Productverzorging

Aardewerk  Nomenclatuur
Besdragende heesters
Bladverliezende heesters
Plantengroepen
Bol- en knolgewassen Plantenvoeding
Bomen en struiken Plantenziekten
Coniferen Schoonhouden
Dieren en dierbenodigdheden Snijbloemen
Droogmaterialen Snoeien
Een- en tweejarigen Tuinhout
Eetbare tuin Tuinmeubels
Fruit Tuinverharding
Gazons Tuinverlichting
Gereedschap Uitplanten van diverse plantengroepen
Glas en kristal Vaste planten
Groenblijvende Heesters Verduurzamen van hout
Grond en bodem Vermeerdering ongeslachtelijk
Hagen Vermeerdering geslachtelijk
Heidetuinen Verwerken van producten
Hout Verzorging kamerplanten
Hydrocultuur Vijver aanleggen
Kaarsen Vijverpompen en filters
Kamerplanten Vijverwater
Kleur Waterdieren
Klim- en leiplanten Water en plant
Kuipplanten Waterplanten
Kunstplanten
Licht en kleur
Licht en warmte
Meststoffen

Snoeien

Inhoud
1      Vormen van snoeien
1.1       Zomersnoei
1.2       Wintersnoei
2      Doelen
2.1       Opsnoeien en opkronen
2.2       Vormsnoei
2.3       Verjonging
2.4       Knopsnoei
2.5       Onderhoud van bomen en planten
2.6       Begeleidingssnoei
2.7       Probleemtakken snoeien
3      Werkvolgorde bij het snoeien van heesters
4      Gereedschappen bij snoeien
Snoeigereedschap onderhouden
5      Afvoer en verwerking

BRONNEN

1      Vormen van snoeien
Snoeien is een van de onderhoudswerkzaamheden in het groen. Je kunt verschillende doelen hebben met het snoeien. Afhankelijk van wat voor soort begroeiing je wilt hebben of de functie van de begroeiing, voer je verschillende soorten snoei uit.
1.1   Zomersnoei
Je kunt op verschillende tijdstippen snoeien. Snoei in het voorjaar of in de zomer noem je zomersnoei. De bladeren zitten dan al aan de twijgen. Zomersnoei zorgt ervoor dat de struiken of bomen tijdens het groeiseizoen gaan vertakken.
1.2   Wintersnoei
Wintersnoei gebeurt in de herfst of de winter als te takken kaal zijn. In die periode kun je de boom- of struikvorm goed bekijken. Sommige planten kun je alleen dan snoeien. In het voorjaar of de zomer groeien ze te hard. Als je ze dan zou snoeien, zouden ze als het ware doodbloeden’. Voorbeeld van bomen die doodbloeden zijn berk en esdoorn.

2      Doelen
Stelregel bij het snoeien is: goede snoei geeft goede groei. Doordat je een deel van de plant wegsnoeit, gaan andere knoppen uitlopen die anders in rust bleven. Hierdoor krijg je nieuwe (jonge) delen. Snoei kan verschillenden doelen hebben. Je kunt snoeien om:

  • •     een mooie vorm te maken (haag);
    •     op te kronen (straatbomen);
    •     te verjongen (groenstrookstruiken);
    •     knoppen te verwijderen (knopsnoei, bij bes- en vruchtbomen);
    •     probleembomen- of takken te verwijderen (af te zagen);
    .     Overtollige wortels te verwijderen.
    (Wortelsnoei gebeurt bij het opkuilen op het wachtbed, voor het verkopen of voor het planten)
    –     Verdamping te verminderen

Vaak is het snoeien een combinatie van een aantal van deze doelen.

  • 2.1   Opsnoeien en opkronen
    Bij opsnoeien en opkronen verwijder je de onderste takken langs de stam. Hierdoor ontstaat een kale stam en een boomvorm daarboven. Die boomvorm daarboven noem je de kroon. Opsnoeien of opkronen doe je vooral bij park- en straatbomen. Houd rekening met het volgende:
  • voer alleen wintersnoei uit: zomersnoei zorgt voor een te grote schok voor de boom;
  • snoei takken zonder vork af, kaal langs de stam;
  • beschadig de bast van de stam niet;
  • insmeren met wondmiddel hoeft niet (slechts in enkele gevallen helpt het);
  • soms moet je ook takken in de kroon snoeien.
Het  afzagen  van  een  dikke  tak.  Zaag  de  tak  eerst  op  stomp  om  inscheuren  te  voorkomen.  Zaag  hem daarna vlak bij de boom af.

2.2   Vormsnoei
Als je een vorm wilt maken, houd dan met het volgende rekening:
•     snoei de boom of struik zo, dat de zon alle kanten kan bereiken (piramide, rond);
•     snoei geen kaal hout bij coniferen;
•     snoei loofbomen op de stam terug;
•     voer de wintersnoei vroeg in het voorjaar uit;
•     voer de zomersnoei voor half juli uit; de plant kan dan nog knoppen maken voor de winter.

Vormsnoei gebeurt vooral bij bladverliezende struiken of kleine bomen. Doordat je takken wegsnoeit of juist laat zitten, ontstaat een bepaalde vorm.
Sommige struiken bloeien op de takken die hetzelfde jaar zijn gegroeid. De meeste soorten bloeien juist op het hout van het vorige jaar of van nog oudere takken. Snoei dus niet te snel de jonge takken weg, want dan heb je minder kans op bloei.
Soorten die bloeien op eenjarig hout zijn bijvoorbeeld spirea, vlinderstruik, blazenstruik, pruikenboom, hertshooi, lavendel, braam en vlier. Soorten die bloeien op meerjarig hout zijn forsythia, sering, weigelia en mahonia.

Boomvormsnoei voer je als volgt uit:
•     bepaal of de soort bloeit op eenjarig hout of op ouder hout (dat hout moet je dus níet weghalen);
•     zorg voor voldoende licht in het hart van de struik;
•     snoei zieke takken weg;
•     houd ongeveer vijf tot zeven hoofdtakken aan;
•       snoei eens in de vijf jaar de takken op 20 cm boven de grond (of stam) af voor verjonging.

Knotwilgen, leilinden of platanen worden vaak teruggesnoeid. Op de stronk lopen de bomen dan weer uit.

2.3   Verjonging

Verjongingssnoei van heesters op 20 cm boven de grond

Bij struiken kun je eens in de zoveel jaar alle takken op 20 cm boven de grond afsnoeien. De struik moet daarna weer helemaal uitgroeien. Zo verjongt de hele plant zich.

 

 

2.4   Knopsnoei
Bij knopsnoei snoei je de takken zo, dat er bloemknoppen ontstaan. Dit gebeurt vooral bij fruitbomen. De twijgen die recht omhoog groeien, snoei je weg. De takken die horizontaal groeien, laat je zitten. Ook kun je takken buigen, zodat ze horizontaal gaan groeien.

2.5   Onderhoud van bomen en planten
Bomen en planten moet je onderhouden om ze mooi en gezond te houden. Je zult ze dus regelmatig moeten dunnen, snoeien of knippen. Elke soort krijgt daarbij zijn eigen, speciale behandeling. Zo snoei je een laanboom op een heel andere manier dan een sierheester.
Snoeien is belangrijk bij het onderhoud van bomen en struiken. Door te snoeien, houd je de plant gezond en zorg je ervoor dat hij in een mooie vorm groeit. Hiervoor haal je te lage, te dikke, overbodige, beschadigde of zieke takken weg.
Je moet niet te lang wachten met snoeien. Als je te laat begint met het snoeien van een boom of struik, moet je  te  veel  of  te  dikke  takken  weghalen.  Daardoor  ontstaan  te  veel  of  te  grote  wonden,  waardoor  ziekten gemakkelijk de boom of struik binnen kunnen dringen. Bovendien verliest de boom of struik dan zijn natuurlijke vorm. Een vuistregel bij snoeien is dat je nooit meer dan 20% van de takken weghaalt.
Bij struiken zaag je de takken maximaal 10 cm boven de grond af. Anders krijg je struiken die eruitzien als een mini-knotwilg.
Bij het snoeien zaag of kap je een tak altijd zo recht mogelijk af. Als je een tak namelijk schuin afzaagt, wordt de wond groter. Als je een stokzaag gebruikt, moet je dicht bij de stam van de boom gaan staan. 

Goed en verkeerd snoeien met de stokzaag
De driesnedenmethode

Om te voorkomen dat door het gewicht van de tak de bast mee scheurt, gebruik je de driesnedenmethode.
Hierbij volg je drie stappen:
•     Zaag de tak halverwege aan de onderkant een stukje in.
•     Zaag de tak op ruime afstand van de stam af.
•     Maak de definitieve zaagsnede dichtbij de stam.

Voor je gaat snoeien, moet je weten met welke bomen- of struikensoort je te maken hebt. Zo snoei je een scheutbloeier, zoals lavendel, na de bloei tot vlak boven de grond. Maar een bladheester, zoals de laurierkers, snoei je bijna nooit. Je zou dan de mooie bladeren weghalen en dat is niet de bedoeling. Je kunt in plantenboeken opzoeken hoe je een boom of struik moet snoeien.

2.6   Begeleidingssnoei
Een boom die je niet snoeit, krijgt veel lage zijtakken. Die takken kunnen hinderlijk zijn voor het verkeer. Daarom moet je de boom regelmatig snoeien. Je haalt de onderste takken weg, zodat de boom een lange, takvrije stam krijgt. Deze vorm van snoeien noem je begeleidingssnoei.

De hoogte tot waar je de takken weghaalt, heet de opkroonhoogte. De opkroonhoogte verschilt per plaats. Een boom die langs een autoweg staat, moet je hoger opkronen dan een boom die langs een voetpad in het park staat.

Bij begeleidingssnoei snoei je alleen de hele takken uit de tijdelijke kroon. Dit zijn de takken die lager groeien dan de uiteindelijke hoogte van de takvrije stam. De takken die hoger groeien, vormen de blijvende kroon.

Je kunt drie jaar na aanplant al voorzichtig wat takken wegsnoeien. Daarna kom je elke drie jaar terug om te snoeien.

2.7   Probleemtakken snoeien
Een andere reden om te snoeien, zijn probleemtakken. Dit zijn takken die er niet mooi uitzien of slecht zijn voor de boom. De belangrijkste probleemtakken zijn:
•     dikke takken;
•     dubbele toppen;
•     zuigers
•     takkransen.

Met het snoeien van dikke takken moet je niet te lang wachten. Hoe dikker de tak is die je weghaalt, hoe groter de wond. Bomen horen maar één top te hebben, maar soms hebben ze er twee: een dubbele top. Eén van de toppen heeft altijd een betere vorm dan de andere of is langer dan de andere. Deze top laat je zitten, de andere haal je weg.

Een boom met een zuiger

Een zuiger is een zijtak die sterk omhoog groeit. Als de zuiger groot wordt, krijgt de boom een dubbele top. Daarom moet je de zuiger altijd op tijd weghalen.

Bij een takkrans zitten een paar takken als een krans bij elkaar rond de stam. De takken van zo’n takkrans moet je niet allemaal tegelijk weghalen. Want dan krijg je te veel wonden op dezelfde hoogte. Je haalt eerst de dikke takken uit de krans weg en bij de volgende snoeibeurt doe je er nog een paar. De keer daarop haal je de rest weg.

Een boom met een takkrans

 

3      Werkvolgorde bij het snoeien van heesters

Beoordeel de snoeitijd, de snoeivorm en de bloei- en groeiwijze.

Snoei uitgebloeide bloemen en wildgroei weg.

Snoei afhankelijk van de soort op een-, twee- of meerjarig hout

Probeer tijdens de snoei de natuurlijke vorm zoveel mogelijk te handhaven

Snoei beschadigde, zieke en concurrerende takken weg

Een snoeizaag, twee beugelzagen en een jirizaag

4      Gereedschappen bij snoeien
Voor het snoeien van twijgen kun je een snoeischaar gebruiken.
Dikkere takken uit bomen en struiken snoei je met een snoeizaag. Voor het omzagen van bomen of struiken is een jirizaag het best geschikt. Ook kun je een beugelzaag gebruiken bij de snoei. Bij deze zaag span je het zaagje tussen de uiteinden van de beugel. De vorm van het zaagblad is aangepast aan het werk wat je ermee doet. Net als de vorm van de zaagtanden.

Als je bij het zagen de zaag naar je toehaalt, staat de zaag op trek. Als je de zaag van je af beweegt, staat hij op stoot.

Zaag op trek en op stoot

Voor  het  snoeien  of  omzagen  van  grotere  takken  of  stammen,  gebruik  je  een  motorzaag.  Voor  je  met  een motorzaag  mag  werken,  moet  je  achttien  jaar  zijn  en  een  speciale  opleiding  gevolgd  hebben.  Tijdens  die opleiding leer je hoe je een motorzaag veilig gebruikt. Belangrijk onderdeel van die veiligheid is het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen: een helm, oordoppen, een zaagbroek, gelaatsscherm, veiligheids- schoenen en handschoenen. Deze dingen zijn verplicht!

Beschermende kleding bij het gebruik van de motorzaag

Een andere machine die je bij het onderhoud gebruikt, is de bosmaaier. Hiermee zet je struiken af. Ook voor het werken met de bosmaaier moet je achttien zijn en gelden er veiligheidsvoorschriften.

 

Als  je  gaat  dunnen,  kun  je  bomen  en  struiken  omhakken  met  een  bijl.  Als  je  met  een  bijl  werkt,  moet  je natuurlijk weer goed op de veiligheid letten. Zo bepaal je van tevoren zorgvuldig hoe groot een boom is en welke kant hij op gaat vallen. Bij het verwerken van het hout, gebruik je een kloofbijl. Hiermee kloof je blokken hout.

Snoeigereedschap onderhouden

Goed onderhouden gereedschap gaat langer mee. Bovendien is het veiliger. Met een botte zaag schiet je bij- voorbeeld sneller uit dan met een scherpe zaag. En een botte snoeischaar beschadigt de struik meer.

Snoeischaren en -zagen worden bij gebruik op den duur bot. Vooral als er zand op de tanden komt. Daarom moeten ze regelmatig geslepen worden.

Snoeigereedschap slijpen is niet gemakkelijk. Je moet goed weten welk onderhoudsgereedschap je ervoor gebruikt. Zo hebben zagen verschillende typen tanden. Bij elk type tand hoort een eigen vijl.

De vorm van een zaagtand

Bijlen slijp je een beetje rond. Je kunt de ronding controleren met een bijlmal: een ijzeren vorm met daarin drie uitsparingen.

5      Afvoer en verwerking

Snoeihout moet je afvoeren en verwerken. Als je het tussen de struiken laat liggen, gaat het rotten. De schimmels en bacteriën die daar welig tieren, kunnen dan ook de gezonde struiken aantasten. De milieuwetgeving verbiedt het storten van snoeiafval, ook op je eigen perceel.
Snoeihout kun je ook versnipperen. Bij het versnipperen worden de twijgen zó klein gemaakt, dat ze makkelijk drogen. In de droge houtsnippers kunnen schimmels en bacteriën niet makkelijk groeien. Als je de snippers vervolgens weer verspreidt, houd je veel onkruiden tegen. Het enige onkruid dat er wel goed op gedijt, zijn de brandnetels.
De snippers verteren door de activiteiten in de bodem. Bij de vertering van de snippers wordt nitraat (stikstof) gebruikt. Hierdoor is er minder nitraat beschikbaar voor de planten. Als je de snippers teruggeeft, moet je er dus rekening mee houden dat je moet bijmesten.

BRONNEN
Wiarda snoeien
Gamma snoeitips
Baaij onderhoudssnoei
Postema tuinen
Bomen en heesters snoeien lesbrief
Neerlands Tuin  

Fruit

Indeling fruit
Bij het indelen van fruit kun je verschillende criteria gebruiken bijvoorbeeld grot fruit en klein fruit
Kleinfruit, ook wel zacht fruit genoemd, kunnen we indelen in besvruchten en verzamelvruchten.

Je kunt bij kleinfruit de volgende groeivormen aantreffen:

  • struikvorm;
  • haagvorm;
  • struiken op stam.

Grootfruit kunnen we indelen in pitvruchten (appel en peer) en steenvruchten (perzik, abrikoos, pruim en kers).

Je kunt bij grootfruit de volgende groeivormen aantreffen:

  • struikvorm;
  • boomvorm;
  • leivorm.

Groeivormen
Er zijn verschillende groeivormen te koop, van de klein blijvende spil tot de majestueus uitgroeiende hoogstam- bomen of leivormen.

Bomen

 

De spil wordt met de zwak groeiende onderstam niet hoger dan 3 meter. Dat is ideaal voor een kleine tuin.

Houd er rekening mee dat dit wel afhankelijk kan zijn van de grondsoort. Er is keuze uit 2 groepen: halfstam en hoogstam.

• Halfstam
• hebben een stamlenge van ongeveer 1.50 m
• meest gebruikte groep van fruitbomen
• makkelijk in onderhoud (snoei)
• zeer makkelijk te oogsten
• men kan er nog onderdoor indien nodig

• Hoogstam
• hebben een stamlengte van ongeveer 2 m
• ogen mooi in het landschap en de boomgaard
• men kan er makkelijk onderdoor (ook met de auto, machines,…)
• men kan er vee onder laten grazen

MAAR
-onderhoud en oogst verlopen iets moeilijker, het gebruik van een ladder is noodzakelijk

Struiken of laagstam

 

• hebben een stamlengte van ongeveer 50 cm
• geschikt voor de kleine tuin
• zeer makkelijke oogst
• kindvriendelijkMAAR
– men kan er niet onderdoor
– oppassen met insnoeien
Leivormen

 

 

 

De struik en de halfstam zijn goed als leivorm te verwerken.

 

Klim-, slinger- en leiplanten

 

Deze kun je goed in een pergola laten groeien.

 

Haagvorm

 

De haagvorm ontstaat door struiken te steunen. Het fruit wordt dan langs draden geleid.

 

Enten
Vruchtrassen worden altijd geënt op een onderstam, die de groei bepaalt van het ras. Zwakgroeiende onderstammen bij de appel zorgen ervoor dat de boom klein blijft en toch veel vruchten draagt. Voorbeelden van veelgebruikte onderstammen zijn M9 (zwak), M7 (matig) of M27 (zwak). De M staat voor Malus. MM staat voor Malus Merton.
De zwakgroeiende onderstam van een peer wordt kwee genoemd. We kennen kwee A (matig) en kwee C (zwakst groeiende). Kwee staat voor peer, ook wel Cidonia Kwee genoemd.

Het aanplanten van fruitbomen.

  • Planttijd
    Fruitbomen worden aangeplant wanneer deze planten in rust zijn, d.w.z. van half november tot einde maart. Ook in de winter, bij vorstvrij weer kan er geplant worden.

De planten mag men nooit onbedekt in zon of wind laten liggen om uitdrogen te voorkomen. Zijn de wortels toch redelijk droog, dompel ze dan eerst in water of besproei ze even alvorens te planten. Indien men niet onmiddellijk na ontvangst kan planten, dan moet men de planten voorlopig inkuilen.
Plant de bomen of struiken nooit dieper dan ze op de kwekerij gestaan hebben. En zorg ervoor dat de entplaats (de knobbel aan de voet van de plant) boven de grond blijft.
Het plantgat moet voldoende groot zijn d.w.z. 50 bij 50 cm groot en ook 50 cm diep.
Het is aan te raden plantcompost of potgrond in het plantgat te vermengen met de eigen grond. Dit zorgt voor een actieve en gezonde bodem wat de groei dan weer bevordert. Gebruik beslist géén mest. Dan zouden de wortels namelijk kunnen verbranden.
Zorg dat de grond niet te droog is.
Je kunt de fruitbomen steunen met boompalen met boomband. Plaats de boompaal ten zuidwesten van de boom op ongeveer 20 cm uit het hart van het plantgat. Op die manier hangt de boom namelijk in de meest voorkomende windrichting in de boomband en schuurt niet langs de paal. De boompalen blijven ongeveer twee groeiseizoenen staan. Daarna heeft de boom zelf voldoende wortels gevormd en blijft rechtop staan.

Bestuiving
Tijdens de bloei zorgen insecten voor de bestuiving van de bloemen, waarna de vruchten ontstaan. Fruitbomen hebben veelal kruisbestuiving nodig. De bestuivers moeten dan van hetzelfde geslacht zijn. Een appel kan dus geen peer bestuiven. Maar de sierappel kan wel zorgen voor bestuiving van appelrassen. De aanwezigheid van goede bestuivers is nog geen garantie voor een goede bestuiving. Het stuifmeel moet ook worden overgebracht van de bloem van het ene ras op de stempel van de bloem van het andere ras. Daar zorgen hommels, wilde bijen en honingbijen voor. De kans is groter op bestuivers als de tuin een beetje beschut ligt. Ideaal weer voor een goede bestuiving is: zonnig, een niet te hoge luchtvochtigheid, temperaturen tussen de 20 en 25 graden Celsius en weinig wind.

Bestuivingschema’s
De meeste fruitbomen zijn kruisbestuivers zijn. Dat betekent dat er een andere boom van het zelfde soort maar een ander ras in de buurt moet staan om vruchten te krijgen. Om ervoor te zorgen dat er een goede bestuiving plaats vindt, kun je gebruikmaken van zogenaamde bestuivingschema’s. Daarin staat aangegeven hoe rassen zich onderling verdragen. Wil er namelijk een goede bestuiving plaatsvinden, dan moeten de bloeitijden voldoende samenvallen.
Er zijn appel- en perenrassen die zonder kruisbestuiving ook vruchten krijgen. Voorbeelden zijn de ‘Schone van Boskoop’ en ‘Conferance’.

voorbeelden van bestuivingsschema’s :

Van bloesem tot vrucht

Bij veel bomen zie je na de bloei de bloemen onder de boom liggen. Op dat moment zien de fruitbomen er het minst fraai uit. De bloemen zijn al gevallen, maar het blad en de scheutgroei ontbreken nog. Het duurt echter niet lang voor de boom z’n frisgroene kleur krijgt. Deze periode kost de boom veel energie. De buitentemperatuur loopt op en de grond wordt warmer. Daardoor wordt de wortelwerking steeds krachtiger. Nu vormen zich de vruchten. Wanneer de vruchten gaan rijpen nemen ze veel voedsel weg van de boom. De vruchten vormen geur- en smaakstoffen en hun kleur wordt levendiger; de vrucht is volgroeid. Op het moment dat het steeltje een soort kurklaagje vormt, zal de vrucht snel van de boom vallen en kunnen we de vrucht eten.

Toepassingen fruit

Fruit kun je op vele manieren in de tuin toepassen. Je kunt ze tussen de andere tuinplanten zetten of in een speciaal daarvoor ingericht deel van de tuin (fruittuin of moestuin). Vruchtbomen en -struiken kun je uitstekend solitair aanplanten. Zo’n alleenstaande boom of struik zorgt voor een opvallend accent in de tuin. Een enkele appelboom (hoogstam of halfstam) op een gazon bijvoorbeeld is een schitterend gezicht. Sommige fruitsoorten, met name de heestervormen, kunnen ook als haag toegepast worden. De klimplanten in de fruitfamilie kun je ook aan een pergola laten groeien. De druif en de kiwi zijn daarvan bekende voorbeelden. Verder zijn veel fruitsoorten geschikt om er leibomen van te maken. Ze groeien dan als het ware plat tegen een schutting of muur.

NAK-tuinbouw

De Naktuinbouw (Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw) speelt zeker bij fruit ook een belangrijke rol en beoordeelt de producten op:

  • herkomst;
  • raszuiverheid;
  • rasechtheid;
  • uitwendige kwaliteit;
  • virusvrijheid;
  • gezondheid.

De  Naktuinbouw  controleert  alle  fruitbomen  die  geënt  worden  op  een  onderstam.  Ook  het  kweken  van  de onderstammen valt onder hun toezicht.

Het waarmerkstrookje van de Naktuinbouw zoals het om een fruitboom zit

 

 

 

Fruit in potten
Een mooi voorbeeld van fruit in potten is de aardbei. Daarvoor bestaan al jaren aardbeienpotten. Vooral door- dragende aardbeien zijn heel geschikt om te telen in aardbeienpotten. Veelal worden niet geheel vorstbestendige fruitsoorten in potten gezet, bijvoorbeeld de vijg.

Aardbeienpot

Grondsoort
Het is moeilijk om precies aan te geven welke grondsoort geschikt is voor fruit. Toch zullen we er enkele noemen:

  • Kersen houden van een voedselrijke, niet te natte grond.
  • Pruimen van een kalkrijke, voedzame en niet te natte grond.
  • Aardbeien houden van een lichte, vochthoudende humusrijke grond.

Zo zijn er nog vele andere vruchtbomen te noemen, die elk hun eigen specifieke eisen stellen aan de grondsoort.

Bemesting
Wanneer bij het planten de nodige compost al voorzien is, is dit alvast een goed begin. Goede grond (met plantcompost) voorkomt veelvuldig bemesten. Een laagje plantcompost rond de boom leggen, vooral tijdens de zomer, is zeer goed en bevordert de groei. Meststoffen kunnen in het voor- en of het najaar gestrooid worden. Wees wel zuinig met scheikundige meststoffen, bij overmatig gebruik verzieken ze de bodem en verminderen het afweersysteem van de planten. Wij raden echter organische meststoffen aan, zij zijn minder agressief en beter in gebruik.

Ziekten
Fruit is een voedingbodem voor veel ziekten. Dat geldt voor het hout, het blad en de vruchten. Er zijn veel bestrijdingsmiddelen in de handel. Voor het gebruik daarvan moet je je afvragen of de milieueffecten opwegen tegen de kwaliteitsverbetering van de vruchten. Beter is het om ziektebestendige soorten te kiezen.

Soorten fruit

APPEL
De appel behoort tot het omvangrijke planten geslacht Malus. De bomen zijn geschikt voor alle gronden op voorwaarde dat de grond voldoende voedsel en geen storende lagen bevatten. De grondwaterstand moet constant en niet te hoog zijn. De groei beheerst men door het insnoeien. Bij de vormsnoei zijn de hoofdtakken belangrijk. De onderhoudssnoei wordt jaarlijks toegepast. Oude takken worden geruimd om plaats te maken voor jonge takken, waterloten worden verwijderd evenals zwakke en kromgroeiende twijgen. Verjongingssnoei is het wegnemen van oude takken waardoor de groei weer gestimuleerd kan worden. Het snoeien wordt best uitgevoerd in de winter bij vorstvrij weer.

PEER
De peer behoort tot het geslacht Pyrus. Perenbomen stellen weinig eisen aan de grond, voldoende voedsel bevordert de groei en bloei sterk. Perenbomen nemen niet veel ruimte in en zijn gemakkelijk te vormen. Als leivorm plant men ze best ongeveer 1.50 m uit elkaar. De groei wordt zoals bij de appel beheerst door het insnoeien. Dit gebeurt ook best in de winter bij vorstvrij weer.

PRUIM
De pruimenrassen behoren tot het geslacht Prunus domestica. Ze stellen weinig eisen aan de grond en de standplaats. Pruimenbomen kan men best na de oogst of als de bomen in het voorjaar gaan uitlopen snoeien. Hierdoor zal de snoeiwond snel vergroeien. Elk jaar dunne takken wegsnoeien is beter dan bij oude bomen grote takken weg te snoeien en zodoende grote wonden te maken. Sommige pruimenbomen zijn zelfbestuivend en daardoor zeer geschikt als solitair in kleine tuinen. Andere soorten geven juist de voorkeur om met meerdere bij elkaar te staan voor een goede vruchtopbrengst.

KERS
De kers behoort tot het geslacht Prunus. Kersenbomen stellen weinig eisen aan de grond. Hij groeit meestal goed en gezond. Of de boom het naar zijn zin heeft kan men zien aan de stam. Deze behoort glad te zijn. Is hij knoestig, dan mankeert er iets aan de grond, de waterhuishouding of aan de bemesting. Kersen snoeit men best in de zomer na de oogst. Tijdig snoeien voorkomt dat men later dikke takken moet verwijderen, waardoor grote wonden ontstaan. Een te dichte kroon moet echter worden uitgedund ook als het al oudere takken zijn. Daarom is het beter bij het opkweken jonge takken die te veel zijn geheel weg te snoeien. Andere takken krijgen hierdoor voldoende ruimte om uit te groeien.

KRIEK
De kriek is nauw verwant aan de kers en behoort ook tot het geslacht Prunus. Krieken stellen weinig eisen aan de grond en zijn zelfbestuivend. Krieken, ook zure kersen genoemd, worden vooral gekweekt voor de inmaak. Het snoeien gebeurt op dezelfde manier als bij de kersen.

 

 

PERZIK
De perzik behoort tot het grote geslacht Prunus. De verschillende fruitsoorten van het geslacht prunus hebben gemeen dat ze steenvruchten dragen. Bij de perzik is deze steenvrucht groot en gegroefd. Ons klimaat is niet bepaald gunstig voor de teelt van perziken doordat de bomen vroeg in het voorjaar (maart) bloeien. De kans is daardoor ook groot dat de bloesem (het vruchtbeginsel) van vorst te lijden krijgt. Daarom is het belangrijk de perzikboom op een beschutte plaats te zetten (bv. voor een muur op het zuiden). Op een zonnige plaats en een kalkrijke grond groeit de boom zeer goed. Een beetje kalk in de plantput mengen is aan te raden. De perzikboom best snoeien direct na de oogst. Snoeien bestaat uit het wegnemen van dorre takken. Wanneer de boom overvloedig beladen is met vruchten, is het aangeraden goed te dunnen. De boom zal er goed bij varen. De grootte van de vruchten en de smaak wordt erdoor bevorderd. De perzikboom is zelfbestuivend.

NECTARINE
Een nectarine is eigenlijk een perzik met een gladde schil. De eisen wat betreft grond zijn dan ook dezelfde als bij de perzik. Een kalkrijke grond en een zonnige standplaats genieten de voorkeur. Het is aan te raden kalk in de plantput te mengen om een beter resultaat te bekomen. Nectarines zijn zelfbestuivend.

 

 

AMANDEL
De amandel (Prunus dulcis) kan als vrijstaande boom geplant worden. Hij doet het goed op een zonnige warme plaats, bij voorkeur een doorlatende kalkrijke grond. De snoei is na de oogst. De zoet smakende vruchten kan men drogen op een koele plaats en bewaren. Pluk de vruchten wanneer deze rijp zijn, ze zijn dan zeer aromatisch.

ABRIKOOS
De abrikoos is een kleine boom of struik en behoort eveneens tot het geslacht Prunus. Omdat de boom zeer gevoelig is aan nachtvorst, is de teelt nooit echt belangrijk geworden. Plant men ze op een zeer zonnige en goed beschutte plaats, tegen een muur en liefst op een kalkrijke grond, kan men wel goede resultaten behalen. De abrikoos levert zeer sappige vruchten, mits men de oogst wacht tot ze geheel rijp zijn. In warme streken is de abrikoos een belangrijk exportartikel. Ze worden veelal gedroogd en geconserveerd. De abrikoos is zelfbestuivend.

DRUIF
De druif, ook door sommigen gekend als Vitis, stelt weinig eisen aan de grond mits men de nodige plantcompost in de plantput mengt. Druiven groeien het best op een zonnige beschutte plaats tegen een muur of aan een draad of paal. Ze gedijen ook heel goed in de serre of veranda. Het snoeien van druiven is niet moeilijk. De hoofdstam laat men de eerste jaren bijgroeien met 40 à 80 cm per jaar. De overige takken snoeit men weg. Dit doet men tot men de gewenste hoogte bereikt heeft. Jaarlijks de zijtakken in de winterperiode insnoeien tot op 2 ogen. Op de ranken die dan uitgroeien komen de vruchten. De vruchtdragende scheuten worden elke zomer getopt zodat bladeren en vruchten elkaar niet bedekken, na de druiventros 2 bladeren laten staan, de rest weg nemen. Al in het tweede jaar kan men vruchten verwachten. Om grote druiven te krijgen moeten de trossen gedund worden. Knip wanneer de druiven zo groot zijn als een erwt, ongeveer de helft weg. Houd daarbij de vorm van de tros een beetje in de gaten. De overgebleven druiven groeien nu des te beter.

BESSEN

  • STEKELBES (of KRUISBES)
    De stekelbes (ook knoesel genoemd) stelt weinig eisen aan grond en standplaats, wel hebben ze een lichte voorkeur voor vochtige grond. Half schaduw wordt goed verdragen. De bessen komen aan het éénjarig hout en zijn rijp vanaf einde juni. Het snoeien bestaat uit uitdunnen en insnoeien. Fel afhangende takken wegsnoeien, de sterkste laten staan. Plantafstand bedraagt 1 tot 1.50m.
  • TROSBES OF AALBES
    De 3 aalbessoorten, rode, witte en zwarte, stammen allen af van het geslacht Ribes. Ze behoren tot het zogenaamde kleinfruit en kunnen op alle gronden worden gekweekt als de bodem maar niet te droog is. Plantcompost in de plantput mengen is wel aan te raden. De plantafstand van de rode en witte bessen bedraagt ongeveer 1 à 1.50 m. Bij de zwarte bessen is deze plantafstand groter, 1.50 tot 2m omdat het brede struiken worden. De takken van de struik moet men insnoeien en uitdunnen zodat ook het hart van de struik voldoende licht krijgt. Zwarte bessen snoeit men drastisch terug na het planten zodat krachtige nieuwe scheuten tot ontwikkeling komen. Dan is snoeien niet meer nodig totdat de plant vrucht gedragen heeft. Na de vruchtdracht jaarlijks uitdunnen en insnoeien. Bij rode en witte bessen snoeit men de takken tot op de helft terug en zijscheuten tot 2,5 cm. Zomersnoei is goed om het jonge hout te doen rijpen. Tenslotte nog even een woordje uitleg over de smaak van de bessen. Rode bessen hebben een zoetzure smaak. Witten bessen zijn iets zoeter. Zwarte bessen (ook cassis genoemd)hebben een zeer speciale smaak alsook aroma, ze worden meestal gebruikt voor confituur en sap. De takken en bladeren van de struik zijn bij het wrijven fel riekend.
  • BRAAM
    Braambes of Rubus stelt ook weinig eisen aan de grond en standplaats. Plantcompost in de plantput mengen bevordert echter de groei. Men moet bramen meestal wel leiden, de takken kunnen meterslang worden. De snoei beperkt zich tot het wegnemen van zwaar oud hout in het voorjaar. Doordat ze op tweejarig hout dragen, moet men geen grondscheuten of éénjarig hout wegnemen tenzij dit nodig zou zijn om te leiden of om de struik uit te dunnen. Braambessen zijn zelfbestuivend en zeer vruchtbaar.
  • AMERIKAANSE BOSBES
    De Amerikaanse bosbes (Vaccinium corymbosum) is een veredelde bosbes met grote zoete vruchten, rijp in juli – augustus. De bosbessen gedijen zeer goed in ons klimaat en zijn zeer vruchtbaar, mits ze aangeplant worden in vochtige zure grond. Turf mengen in het plantgat is aan te raden. Na het planten kan men eventueel de bodem afdekken met turf, bladgrond en dennennaalden, dit voorkomt uitdroging van de grond. In het voorjaar de oude afgedragen takken wegsnoeien is voldoende. Hiermee beperkt men zich tot verjongingssnoei.
  • FRAMBOOS
    De framboos (Rubus idaeus) vraagt een voedzame bodem die voldoende vochtig is. Lichte schaduw wordt verdragen. Het is aan te raden plantcompost in de plantput onder te mengen. Frambozen mag men dicht tegen elkaar planten 4 à 5 per lopende meter. Het eerste jaar dragen de scheuten niet. In het volgende jaar de uit de grond schietende scheuten wegknippen, dit kan tot begin mei. De scheuten die dan nog volgen laat men doorgroeien. De tweejarige scheuten dragen vrucht vanaf half juli. Na de oogst moet men ze tot tegen de grond wegknippen. In de winter mogen de planten getopt worden.

NOTEN

  • HAZELNOOT
    De hazelnoot (Corylus avellana) stelt geen speciale eisen aan de grond. Hij groeit op de meeste niet te droge gronden en kan zeer goed schaduw verdragen. Wanneer men meerdere soorten bij elkaar plant krijgt men een goede vruchtzetting. Hazelaar verdraagt snoei uitstekend, hoewel deze niet noodzakelijk is. De noten na droging koel bewaren.
  • WALNOOT OF OKKERNOOT (Juglans regia)
    Walnoten zijn prachtige vrij grote bomen. Bij het planten kan men best plantcompost in de plantput vermengen met de eigen grond. Veredelde notenbomen zijn duurder in aankoop, maar geven eerder en meer vruchten (bv Broadview of Buccaneer). Snoei is niet echt nodig, behalve wanneer er dode, zieke of elkaar kruisende takken tussen zitten. De walnoot gedijt best op voedselrijke grond en verlangt volle zon. Snoei zo min mogelijk, alleen ‘s zomers (ivm de sapstroom). De vruchten kan men oogsten wanneer de groene bolster barst, drogen en koel bewaren.
  • KASTANJE (Castanea sativa)
    De tamme kastanje is een snelgroeiende boom. In het najaar laat de boom prikkelige groene bolsters vallen waarin eetbare vruchten nml. de kastanjes zitten. De kastanjeboom heeft voorkeur voor een vochtige bodem en kan vrij veel schaduw verdragen, toch geniet een warme plek de voorkeur.

MOERBEI
De moerbei of Morus nigra zijn vooral geteeld voor de kweek van zijderupsen. Toch heeft zij verrukkelijk smakende vruchten die gelijken op grote braambessen. Ze hebben een fijne zoete smaak en worden veelal gebruikt om jam van te maken, maar kunnen ook zo gegeten worden. De boom vraagt een losse vochthoudende grond.

 

MISPEL
De mispel of Mespilus germanica is een niet veeleisende struik of kleine boom. De vruchten hebben een bijzondere smaak, die door sommige mensen wel, door andere niet op prijs wordt gesteld. De vruchten plukt men pas na enkele nachten met vorst. Daarna moeten ze in huis narijpen tot ze zacht zijn, niet rot! De vruchten zijn geschikt voor confituur, confijten en fruitwijn.

 

KWEEPEER
Kweepeer of Cydonia oblonga vormt een grote struik of kleine boom met peervormige vruchten. Rauw zijn de vruchten echter niet te eten, het vruchtvlees is heel hard en wrang van smaak. Na toevoeging van voldoende suiker is het vruchtvlees als jam, smaakmaker in bijvoorbeeld appelgebak, ijs en compot. De kwee gedijt op iedere niet te droge grond. Snoei verdraagt hij uitstekend, hoewel die niet noodzakelijk is. Het verwijderen van oud hout is echter wel belangrijk.

KIWI
De kiwi of Actinidia chinensis is een klimplant die we soms wel eens aantreffen langs een pergola. Het is een decoratieve, snelgroeiende plant die bij ons toch wel een beetje vorstgevoelig is, een plekje op het zuiden is aan te raden. Voor het planten is het belangrijk de plantput voldoende ruim en diep te maken. Sterkgroeiende takken moet men in de zomer regelmatig insnoeien. Voor de bevruchting is het nodig een mannelijke en vrouwelijke plant bijeen te zetten. Tegenwoordig zijn er ook al zelfbestuivende planten in de handel. De vruchten zijn behaard, groenbruinachtig en bevatten zeer veel vitamine-C. Het is een lekkere vrucht met een friszoete smaak. De kiwi vraagt een voedzame vochthoudende grond.

VIJG
Vijgen (Ficus carica) groeien zeer goed en gezond op gewone tuingrond. De vijgenboom, die vaak alleen om zijn decoratieve waarde geplant wordt, verlangt wel een beschutte plaats tegen een warme muur. Men moet er rekening mee houden dat ze vorstgevoelig zijn en moeilijk rijpen in ons klimaat. Wanneer men een vijgenboom in de serre of veranda zet, kan men wel goede resultaten bekomen. De snoei is vrij eenvoudig, in het voorjaar worden de vruchttakken tot op één of twee knoppen teruggesnoeid. Ook al het hout dat in de winter schade heeft ondervonden evenals ongewenste scheuten moet men verwijderen. Uitdunnen is aan te bevelen.

AARDBEI
De aardbei (Fragaria ananassa) behoort als enigste fruitsoort tot de vaste planten. Alle andere soorten zijn struiken, bomen of klimplanten; de zogenaamde houtige gewassen. Aardbeien houden van lichte, vochthoudende en humusrijke grond. Ze kunnen zowel in volle grond geplant worden als in pot. Wie geen last van onkruid tussen de aardbeien wil hebben, legt voor het planten zwarte plasticfolie over de grond uit. Maak een klein gat op de plaats waar de aardbei wordt geplant. De plasticfolie zorgt er ook voor dat vocht en warmte behouden blijft. Stro tussen de aardbeien heeft hetzelfde effect. Wanneer de aardbeien in rijen worden geplant, is 60à70 cm tussen de rijen nodig. In de rij zelf is 35 à 40 cm voldoende.

Bij enkele fruitsoorten moet er rekening gehouden worden met de bestuiving. Sommige soorten zijn zelfbestuivend, andere hebben een andere soort nodig die zorgt voor de bestuiving. Voor appels, peren, pruimen en kersen hebben we enkele bestuivingstabellen opgesteld die u hieronder kan raadplegen.

Eetbare tuin

Bij eetbare producten kun je denken groenten en fruit uit de moestuin, maar ook aan wilde planten en producten uit voedselbossen. Het zelf kweken van eetbare producten kent veel aspecten. Zo is het bijvoorbeeld gezond, leuk, milieuvriendelijk en ontspannend. Mede onder invloed van de milieubeweging besteden de media en scholen steeds meer aandacht aan het zelf kweken van eetbare producten. Mensen kweken voedsel in hun achtertuin en in volkstuincomplexen. Op kleine schaal kan het zelfs op het balkon.

Kopen of zelf kweken?
Steeds minder mensen beschikken over een moestuin bij hun huis. Het is daardoor vanzelfsprekend geworden om voedsel te kopen. Oorzaken daarvoor zijn:
– Door verstedelijking zijn de tuinen steeds kleiner geworden of hebben mensen geen tuin meer.
– Tuinen worden ingericht als siertuin.
– Mensen zijn druk en kiezen voor een onderhoudsarme siertuin.
– We leven in een welvaartsmaatschappij waarin alles te koop is.
– Mensen zijn vervreemd van het buitenleven.

Als je zelf gekweekte producten vergelijkt met gekocht producten dan hebben beiden voor- en nadelen.
Hieronder staan een aantal criteria die je met elkaar zou kunnen vergelijken.

Gekochte producten Zelf gekweekte producten
sortiment groot, jaarrond beperkt, seizoensgebonden
kwaliteit goed, homogeen variabel
verwervingstijd kort lang
bereidingstijd kort lang
energiebehoefte groot klein
verpakkingsmateriaal veel geen
toevoegingen en residu wisselend geen
smaak wisselend goed

Permacultuur
Permacultuur is een duurzame vorm van van kweken waarbij regelmatig wordt afgeweken van traditionele werkwijzen. Complexe ecosystemen in de natuur dienen hierbij als voorbeeld.

1 Wilde planten
De natuur biedt veel eetbare planten. Helaas is veel kennis hierover verloren gegaan.
Bekend is dat vooral jonge plantjes voedselrijk, gezond en geneeskrachtig zijn. Daarom is het vroege voorjaar erg geschikt om plantjes uit de natuur te consumeren. Je kunt ze aan diverse gerechten toevoegen of verwerken
Voorbeelden van gezonde wilde planten zijn: zevenblad, brandnetel, paarse dove netel, speenkruid, hondsdraf, winterpostelein, veldkers, kleefkruid, paardenbloem, weegbree, look zonder look, zuring, vogelmuur, daslook en madeliefje.
Herboristen zijn mensen die zich verdiept hebben in de waarde van wilde planten voor onze voeding en gezondheid.

2 Kiemgroente ( kersgroente, microgroente of spruitgroente)
De eigenschap dat jonge plantjes smaakvol en gezond zijn wordt toegepast bij het gebruik van kiemgroenten.
Kiemgroenten bevatten veel vitaminen, zijn erg smaakvol en kun je enkele dagen na het zaaien al oogsten. Ze worden kleinschalig gekweekt op schalen in kweekbakjes. Dit kan het hele jaar door.

De bekendste soort is tuinkers. Andere soorten zijn broccolikersfenegriekkersrode koolkers, rucolakers, radijskers, mosterdkers en Chinese bieslookkers. Ook de kiemen van sommige bloemen zoals de zonnebloem kunnen geconsumeerd worden. Kiemgroenten bevatten veel vitaminenen mineralen. Ook bevatten de kiemplantjes veel anti-oxidanten. Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen kiemgroenten en spruitgroenten, waarbij kiemgroente in het licht wordt geteeld, in tegenstelling tot spruitgroente, zoals taugé en alfalfa, die door teelt in de duisternis wit blijft. Kiemgroenten zijn culinair interessant door de veelal krachtige kruidige smaak.

3 Groenten en kruiden

Inleiding
Er is veel veranderd in het leefpatroon van mensen. Zo heeft het kweken van groenten en kruiden de laatste 50 jaar een totaal nieuwe functie gekregen. In het verleden kweekten men deze producten, in de achtertuin, om in de behoeften aan verse producten te kunnen voorzien. Met de opkomst van de supermarkten is deze noodzaak verdwenen. De tuinen zijn kleiner geworden en voornamelijk ingericht als siertuin. Het kweken van groente en kruiden is een hobby geworden die in veel gevallen verbannen is naar de volkstuin ergens buitenaf.

Zaaizaad en pootgoed
Bij het kweken van groenten en kruiden kun je als uitgangsmateriaal zaden, planten of bollen gebruiken.
Tuincentra maken het voor de doorsnee hobbykweker steeds gemakkelijker om aan deze producten te komen. Elk tuincentra heeft wel een of meer rekken staan met zaaizaad en pootgoed. Ook hebben ze altijd wel een voorraad staan aan voor gekweekte planten.
Het sortiment is gigantisch. Dit geldt voor de breedte en de diepte. Omdat de volkstuider in het algemeen erg milieubewust is verkopen tuincentra milieuvriendelijk gekweekte producten. Deze zijn voorzien een keurmerk.

Zaaien
Tussen hobbykwekers heerst meestal een informele competitie om zo vroeg mogelijk de beste producten te oogsten. Deze wedstrijd wordt versterkt door de volkstuincomplexen waarbinnen volkstuinen zich vaak bevinden.
Veel hobbykwekers beschikken over een verwarmde of onverwarmde hobby-kas om plantgoed of eindproducten op te kweken.
In boeken en op internet kom je diverse zaaikalenders tegen. Deze geven veel informatie en leveren ideeën op voor je productkeuze.

zaaikalender

Groenten zijn vaak seizoensgevoelig zijn. Daarom zul je in het voorjaar vaak voor andere rassen moeten kiezen dan in het najaar. Kies je verkeerd dan zal het gewas zich anders ontwikkelen dan gewenst is. Veel gewassen zullen bijvoorbeeld ongewenst gaan bloeien en zaad vormen in plaats van uitgroeien tot een oogstbaar product. Bonen zullen aangetast worden door kiemschimmels als de bodemtemperatuur te laag is. Daarom kun je niet zaaien voor half mei. Het is verstandig om, bij onzekerheid, eerst de gebruiksaanwijzing te lezen.
Kenmerkend voor volkstuinders is dat ze erg vindingrijk zijn in het bedenken van zaaimethoden.  Er wordt gezaaid in de volle grond maar ook in allerlei bakjes, kistjes en potjes. Soms wordt er tussendoor meerdere malen verspeend. Op deze wijze opgekweekte planten worden later uitgeplant. Tussen volkstuinkwekers zie je vaak een levendige ruilhandel in zelf opgekweekt plantmateriaal.
Bij het ter plaatsen zaaien wordt er op rijen of bedjes gezaaid.

Pillenzaad is omgeven door een laagje kalk waardoor het gemakkelijk is om de zaden voldoende ver uit elkaar te zaaien. Ook kom je zaai matjes tegen.

Planten en poten
Als je bollen, knollen of planten in de grond zet spreek je over planten en poten. Het kan daarbij gaan om, door de volkstuinder zelf opgekweekt plant- en pootgoed of om kant en klaar gekochte  plantmaterialen. Het sortiment is groot. Planten worden aangeboden in perkluiten, multi-platen, los of in poten. Naast traditionele producten als aardappels, uien, koolsoorten, sla, prei, komkommers, tomaten, selderij, bieslook en peterselie is het sortiment de laatste jaren uitgebreid met minder voor de hand liggende producten als artisjok, broccoli en andere groenten en kruiden.

Plantmateriaal wordt  verpakt of los verkocht. Soms is de informatie die via de verpakking wordt verstrekt beperkt. Dat kan vragen opleveren over  zaken als  planttijden, plantdieptes, plantmethoden en plantafstanden. Informatie hierover kun je  opzoeken op internet, in zaadgidsen en op zaadzakjes. In veel gevallen kom je erg ver met logisch nadenken. Als je weet hoe het eindproduct eruit ziet kun je in het algemeen inschatten wat de plantafstand is.
Wat de planttijd betreft kun je ervan uitgaan dat deze correspondeert met het moment waarop het plantgoed wordt aangeboden.
Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat deze overeenkomt met de vorige situatie. Zo ko

mt bij perskluiten de bovenkant van de kluit gelijk met de bovenkant van het plantbed. Bollen en knollen komen zo diep onder de grond als de bol of knol dik is.

Kruiden worden vaak opgekweekt in plantbakken of bloempotten. Deze zijn ook geschikt voor en balkon.
Er bestaan  schema’s met overzichten van plantafstanden en planttijden.

Hulpmiddelen
Voor het planten en poten kun je in het algemeen gebruik maken van het algemene tuingereedschap. Met een schop, spa, hark, schoffel en stuk touw aan twee stokjes kom je een heel eind. Daarnaast zijn er speciale pootlijnen en pootstokken in de handel.
De tuinlijn gebruik je als tijdelijke markering van de rij bij het maken van plantgaten.
Voor het maken van de plantgaten of sleuven kun je gebruik maken van een schoffel, een spa, een poothout of gewoon de bovenkant van de schoppensteel. Soms kun je gewoon je handen gebruiken.
Plantgaten of zaaisleuven kun je dichtmaken met je handen,  voeten of met een hark.
De rij afstanden kun je uitmeten met een maatstokje of gewoon met je voeten.
Om zaaibedden te beschermen tegen vogels kan er gebruik gemaakt worden van een tuinnet.  Dit kun je op hoogte aanbrengen met gebogen elektriciteitsbuizen en vastzetten met stenen.
Om wildvraat tegen te gaan worden volkstuinen omheind met gaas. Deze omheining moet minimaal 1 m hoog zijn. Om konijnen te weren moet het gaas ongeveer 20 cm ingegraven worden.
Tot half mei kan er nachtvorst optreden. Met bloempotjes kun je planten tegen vorst beschermen.
Een aantal gewassen moeten gesteund worden.
Stokbonen worden gesteund met palen, draad en touw of met bonenstaken.
Voor het steunen van doperwten en peulen wordt rijshout of gaas gebruikt.
Tomaten worden gesteund met stokken of een systeem van stokken, draden en touw. Dit kan buiten of in de kas. Komkommers worden voornamelijk in de kas gekweekt. Deze worden dan gesteund met draad en touw.

Verzorging
Als er gezaaid wordt in een bakje of potje gebruikt men speciale zaaigrond. Deze is voedselarm. Zaad heeft namelijk de eerste periode geen voedsel nodig en voedselarme grond heeft weinig last van bodemziektes. Zaad wordt afgedekt met een dun laagje scherp zand. Deze wordt aangeklopt en voorzichtig besproeid met water.
Om uitdrogen van de zaaigrond te voorkomen kun je deze, na het gieten, afdekken met een glasplaat. Er moet natuurlijk wel een luchtlaag overblijven tussen de grondlaag en de glasplaat.  Om te voorkomen dat condensdruppels op de zaaigrond vallen moet de glasplaat dagelijks gedraaid worden. Bij bloempotten gebruikt men ook wel plastic zakjes. De meeste zaden zijn donkerkiemers.  Deze worden afgedekt met papier.
Als er niet wordt afgedekt zul je zo nodig voorzichtig moeten sproeien. Als je een gieter met broes gebruikt zul je buiten het zaaibed moeten beginnen en buiten het zaaibed moeten ophouden met gieten. Als je dit niet doet zullen de dikke druppels kuiltjes veroorzaken.
Als de kiemplantjes zichtbaar zijn moet de glasplaat of het zakje verwijderd worden.
Als de plantjes elkaar gaan hinderen kun ze ruimer gezet worden. Dit heet verspenen.

Buiten zaait men vaak op regels. Na het zaaien kun je de rijen licht aandrukken met een schoffel of met de achterkant van de schoppensteel. Zo blijf je de rijen zien.
Verder geldt voor zaailingen en uitgeplante producten dat  het  een kwestie is van onkruidbestrijding en zo nodig gieten.

Tomaten en komkommers moet je dieven. Dit is het wegnemen van zijscheuten om de planten beheersbaar te houden en om ervoor te zorgen dat er voldoende water en voedsel naar de vruchten gaat.

Ziekte vrij houden is best moeilijk. In de moestuin heb je vooral last van meeldauw, Phytophtora, rupsen, luizen, spint en witte vlieg. Vraag je op de eerste plaats af of bestrijden nodig is. Een paar gaatjes in het koolblad is helemaal niet erg.

Streef altijd naar een milieuvriendelijke bestrijding. Vooral bij eetbare producten is het niet verstandig om giftige middelen te gebruiken. Als mechanisch bestrijden niet lukt beschikken tuincentra over milieuvriendelijke bestrijdingsmiddelen.

Veel volkstuinders werken met wisselteelten. Aardappels mag je maar een keer per 3 jaar op dezelfde grond zetten. Kruiden hebben weinig last van ziekten. In combinatie met groenten kunnen ze de groenten zelfs ziektevrij houden.

Oogsten
Oogsten is het verzamelen van producten. Meestal om te consumeren of te bewaren

Een paar voorbeelden:

Aardappels worden uit de grond gehaald met een riek  en kunnen op een vorstvrije plaats bewaard worden. Als je ze spruitvrij houdt kunnen ze, afhankelijk van het ras, de hele winter bewaard worden. Het spruitvrij houden kan met de handen of met speciaal poeder.

Uien worden uit de grond gehaald als het loof afgestorven is. Het afgestorven loof kan gebruikt worden om de bollen te bossen en gebost te drogen.

Bonen worden verdeeld in stok- en stambonen.
Bonen kunnen op diverse manieren geoogst worden. Meestal worden de onrijpe bonen met schil geoogst en geconsumeerd. Invriezen kan erg goed. Een andere manier van gebruik is het onrijp oogsten van de wat dikkere bonen. De zaden moet je dan uit de vrucht halen. Ze zijn niet houdbaar en moeten daarom ingevroren worden. Een derde manier is het rijp oogsten van bonen. Na het verwijderen van de vruchthuid kunnen de zaden gedroogd bewaard worden.

Erwten worden verdeeld in doperwten en peulen. Bij doperwten consumeert men de zaden; bij peulen de jonge vruchten.

Sluitkoolsoorten en koolrabi zijn lang houdbaar terwijl bijvoorbeeld
spruitkool, bloemkool en broccoli slecht houdbaar zijn.

Rabarber is een vreemd product. Hiervan oogst men de bladsteel.

Kruiden kun je vers consumeren moor ook  invriezen en drogen.

Voorbeelden
Groenten Aardappel 1
aardappel 2 
Artisjok
Asperge
Aubergine 1
Aubergine 2 
Augurk
Bloemkool 1
Bloemkool 2
Boerenkool – krulkool
Bonen (Phaseolus vulgaris)
Broccoli
Chinese kool
Courgette 1
Courgette 2
Kool
Komkommer
Koolrabi
Paprika en pepers
Peulvruchten
Prei
Rabarber
Radijs
Rode biet
Rode kool
Schorseneer
Sla
Spinazie
Spruitkool
Tomaat
Tuinboon
Ui
Venkel
Witlof
Wortel
Kruiden Basilicum
Bieslook
Bonenkruid
Citroenmelisse
Dille
Dragon
Hysop
Kervel
Komkommerkruid
Knoflook
Laurier
Lavas of maggikruid
Peterselie
Rozemarijn
Salie
Selderij
Tijm

 

Voedselbossen
Een voedselbos is een door mensen gecreeëerde plantengemeenschap met  bomen en struiken met een extreem hoog aantal eetbare soorten. In voedselbossen wordt landbouw met natuur gecombineerd voor een duurzame voedselproductie. Voor de belichting is het van belang dat er in lagen wordt geteeld. Een voedselbos is volledig zelfvoorzienend en klimaatbestendig.
Een klein bos wordt Tiny Forest genoemd.

Fruit
Fruit is de verzamelnaam voor eetbare vruchten. Ze worden meestal rauw gegeten en smaken zoet of zuur. Sommige vruchten worden ook tot de groenten gerekend, zoals tomaat, paprika, aubergine en komkommer.

Indeling
In ons land worden maar enkele fruitsoorten gekweekt die je op diverse manieren kunt ordenen.
Bijvoorbeeld:
= Zacht fruit, zoals bessen, aardbeien, frambozen, bessen en druiven.
= Steenvruchten, zoals kersen, pruimen, perziken
= Pitfruit, zoals appels en peren.

Planten
Wortelgoed kun je planten als er geen blad aan zit en het niet vriest. Het voorjaar en het najaar zijn het meest geschikt.
Bepaal de plantafstand door vooruit te kijken. Volwassen planten kunnen elkaar beter niet raken.
Om een (fruit)boompje of struik te planten, graaf je een ruim plantgat en maak de grond rondom goed los. Zorg er ook voor dat je de boom niet dieper plant dan hij bij de kweker stond.
Steun de boom met lage paaltjes.

Appel
Appelbomen houden van volle zon en losse en rijke grond.
Houd de boomspiegel onkruidvrij.  Geef in de herfst kalk en in het voorjaar organische mest.
Een jonge boom snoei je de eerste 5 jaar best elke winter. Knip de hoofdtakken met één derde terug en de zijtakken tot op 2 of 3 knoppen. Takken die elkaar kruisen, te dicht groeien of schuren, haal je helemaal weg.

Peer
Perenbomen zijn ijzersterk en overleven probleemloos onze winters, maar ze houden niet van natte voeten of een harde bodem. Plant ze op humusrijke, goed bemeste, neutrale grond. Hoe meer zon, hoe meer peren.
Hou bij jonge bomen de boomspiegel onkruidvrij. Strooi in het voorjaar organische mest.
Snoei de eerste 5 jaar, bij voorkeur in maart. Knip de hoofdtakken met één derde terug en de zijtakken tot op 2 of 3 knoppen.

Pruim
Pruimen groeien het best op rijke grond zoals klei en leem maar hebben een hekel aan natte voeten in de winter. Geef ze geen plek in volle (noorden)wind, daar kwijnen hun vroege lentebloesems weg. Hoe meer zon, des te zoeter. De meeste pruimen zijn zelfbestuivend maar met twee bomen in je tuin is de oogst beduidend groter.
Pruimenbomen hebben graag elk jaar een flinke portie organische mest, in april of mei. Soms nestelen zich larven van de pruimenmot in rijpe vruchten; je kunt de motten vangen een met biologische val.
Pruimen snoei je in de lente of de zomer, tussen half april en eind september.

Kers
Kersen geef je een plek in volle zon. Een kersenboom kan perfect in de siertuin: met z’n vroege lentebloesems, mooie bolvorm en geeloranje herfstkleur is hij meer dan decoratief. Plant hem niet op een natte plek. Van oude rassen plant je er best twee, voor de bestuiving; moderne kersen zelfbestuivend.
Geef niet te veel of zelfs helemaal geen mest. Kersen moeten amper gesnoeid worden.

Aardbei
Aardbeien vormen na de oogst uitlopers. Die kunnen er in de nazomer worden afgehaald om uit te planten. Het werkt goed om naast elkaar overjarige en eenjarige planten aan te houden.
Globaal kun je ze indelen in door-dragers en eenmaal dragende rassen.
Aardbeien geven de voorkeur aan een zonnige goed ontwaterde standplaats met voldoende ventilatie.  Om schimmelziektes te voorkomen is het goed om bij nat weer de grond rond de planten af te dekken met stro.
De grond moet vruchtbaar en humusrijk zijn

Druif
Door klimaatverandering is het kweken van druiven vereenvoudigd. Je kunt ze gebruiken als leiplant of steunen met palen met draad.
Om bloeden te voorkomen moet je voor de lente snoeien.  Je laat daarbij enkel de dikke hoofdtakken staan. De zijscheuten die hieruit groeien, kun je nu aanbinden.
Lees hier hoe je druiven in de zomer snoeit.

Bessen
Bessen rekent men tot het klein-fruit. Het meest bekend zijn aalbessen, rode bessen, witte bessen, blauwe bessen en zwarte bessen.
Rode bes
Deze soort houdt van lichte, humusrijke grond die wat kalk mag bevatten.
Alle rassen zijn zelfbestuivend.
Ze bloeien in april-mei. De oogsttijd van de trossen rode bessen valt in juni-juli en verschilt per ras.
De struiken moeten goed worden gesnoeid. Ze dragen vrucht aan korte zijtakjes aan de twijgen en takken, het zogenaamde vruchthout.

Zwarte bes
Dit is een duidelijk andere soort dan de witte en de rode aalbes. De zwarte bes groeit graag in wat zwaardere grond. De struiken bloeien in april-mei en geven forse trossen donker gekleurde vruchten aan het een- en tweejarige hout. De struiken moeten anders worden gesnoeid dan de rode en witte bes. Oudere takken worden ieder jaar weggenomen.
Kruisbessen
Kruisbessen groeien graag in voedzame, humusrijke grond. Ze mogen wat koeler staan en verdragen lichte schaduw. Kies zoveel mogelijk rassen die niet of weinig gevoelig zijn voor meeldauw (de grote plaag bij kruisbessen). Er zijn rassen met groene (witte) en rode vruchten. Des of Blueberry)
Deze soort houdt van zure grond. Het zijn struiken met een schitterende herfstkleur.
De planten vormen bosbes-achtige bessen, maar wel drie keer zo groot als die van onze inheemse bosbes. De struiken kunnen bij sommige rassen wel twee meter hoog worden. De bloei valt in mei-juni; de oogst oogst in juli-augustus-september.
Het zijn zelfbestuivers.
Rode bosbes/Vossenbes
Deze bosbesachtige plant is inheems in Noordwest-Europa en groeit in zure grond. De struikjes zijn wintergroen. De rode bessen zitten van september tot november aan de planten. De vrij onopvallende bloei valt in mei. De bessen worden wel tot jam en gelei verwerkt.
Bramen
Bramen groeien goed in iedere normale tuingrond. Er zijn doornloze en sterk gestekelde rassen. De takken en twijgen moeten worden geleid. De bloei valt van mei-juni tot juli-augustus. Ook de oogsttijden van de vruchten variëren. ‘Black Satin’ is een vroege bloeier die van juli tot oktober vruchten geeft. De opbrengst is heel behoorlijk. ‘Himalaya’ groeit zeer sterk en geeft ook van juli tot september lekkere vruchten. Van de stekelloze ‘Thornless Evergreen’ kunnen vanaf augustus grote vruchten worden geplukt. ‘Thornfree’ is een laat ras (oogstbaar in september-oktober) waarvan de takken vrij breekbaar zijn.
Frambozen
Dit is een inheemse soort die al vele eeuwen wordt geteeld. De planten worden meestal tegen draden geleid waar de scheuten tegenaan worden gebonden. Ieder jaar verschijnen nieuwe vruchtdragende scheuten uit de grond. De oude scheuten worden jaarlijks weggesnoeid. De planten kunnen vanuit de wortels ver ‘weglopen’. De bloei van zomerframbozen valt in mei-juni, die van herfstframbozen in juli. Goede rassen zijn de vroege ‘Glen Clova’ (oogst in juli-augustus), de middentijdse ‘Jochems Roem’ (augustus-september) en de iets latere ‘Schönemann’ (eind augustus-september. Er zijn ook rassen met andere vruchtkleuren, zoals de gele ‘Fall Gold’ waarvan de grote vruchten in augustus oogstbaar zijn. Een goed herfstras is ‘Heritage’ (oogst in september-oktober), maar ook de herfstrassen ‘Zeva Herbsternte’ en ‘Baron de Wavre’ worden veel geteeld.

==========================================================

BRONNEN

Groenteninfo 1
Hobbytuinders

Groenten en kruiden
Groenten op zijn best
Groenten info 2
De moestuin
Teeltschema
Hofmeesters
SZ-zaden
Tuinkriebels
Zaaien en planten
De vrolijke tuinier
Tuinadvies.nl