spotlights op de vijver en steplights. De installatiematerialen worden in tuincentra en bouwmarkten volop aangeboden.

Een particulier mag kabels en leidingen aanleggen, maar een erkend installateur moet de aansluiting op de meterkast maken. Om dit te omzeilen beperken particulieren zich vaak tot lampen die aan de muur bevestigd worden of maken ze  vaak gebruik van een laagspanningsinstallatie.
Bij een laagspanningsinstallatie zet een transformator de 220 volt om in 12 volt (laagvoltage). In tuincentra zijn hiervoor speciale transformators voor te koop.

De voordelen van laagvoltage zijn:
– laag energieverbruik
– veiliger
–  gemakkelijker in de aanleg.

Voordat je een spade in de grond zet, moet je weten of er bestaande kabels en leidingen in de tuin lopen. Deze moet je eerst opsporen om ongelukken te voorkomen. Neem hiervoor contact op met het Kabels en Leidingen Centrum (KLIC). Vraag ook de ‘huisaansluitingen’ op.

Bij 220 volt leg je speciale grondkabels (met metalen mantel) in de sleuf. Voor een stopcontact maak je een lus in de kabel. Zo is er voldoende ruimte om het stopcontact te monteren.

Grond- en buitenkabel                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     

De bedrading van een buitenlamp bestaat uit drie of vier soorten installatiedraad. Deze draden hebben alle vier  een andere kleur. De draden hebben de kleuren:
blauw;
bruin;
zwart
groengeel.

Bruin  is  de  fase.  Dit  is  de  stroomaanvoer.
Blauw  is  de  nuldraad.  Dit  is  de  stroomafvoer.
Zwart is de schakeldraad. Deze vervangt de bruine draad achter de schakelaar.
Groengeel  is  de randaarde. Deze draad staat in contact met de aarde. Wanneer er stroom op de armatuur komt te staan, zorgt de geelgroene rand aarde draad ervoor dat de stroom wordt afgevoerd naar de aarde. Dit is dus een soort veiligheidsdraad.

Buitenlampen met metalen armaturen die door het metaal eenvoudig stroom geleiden, moet je altijd aarden. Bij kunststof armaturen is dat niet nodig. Kunststof geleidt geen stroom. Alle elektrische aansluitingen in natte ruimten (bijvoorbeeld een badkamer) moet je met geaarde bedrading aanleggen.

kabeldoos

Voor het aan elkaar maken van kabels heb je lasdoppen en spatdichte kabeldozen nodig.  Als je met een schakelaar werkt gaat er een bruine draad naar de schakelaar en een zwarte draad van de schakelaar naar de lamp.

 

 

 

Kabels worden vastgezet met zadeltjes.

 

 

 

Kroonsteentjes  heb  je  nodig  om  de  bedrading  van  de  armatuur  aan  te  sluiten  op  de  bedrading  van  het lichtnet.
Bij laagspanning is montage eenvoudiger. Een lichtere kabel is voldoende. Raadpleeg de handleiding in de verpakking.

 

5       Solar verlichting
Als lampen op zonne-energie werken spreekt men over solarverlichting. Overdag laden zij  op en als het donker wordt, schakelen zij zichzelf aan dankzij de automatisch lichtsensor .
Hij is geheel draadloos.

Zonne-energieverlichting kun je eigenlijk alleen ’s zomers gebruiken. ’s Winters laadt de batterij vrijwel niet op.

Je kunt de lamp dan beter naar binnen halen. Wanneer het buiten weer wat lichter is, kun je de lamp naar buiten doen. Na twee dagen kun je de batterij via een schakelaar weer aanzetten. De zonnecellen zullen niet snel slijten. Helaas doet de batterij dat wel.

De lichtopbrengst van een zonne-energielamp is vergelijkbaar met een gloeilamp van 10 Watt. Het licht straalt niet ver uit en je kunt er niet bij lezen. Tuinverlichting op zonne-energie kun je gebruiken als sfeerverlichting en voor het markeren van paden.

 

Voordelen

Zonne-energieverlichting heeft een aantal voordelen:
a) Het is milieuvriendelijk en goedkoop. De lamp laadt zich overdag op en gaat ’s avonds aan.
b) Het is een oplossing voor de plekken in de tuin waar je moeilijk met elektriciteit kunt komen.
c) Er zijn geen stroomkosten.
d) Er hoeft geen bekabeling naar toe.
e) Het is veilig.

Nadelen

Naast voordelen heeft zonne-energieverlichting helaas ook nadelen:
a) De aanschaf van de goede zonne-energielampen is duur.
b) Ze zijn kwetsbaar.

6       Lampen
Naar lampen kun je op verschillende manieren kijken. Zo zal de een een lamp kiezen om zijn gemak, uiterlijk of materiaal terwijl de ander het energiegebruik veel belangrijker vindt.

6.1     Netstroom lampen
We gaan uit van:
– Een staande tuinlamp voor 230 Volt.
– Tuinlampen die bestaan uit een voet, een staander en een lichtbron.

Vaak is de voet één geheel met de staander. Dit zorgt voor een stevige constructie. Je moet de lamp echter nog wel op een andere ondergrond bevestigen. Deze ondergrond kan bijvoorbeeld een tegel zijn. Het voordeel van een tegel is dat de lamp nog steeds verplaatsbaar is. De staander is bedoeld om hoogte te krijgen. De staander is meestal hol van binnen, omdat hij anders te zwaar wordt. Bovendien kun je de bedrading zo onzichtbaar maken. De kap kun je meestal loshalen van de rest van de constructie, zodat je de lichtbron kunt aansluiten of vervangen.

 

Als lichtbron kun je verschillende soorten lampen gebruiken. De meest voorkomende zijn:

een gloeilamp;
een spaarlamp;
een halogeenlamp (spaarlamp);
een tl-buis (fluorescentie buis).
een LED-lamp

Gloeilampen en halogeenlampen hebben een laag rendement en worden steeds minder gebruikt.
Spaarlampen hebben een opstarttijd hetgeen nadelig is bij het gebruik van een bewegingsmelder.
Het beste voor het milieu zijn LED-lampen.

Je kunt lampen in verschillende sterktes krijgen. De sterkte van een lamp wordt in Watt weergegeven. Hoe hoger het getal, des te groter de lichtsterkte. Om tot eenzelfde lichtsterkte te komen hebben LED-lampen en spaarlampen een aanmerkelijk lager Wattage dan gloeilampen.

Lampen bevestigt men in een fitting. De maat van zo’n fitting wordt aangeduid met de letter E en het cijfer bijv. 27. Als je een lamp moet vervangen, dan staat er op het doosje van de lamp altijd de fittingmaat. In dit geval zou het E27 moeten zijn.

6.2     Zwakstroomlampen
De opbouw van een zwakstroomlamp is hetzelfde als de opbouw van een 230 volt – lamp. Het verschil zit in de stroomtoevoer en de lichtsterkte. Gewone buitenverlichting sluit je aan op het lichtnet. Hoe meer lampen je op dit lichtnet aansluit, hoe meer stroomverbruik je hebt.
Zwakstroom werkt anders. Bij zwakstroomverlichting sluit je alle lampen aan op een transformator. De transformator zet 230 volt om naar 12 volt.
Er kunnen verschillende lampen op een transformator al na gelang hoe groot die is. Bij een 100 Watt – transformator kun je bijvoorbeeld 5 lampen van 20 Watt aansluiten.
Wanneer een klant zwakstroomverlichting aanschaft, heb je altijd te maken met een complete set, die bestaat uit een transformator, kabel connectors en een aansluitkabel.

Een  transformator  zet  de  230  volt – netspanning  om  naar  een  veilige  12  volt -zwakstroom. Dit  is  een bescherming tegen kortsluiting en overbelasting. De transformators kun je in verschillende sterkten krijgen. (Ook de sterkte van transformators druk je uit in Watt.)

De aansluitkabel is een speciale kabel. De kabel is vrij plat. Dit is nodig om het aansluiten van de lampen of het verlengen van de kabel te vereenvoudigen.

Meestal hebben klanten extra losse kabels nodig om de zwakstroom buitenverlichting aan te sluiten. Er zijn losse kabels voor zwakstroom verkrijgbaar, maar let er wel op dat het om 12 volt – tuinverlichting gaat. Het is zeer vervelend als de klant thuis de lampen op de juiste plaats heeft bevestigd en de extra kabel past niet.

De  kabelconnectors  zijn  plastic  clips  met  een  koperen  binnenwerk.  Het  koperen  binnenwerk  bestaat  uit twee pinnetjes die met elkaar in verbinding staan. Bij het bevestigen van een lamp wordt de kabel op de twee pinnetjes gedrukt. De kabel maakt nu contact met het koper. Het plastic omhulsel sluit het geheel waterdicht af. Aan de lamp zit een stekker die je op de kabelconnector aansluit.

De armaturen zijn net als bij andere tuinverlichting in verschillende materialen verkrijgbaar. De meest voorkomende materialen zijn aluminium en kunststof. Als lichtbron zul je meestal een 10 watt- of 20 watt – gloeilamp of -spaarlamp gebruiken. Lampen met een hoger wattage dan 20 kun je eigenlijk niet gebruiken. Dit heeft te maken van de transformator. Een transformator heeft bijvoorbeeld 100 watt. Hierop kun je vijf lampen van 20 watt aansluiten. Gebruik je hogere wattages van bijvoorbeeld 50 watt dan zijn dit er maar twee.

7       Bewegingsmelders
Lampen met een bewegingsmelder zijn ideaal om ongenode gasten af te schikken. Vaak zijn ze geïntegreerd in de armatuur van de lamp. Ze kunnen alleen aangesloten worden op netspanning. Dit betekent bij een laagspanningsinstallatie dat je wel de hele installatie kunt bedienen maar niet een afzonderlijke lamp. Door het gebruik van bewegingsmelders is er altijd licht wanneer je naar buiten moet.

Er bestaan twee soorten bewegingsmelders: bewegingsdetectoren en warmtedetectoren. Een bewegingsdetector reageert op bewegingen, dus ook op de bewegingen van  takken  in  een  stormachtige  nacht. Een  warmtedetector  reageert  op  temperatuurschommelingen,  zoals lichaamstemperatuur. De sensoren hebben een bereik van 110 graden (dus iets meer dan een rechte hoek) tot 360 graden (rondom).

Alle lampen die je koopt, bevatten een gebruiksaanwijzing. Het is raadzaam deze gebruiksaanwijzing op te volgen als je de lamp gaat monteren. In de meeste gebruiksaanwijzingen staat dat je een bewegingsmelder het beste op twee meter hoogte kunt monteren. Door deze advieshoogte op te volgen zorg je voor een optimale reikwijdte van de detector.

Bij  een  lage  temperatuur  in  de  winter  is  de  reikwijdte  van  een  bewegingsmelder  groter  dan  in  een  warme zomernacht. Storingsbronnen die de lamp onnodig aan laten gaan moet je proberen te vermijden.

Bronnen:
Jouw portaal buitenverlichting

Tuinverharding

Inleiding
De tuin wordt steeds meer beschouwd als een verlengde huiskamer. Hierdoor kom je in de tuin veel bestratingmaterialen tegen.   Meestal gaat het daarbij om steenachtige materialen. Tuincentra spelen hierop in door het sortiment aan bestratingmaterialen continu te vergroten en bij te stellen.

1      Materialen
Als iemand zoekt naar steenachtige bestratingmaterialen kan hij kiezen tussen:
a) Beton
b) Gebakken materialen
c) Natuursteen

De uiteindelijke keuze zal bepaald worden door de smaak van de klant, de stijl van de tuin en het doel.

  • Beton
    Beton wordt gemaakt van kalk en beton. Het materiaal kan in alle vormen en formaten gegoten worden. Door het toevoegen van kleurpigmenten is het erg gemakkelijk te kleuren. De kleurvastheid valt vaak tegen. Beton wordt onder andere gebruikt voor het maken van tuinbanken, trappen, schuttingen en keerwanden. Bekend zijn ook de z.g. patiostenen.
    Voor tuinverharding kom je voornamelijk betontegels, grindtegels en betonklinkers tegen. Deze materialen worden opgesloten met trottoirbanden.

Betontegels zijn meestal vierkant; 30 x 30 cm met een gave rand. Hierop kom je variaties tegen als karteltegels, visbektegels, bisschopstegels, zestandtegels en gatentegels. Afhankelijk van het gebruik kun je kiezen voor verschillende diktes.  Betonklinkers worden vaak gebruikt voor opritten. Ook klinkers kom je in verschillende maten tegen bijvoorbeeld 20 x 10 x 8 cm.

  • Baksteen
    Baksteen wordt gemaakt van klei. Deze wordt gewonnen langs de grote rivieren. Rivierklei bakt van nature rood. Dit komt door het ijzer dat erin voorkomt. Als er kalk in de klei zit krijg je een gele kleur. Baksteen wordt in tuinen vooral gebruikt als plavuizen en als stenen. Gebakken materialen zijn kleurecht en worden door de jaren heen steeds mooier. Ze zijn  duurder als beton. Oude gebakken klinkertjes hebben mooie onregelmatig afgeronde kanten door het vele gebruik. Bij nieuwe klinkers wordt dit effect geïmiteerd: de zgn. getrommelde klinkers.

Naar de wijze van vormen kun je stenen verdelen in:
a) hand gevormd in houten bakjes
b) machinaal gevormd in houten bakken
c) machinaal gevormd met een strengpers
d) machinaal gevormd met een stempelpers

Het verschil is te zien aan de structuur van de zijkanten en scherpte van de randen. Stempelstenen bevatten altijd een fabrieksstempel. De hardheid en kwaliteit worden bepaald door de baktemperatuur. Hoe heter ze gebakken zijn hoe harder ze zijn.
Bakstenen worden vaak benoemd naar de herkomst van de klei. De maten kunnen nogal eens verschillend zijn. Bijvoorbeeld:

Naam lengte breedte dikte
Waalformaat 195 – 220 95 – 107 85 en 70
IJsselformaat 155 – 165 75 – 80 37 – 45
Vechtvorm 208 – 220 101 – 107 40,5 – 44,5
Groningse steen 240 120 60

In tuincentra krijg je vaak te maken met de vraag naar het aantal benodigde stenen. In folders van leveranciers kom je daarom tabellen tegen als hieronder:

Naam Aantal per m2 Gewicht per 1000 stenen
Klinkerkeien 47 – 50 3,6 ton
Waalvorm dik 75 2,6 ton
Waalformaat 90 1,9 ton
drieling 135 – 140 1,4 ton

In de Europese norm, de NEN-EN 771-1, kennen we de begrippen waalformaat, vechtformaat etc. niet. Deze formaataanduidingen mogen wel gebruikt blijven omdat vanuit historisch besef men dan weet over wat voor soort product men spreekt. Ten behoeve van objectieve productinformatie van de fabrikant naar de afnemer moet de fabrikant vóór de daadwerkelijke productie de gemiddelde maten van het product declareren met bijbehorende tolerantie op de gemiddelde maat alsook de maatspreiding.

  • Natuursteen
    Een groot deel van de aardkorst bestaat uit steenachtige materialen. In veel streken worden deze gedolven  en vervolgens verwerkt en bewerkt tot bouw- en bestratingmaterialen. De variatie is erg groot. Veel voorkomende steensoorten zijn: leisteen, marmer, zandsteen, tufsteen, kalksteen, graniet en basalt. Ook gedolven grind en zand zou je tot natuursteen kunnen rekenen. Natuursteen wordt bijvoorbeeld verwerkt tot  straatkeien, klinkers, tegels, steenslag en split.
Graniet

 

BRONNEN
Goeninfo
Bestraten info

Leisteen
Natuursteen startpagina

Steenplaza

Tuinmeubilair

Inleiding
Het is nog niet zo lang geleden dat onze grootouders bij mooi weer de keukenstoelen oppakten en buiten gingen zitten. Meestal waren er buiten geen speciale voorzieningen en ging men met de meegebrachte stoel aan de deur zitten. Ook, vaak zelfgemaakte, tuinbankje was in die tijd populair.
De tuin was in die tijd om in te werken en om nuttige producten te kweken.

Tegenwoordig is het normaal om in de tuin werken én te wonen. Het exterieur is een verlengstuk van het interieur. De tuin wordt steeds meer beleefd als het verlengde van de woonkamer. Tuin- en balkonbezitters zoeken naar smaakvol meubilair dat decoratief en comfortabel is. De keuze is enorm. Er zijn passende modellen voor elke tuin. Tuincentra spelen daarop in waardoor tuinmeubilair een van de grootste productgroepen in de branche is. Bij de meeste tuincentra is er een afwisseling met kerstproducten.

1 Koopmotieven en verkoopargumenten
Waarom toont een klant interesses in de afdeling tuinmeubilair en hoe kun je, als verkoper, de klant zover krijgen dat hij tot kopen komt en tevreden naar huis gaat?  Deze vraag is erg voor de hand liggend, gemakkelijk te stellen maar moeilijk te beantwoorden.
Het kopen van tuinmeubilair is geen kleinigheid. Het is een investering die je in het algemeen maar een paar keer in je leven doet. Het is een gezinsbeslissing waarover goed wordt nagedacht. Hiervan moet je je als verkoper goed bewust zijn bij het aandragen van koopargumenten.

Overwegingen die een rol spelen bij de keuzes zijn bijvoorbeeld:
– de beschikbare ruimte op het terras en in de tuin
– de opslagmogelijkheden
– het beschikbare budget
– de smaak
– de stijl van de tuin en het hui
– het binneninterieur
– de duurzaamheid van de meubel
– de toestand van het huidige meubilair
– veranderde trends

Wanneer je je als verkoper inleeft in de koopmotieven van de klant kun je een beeld vormen van de argumenten die nodig zijn om de klant tevreden te stellen. Dit geldt bij veel producten maar is bij tuinmeubilair essentieel.

Voorbeelden van verkoopargumenten zijn:
– weerbestendigheid ook in de winter
– onderhoudsvriendelijk
– multifunctioneel.

De ene keer schuif je de stoel aan tafel, de andere keer is het een heerlijke stoel om in te zonnen.
– in meerdere kleuren leverbaar
– demontabel, inklapbaar, stapelbaar
– prijs- kwaliteitsverhouding
– garantie en service

Vaak zie je dat een klant begint met een oriënterend bezoek. Deze klant zal pas beslissen nadat hij goed heeft nagedacht of thuis heeft overlegd. Bij zo’n klant is het van belang om niet opdringerig te zijn. Je loopt het gevaar dat hij, bij een opdringerige verkoper, weggaat en niet meer terugkomt.

2 Sortiment
Bij tuinmeubilair denk je op de eerste plaats aan tafels en stoelen. Dit zijn ook de meest aangeschafte meubelstukken.
Daarnaast kun je denken aan bijvoorbeeld:
– ligbedden
– schommelbanken
– hangmatten
– parasols
– kussens
– bijzettafeltjes
– krukken
– banken
– picknicktafels

Nauw verwant aan tuinmeubilair zijn barbecues, terraskeukens, partytenten, prieeltje, kinderspeelgoed, tuindecoraties  en diverse tuinornamenten. 

3 Materialen
De eerste tuinmeubels waren gemaakt uit hout. Ze waren zwaar en massief en vroegen veel onderhoud. Tegenwoordig zijn er talloze materialen die vaak gecombineerd zijn toegepast.
De belangrijkste materialen waaruit tuinmeubilair gemaakt is zijn:
– kunststof
– hout
– aluminium
– roestvrij staal
– vlechtwerk
– geplastificeerd ijzer
– gelakt en geplastificeerd ijzer

3.1 Kunststof
Onderhoudsvrij, gebruiksvriendelijk, duurzaam, goedkoop en een enorme keus in kleuren en modellen hebben kunststof enorm populair gemaakt. Er is een grote keus aan accessoires die gebruikt kunnen worden om sets samen te stellen, geheel naar de  smaak van de klant. Met de komst van nieuwe technieken om andere materialen te verduurzamen begint de belangstelling voor kunststof wat af te nemen. Vaak zie je dat kunststof wordt aangeschaft als aanvulling om ander meubilair.

3.2 Hout
Hout is terug van weg geweest. Door het toepassen van duurzame houtsoorten en goede veerduurzaamheidsmiddelen begint men het product opnieuw te waarderen. Het FSC-keurmerk heeft het negatieve imago van hardhout voor een deel weggenomen.
Hout oogt natuurlijk en degelijk. Het kan gemakkelijk overschilderd worden, hetgeen in veel gevallen voor de duurzaamheid niet meer nodig is.

Hout is in het algemeen zwaar en massief. Hierdoor is het moeilijk hanteerbaar en op te bergen. Fabrikanten proberen dit op te lossen met wieltjes en door de ontwerpen stapelbaar en inklapbaar te maken.

3.3 Aluminium
Aluminium tuinmeubelen zijn zeer onderhoudsvriendelijk, licht en sterk. Het is een metaal dat zichzelf tegen oxidatie beschermt. De collectie groeit bijzonder snel. Aluminium wordt veel gebruikt in combinatie met andere materialen. Het nadeel van enkel aluminium is de stabiliteit.

3.4 Roestvrij staal
Dit product is meegelift met de ontwikkeling van keukens. Bij de aanschaf van een buitenkeuken  zie je dan ook vaak dat men kiest voor roestvrij staal zitmeubilair. Het is een mooi product. RVS is goed te combineren met materialen als  hardsteen, graniet, hardhout en kunststof. Roestvrij staal kan zo gemaakt worden dat het onverslijtbaar is. In verhouding tot andere materialen is het erg duur.

 

 

3.5 Vlechtwerk
Vlechtwerk heeft een nostalgische uitstraling. Dit betekent dat het doet denken aan de riet- en rotan stoelen van vroeger. Voor buitenmeubels gebruikt men kunststof. Dit nostalgische product is niet van echt (riet) te onderscheiden. Het is een product voor de liefhebber dat je meer tegenkomt in speciaalzaken dan in tuincentra.

4 Onderhoud
Mensen hebben steeds minder tijd. Hun vrije tijd besteden ze liever niet aan schoonmaken, schilderen en ander onderhoudswerk. Hierdoor is de onderhoudsbehoefte van tuinmeubilair een factor geworden waaraan fabrikanten veel aandacht hebben besteed.

Schoonhouden valt niet te voorkomen. Om dit zo gemakkelijk mogelijk te maken zijn er voor elk materiaal aangepaste producten ontworpen. Vaak  is schoonmaken daardoor een kwestie geworden van sprayen en afvegen. Na de winter kun je eventueel grondig schoonmaken met de hoge drukslang of normale tuinslang. Ook een eenvoudig sopje met spons kan erg effectief zijn.
Tuinmeubilair is onderhoudsvrij of onderhoudsarm. Dit betekent dat er weinig of geen reparatie en schilderwerk meer voorkomt.

 

 

 

Het meeste werk heeft men met hout. Voor dit natuurproduct geldt dat het regelmatig moet worden nagespannen. Bij hout kun je vaak kiezen. Als je bij teak niets doet zal het verbleken. De een zal dit ervaren als decoratief terwijl een ander zich eraan stoort. Sommige houtsoorten moeten regelmatig behandeld worden om ze te verduurzamen.

Hardhout
Meubelen zijn vaak lang onderweg. Zelfs als een meubel in de fabriek met olie is behandeld, wordt een extra oliebehandeling aanbevolen voordat het meubel in gebruik wordt genomen. Harthouten meubelen dienen 2-3 maal per seizoen met olie behandeld te worden. Geadviseerd wordt om dit ook te doen voordat ze naar de winterstalling gaan. Bij de eerste oliebehandeling, onmiddellijk na het uitpakken en in elkaar zetten van het meubel, hoeft het hout niet te worden gereinigd. Voor de daaropvolgende oliebehandelingen is het echter belangrijk dat het meubel grondig met houtreiniger wordt schoongemaakt. Volg de aanwijzingen op de verpakking. Het hout moet helemaal droog zijn voordat het met olie behandeld wordt.

Teak
Teak vereist geen oliebehandeling. Als het meubel in de fabriek niet behandeld is, zal het geleidelijk aan een witachtige schijn krijgen. Als de klant  niet van deze natuurlijke kleur houdt, kan hij het meubel op dezelfde manier behandelen als hardhout. Na een eerste oliebehandeling is verdere oliebehandeling in de toekomst vereist.

Aantasting door schimmel
Zelfs als houten meubelen regelmatig met olie worden behandeld, kunnen deze worden aangetast door schimmels. Soms zijn deze onschuldig en kunnen ze gemakkelijk verwijderd worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor meeldauw.
In andere gevallen leidt dat er dikwijls toe dat sommige delen van een meubel donker worden en in incidentele gevallen bijna zwart.

a) Reinig het meubel grondig met houtreiniger. Volg de aanwijzingen op de verpakking. Mocht dat de eerste keer niet helpen, kan de procedure worden herhaald.
b) Als het meubel nog steeds donker is kunnen de aangetaste plaatsen behandeld worden met de chlooroplossing. Wel grondig naspoelen met water.
c) Als de chloorbehandeling niet het beoogde effect heeft, resteert er alleen nog schuurpapier en hard werken. Polijst de aangetaste gedeelten totdat er fris hout tevoorschijn komt. Dit kan variëren.

De meubelen moeten altijd met olie worden nabehandeld.

5 Winteropslag
Onderhoudvrij meubilair kan in veel gevallen winter en zomer buiten staan. Vaak zal daar, in verband met de vervuiling, niet voor gekozen worden. Voor kunststof meubelen zijn beschermhoezen in de handel. Deze kunnen binnen en buiten gebruikt worden.
Voor hout is het altijd goed om dit tijdens de winter te beschermen tegen weersinvloeden. Doordat het een natuurlijk product is blijft het werken, ook nadat het bewerkt is. Hierdoor kunnen barstjes ontstaan en de meubelen kunnen kromtrekken in verband met spanningen in het hout.
Houten tuinmeubelen mogen nooit in een droge en warme ruimte worden geplaatst. Een garage of een carport daarentegen is de perfecte opbergplek. Daar staan de meubelen droog en is er toch enige ventilatie. Tocht en wind is niet erg.
Dek de meubelen nooit af met plastic of iets dergelijks, dat kan rotting of schimmel veroorzaken. Een oude deken beschermt het hout tegen vervuiling zonder dat de vochtigheid oploopt.

==========================================

 

BRONNEN
Fonteyn
Tuintotaal 
Azalp 
Werpsterhoeke

Tuinhout

Inleiding
Praktisch elk tuincentra verkoop tuinhout. Door het grote assortiment en de vele toepassingen is het een van de meest veelzijdige producten uit het assortiment.
Hout is ook een moeilijk product. Dit geldt zowel voor de presentatie in de winkel als voor het geven van advies over productkeuze, houdbaarheid, bevestiging enz.

Toepassingen
Omdat hout een natuurlijk product is past het perfect in de tuin. Wel moet je extra aandacht besteden aan het verlengen van de levensduur. Deze is zonder maatregelen, afhankelijk van de houtsoort, beperkt.
Voorbeelden van toepassingen zijn tuinmeubilair, vlonders, afscheidingen, pergola’s, plantenbakken, bielzen, tuinhuizen en prielen.

Houtsoorten
Globaal kun je hout verdelen in inlands hout en buitenlands hout. Buitenlands hout komt vaak uit tropische landen, soms uit Scandinavische landen.
In het algemeen zijn inlandse houtsoorten sneller gegroeid dan tropische soorten. Dit verklaart dat tropisch hout duurzamer is dan inlands hout.  De naam hardhout suggereert een bepaalde hardheid. In werkelijkheid slaat het op loofhout.
Tropisch hardhout heeft een goede kwaliteit maar er kleven veel bezwaren aan.
Het belangrijkste bezwaar is het verdwijnen van het tropisch oerwoud waardoor de adsorptie van koolzuurgas en de productie van z uurstof afnemen. Ook heeft het gevolgen voor de biodiversiteit, bodemerosie en klimaatverandering.

De meeste tuincentra verkopen alleen FSC gecertificeerd hout. FSC staat voor verantwoord beheer en behoud van bossen. FSC heeft regels opgesteld voor goed bosbeheer. In bossen waar die regels worden toegepast, wordt zorgvuldig gekapt, met respect voor mensen, planten en dieren.

Een andere manier om het probleem van de regenwouden op te lossen is het zoeken naar mogelijke vervangers van tropisch hardhout. Er zijn genoeg houtsoorten met dezelfde natuurlijke duurzaamheid. Robinia gaat van nature net zo lang mee als tropisch hout, klasse 1 of 2, maar op dit moment is het nog niet mogelijk Robinia te leveren met voldoende lengte en dikte. Bovendien zijn er in het verleden weinig Robiniabomen aangeplant voor de houtproductie. De bomen zijn pas na ongeveer veertig jaar volgroeid en geschikt om te worden verzaagd. Op dit moment worden de bestaande soorten geselecteerd op groeisnelheid om zo in kortere tijd meer volgroeide bomen te krijgen. Maar het duurt nog enkele jaren voordat dit effect heeft.

Robbina houten tegel
Robina boom

 

 

 

 

 

 

Presenteren
Tuinhoutproducten worden meestal buiten gepresenteerd. Ze nemen over het algemeen veel plaats in beslag. Dat levert in de winkel vaak problemen op. Je kunt niet altijd alles uitstallen wat je hebt. Maar hout heeft ook andere kenmerken die het moeilijk maken om het te presenteren. Denk  daarbij aan de afmetingen, de kwetsbaarheid en de houdbaarheid.

Onderhoud en bescherming
Hout is een natuurproduct: het heeft geleefd en blijft werken. Dat betekent dat er met hout allerlei dingen kunnen gebeuren die je niet wilt. Hout kan verkleuren, het kan gaan rotten en door uitdroging kan het scheuren of krom trekken. Bovendien kan er uitslag ontstaan. Om dat alles te voorkomen wordt hout verduurzaamd. Vaak gebeurt dit door de fabrikant. In de winkel wordt het hout dan verduurzaamd behandeld. Klanten kunnen  hout verduurzamen met verfproducten.

Verduurzamen van hout
De levensduur van Europees tuinhout is beperkt. Dit komt vooral door de zachtheid waardoor het snel wordt aangetast onder invloed van vocht, schimmels, insecten, zuurstof en temperatuur. Toch kun je het langer als tuinhout gebruiken door het te verduurzamen. Verduurzamen van hout is een methode waarbij je het hout inwendig of uitwendig behandelt zodat het bestand is tegen allerlei vormen van aantasting.

Het meeste tuinhout dat in tuincentra verkocht wordt is reeds verduurzaamd. Dit is gebeurd door de vacuümdruk methode, bespuiten, bestrijken, drenken of dompelen.
Bestrijken kan door de klant gebeuren. Hierbij wordt het hout bestreken met een verduurzamingsmiddel. Deze middelen worden in tuincentra verkocht. Bestrijken is een minder goede methode omdat je namelijk scheuren en naden  niet  of onvoldoende bereikt.  Omdat  deze scheuren en naden niet verduurzaamd zijn, kunnen hier gemakkelijk micro-organismen, schimmels en insecten naar binnen.

Bestrijken, verven of lakken is daardoor geen echte verduurzamingsmethodes.

Voor het bestrijken kun je gebruik maken van:
a) Dit is speciale beits voor onderhoud van verduurzaamd hout (hout dat is behandeld);
b) Dit is speciale verfbeits die het hout beschermt tegen weersinvloeden en het bovendien een andere kleur geeft;
c) Deze gaat het vergrijzen van teakhouten meubelen en andere hardhoutproducten tegen;
d) verf

Met tuinbeits, tuindecoratiebeits en teakolie houdt het hout zijn natuurlijke uitstraling. Met verf kan het  hout  elke  gewenste  kleur  krijgen  maar  de  structuur  van  het  materiaal  wordt onzichtbaar 

Bevestigingsmogelijkheden
Bij het verkopen van hout dien je de klant te wijzen op de diverse bevestigingsmogelijkheden en de hulpmaterialen die daarvoor nodig zijn.
De klant moet daarbij goed weten wat hij wil en hoe hij iets wil. Er zijn namelijk zeer veel mogelijkheden om houten delen aan elkaar te bevestigen.

Koppelstukken voor bevestiging van tuinschermen

Het is afhankelijk van de gebruikseisen die aan de verbinding worden gesteld welke oplossing de beste is.

Bovendien vragen allerlei toepassingen van tuinhout om specifieke bevestigingsmethoden. Voor schuttingpanelen zijn er speciale verbindingselementen. Verder kun je voor de bevestiging van palen kiezen uit:

  • hoekprofielen met schroefdraad;
  • paalhouders met pin;
  • paalhouders met ankerplaat voor een stevige ondergrond;
  • betonankers.

Verder is er allerlei hang- en sluitwerk voor het hangen en sluiten van deuren en poorten.

hang- en sluitwerk

 

BRONNEN:
Hillhout
Houtinfo
fsc
Houtsoorten 1
Houtsoorten 2

 

 

 

Snoeien

Inhoud
1      Vormen van snoeien
1.1       Zomersnoei
1.2       Wintersnoei
2      Doelen
2.1       Opsnoeien en opkronen
2.2       Vormsnoei
2.3       Verjonging
2.4       Knopsnoei
2.5       Onderhoud van bomen en planten
2.6       Begeleidingssnoei
2.7       Probleemtakken snoeien
3      Werkvolgorde bij het snoeien van heesters
4      Gereedschappen bij snoeien
Snoeigereedschap onderhouden
5      Afvoer en verwerking

BRONNEN

1      Vormen van snoeien
Snoeien is een van de onderhoudswerkzaamheden in het groen. Je kunt verschillende doelen hebben met het snoeien. Afhankelijk van wat voor soort begroeiing je wilt hebben of de functie van de begroeiing, voer je verschillende soorten snoei uit.
1.1   Zomersnoei
Je kunt op verschillende tijdstippen snoeien. Snoei in het voorjaar of in de zomer noem je zomersnoei. De bladeren zitten dan al aan de twijgen. Zomersnoei zorgt ervoor dat de struiken of bomen tijdens het groeiseizoen gaan vertakken.
1.2   Wintersnoei
Wintersnoei gebeurt in de herfst of de winter als te takken kaal zijn. In die periode kun je de boom- of struikvorm goed bekijken. Sommige planten kun je alleen dan snoeien. In het voorjaar of de zomer groeien ze te hard. Als je ze dan zou snoeien, zouden ze als het ware doodbloeden’. Voorbeeld van bomen die doodbloeden zijn berk en esdoorn.

2      Doelen
Stelregel bij het snoeien is: goede snoei geeft goede groei. Doordat je een deel van de plant wegsnoeit, gaan andere knoppen uitlopen die anders in rust bleven. Hierdoor krijg je nieuwe (jonge) delen. Snoei kan verschillenden doelen hebben. Je kunt snoeien om:

  • •     een mooie vorm te maken (haag);
    •     op te kronen (straatbomen);
    •     te verjongen (groenstrookstruiken);
    •     knoppen te verwijderen (knopsnoei, bij bes- en vruchtbomen);
    •     probleembomen- of takken te verwijderen (af te zagen);
    .     Overtollige wortels te verwijderen.
    (Wortelsnoei gebeurt bij het opkuilen op het wachtbed, voor het verkopen of voor het planten)
    –     Verdamping te verminderen

Vaak is het snoeien een combinatie van een aantal van deze doelen.

  • 2.1   Opsnoeien en opkronen
    Bij opsnoeien en opkronen verwijder je de onderste takken langs de stam. Hierdoor ontstaat een kale stam en een boomvorm daarboven. Die boomvorm daarboven noem je de kroon. Opsnoeien of opkronen doe je vooral bij park- en straatbomen. Houd rekening met het volgende:
  • voer alleen wintersnoei uit: zomersnoei zorgt voor een te grote schok voor de boom;
  • snoei takken zonder vork af, kaal langs de stam;
  • beschadig de bast van de stam niet;
  • insmeren met wondmiddel hoeft niet (slechts in enkele gevallen helpt het);
  • soms moet je ook takken in de kroon snoeien.
Het  afzagen  van  een  dikke  tak.  Zaag  de  tak  eerst  op  stomp  om  inscheuren  te  voorkomen.  Zaag  hem daarna vlak bij de boom af.

2.2   Vormsnoei
Als je een vorm wilt maken, houd dan met het volgende rekening:
•     snoei de boom of struik zo, dat de zon alle kanten kan bereiken (piramide, rond);
•     snoei geen kaal hout bij coniferen;
•     snoei loofbomen op de stam terug;
•     voer de wintersnoei vroeg in het voorjaar uit;
•     voer de zomersnoei voor half juli uit; de plant kan dan nog knoppen maken voor de winter.

Vormsnoei gebeurt vooral bij bladverliezende struiken of kleine bomen. Doordat je takken wegsnoeit of juist laat zitten, ontstaat een bepaalde vorm.
Sommige struiken bloeien op de takken die hetzelfde jaar zijn gegroeid. De meeste soorten bloeien juist op het hout van het vorige jaar of van nog oudere takken. Snoei dus niet te snel de jonge takken weg, want dan heb je minder kans op bloei.
Soorten die bloeien op eenjarig hout zijn bijvoorbeeld spirea, vlinderstruik, blazenstruik, pruikenboom, hertshooi, lavendel, braam en vlier. Soorten die bloeien op meerjarig hout zijn forsythia, sering, weigelia en mahonia.

Boomvormsnoei voer je als volgt uit:
•     bepaal of de soort bloeit op eenjarig hout of op ouder hout (dat hout moet je dus níet weghalen);
•     zorg voor voldoende licht in het hart van de struik;
•     snoei zieke takken weg;
•     houd ongeveer vijf tot zeven hoofdtakken aan;
•       snoei eens in de vijf jaar de takken op 20 cm boven de grond (of stam) af voor verjonging.

Knotwilgen, leilinden of platanen worden vaak teruggesnoeid. Op de stronk lopen de bomen dan weer uit.

2.3   Verjonging

Verjongingssnoei van heesters op 20 cm boven de grond

Bij struiken kun je eens in de zoveel jaar alle takken op 20 cm boven de grond afsnoeien. De struik moet daarna weer helemaal uitgroeien. Zo verjongt de hele plant zich.

 

 

2.4   Knopsnoei
Bij knopsnoei snoei je de takken zo, dat er bloemknoppen ontstaan. Dit gebeurt vooral bij fruitbomen. De twijgen die recht omhoog groeien, snoei je weg. De takken die horizontaal groeien, laat je zitten. Ook kun je takken buigen, zodat ze horizontaal gaan groeien.

2.5   Onderhoud van bomen en planten
Bomen en planten moet je onderhouden om ze mooi en gezond te houden. Je zult ze dus regelmatig moeten dunnen, snoeien of knippen. Elke soort krijgt daarbij zijn eigen, speciale behandeling. Zo snoei je een laanboom op een heel andere manier dan een sierheester.
Snoeien is belangrijk bij het onderhoud van bomen en struiken. Door te snoeien, houd je de plant gezond en zorg je ervoor dat hij in een mooie vorm groeit. Hiervoor haal je te lage, te dikke, overbodige, beschadigde of zieke takken weg.
Je moet niet te lang wachten met snoeien. Als je te laat begint met het snoeien van een boom of struik, moet je  te  veel  of  te  dikke  takken  weghalen.  Daardoor  ontstaan  te  veel  of  te  grote  wonden,  waardoor  ziekten gemakkelijk de boom of struik binnen kunnen dringen. Bovendien verliest de boom of struik dan zijn natuurlijke vorm. Een vuistregel bij snoeien is dat je nooit meer dan 20% van de takken weghaalt.
Bij struiken zaag je de takken maximaal 10 cm boven de grond af. Anders krijg je struiken die eruitzien als een mini-knotwilg.
Bij het snoeien zaag of kap je een tak altijd zo recht mogelijk af. Als je een tak namelijk schuin afzaagt, wordt de wond groter. Als je een stokzaag gebruikt, moet je dicht bij de stam van de boom gaan staan. 

Goed en verkeerd snoeien met de stokzaag
De driesnedenmethode

Om te voorkomen dat door het gewicht van de tak de bast mee scheurt, gebruik je de driesnedenmethode.
Hierbij volg je drie stappen:
•     Zaag de tak halverwege aan de onderkant een stukje in.
•     Zaag de tak op ruime afstand van de stam af.
•     Maak de definitieve zaagsnede dichtbij de stam.

Voor je gaat snoeien, moet je weten met welke bomen- of struikensoort je te maken hebt. Zo snoei je een scheutbloeier, zoals lavendel, na de bloei tot vlak boven de grond. Maar een bladheester, zoals de laurierkers, snoei je bijna nooit. Je zou dan de mooie bladeren weghalen en dat is niet de bedoeling. Je kunt in plantenboeken opzoeken hoe je een boom of struik moet snoeien.

2.6   Begeleidingssnoei
Een boom die je niet snoeit, krijgt veel lage zijtakken. Die takken kunnen hinderlijk zijn voor het verkeer. Daarom moet je de boom regelmatig snoeien. Je haalt de onderste takken weg, zodat de boom een lange, takvrije stam krijgt. Deze vorm van snoeien noem je begeleidingssnoei.

De hoogte tot waar je de takken weghaalt, heet de opkroonhoogte. De opkroonhoogte verschilt per plaats. Een boom die langs een autoweg staat, moet je hoger opkronen dan een boom die langs een voetpad in het park staat.

Bij begeleidingssnoei snoei je alleen de hele takken uit de tijdelijke kroon. Dit zijn de takken die lager groeien dan de uiteindelijke hoogte van de takvrije stam. De takken die hoger groeien, vormen de blijvende kroon.

Je kunt drie jaar na aanplant al voorzichtig wat takken wegsnoeien. Daarna kom je elke drie jaar terug om te snoeien.

2.7   Probleemtakken snoeien
Een andere reden om te snoeien, zijn probleemtakken. Dit zijn takken die er niet mooi uitzien of slecht zijn voor de boom. De belangrijkste probleemtakken zijn:
•     dikke takken;
•     dubbele toppen;
•     zuigers
•     takkransen.

Met het snoeien van dikke takken moet je niet te lang wachten. Hoe dikker de tak is die je weghaalt, hoe groter de wond. Bomen horen maar één top te hebben, maar soms hebben ze er twee: een dubbele top. Eén van de toppen heeft altijd een betere vorm dan de andere of is langer dan de andere. Deze top laat je zitten, de andere haal je weg.

Een boom met een zuiger

Een zuiger is een zijtak die sterk omhoog groeit. Als de zuiger groot wordt, krijgt de boom een dubbele top. Daarom moet je de zuiger altijd op tijd weghalen.

Bij een takkrans zitten een paar takken als een krans bij elkaar rond de stam. De takken van zo’n takkrans moet je niet allemaal tegelijk weghalen. Want dan krijg je te veel wonden op dezelfde hoogte. Je haalt eerst de dikke takken uit de krans weg en bij de volgende snoeibeurt doe je er nog een paar. De keer daarop haal je de rest weg.

Een boom met een takkrans

 

3      Werkvolgorde bij het snoeien van heesters

Beoordeel de snoeitijd, de snoeivorm en de bloei- en groeiwijze.

Snoei uitgebloeide bloemen en wildgroei weg.

Snoei afhankelijk van de soort op een-, twee- of meerjarig hout

Probeer tijdens de snoei de natuurlijke vorm zoveel mogelijk te handhaven

Snoei beschadigde, zieke en concurrerende takken weg

Een snoeizaag, twee beugelzagen en een jirizaag

4      Gereedschappen bij snoeien
Voor het snoeien van twijgen kun je een snoeischaar gebruiken.
Dikkere takken uit bomen en struiken snoei je met een snoeizaag. Voor het omzagen van bomen of struiken is een jirizaag het best geschikt. Ook kun je een beugelzaag gebruiken bij de snoei. Bij deze zaag span je het zaagje tussen de uiteinden van de beugel. De vorm van het zaagblad is aangepast aan het werk wat je ermee doet. Net als de vorm van de zaagtanden.

Als je bij het zagen de zaag naar je toehaalt, staat de zaag op trek. Als je de zaag van je af beweegt, staat hij op stoot.

Zaag op trek en op stoot

Voor  het  snoeien  of  omzagen  van  grotere  takken  of  stammen,  gebruik  je  een  motorzaag.  Voor  je  met  een motorzaag  mag  werken,  moet  je  achttien  jaar  zijn  en  een  speciale  opleiding  gevolgd  hebben.  Tijdens  die opleiding leer je hoe je een motorzaag veilig gebruikt. Belangrijk onderdeel van die veiligheid is het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen: een helm, oordoppen, een zaagbroek, gelaatsscherm, veiligheids- schoenen en handschoenen. Deze dingen zijn verplicht!

Beschermende kleding bij het gebruik van de motorzaag

Een andere machine die je bij het onderhoud gebruikt, is de bosmaaier. Hiermee zet je struiken af. Ook voor het werken met de bosmaaier moet je achttien zijn en gelden er veiligheidsvoorschriften.

 

Als  je  gaat  dunnen,  kun  je  bomen  en  struiken  omhakken  met  een  bijl.  Als  je  met  een  bijl  werkt,  moet  je natuurlijk weer goed op de veiligheid letten. Zo bepaal je van tevoren zorgvuldig hoe groot een boom is en welke kant hij op gaat vallen. Bij het verwerken van het hout, gebruik je een kloofbijl. Hiermee kloof je blokken hout.

Snoeigereedschap onderhouden

Goed onderhouden gereedschap gaat langer mee. Bovendien is het veiliger. Met een botte zaag schiet je bij- voorbeeld sneller uit dan met een scherpe zaag. En een botte snoeischaar beschadigt de struik meer.

Snoeischaren en -zagen worden bij gebruik op den duur bot. Vooral als er zand op de tanden komt. Daarom moeten ze regelmatig geslepen worden.

Snoeigereedschap slijpen is niet gemakkelijk. Je moet goed weten welk onderhoudsgereedschap je ervoor gebruikt. Zo hebben zagen verschillende typen tanden. Bij elk type tand hoort een eigen vijl.

De vorm van een zaagtand

Bijlen slijp je een beetje rond. Je kunt de ronding controleren met een bijlmal: een ijzeren vorm met daarin drie uitsparingen.

5      Afvoer en verwerking

Snoeihout moet je afvoeren en verwerken. Als je het tussen de struiken laat liggen, gaat het rotten. De schimmels en bacteriën die daar welig tieren, kunnen dan ook de gezonde struiken aantasten. De milieuwetgeving verbiedt het storten van snoeiafval, ook op je eigen perceel.
Snoeihout kun je ook versnipperen. Bij het versnipperen worden de twijgen zó klein gemaakt, dat ze makkelijk drogen. In de droge houtsnippers kunnen schimmels en bacteriën niet makkelijk groeien. Als je de snippers vervolgens weer verspreidt, houd je veel onkruiden tegen. Het enige onkruid dat er wel goed op gedijt, zijn de brandnetels.
De snippers verteren door de activiteiten in de bodem. Bij de vertering van de snippers wordt nitraat (stikstof) gebruikt. Hierdoor is er minder nitraat beschikbaar voor de planten. Als je de snippers teruggeeft, moet je er dus rekening mee houden dat je moet bijmesten.

BRONNEN
Wiarda snoeien
Gamma snoeitips
Baaij onderhoudssnoei
Postema tuinen
Bomen en heesters snoeien lesbrief
Neerlands Tuin  

Snijbloemen

Algemene verzorging van snijbloemen
Iemand die bloemen koopt, doet dat om plezier te hebben van de vormen, geuren en kleuren.
Om ervoor te zorgen dat dit plezier zo lang mogelijk duurt moeten de bloemen goed verzorgd worden.

Zonder wortels kan een bloem niet leven en zal deze op den duur afsterven. Dat betekent dat het afstervingsproces begint op het moment waarop een bloem wordt geoogst. Het is de kunst om dit afstervingsproces zo traag mogelijk te laten verlopen. Dat geldt tijdens de hele keten van kweker tot en met consument. Daarom moet de keten zo kort mogelijk zijn en moeten de omstandigheden altijd optimaal zijn.

In het algemeen kun je snijbloemen verzorgen door ze van water en voeding te voorzien.

  • Water is nodig om de bloem in leven te houden: het vervoert voedingsstoffen en zorgt dat de cellen op spanning blijven.
  • Voeding (suiker) zorgt voor energie zodat de bloem zich maximaal kan ontwikkelen.

1      Water
Het is belangrijk om te zorgen dat de snijbloem goed water kan opnemen. Een snijbloem neemt het beste water op in een
schone omgeving . Daarom moet het water goed schoongehouden worden. Daarvoor kun je twee dingen doen:

* gebruik schone vazen, zo komt er geen vervuiling in het water

Vaatbundels kunnen verstopt raken door ziektekiemen. Met name de binnenkant van de vaas is een plaats waar veel ziekten zich kunnen ontwikkelen. Dit is te voorkomen door de vazen regelmatig schoon te maken met cleaner of een chlooroplossing. Denk eraan dat chloor vermengd met water vlekken geeft. Het is voldoende om 2 of 3 druppels chloor per liter water op te lossen. Chloor wordt ook in tabletvorm geleverd. Goed naspoelen met voldoende water mag men niet vergeten.

*  ontdoe het stengeldeel dat in het water komt van blad
Bladeren die in het water blijven, kunnen namelijk gaan rotten, waardoor er bacteriën in het water komen. Alleen dàt blad verwijderen, wat mogelijk in het water kan komen. Maak er geen “striptease” van, zodat er kale stelen overblijven met nog maar een enkel blad bovenin.

Bij de meeste bloemen is het voor een goede wateropname noodzakelijk om een stukje van de steel af te snijden, vlak voordat deze in het water gaat. Een verse, liefst schuine,  snede kan namelijk goed water opnemen.

Voor snijbloemen met houtachtige stengels gebruikt men warm water omdat dit minder lucht bevat. Het water in de afgesneden stengel verplaatst zich via kleine kanaaltjes. Deze heten houtvaten. Door het schuin afsnijden wordt de oppervlakte van de wond ovaal van vorm. Een ovale wond heeft een grotere oppervlakte dan een ronde wond. Hierdoor raakt deze wond minder snel verstopt.

Het scherpe mes zorgt voor een gave wond. Knippen met een snoeischaar kan de stelen dichtdrukken waardoor de wateropname wordt belemmerd. 

Optrekken
Als een bloem tijdens het transport naar de winkel een vochttekort heeft opgelopen, is het voor de bloem erg moeilijk om dat weer helemaal aan te vullen. Je kunt de bloemen helpen met het aanvullen van water door:

  • de omgevingstemperatuur laag te houden door de bloemen in een koelcel , kelder of koeling in de verkoopruimte te zetten;
  • de bloemen in papier te verpakken en op water zetten;
  • de bloemen diep in het water te zetten.

Beide methoden beperken de verdamping van water, zodat de aanvoer groter is dan de verdamping. Dit proces noemen we het ‘ op laten trekken ’ van bloemen. 

Pas op: Er zijn uitzonderingen.
– Sommige bloemen mogen niet in de koelcel. Dit geldt bijvoorbeeld voor orchideeën en Anthuriums
– Bloemen met behaarde stengels als Lathyrus en Gerbera mogen niet diep in het water

2      Voeding
Om tot ontwikkeling te komen, hebben bloemen ook voeding nodig. In water alleen zitten namelijk niet genoeg voedingsstoffen voor de bloem. De voeding wordt meestal in de vorm van een houdbaarheidsmiddel aan het water toegevoegd. Zo’n houdbaarheidsmiddel bestaat meestal uit een bacterie-dodend middel, suiker en andere toevoegingen als ethyleen-remmers.
Ethyleen is een verouderings-gas.

Houdbaarheidsmiddelen
Lang heeft men geprobeerd met allerlei hulpmiddelen, snijbloemen langer goed te houden. Men gebruikte citroensap, alcohol, azijn, aspirine, stijfsel, koperen munten, wasmiddelen enz. De resultaten waren matig tot slecht. Snijbloemen nemen vrijwel alleen suikers op. Bij een beschadigde plant, dus ook een bloemsteel, treedt snel rotting op. Door aan het water een bacterie-dodend middel toe te voegen, houdt men het water schoon en bevordert men de ononderbroken wateropname. Om deze reden voegt men aan gerbera’s bijvoorbeeld een druppel chloor toe als vervanging van het houdbaarheidsmiddel.

doceerapparaat

De huidige houdbaarheidsmiddelen zijn gebaseerd op suikers, bacterieremmende middelen en ethyleenremmers. Daarnaast zijn er bijzondere houdbaarheidsmiddelen met extra toevoegingen. Veel detaillisten gebruiken een doseerapparaat. Dit heeft de volgende voordelen:

  • tijdwinst
  • altijd de goede dosering
  • minder gebruik van water

suikers
Nadat de bloem van de plant is gesneden, is de voedselopname via de wortels niet meer mogelijk. De in een houdbaarheidsmiddel of snijbloemenvoedsel aanwezige suikers dienen nu als voeding (brandstof) voor de bloem.

bacterieremmende middelen
Een aantal bacterieremmende stoffen zorgen voor schoon vaaswater, waardoor de wond schoon en open blijft en water en voedsel kunnen worden opgenomen. Hoe minder we de bloemsteel beschadigen, des te minder is de kans op bacterievorming.

Ethyleenremmers
Bloemen zijn organen bestemd voor vermeerdering. Ze vormen hormonen die de uitbloei en zaadvorming regelen. Door het wegnemen van deze stoffen wordt de uitbloei afgeremd.

Ethyleen wordt ook afgescheiden door rijpend fruit. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld anjers gaan krimpen als ze gecombineerd worden met fruit.

Bijzondere producten
Fabrikanten van houdbaarheidsmiddelen ontwikkelen steeds nieuwe producten. Zo zijn er producten die kalkaanslag in de vaas tegengaan en producten die de nadelige effecten van nacissenslijm verkleinen.
Als kweker, handelaar, detaillist en consument de goede voeding aan de snijbloemen geven, zal dit een positieve invloed uitoefenen op de houdbaarheid

Er zijn diverse firma’s die  snijbloemenvoedsel op de markt brengen.
Enkele merken zijn:

  • Chrysal
    Substral
    Aadural

Elke firma heeft een aantal soorten snijbloemenvoedsel op de markt gebracht. Zo kennen we snijbloemenvoedsel speciaal voor:

  • heestertakken
    bolbloemen
    anjers / chrysanten
    Bouvardia
    algemeen

Om verzekerd te zijn van een goed houdbare snijbloem zal de bloemist de snijbloem het juiste houdbaarheidsmiddel moeten geven. Door het gebruik van houdbaarheidsmiddelen, tijdens de handel, bereikt men vooral bij de consument de volgende positieve effecten:

  • een grotere en beter ontwikkelde bloem;
    een betere bloemkleur;
    een geringere gevoeligheid voor ethyleen;
    minder schade door de transportperiode;
    minder schade van te onrijp oogsten;

Adviseren van klanten
Om vragen te beantwoorden en geloofwaardigheid te zijn is het noodzakelijk om je advies te kunnen verklaren.
Samenvattend houdt dit in dat je moet adviseren over:

– schone vaas gebruiken om bacteriegroei te beperken

– schoon water gebruiken om vaatverstopping te voorkomen

– schuin aansnijden om de oppervlakte van de wond te vergroten en opname te vergroten

– houdbaarheidsmiddel toevoegen als energiebron, ethyleen-remmer en ontsmetting
Een goede service van de bloemist is om, naast een goed advies over de verzorging van de bloemen, een zakje houdbaarheidsmiddel bij te voegen.  De hoeveelheid snijbloemenvoedsel moet wel in relatie staan met het aantal bloemen.

– Warm of koud water
Het gebruik van warm water, doet het snijbloemenvoedsel snel oplossen en zodoende is dit ook snel opneembaar voor de bloem. Dit is zeker goed voor bepaalde heestergewassen, bijvoorbeeld  Acacia (mimosa). Verder bevat warm water minder zuurstof. Dit remt de bacterieontwikkeling af en er komen minder luchtbellen in de vaatbundels.