Practicum

Veldwerk docentenhandleiding met opdrachten

Activerende-werkvormen

Werkvormen voorbeelden

Excursietechnieken en voorwaarden

Excursietechnieken natuursporen

Excursietechnieken waarnemen in en rond het water

Inspiratie dag Jeugd ideeën

Werkboek_veldwerk

Veldwerk_voorkant

Veldwerk docentenhandleiding

Veldwerk nakijkmodel

Bodem doorlaatbaarheid practicum

Microscopie

Aandachtspunten voor aandacht

Grondonderzoek met de appelboor

Checklist cursuskwaliteit

Stappenplan cursusorganisatie

Presenteren

Speuren naar sporen werkvel jongeren

Bomen meten

Micro_reis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stuifzand opdrachten
In en rond het water waarnemen
De rugzak van een natuurgids

Muizenresten
Fitsexcursie 1
Fitsexcursie 2

Moeskalender

Ongelooflijk
Vegetatieonderzoek veldtechnieken

Bodem, landschap en geologie

Suggesties:

Belangengroepen_ Landschappen
Bodem doorlaatbaarheid practicum Landschappen elementen van een reliëf
Bodem Geologische processen Landschappen presentatie Peel en Maas
Bodem grond reader Landschappen_definitie
Bodem Nederlandse_landschap Landschappen_ontstaan
De appelboor Landschappen-doorsnede
Bodem strooiselprakticum en waterdieren    Landschappen-ontstaan van Nederland
Boden aardlagen  Landschapsleeskaart
Demografie van de wereld Landschapsvorming
Geologie
Geologie_van_de_aarde
Peelrandbreuk
Geologische actoren Geologische tijdschaal in het kwartair
Geologische tabel van Nederland Toerisme
Het_Nederlandse_landschap
Nederlandse Landschap opdrachten_bij_schooltv_beeldbank
Toponiemen_veen
Landschap reader basiscursus

 

 

Bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1     Grond en bodem
1.2   Humus. 2
1.3      Bodemprofiel
1.4      Bodemwater
1.5      Bodemstructuur
1.6      Drainage
1.7      pH
1.8      EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1     Zandgrond
2.2      Kleigrond
2.3      Veengrond
2.4      Zavelgrond
2.5      Lössgrond
3     Flora en fauna
4      Bodemverontreiniging
4.1       Oorzaken
4.2       Stoffen en risico’s

Inleiding
Elk organisme heeft een leefmilieu nodig. Meestal bestaat deze uit grond water en lucht.
In dit hoofdstuk verdiepen we ons in de milieufactor bodem.

1      Begrippen
Grind en bodem zij 2 nauw verwante begrippen. Bij grond gaat het over de afzonderlijke deeltjes. Bij bodem gaat het over een levensgemeenschap van levende en niet levende factoren.
Als je over de grond loopt realiseer je je niet dat zich onder de voeten een complete levensgemeenschap bevindt.Een schepje tuin- of bosgrond onder de microscope maakt duidelijk dat bodem meer is dan wat gronddeeltjes. Als je een verticale kuil graaft zie je een grote variatie in gelaagdheid.
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen een aantal van die begrippen gebruiken om het bodemmilieu te bespreken.

1.1   Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.

1.2   Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem.

1.3   Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.

Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
a      Maaiveld:
Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
b      Bouwvoor:
Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
c      Ondergrond:
Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podsolgronden.

 


1.4   Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is.

Zo onderscheiden we:
–       Hangwater:
Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–       Grondwater:
Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grondporiën met water gevuld zijn.
–       Capillair water:
Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.

Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.

1.5   Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.

We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6   Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.

1.7   pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.

Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.

1.8   EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Als deze in natuurgebieden komen beïnvloeden die het planten- en dierenleven.
Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Dit kun je bijvoorbeeld waarnemen langs wegen waar bij gladheid gestrooid is met zout.

Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.

1.9      Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex.

Het principe berust op elektrische lading. De klei- en humusdeeltjes hebben een negatieve lading. Deze houden positief geladen voedingsstoffen vast. Geladen voedingsdeeltjes heten ionen.

2     Grondsoorten
Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur. Deze eigenschappen beïnvloeden de flora en fauna.
Naast de natuurlijke grondsoorten kennen we grondmengsels en grondverbeteraars die door mensen zijn gemaakt. Deze worden vaak gebruikt in tuinen. Voorbeelden daarvan zijn tuinturf en turfmolm. 

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–       IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–       de loop van de rivierbeddingen;
–       erosie (verwering);
–       vervening.

De bekendste grondsoorten zijn kleigrond, zandgrond, veengrond, zavelgrond en loss.

2.1   Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit. Zand warmt in het voorjaar snel op en is goed doorlatend voor water en lucht.  Zandgrond droogt snel uit, bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast. De pH van zandgrond is altijd laag.

2.2   Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat. Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.
Kleigrond is voedselrijk en vochthoudend. Het is een zware grond die hard wordt bij droogte. Door de dichte structuur is er vaak een slechte waterafvoer en kan er een slechte ventilatie zijn. Dit leidt weer tot slechte plantengroei en weinig bodemleven. In het voorjaar komen kleigronden vaak slecht op temperatuur.
Hoe meer kalk erin zit hoe beter de structuur is.Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.

kienhout Wordt aangetroffen in oude veenlagen. Ideaal voor aquaria, tuinen en bloemwerk

2.3   Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.

2.4 Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.

2.5   Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3      Flora en fauna
Naast de levenloze bodemdeeltjes kom je in de grond dode materialen en levende planten en  dieren tegen. Je ziet er weinig van, maar de hoeveelheid en aantallen zijn erg groot.
Organismen hebben brandstoffen en bouwstoffen nodig. Omdat het in de grond donker is kan er geen fotosynthese plaatsvinden. Dit betekent dat alle organismen, zonder bovengrondse delen, zowel brandstoffen als bouwstoffen uit de grond moeten halen. Planten met bovengrondse bladeren nemen alleen bouwstoffen op uit de bodem.
Bodemorganismen komen aan energie door organisch materiaal te verteren. Daarvoor is zuurstof nodig. Dit verteren is een vorm van verkleinen en opruimen. Daarbij komen allerlei organische- en anorganische stoffen vrij. Deze stoffen vormen weer voedsel voor andere organismen. Op den duur blijft van het organisch materiaal alleen stabiele humus over. Dit kan niet verder meer verteerd worden.
De anorganische stoffen die bij de vertering vrijkomen worden voor een groot deel gebruikt als bouwstof. Hiervan profiteren alle organismen.
Het omzetten van organisch materiaal in anorganisch materiaal heet mineralisatie. Mineralisatie van organisch materiaal is een van de belangrijkste functies die het bodemleven voor de planten- groei  heeft.  Bij  de  mineralisatie  zet  het  bodemleven  organisch  materiaal  om  in  voor  de  plant  opneembare voedingsstoffen. Het omzetten van organisch materiaal in humus heet humificatie.

Samengevat kun je stellen dat het verteringsproces bestaat uit;

  • het verkleinen van onverteerd organisch materiaal;
  • het verteren/mineraliseren van organisch materiaal;
  • het omzetten van organisch materiaal in humusstoffen;
  • het mengen en verplaatsen van materiaal.

Actieve bodembewoners

Bodemorganismen zijn noodzakelijk om kringlopen in stand te houden. Naast mineralisatie en humificatie spelen bodemorganismen een rol bij:

  • het transport van micro-organismen;
  • de productie en onderhoud van bodemholtes en gangen;
  • het versterken van structuurstabiliteit dmv slijmstoffen;
  • de opslag van nutriënten in de biomassa in het organisme zelf.

De bodembewoners zijn globaal als volgt in te delen:

  • wormen: 12%;
  • bacteriën en straalschimmels: 40%;
  • schimmels en algen: 40%;
  • potwormen, mijten, springstaarten, aaltjes enzovoort: 3%;
  • mieren, slakken, pissebedden, larven, spinnen en mollen: 5%.

Regenwormen
Van alle bodemdieren behoren regenwormen tot de meest bekende. Ze dienen als voedsel voor veel andere organismen. Verder spelen ze een belangrijke rol bij de humificatie en mineralisatie. Regenwormen leven van organisch materiaal. Afstervend plantenmateriaal en eventueel mest wordt de bodem ingetrokken, opgegeten en verteerd. Micro-organismen die zelf weinig mobiel zijn worden door regenwormen versleept. De uitwerpselen en de slijmafscheiding van wormen bevatten vrijwel direct voor de plant opneembare stikstof. Wormen zijn in staat door verdichte grondlagen te graven. Ze maken deze lagen zo beschikbaar voor andere organismen en voor plantenwortels.

Overige organismen
Alhoewel de wormen goed zichtbaar aanwezig zijn in de grond vormen ze toch maar een beperkt deel van het totale bodemleven. Minder  zichtbaar  maar  niet  minder  belangrijk  zijn  de  activiteiten  van  kleinere  organismen  zoals  bacteriën, straalschimmels, schimmels, aaltjes, mijten en springstaarten. Een zeer groot aantal planten leeft in symbiose met wortelschimmels (Mycorrhiza). Een aantal soorten speelt een belangrijke rol bij de opname van water en fosfaat. Mijten en springstaarten hebben een regulerende invloed op schimmelgroei in de bodem. Ook zijn er springstaarten die bijdragen aan de vorming van stabiele humus. Roofmijten spelen een grote rol bij de beheersing van plaagvormende organismen.

Omstandigheden

De  activiteit  van  het  bodemleven  is  gebonden  aan  een  aantal  voorwaarden.  Je  moet  hierbij  denken  aan de vochtvoorziening, de aanwezigheid van zuurstof en de temperatuur. Al deze voorwaarden zijn niet voor alle organismen gelijk. Zo zijn humusvormende organismen als wormen en springstaarten actief bij een temperatuur vanaf 0 °C met een optimum bij + 35 °C. Onder zuurstofarme omstandigheden komt mineralisatie al op gang bij een temperatuur vanaf 0 °C, maar blijft op een veel lager niveau dan onder zuurstofrijke  omstandigheden  De  opbouw  van  humus  in  de  bodem  wordt  bepaald  door  het  verschil  tussen humificatie en mineralisatie.

4          Bodemverontreiniging
In de bodem en in het bodemwater komen van nature allerlei stoffen voor zoals stikstof en metalen als ijzer. Deze stoffen maken deel uit van een kringloop en zijn meestal biologisch afbreekbaar door micro-organismen, dieren en planten.
Ook zijn er onnatuurlijke stoffen in het milieu terecht gekomen. Deze door de mensen gemaakte, milieuvreemde stoffen zijn vaak niet of langzaam afbreekbaar en kunnen schadelijk zijn voor milieu of volksgezondheid.
Bodemverontreiniging is de term die wordt gebruikt wanneer er door toedoen van de mens stoffen of materialen in de bodem of het grondwater terecht zijn gekomen die schadelijk zijn voor het ecosysteem of de mens.

4.1      Oorzaken
Verontreiniging wordt voornamelijk veroorzaakt door:
– bodemvervuilende bedrijven;
– langdurige stedelijke bewoning;
– calamiteiten als morsen, lekkage van vaten en leidingen;
– storten van puin en afval als drugsafval;
– ophogingen en dempingen;
– opslag van verf en olie;
– lozingen.

Enkele voorbeelden van bodemvervuilende bedrijven zijn:
– chemische wasserettes;
– benzinestation;
– verffabrieken;
– gasfabrieken;
– metaalverwerkende industrie
– agrarische bedrijven;
– drukkerijen;
– stortplaatsen;
– havens.

Vooral werkwijzen uit het verleden hebben veel schade aangebracht die nu moet worden opgelost.
Vaak zijn het illegale lozingen die ernstige schade aanrichten.

Langdurige stedelijke bewoning heeft gezorgd voor verontreiniging van de bodem op een aantal manieren: ophogingen met puin, storten van afval,  storten van verontreinigd baggerslib, slechte bouwmaterialen en stedelijke bedrijvigheid. 

4.2      Stoffen en risico’s
Omdat bodemverontreiniging erg vervelend is als de grond bebouwd is wordt bouwgrond altijd onderzocht. Bij onderzoek naar verontreiniging (bodemonderzoek) worden standaard een aantal stoffen onderzocht in grond en in het grondwater. Ook wordt gekeken naar de hoeveelheid organische stof in de bodem en naar de zuurgraad van de bodem (pH). Deze factoren beïnvloeden het gedrag van de verontreiniging in de bodem.

Bij een bodemonderzoek wordt gekeken naar de volgende groepen van stoffen;

– zware metalen;
– minerale olie;
– Aromaten.

In het grondwater wordt gekeken naar;
– zware metalen;
– vluchtige aromatische koolwaterstoffen;
– naftaleen;
– koolwaterstoffen;
– minerale olie

Naast deze stoffen kan ook de aanwezigheid van asbest problemen opleveren.

Zware metalen
In het algemeen lossen zware metalen slecht op in water. Hierdoor zijn ze  redelijk immobiel. Zware metalen hechten goed aan klei- en humusdeeltjes. Een lage zuurgraad van de bodem verhoogt de oplosbaarheid.
Voorbeelden van zware metalen zijn lood, zink, koper, arseen, chroom, cadmium en kwik.
Een aantal zware metalen kunnen worden opgenomen door planten. Mensen kunnen er ziek van worden.

Minerale olie
Olie is lichter dan water en blijft als een laag drijven op het grondwater. Een deel van de stoffen in de minerale olie lost op en verspreidt zich zo. Minerale olie is dus vaak een mobiele verontreiniging.
Voorbeelden van minerale olie zijn benzine, diesel en huishoudbrandolie. De verontreinigingen ontstaan door lekkage van olietanks, morsingen en lozingen. De risico’s van verontreiniging door minerale olie ontstaan met name als er contact is met de huid en bij het inademen van de vluchtige stoffen in de minerale olie. Minerale olie wordt in natuurlijke situaties door micro-organismen afgebroken.

Aromaten
Aromaten zijn, net als minerale oliën, koolwaterstofreeksen, maar dan met een aromatische ring.

De belangrijkste verontreinigende aromaten zijn:
– Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK);
– Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK);
– De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL).

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) als naftaleen ontstaan als koolwaterstoffen (bijvoorbeeld barbecue-kooltjes) niet helemaal verbranden. Ze zijn slecht oplosbaar, binden goed aan organische stof in de bodem en zijn in de meeste gevallen een immobiele verontreiniging. Van een aantal PAK’s is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn.

Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK) komen voor in olie, brandstoffen en oplosmiddelen. Ze zijn in het algemeen erg vluchtig. Bij vluchtige stoffen zit het risico vaak bij inademing en soms kunnen de stoffen doordringen in de waterleidingbuizen en zo het drinkwater verontreinigen.
De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL) zijn zwaarder dan water en zakken in de bodem. Een deel van de stoffen lost op in het grondwater en zal zich zo verspreiden (mobiele verontreiniging). Ook zijn deze stoffen erg vluchtig (risico op inademing).

De belangrijkste stoffen zijn:

stof omschrijving eigenschappen
* Benzeen:
.
wordt gebruikt in benzine, rubber en gas Matig oplosbaar, vluchtig en ontvlambaar, uiterst giftig.
* Ethylbenzeen: wordt gevonden bij olieraffinaderijen, organische chemische industrie en wordt gebruikt als oplosmiddel. Matig vluchtig, vormt een drijflaag op het grondwater.
* Tolueen: zit in aardolie, wordt gebruikt als vervanging van benzeen in verf, benzine, parfum en oplosmiddelen. Slecht oplosbaar en zeer vluchtig.
* Xyleen: komt voor in aardolie, benzine en verf. Niet oplosbaar, wel vluchtig.
* Oplosmiddelen: zoals tetrachlooretheen (per) en trichlooretheen (tri). Ze breken op natuurlijke wijze af tot vinylchloride en dat is erg giftig.
 * Cyanide

 

Cyanide is een anorganische stof en komt voor in verschillende vormen die verschillen in mate van giftigheid. In bodemvocht, grondwater en bodemlucht kan vrij cyanide voorkomen. Vrij cyanide is de meest giftige vorm. Cyanide verontreiniging wordt vooral aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen en is te herkennen aan een blauwe kleur in de bodem.
* Pesticiden
.
Pesticiden zijn chemische bestrijdingsmiddelen. Ze zijn in het algemeen slecht oplosbaar in water en moeilijk afbreekbaar
Pesticiden (bijvoorbeeld DDT, Lindan en PCB’s) zijn wèl goed oplosbaar in vet. Dit heeft opstapeling in de voedselketen tot gevolg.
*MTBE
Methyl-tert-Butyl Ether (MTBE)
Wordt sinds 1988 in Nederland aan benzine toegevoegd als vervanger voor lood. Op deze manier wordt de schadelijke uitstoot van lood verminderd omdat met MTBE de verbranding meer volledig is. MBTE blijkt echter naast giftig ook erg mobiel en niet afbreekbaar te zijn.
*Asbest

 

Asbest is een verzamelnaam voor een aantal vezelachtige minerale stoffen (silicaten), die zijn opgebouwd uit zeer fijne vezels. Asbest is op te delen in witte asbest en blauwe en bruine asbest.

 

Witte asbest komt het meest voor en is het minst schadelijk is voor de gezondheid.

Blauwe en bruine asbest bestaat uit  scherpe vezels en het materiaal lost niet op in de longen. De witte asbestvezels zijn rafeliger en kunnen wel oplossen in de longen.

 

4.3     Risico’s

Het gedrag van verontreinigende stoffen wordt bepaald door de volgende eigenschappen:
– oplosbaarheid en mobiliteit;
– binding aan bodemdeeltjes;
– vluchtigheid.

De risco’s kun je verdelen in:
– risico’s voor de mens (gezondheid);
– ecologische risico’s;
– gevaar voor verspreiding.

Risico’s voor de mens
Gevaar voor de gezondheid is een belangrijk punt van aandacht. Mensen kunnen op verschillende manieren in aanraking komen met de verontreinigende stoffen en daar klachten van ondervinden.

Sommige verontreinigende stoffen worden opgenomen door planten. Dat kan via de wortels maar ook via de bladeren (bijvoorbeeld luchtverontreiniging). Het eten van gewassen die verontreinigen hebben opgenomen kan gevaarlijk voor de mens zijn (bij het eten van grote hoeveelheden van deze planten). Mensen in stedelijke gebieden wordt vaak geadviseerd geen groenten uit eigen tuin te eten.

Immobiele verontreiniging, zoals zware metalen als lood, komen vaak voor in de bovengrond. Bij deze verontreinigingen is vooral het contact met de verontreinigde grond een risico. Voorbeelden hiervan zijn contact met de bodem tijdens tuinieren of kinderen die in de tuin spelen (stoppen vaak grond in hun mond).

Tot slot zijn er nog de vluchtige stoffen. Vluchtige stoffen zijn stoffen die gemakkelijk gasvormig worden. Ze lossen niet op in water maar in lucht en zijn op die manier dus ook mobiel. Deze stoffen kunnen uitdampen uit de bodem en zo in kelders, souterrains of woonkamers terecht komen. Ze kunnen dan worden ingeademd. Ook kunnen sommige stoffen doordringen door bepaalde materialen en zo in de waterleiding terecht komen.

Ecologische risico’s
Verontreinigingen kunnen ecosystemen aantasten doordat planten en dieren de verontreinigingen opnemen en doodgaan. Tevens kunnen verontreinigende stoffen kringloopfuncties verstoren. Ook kan natuurlijke afbraak van verontreinigende stoffen zorgen voor giftigere stoffen.

Gevaar voor verspreiding
Als een stof goed oplost in het water, zal deze zich makkelijk verspreiden door de bodem. Men spreekt dan van mobiele verontreiniging. De verontreiniging kan dan in het grond- en oppervlaktewater terecht komen. De situatie kan onbeheersbaar worden.

 

Productverzorging

Aardewerk  Nomenclatuur
Bladverliezende heesters Plantengroepen
Bol- en knolgewassen Plantenvoeding
Bomen en struiken Plantenziekten
Coniferen Schoonhouden
Dieren en dierbenodigdheden Snijbloemen
Droogmaterialen Snoeien
Een- en tweejarigen Tuinhout
Eetbare tuin Tuinmeubels
Fruit Tuinverharding
Gazons Tuinverlichting
Gereedschap Uitplanten van diverse plantengroepen
Glas en kristal Vaste planten
Groenblijvende Heesters Verduurzamen van hout
Grond en bodem Vermeerdering ongeslachtelijk
Hagen Vermeerdering geslachtelijk
Heidetuinen Verwerken van producten
Hout Verzorging kamerplanten
Hydrocultuur Vijver aanleggen
Kaarsen Vijverpompen en filters
Kamerplanten Vijverwater
Kleur Waterdieren
Klim- en leiplanten Water en plant
Kuipplanten Waterplanten
Kunstplanten
Licht en kleur
Licht en warmte
Meststoffen

Plantenvoeding

INHOUD
1     Samenstelling van de plant
2     Voeding van de plant
2.1   Verbranding en Fotosynthese
2.2   Wortelvoeding
2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
2.2.3 Nevenelementen
3     Bemesting
3.1   Moet er bemest worden?
3.2   Wanneer moet er bemest worden?
3.3   Wat moet er bemest worden?
3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?

Inleiding
Planten hebben voedsel nodig. Als dit kunstmatig wordt toegediend spreken we over bemesting. De laatste jaren zijn de fabrikanten van meststoffen zich steeds meer op de particuliere consument gaan richten. Hierdoor is de variatie in het aanbod van meststoffen gigantisch toegenomen. Dit geldt voor het aantal merken, het aantal soorten per merk en de verpakkingseenheden.
Planten vragen vaak advies over het bemesten van planten. Om deze reden gaan wij de hoofdzaken met betrekking tot plantenvoeding en bemesting behandelen.

1 Samenstelling van de plant
Om erachter te komen welke voedingselementen een plant nodig heeft kun je uitzoeken welke stoffen er in het plantenlichaam zitten. Het volgende schema geeft aan welke stoffen je in een plant tegenkomt:

De verhouding waarin deze stoffen voorkomen, en dus nodig zijn,  is voor elke plant verschillend. Dit is de reden waarom er zoveel verschillende meststoffen in de handel zijn.

Opname van stoffen uit de lucht en uit de bodem

2 Voeding van de plant
Uit de biologie is bekend dat je de voedingsstoffen kunt indelen in

  1. a) brandstoffen Dit zijn koolhydraten en vetten.
  2. b) bouwstoffen. Dit zijn bijvoorbeeld water en eiwitten.

De grondstoffen voor het maken van deze stoffen neemt de plant op uit de omgeving. Omdat dit via de bladeren en via de wortels gebeurt spreken we over:
a) bladvoeding, fotosynthese ofwel koolstof assimilatie (en verbranding ofwel dissimilatie)
b) wortelvoeding

2.1   Verbranding en Fotosynthese
Planten hebben energie nodig voor alle levensprocessen. Deze energie komt vrij bij het verbranden van koolhydraten in de cellen. Hiervoor is zuurstof nodig. Naast zuurstof ontstaan er bij de verbranding koolzuurgas en waterdamp dit ademt de plant uit. Omdat de plant altijd energie nodig heeft vindt verbranding ofwel dissimilatie dag en nacht plaats in alle cellen van de plant. Het opnemen van zuurstof zou je als voeding kunnen beschouwen.

De koolhydraten (suikers) die nodig zijn voor de verbranding worden door groene planten gemaakt in de bladgroenkorrels. Dit proces heet fotosynthese of koolstofassimilatie. Als grondstoffen gebruikt de plant hiervoor koolzuurgas en water. Als afval ontstaat zuurstof. Het water wordt opgenomen uit de grond en het koolzuurgas wordt opgenomen uit de lucht. De koolhydraten gaan naar alle cellen en de zuurstof wordt uitgeademd. Het samenvoegen van koolzuurgas en water tot koolhydraten kost energie. Deze wordt geleverd door de zon. Fotosynthese vindt dus alleen plaats bij voldoende licht in cellen met bladgroen. De bladgroenkorrels kun je als het ware beschouwen als suikerfabriek.

Als je de verbranding vergelijkt met de fotosynthese zul je opmerken dat ze elkaars omgekeerde zijn. De stoffen die voor de verbranding nodig zijn worden bij de fotosynthese gemaakt. Het draait hierbij om het vastleggen van zonne-energie. De energie die de plant zelf niet gebruikt komt ten goede van andere organismen.

Sterk vereenvoudigd kun je deze 2 processen als volgt weergeven:

Verbranding

 

Fotosynthese

Fotosynthese en verbranding zijn de basis voor het leven op aarde. In het kader van bemesten kunnen wij, als particulieren, er weinig mee. Bedrijven werken met koolzuurgasbemesting en belichting.

In de wortelademhaling ligt wel het belang van een luchtig bodemmengsel.

 

 

 

 

 

2.2   Wortelvoeding

Bouwstoffen en elementen voor het maken van bouwstoffen worden door de plantenwortels opgenomen uit de bodem. De voor de plant noodzakelijke elementen kun je in de volgende groepen verdelen:

–     macro-elementen ofwel hoofdelementen;
–     micro-elementen ofwel spoorelementen;
–     nevenelementen.

2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
Macro-elementen zijn elementen waarvan de plant in verhouding grote hoeveelheden opneemt. Dit zijn: koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O), stikstof (N), fosfor (P), Kalium (K), zwavel (S), Calcium of kalk (Ca) en magnesium Mg).

Koolstof
Dit element haalt de plant uit de lucht. Bij de fotosynthese wordt dit element vastgelegd in organische stof.

Waterstof en zuurstof
Deze elementen worden uit het water uit de grond verkregen. Ook deze elementen maken deel uit van de organische stoffen.

Stikstof
Stikstof is nodig voor de vorming van eiwitten en bladgroen. Bij stikstofgebrek zal de plant slecht groeien en verkleuren. Stikstofovermaat geeft extra groei. Hierdoor krijg je in veel gevallen een langgerekte, slappe plant.

Fosfor
Planten hebben fosfor nodig voor de vorming van veel eiwitten, de wortelontwikkeling en de vorming van vruchten en zaden. Bij fosforgebrek zien we vaak bladverkleuring

Kalium
Kalium speelt een belangrijke rol bij de stevigheid van bladeren en stengels. Hierdoor zijn planten met voldoende kalium minder gevoelig voor bijvoorbeeld ziekten en klimaat. Daarnaast helpt dit element bij de vorming en het vervoer van koolhydraten en heeft het een positieve invloed op de kwaliteit van vruchten. Bij kaliumgebrek wordt het oudere blad donker en dof. Langs de rand van het blad treedt verdroging op.

zwavel
Dit element komt voor in eiwitten. Het speelt een rol bij de waterhuishouding van de plant. Zwavelgebrek komt praktisch nooit voor.

Calcium of kalk
Dit element speelt een rol bij de opbouw van celwanden en het neutraliseren van zuren in de plant. Bij kalkgebrek krijgen planten Gebrek komt praktisch nooit voor. Kalkbemesting wordt toegepast om de bodem te verbeteren.

Magnesium
Magnesium is een belangrijk bestanddeel van bladgroen. Bij magnesiumgebrek krijg je bladvergeling tussen de nerven en langs de randen. Later verkleurt dit naar bruin. Rond de nerven blijven de bladeren groen. Magnesiumgebrek komt veel voor op zandgronden en bij kalium-overmaat

2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
Hiertoe behoren de elementen die planten in zeer kleine hoeveelheden opnemen. Ze zijn wel onmisbaar. Tot deze groep behoren: ijzer (Fe), silicium of kiezel (Si), mangaan (Mn), borium (B),  zink (Zn), molybdeen (Mo), koper (Cu), Kobalt (Co) en soms jodium (I) en aluminium (Al)

IJzer
IJzer is nodig voor de vorming van bladgroen. Bij ijzergebrek worden de bladeren geel tot wit met scherp afgetekende groene nerven.  Het komt vooral voor op basische grond.

Silicium of kiezel
Dit element komt voor in celwanden.

Mangaan
Mangaan speelt een rol bij de fotosynthese en eiwitstofwisseling. Mangaangebrek is te herkennen aan op lichte vlekken tussen de bladnerven.  De nerven blijven groen.  Het blad is vaak dun. Mangaangebrek wordt vaak veroorzaakt door kalkovermaat en een slechte bodemstructuur.

Borium
Dit element speelt een rol bij de celdeling en waterhuishouding in de plant. Bij boriumgebrek kunnen jonge knoppen afsterven.

Zink
Zink is nodig voor het vormen van groeistoffen. Zinkgebrek geeft groeiremming.

Molybdeen, koper, kobalt, jodium en aluminium
Deze elementen spelen een rol bij allerlei chemische omzettingen. Molybdeen-, kobalt-  en kopergebrek geven misvorming en verkleuring. Jodium- en aluminiumgebrek komen praktisch nooit voor.

2.2.3 Nevenelementen

Hiertoe behoren elementen als Chloor (Cl) en Natrium (Na). Ze zijn niet noodzakelijk voor de groei maar worden wel opgenomen als ze aanwezig zijn.

3     Bemesting
Elke plant heeft zijn eigen voorkeur. Bij het analyseren van planten kun je deze voorkeur vaststellen. Door het onderzoeken van de grond kun je vervolgens vaststellen of er  stoffen bijgegeven moeten worden. Het aan de bodem, het medium of de plant toedienen van stoffen met plantenvoedende bestanddelen heet bemesten.  Daarnaast  bemest men in veel gevallen om de bodem positief te beïnvloeden.

Mensen met een tuin zullen zich, als het om bemesten gaat, de volgende vragen stellen:
a) Moet er bemest worden?
b) Wanneer moet er bemest worden?
c) Wat moet er bemest worden?
d) Hoe moet de meststof worden toegediend

3.1   Moet er bemest worden?
In de natuur heb je te maken met een successie. Dit wil zeggen dat de vegetatie na een periode van verandering in een eindstadium terechtkomt. Je kunt dit zien op braakliggend land. Eerst groeien er zandbindende planten, daarna krijg je een periode waarin  de vegetatie steeds ruwer wordt. Als je niets doet krijg je als eindstadium meestal bos. De tussenstadia worden sub climaxstadia genoemd. Het eindstadium heet climax stadium.
In de natuur zie je dus een aanpassing van de plantengroei aan de omstandigheden. Als het voedsel en de lichthoeveelheid  voor de ene plant opraakt komt er een andere plant voor in de plaats.
In tuinen heb je te maken met cultuur.  Dit is het omgekeerde van natuur. We passen de omstandigheden aan en willen de vegetatie behouden. Dit betekent dat bepaalde stoffen opraken en dus bijgevuld moeten worden. Het opraken moet je voor zijn om te voorkomen dat er gebreksziekten ontstaan.

3.2   Wanneer moet er bemest worden?
Elke tuingrond heeft een voorgeschiedenis, meestal als cultuurgrond. Dit betekent dat de samenstelling nooit ideaal is voor de planten die we er gaan neerzetten. Bij het aanleggen van een tuin past men daarom vaak een basisbemesting toe. Hiervoor gebruikt men vaak organische meststoffen. Hierin zit van alles wat. Daarna is het verstandig om elk jaar bij te bemesten.

Het tijdstip van bemesten is afhankelijk van de oplosbaarheid van de meststoffen en de omstandigheden. Als je oplosbare meststoffen te vroeg toedient kunnen ze uitspoelen en ben je ze kwijt. Goed oplosbare meststoffen geeft men daarom in het groeiseizoen, slecht oplosbare meststoffen enkele maanden voor het groeiseizoen. Organische meststoffen geven we ongeveer 1 maand voor het groeiseizoen. Bij gebrekverschijnselen kun je spuiten met voedingsstoffen op het moment waarop de afwijking zichtbaar is.
Vaak kun je niet bemesten omdat het te veel regent of juist te weinig regent. ook kun je beter niet mesten bij heet weer.

3.3   Wat moet er bemest worden?
We bemesten meestal om de planten te voeden en om de grond te verbeteren.

Voeding
Het volgende schema geeft aan welke voedingsstoffen er bijbemest moeten worden:

Van alle planten is de samenstelling bekend. Deze samenstelling geeft, samen met de kennis over de natuurlijke groeiplaats, informatie over de eisen die de plant aan de groeiomgeving stelt. Deze kennis wordt weer gebruikt om meststoffen samen te stellen.
Om precies te bepalen wat er gegeven moet worden laten bedrijven regelmatig de bodemsamenstelling onderzoeken. Aan de hand hiervan wordt er een bemestingsadvies gegeven. Voor particulieren is dit ook mogelijk maar meestal niet zinvol.
Wilde planten geven vaak een indicatie over de samenstelling van de grond. Zo wijst brandnetel op de aanwezigheid van stikstof en klein hoefblad op kalk. Varens en mossen zijn indicatoren voor zure grond.

Grondverbetering
Soms bemest men om de bodemstructuur en de zuurgraad (pH) te verbeteren.
Eenvoudig gesteld gebruikt men voor structuurverbetering op zandgrond organische stof en op kleigrond kalk. De pH kun je verhogen met basische stoffen als kalk en verlagen met zure kunstmeststoffen en veenproducten. Voor het meten van de pH zijn eenvoudige setjes te koop.

Meststoffen
In het volgende schema kun je zien in welke vorm planten voedingsstoffen opnemen.

Deze stoffen kunnen via meststoffen worden toegediend. (Soms ontstaan ze na chemische reacties in de bodem) Er zijn zeer veel verschillende meststoffen in de handel. In grote lijnen kun je ze verdelen in organische meststoffen en anorganische meststoffen (kunstmeststoffen). Als derde groep zou je nog de milieuvriendelijke producten kunnen toevoegen.

Organische meststoffen
Organische meststoffen zijn dierlijke en plantaardige afvalstoffen die we aan de bodem toedienen. Sommigen bevatten veel voedsel en zijn waardevol als plantenvoeding; anderen bevatten weinig voedingsstoffen en worden daarom vooral gebruikt voor bodemverbetering. Het is moeilijk om organische meststoffen op maat toe te dienen.

Het volgende schema geeft een overzicht.

Anorganische meststoffen
Anorganische meststoffen worden meestal kunstmeststoffen genoemd. het zijn zouten die in de fabriek worden gemaakt. We verdelen ze in:
– enkelvoudige meststoffen
– samengestelde meststoffen

samengestelde meststof

Enkelvoudige meststoffen bevatten een voedingselement. Samengestelde meststoffen  bevatten meerdere voedingselementen. De meeste specifieke meststoffen zijn samengestelde meststoffen. Dit geldt dus ook voor POKON.

 

 

 

SAMENSTELLING VAN ENKELVOUDIGE KUNSTMESTSTOFFEN
In de volgende schema’s  kom je de belangrijkste kunstmeststoffen tegen. Het voert te ver op in te gaan op de gebruiksaanwijzing.  Deze staat in het algemeen op een gebruiksvriendelijke manier op de verpakking.

Naam van de meststof Gehalte Snel/lang-zaam wer-kend CI-
gehalte
Werking Andere

bestanddelen

Stikstofmeststoffen

 

Bloedmeel
Chilisalpeter
Kalisalpeter
Kalkammonsalpeter
Kalksalpeter
Ureum
Zwavelzure ammoniak

% N

13,5
16
13
26
15,5
46
20,5

 

 

vrij snel

snel

snel

langzaam
snel

vrij langzaam

langzaam

 

 

 

alk.30

alk.15

zuur
alk.12

zuur 45
zuur 60

 

 

 

25% Na
45% K

Fosfaatmeststoffen

Beendermeel

Tripelsuperfosfaat
Superfosfaat
Thomasslakkenmeel

% P205

 

30-35
40-45

20(19) snel
14-17

 

 

langzaam

snel

snel

langzaam

 

 

 

 

                          alk.30-40

 
Kalimeststoffen


Kalikiezelkalk
Kalisalpeter
Kalizout 40%
Kalizout 60%
Patentkali
Zwavelzure kali

% K20

 

10
46
40
60
30
48

   

 

 

 

50
50

 

 

alk. 35

 alk. 15

 

 

 

13% N (snel)
13% Na

 

10-Mgo

Kalkmeststoffen

 

Landbouwpoeder-kalk

Koolzure landbouwkalk

Kalkmergel

Kalikiezelkalk

 

Magnesia-kalkmeststoffen

Magnesiapoederkalk

Koolzure magnesiakalk

Magnesia kiezel kalk

Schuimaarde

%MgO

 

 

 

 

 

 

 

3-5
4-19
4-5
1,2

fijnheid zeef 0.25
80
100
60
100
 

80
100
60
100

  z.b.w

 

alk.60

alk.53
alk.40
alk.35

 

 

alk.60
alk.35-55
alk.45
alk.20-25

10% K2O

 

 

 

 

 

 

 

0,5%N, 1% P2O5

Magnesiameststoffen

Bitterzout
Kieseriet

% MgO
15-24
25-27
Kopermeststoffen

Koperslakkenbloem
Kopersulfaat

% Cu
0,7-1,7
25
Diversen

Borax

Zinksulfaat

Magnesiumsulfaat

 

10% B

20% Zn

 

SAMENSTELLING VAN SAMENGESTELDE KUNSTMESTSTOFFEN

 

We noteren de code  N+P+K+Mg+……..
De gehalten worden genoteerd als N+P2O+K2O+MgO

Veel gebruikt worden:

NPK   12+10+18
NPK   14+14+14
NPK   7+14+28
Kencica    0+8+15+5
Kencica    0+8+10+5
Mas         22+0+0+7
Fas         20+20+0
Kalisalpeter     14+0+45

3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?
Meststoffen, vooral kunstmeststoffen,  worden in diverse vormen geleverd. Vaak is de vormgeving dusdanig dat het toedienen erg gemakkelijk is. Op de gebruiksaanwijzing staat precies aangegeven hoe en hoeveel je moet toedienen. Vaak is er zelfs een maatbeker bijgevoegd.

Organische stoffen worden vaak verspreid en vervolgens ondergebracht.

Anorganische stoffen kun je:
–     breedwerpig strooien
–     opgelost gieten bijv. kamerplantenvoedsel
– mengen door de (pot)grond bijv. osmocote

Osmocote is een meststof die omgeven is door een kalklaagje en daardoor langzaam vrijkomt.
–     voedingsstaafjes in de potgrond.
–     spuiten met een voedingsoplossing.

 

 

Hydrocultuur en andere watersystemen

Inhoud
Inleiding
1 Hydrocultuur
1.1 Voordelen
1.2 Benodigdheden
1.2.1 De buitenpot
1.2.2 De binnenpot
1.2.3 De watermeter
1.2.4 De kleikorrels
1.2.5 De voedingsstof
1.2.6 Vulbuis
1.3 Verzorging
1.3.1 Water geven
1.3.2 Voeding
1.3.3 Doorspoelen
1.3.4 Verpotten
1.3.5 Snoeien
1.4 Vermenigvuldiging
1.4.1 Stekken op water
1.4.2 Uitwassen
1.5 Welke Planten
2 Semi-hydrocultuur
2.1  Het principe
2.2  Verzorgen
2.4 Voor- en nadelen
3 Seramis
3.1 Benodigheden
3.1.1 Kleikorrels
3.1.2 Sierpot
3.1.3 Vochtigheidsmeter
3.1.4 Plantenvoeding
3.2 Voordelen
3.3  Werkwijze

Inleiding

Planten hebben om te groeien geen grond nodig. De bodem dient enkel om de plant te verankeren en voor het vasthouden van voedsel, lucht en water. Omdat grond een aantal nadelen heeft is men op zoek gegaan naar vervangers om de grond geheel of gedeelte  te vervangen. Uit deze zoektocht zijn hydrocultuur, semi-hydrocultuur en seramis-cultuur ontstaan.

1          Hydrocultuur
Hydrocultuur is de techniek die gebruikt wordt om planten te laten groeien op met voedingsstof verrijkt water. Er wordt geen gebruik gemaakt van potgrond. In plaats daarvan gebruikt men kleikorrels. Hydrocultuur wordt in Nederland voornamelijk toegepast in grote kantoren, vanwege het weinige onderhoud, droge airco lucht en het vaak weinig aanwezige licht. Maar hydrocultuur leent ook zich uitstekend voor kamerplanten.

 

 

 

 

 

 

Doorsnede van een bak met hydrocultuur.Bij een plant kunnen de korrels om de kweekpot achterwegen gelaten worden. De watermeter kan zich in de kweekpot bevinden. Vaak is de watermeter een combinatie van vulbuis en watermeter.

1.1      Voordelen
Voordelen van hydrocultuur ten opzichte van gewone potcultuur zijn:
– De watermeter geeft exact aan wanneer U water moet geven. U geeft nooit te veel en nooit te weinig water.
– Het gebruik van gebakken kleikorrels sluit de kans op schimmels, meeldauw of andere bedreigende plantenziekten uit.            Gebakken kleikorrels zijn een steriel medium waarop zich vrijwel geen ziekten en schimmels kunnen ontwikkelen.
– De poreuze korrels zorgen voor een goede verspreiding van het vocht en een constante vochtigheid van het medium.
– Verschillende planten kunnen in een plantenbak gezet worden.
In normale aarde zouden verschillende planten verschillende verzorgingsbehoeften hebben.
Echter in hydrocultuur neemt iedere plant zelf zoveel water en voeding op als hij zelf nodig heeft.
– Constante luchtvochtigheid. Er zal meer water verdampen naarmate de lucht droger is.
– Weinig onderhoud en betere groei
– Mogelijkheid voor bedrijven om een onderhoudsabonnement af te sluiten.

1.2      Benodigdheden
Uitgaande van een plant in een sierpot heeft u, behalve de plant zelf, nodig:
– een buitenpot
– een binnenpot
– een watermeter
– gebakken kleikorrels
– voedingsstof

Voor een plantenbak komt daar nog een vulbuis bij. Meestal is dit een eenheid met de watermeter. De sierpot wordt in dat geval natuurlijk vervangen door een plantenbak.

 

 

 


1.2.1   De buitenpot

In principe is elke pot of bak geschikt mits deze waterdicht is. Dit betekent dat aardewerk potten niet altijd bruikbaar zijn. Vaak gebruikt men kunststof. De buitenpot wordt vaak gekozen op zijn sierwaarde.

 


1.2.2   De binnenpot
De binnenpot is meestal een dunne plastic kweekpot met een voorziening voor een watermetertje. In deze binnenpot bevinden zich de gebakken kleikorrels, waarin de plant wortelt. De poreuze korrels helpen het vocht gelijkmatig te verspreiden. Aan de bovenrand van de plastic binnenpot is vaak een openingetje waarin van onderuit een watermeter kan worden gestoken.

1.2.3   De watermeter
Om te kijken hoeveel water er zich in de pot bevindt, maakt u gebruik van de watermeter. Als er geen water op de bodem van de pot staat, staat de bovenkant van het rode peilstokje op <Min>. Naarmate er zich meer water in de buitenpot bevindt, des te hoger zal het rode peilstokje zich bevinden. Het maximaal toegestane niveau wordt aangegeven door het streepje <Max>. Het streepje <Opt> geeft het optimale waterniveau aan. Vul bij het watergeven bij tot dit niveau. Incidenteel, bijvoorbeeld als u 2 weken op vakantie gaat, kunt u water bijvullen tot het rode peilstokje het <Max> niveau bereikt heeft. Belangrijk: Laat altijd het waterniveau altijd tot onder het <Min> niveau zakken voordat u water bijvult. Kantel desnoods voor de zekerheid de pot op z’n kant om te kijken of de watermeter nog omhoogkomt.

1.2.4   De kleikorrels

De korreltjes die bij hydrocultuur gebruikt worden om de plant te laten wortelen zijn doorgaans ronde,  poreuze gebakken kleikorrels met een diameter variërend van 3 -6 mm. Deze  baksteenrood gekleurde klei korreltjes zijn poreus van structuur en kunnen dus goed water  vasthouden. Ze verspreiden ook het water van de bodem gelijkmatig over de gehele pot. Gewoon of wit grind is ongeschikt om als hydrocultuur korrels te gebruiken vanwege het feit dat het grind kalk loslaat en grind niet poreus is. Een te hoog kalk gehalte hard water kan zelfs een bedreiging vormen zijn voor de gezondheid van de plant.
De rode kleikorrels zijn volledig recyclebaar. Met andere woorden ze gaan eeuwig mee. Wanneer u kleikorrels wilt hergebruiken voor een volgende hydrocultuur plant, dient u ze eerst goed te spoelen en daarna te desinfecteren in een hete lucht oven of anders een koekenpan
1.2.5   De voedingsstof
De meest voorkomende vorm van hydrocultuur voedingsstof wordt in kleine potjes met een maatbekertje van 25 mI (grootte van een medicijn potje) verkocht en heeft het aanzien van kleine goud-gekleurde pareltjes. Daarnaast wordt vaak voeding in vloeibare vorm gebruikt. De vaste voedingsstof wordt om de 3 a 4 maanden gedoseerd toegediend op de bodem van de buitenpot of bovenop de kleikorrels. De plant draagt dan zelf zorg voor de juiste hoeveelheid voedingsstoffen die hij nodig heeft. Deze pareltjes hebben een dun schilletje met daar binnenin de voedingstoffen voor de plant. Naarmate de plant behoefte heeft aan voeding, scheidt de plant een zuur uit, die het omhulsel van het pareltje doet oplossen. Zo komen er voedingstoffen in het water terecht, zodat die door de plant kunnen worden opgenomen. In tegenstelling tot voeding in vaste vorm”, wordt voeding in vloeibare vorm bij iedere gietbeurt toegediend. Voor wat betreft de samenstelling van de vloeibare voeding is er geen verschil met de voeding in vaste vorm. De voedingsstof bevat onder andere Stikstof (N, 15%), Fosfaat (P205, 6%), Kaliumoxide (K20, 13%) en sporenelementen. Zonder de benodigde voedingsstoffen zal een hydrocultuur plant niet meteen doodgaan, maar slechts stoppen met groeien. Water is echter wel degelijk van levensbelang.  De Voeding is onbeperkt houdbaar, maar zullen in de loop van tijd iets in volume afnemen door vocht dat langzaam verdampt. Hierbij gaat echter niets van de voedzame werking van de voedingsstof verloren. Er is ook hydrocultuur voeding te koo in de vorm” van tabletten, gevuld met pareltjes. Deze gevulde tabletten bevatten dezelfde stoffen als de losse voeding, maar kan alleen onderin de pot worden geplaatst.

1.2.6   Vulbuis

Voor plantenbakken gebruikt men eveneens in hydrokorrels opgepotte planten. Ook de bak wordt opgevuld met korrels. Voor het bijvullen van water plaats men op de bodem van de bak een vulbuis. In de meeste gevallen bevindt zich daarin ook de watermeter.

1.3      Verzorging
Belangrijk zijn water geven, voeding, doorspoelen, verpotten.

1.3.1   Water geven
Normaal gesproken vult U het water aan totdat de bovenkant van het rode peilstokje van de watermeter <Opt> of <Max> aangeeft. Belangrijk: Vul pas water bij als het water niveau is gedaald tot het <Min> niveau. Bedrijven beschikken over een pompje om het resterende water te verwijderen. De bedoeling is dat er zich geen laagje water meer in de pot of bak bevindt. Als de pot naar voren wordt gekanteld en het watermetertje stijgt, dan is er nog water in de pot aanwezig en moet worden gewacht met water geven totdat het water volledig is verbruikt. Op deze manier voorkomt U dat oud water voor een lange periode in de pot blijft staan en oud wordt. Voor het water geven gebruikt U uitsluitend gekookt water van kamertemperatuur (zeker geen koud water uit de kraan).

1.3.2   Voeding


Hydrocultuur voeding in de vorm van de bruine pareltjes wordt om de 3 á 4 maanden gedoseerd toegediend. Om de groei te remmen kiest men er wel voor om dit om de 6 maanden te doen. Bij plantenbakken kunnen de pareltjes, via de vulbuis, direct op de bodem van de bak (in het water) worden toegediend. Bij potten strooit men de pareltjes op de kleikorrels, waarna men die met water begiet. De voedingsstof lost niet op in water, maar zakt naar de bodem van de buitenpot. De meeste voeding wordt verkocht in potjes met een maatbekertje en een duidelijke instructie. Gebruik voor planten onder de 50cm elke 3 a 4 maanden een hoeveelheid van 25 ml per plant. Grotere planten krijgen elke keer een dosis van 50 ml voedingsstof. In het geval van vloeibare voeding wordt hanteert men de dosis die op de verpakking staat aangegeven.

1.3.3   Doorspoelen
In principe hoeft U nooit het water te verversen. U laat immers steeds al het aanwezig water verdampen voordat U water bijvult. U ververst dus het water elke keer U als water bijvult. Pas bij verschijnselen van luis is het aan te raden om de binnenpot onder een lauwwarme kraan goed door te spoelen. Dan wordt bovendien al het kleibezinksel en uitgewerkte voedingsstof resten worden dan uit de korrels en van de wortels gespoeld. Het is daarvoor niet nodig om de plant uit de binnenpot te halen. Maak ook de buitenpot met zeep goed schoon en vergeet geen nieuwe voedingsstof toe te dienen. Vul tenslotte het water aan tot net onder het <Opt> niveau.

1.3.4   Verpotten
Een hydrocultuur plant moet, net als een plant in aarde, periodiek verpot worden. Doe dit pas als er veel wortels onderuit de binnen pot beginnen te groeien. Meestal zal dit na ongeveer twee groei seizoenen zijn. Vaak wordt daarbij de binnen pot niet verwijderd, maar in zijn geheel in een nieuwe, grotere binnenpot geplaatst. In een ideale situatie zit er enkele millimeters ruimte tussen de onderkant van de binnenpot en de bodem van de buitenpot. Zo kunnen de wortels naar buiten groeien als de plant aan verpotting toe is. Leg dus een dun laagje kleikorrels op de bodem van de buitenpot, om dit mogelijk te maken.

1.3.5   Snoeien
Hydroplanten groeien erg snel. Om de vorm te behouden moet men regelmatig snoeien. In onderhoudscontracten is dit snoeien opgenomen. Door het beperken van de bemesting kan de groei geremd worden.

1.4      Vermenigvuldiging
Hydroplanten hebben waterwortels. Deze zijn dunner dan grondwortels. Er zijn 2 manieren om hydroplanten te krijgen: stekken op water en uitspoelen.

1.4.1   Stekken op water
Dit gebeurt meestal door particulieren. Stekken worden in een flesje water aan de wortel gebracht. Als de stekken geworteld zijn worden ze opgepot naar hydrocultuur.  Vul eerst 1/3 van de binnenpot (meestal 3 of 4 cm) met kleikorrels en zet daarop de gewortelde stek. Vul daarna aan met kleikorrels tot aan de rand van de binnenpot.

1.4.2   Uitwassen

Deze methode geeft de mogelijkheid om met grote planten te starten en wordt daarom toegepast bij bedrijfsmatig kweken. Maak de plant een dag van te voren goed nat om de structuur van de aarden kluit los te maken en de plant een goede start te geven. Verwijder voorzichtig ALLE(!) aarde van de kluit (overgebleven aarden resten trekken gaan schimmelen). Dit gaat het makkelijkst onder een stromende kraan met lauw warm water. Gespoelde kluiten die niet volledig schoon te maken zijn, kunnen een dag langer in water los worden geweekt. Vul de binnenpot voor een derde met kleikorrels, zet de gespoelde plant in de pot en vul verder aan met kleikorrels. Bij het overzetten de voet van de plant weer even hoog in de korrels zetten als hij zich in de aarde bevond. Zet de pot op water zonder voedsel. Om de verdamping te verminderen gebruikt men waternevel of folie. Voeg pas voeding toe als de plant de schok van de overzetting naar hydrocultuur achter de rug heeft. Dit duurt zo’n vier tot zes weken. Daarna Zal de plant het groeiproces weer hervatten.

1.5      Welke Planten
Er is een zeer grote verscheidenheid aan planten die op hydrocultuur kunnen groeien, maar vooral de Ficus benjamina, Yucca, Dracaena, Philondendron en Spathiphyllum staan bekend als planten die floreren op hydrocultuur. Een vuistregel is dat als stekjes van een plant wortelschieten in een glaasje water, de plant als hydrocultuur plant kan worden gehouden.

2          Semi-hydrocultuur

Inleiding
Voor het opzetten en onderhouden van hydrocultuur is vakkennis nodig. Mede hierdoor zijn hydroplanten aanmerkelijk duurder dan grond-planten. Bij semi-hydrocultuur maakt men gebruik van normale grondplanten, potgrond en hydrokorrels.

2.1      Het principe
Bij semi-hydrocultuur ofwel combinatiecultuur, komen de planten normaal in de grond te staan. Het principe bij deze methode is dat er, onder in de plantenbak,  hydrokorrels met een waterreserve aanwezig zijn. Een mat scheidt de grond en de korrels van elkaar. De planten kunnen met hun wortels doorgroeien tot in het waterreservoir zelf. Voor deze combinatiecultuur moet de bak ook voorzien zijn, of voorzien worden van een watermeter, welke het waterniveau aangeeft.

2.2         Verzorgen
De algemene verzorging als standplaats, licht, temperatuur e.d. hangt ook hier weer samen met de natuurlijke herkomst van de plant. Wat het water geven betreft is dit gelijk aan hydrocultuur, alleen dient men wanneer het reservoir leeg is, ongeveer een week te wachten met het bijvullen. In deze “rustweek” kan de bodem weer voldoende zuurstof tot zich nemen. Daarna het reservoir weer volledig vullen. Ook geven we de voeding soms bovenop de grond, opgelost in water. Als de voeding via het waterreservoir wordt gegeven, dan moeten we hydrocultuurvoeding gebruiken.

2.3      Voordelen
Semi-hydrocultuur heeft t.o.v. hydrocultuur en grondcultuur de volgende voordelen:
a) minder grondgebruik en daardoor minder snel verzilting dan bij grondteelt;
b) teveel water geven is uitgesloten
c) weinig onderhoud, minder arbeid en daardoor lagere kosten;
d) groter sortiment beschikbaar dan bij hydrocultuur;
e) goede levenskansen voor de plant door een goed wortelmilieu;
f) goedkoper in aanschaf dan hydrocultuur.

2.4      voor- en nadelen
Nadelen van een combinatiecultuur:
a) het gebruik van grond;
b) door water geven van de grond, ontstaat altijd van onder af verzilting van de bovenlaag:
c) in een later stadium is bijplanten moeilijk.

Voordelen:
a) geen speciale planten nodig, dus goedkoop;
b) geschikt voor alle planten;

3          Seramis

Inleiding
Seramis is een systeem waarbij de watervoorraad is opgeslagen in kleikorrels die zich om de grondkluit bevinden. Het water wordt opgeslagen in de korrels en niet als watervoorraad op de bodem, zoals bij vergelijkbare systemen. Daardoor kunnen de wortels altijd over voldoende zuurstof beschikken.
(De volgende informatie komt uit de gratis tipgids van Seramis.)

3.1         Benodigheden
Voor seramis kun je normale grondplanten gebruiken. Daarnaast heb je kleikorrels sierpot, een vochtigheidsmeter en plantenvoeding nodig.
3.1.1   Kleikorrels
Seramis is een verzorgingssysteem voor planten waarbij de grondkluit in kleikorrels staat.  Seramis-kleikorrels zijn kleiner dan normale hydrokorrels. Ze hebben een bijzonder groot poriënvolume (80%).  Hierdoor absorberen ze meer dan hun eigen gewicht aan water: 30 liter kleikorrels wegen 12 kg en absorberen iets meer dan 12 liter water.

3.1.2    Sierpot
De beste resultaten behaal je met een waterdichte pot. Potten die buiten staan moeten echter een drainageopening bevatten. Deze mag niet in de bodem zitten, wel in de zijkant zo’n 3 cm van de bodem.

3.1.3   Vochtigheidsmeter

Een speciale maar eenvoudige vochtigheidsmeter laat zien wanneer je water moet geven. Hij meet de vochtigheid in de kluit. Rood is water geven, blauw is voldoende water. Laat de meter volledig rood kleuren voordat je giet.

3.1.4    Plantenvoeding
De speciale Seramis minerale voedingsstoffen zorgen ervoor dat er geen zouten of suikers in de kleikorrels achterblijven, waardoor ze verstopt kunnen raken. Je hebt voedingsstoffen voor groene en bloeiende planten.

3.2     Voordelen
Vergeleken met grondcultuur en hydrocultuur heeft Seramis de volgende voordelen:
a) 3 x minder vaak gieten (gemiddeld om de 25 dager);
b) Nooit meer te veel of te weinig water. De planten halen water en voeding uit de korrels naargelang hun behoeften. Plantencombinaties zijn dus geen probleem;
c) Altijd voldoende zuurstof in het substraat. Als de korrels vol zitten met water bevat het substraat nog steeds 50% lucht;
d) De korrels kunnen jarenlang gebruikt en hergebruikt worden;
e) Schoon om mee te werken;
f) Hygiënisch;
g) Onbeperkte plantenkeuze;
h) Bruikbaar voor binnen en buiten;
i) Weinig verzorgingshandelingen als verpotten. Verpotten gaat erg gemakkelijk;

3.3     Werkwijze
Bij het op Seramis zetten van grondplanten gaat men als volgt te werk:
a) Giet een laag kleikorrels onderaan in de pot;
b) Neem de plant uit de oude pot, schud eventueel de losse aarde eraf (niet afspoelen!) en zet de kluit in het midden van de pot;
c) Vul verder aan met kleikorrels. Zorg ervoor dat de bovenkant van de kluit helemaal is afgedekt met kleikorrels, liefst enkele centimeters dik. Bij een grotere plant mag dat wat meer zijn. Pas de hoogte van de laag kleikorrels onderaan in de pot aan indien de wortelkluit te hoog of te laag komt;
d) Steek de vochtigheidsmeter tot aan de onderste rand in de kluit. Geef de gepaste voedingsstoffen: de fles met groene dop voor groene planten, de fles met rode dop voor bloeiende planten;
e) Geef water. In een waterdichte pot is dit 1/4 van het volume van de pot. Na het water geven slaat de meter maar geleidelijk aan om naar blauw. Gebeurt dit niet terwijl bet substraat toch vochtig is, dan kan het zijn dat de meter onvoldoende raakvlak beeft met bet substraat. Trek de meter er heel voorzichtig uit en stop hem op een andere plaats in de kluit. De vochtigheidsmeter gebruikt een papieren viltje. Dit zal na ongeveer een jaar niet meer functioneren. Dit betekent dat je de meter best jaarlijks vervangt.
===================================================

 

BRONNEN

Mekelenkamp   
Aspasia

Hydro Huisman  
Lesbrief interieurbeplanting

Alocasia
Artiplant
Rondgroen
Plantenwacht
Ambius
Bedrijfsgroen

 

Grond en bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1       Grond en bodem
1.2       Humus
1.3       Bodemprofiel
1.4       Bodemwater
1.5       Bodemstructuur
1.6       Drainage
1.7       pH
1.8       EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1       Zandgrond
2.2       Kleigrond
2.3       Veengrond
2.4       Zavelgrond
2.5       Lössgrond
3      Grondmengsels
4      Grondverbeteraars
4.1       Turfstrooisel
4.2       Tuinturf
4.3       turfmolm
4.4       Perlite
4.5       sphagnum
4.6       compost
4.7       bosgrond
4.8       hydrokorrels
4.9       steenwol

Inleiding
De meeste cultuurplanten staan met hun wortels in een medium. Meestal is dat grond. Deze grond zorgt voor verankering en levert voedsel, water en zuurstof.
Bloemenwinkels en tuincentra hebben veel met grond te maken. Ze verkopen grondmengsels en moeten regelmatig adviseren. Om deze reden gaan we in dit hoofdstuk in op veel gebruikte begrippen en zullen we de belangrijkste grondsoorten, grondmengsels en grondverbeteraars behandelen.

1   Begrippen
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen alleen die begrippen behandelen waarmee we binnen ons vak te maken kunnen krijgen.

1.1    Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.
1.2  Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem. Zandgrond is voor de absorptie van voedingsstoffen afhankelijk van humus.
1.3 Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.
Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
–           Maaiveld: Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
–           Bouwvoor: Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
–           Ondergrond: Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podzolgronden.
1.4 Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is. Zo onderscheiden we:
–  Hangwater: Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–  Grondwater: Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grond poriën met water gevuld zijn.
– Capillair water: Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.
Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.
1.5 Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.
We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6  Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.
1.7 pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.
Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.


1.8      EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.
1.9  Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex. Het principe berust op elektrische lading.

2 Grondsoorten

Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur.

Globaal kun je de grondsoorten in de volgende 3 groepen verdelen:
-zandgrond
– kleigrond
-veengrond
– zavelgrond
– Loss

 

Via de website van Wageningen University Research is veel informatie beschikbaar over de bodem van Nederland.

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–          IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–          de loop van de rivierbeddingen;
–          erosie (verwering);
–          vervening.
2.1         Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft zandgrond de volgende voordelen;
–          Zand warmt in het voorjaar snel op
–          Gemakkelijk te bewerken
–          Goed doorlatend voor water en lucht
Nadelen van zandgrond zijn;
–          droogt snel uit
–          bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast
–          lage pH

De vochthoudendheid van deze grondsoort kun je verbeteren met organische stof. Zandgrond wordt na de winter bewerkt en bemest.
2.2 Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat.
Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft kleigrond de volgende voordelen;
–           voedselrijk
–           vochthoudend
Nadelen van kleigrond zijn:
–           het is een zware, moeilijk te bewerken grondsoort
–           planten wortelen er moeilijk in
–           hij wordt hard bij droogte
–           dichte structuur en slechte waterafvoer
–           gebrek aan bodemleven
–           weinig zuurstof
–           komt in het voorjaar slecht op temperatuur

Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.
2.3 Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.
2.4         Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.
2.5         Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3          Grondmengsels
In tegenstelling tot grondsoorten worden grondmengsels kunstmatig gemaakt. Ze worden aangepast aan de behoefte van een of meerdere plantensoorten. Grondmengsels worden meestal onder de naam potgrond verkocht.
Als je rondkijkt in het tuincentrum of surft op internet zul je ontdekken dat het aantal soorten potgrondsoorten gigantisch groot is.  Elke fabrikant heeft een eigen assortiment.
De basis voor potgrond wordt gevormd door tuinturf of turfmolm, zand, klei en meststoffen. Goede potgronden bevatten ongeveer 30% lucht, 40 – 50% water en 30 – 40% vaste bestanddelen.
Voorbeelden van potgrondsoorten zijn universele potgrond, zaaigrond, stekgrond,  vijveraarde, tuinaarde, rozengrond, buxusgrond, tuinaarde,  bonsaigrond, cactusgrond, varengrond, anthuriumgrond, orchideeëngrond, tuinaarde, osmocote potgrond, geraniumgrond  en palmengrond.
Grondmengsels voor particulieren worden meestal in zakken verkocht en soms los. De inhoud van plastic zakken is bijvoorbeeld 5, 10, 25 of 50 ltr.

Goede potgronden bevatten een RHP-keurmerk.  RHP staat voor Regeling Handels Potgronden, De stichting RHP in Naaldwijk controleert de samenstelling van potgrond en kijkt of de grondstoffen en het eindproduct aan de strenge kwaliteitseisen voldoen.

4 Grondverbeteraars
Grondverbeteraars worden gebruikt om de eigenschappen van grondsoorten en grondmengsels te veranderen. Ze hebben vooral invloed op het organische stof gehalte, de structuur, de doorlatendheid,  het vochthoudend vermogen, de zuurgraad en de vruchtbaarheid. In veel gevallen worden ook potgronden gebruikt als grondverbeteraars. Hetzelfde geldt voor bepaalde meststoffen. Voorbeelden van grondverbeteraars zijn turfstrooisel, tuinturf, turfmolm, perlite, sphagnum, compost, bosgrond, kleikorrels en steenwol. De meeste van deze producten zijn in de bloemenwinkel, de bouwmarkt en het tuincentrum te koop.
4.1 Turfstrooisel
Turfstrooisel ofwel Bolsterveen is nog weinig verteerd veen. Het is lichtbruin van kleur, humusrijk en voedselarm.  Dit medium kan 10 keer zijn eigen gewicht in water opnemen en bevat dan nog zo’n 40% lucht. Het wordt gebruikt in potgrondmengsels en als stekmedium. De pH is laag.
4.2 Tuinturf
Tuinturf ofwel doorvroren zwartveen is afkomstig van oude veenlagen. Door het vochtige veen aan vorst bloot te stellen valt het uit elkaar en wordt het vochthoudend. Tuinturf is  reeds in een ver gevorderd stadium van vertering en daardoor donkerbruin van kleur. Dit betekent dat de verdere vertering langzaam verloopt hetgeen gunstig is voor de werkingsduur.
De vochtdoorlatendheid is groter dan van turfstrooisel. Tuinturf is een belangrijke grondstof voor potgronden en wordt veel gebruikt in borders om de pH te verlagen, het organische stof gehalte te verhogen, het vochthoudend vermogen te verhogen  en de grond af te dekken.  Het is geen meststof.
4.3 turfmolm
Als zwartveen uitdroogt wordt het  turf en neemt het geen water meer op. Op deze manier ontstaat turfmolm. Het is een vezelig product dat gebruikt wordt om grondmengsels luchtiger te maken.
4.4 Perlite
Perlite is een witte, poreuze vulkanische korrel met een doorsnede van 1-4 mm. Doordat het product steriel, vochthoudend en luchtig is wordt het veel gebruikt  als stekmedium en verbeteraar van potgronden.

4.5 sphagnum
Sphagnum is de wetenschappelijke naam voor veenmos. Het kan zeer veel water opnemen en wordt gebruikt  voor het maken van grondmengsels voor vochtminnende planten. Door milieuvervuiling is sphagnum vaak erg zout en onbruikbaar voor planten.
4.6 compost
Als organisch afval onder de juiste omstandigheden wordt bewaard ontstaat compost. Zo kent men bijvoorbeeld GFT-compost, compost van tuinafval en champost. De samenstelling is erg verschillend.
Compost is vooral geschikt om het organisch stof gehalte van de grond te verhogen. Champost kan een erg hoge EC hebben. Zelf gemaakte compost bevat vaak onkruid.

 

4.7         bosgrond
Organische materialen die zijn oorsprong hebben in het bos worden bosgrond genoemd. Hieronder vallen bladgrond, dennennaaldengrond, boomschors e.d.
Bosgrond wordt gebruikt voor planten als varens, orchideeën en Anthuriums. Meestal verwerkt men ze in potgronden. In Nederland is het in veel gevallen verboden om de humeuze ondergrond uit bossen te exploiteren.
4.8 hydrokorrels en seramis
Voor watercultures en het ontwateren van potcultures maakt men gebruik van geëxpandeerde kleikorrels. Ze bevatten geen voedsel, zijn luchtig, vochthoudend en steriel.
4.9         steenwol
In kassen gebruikt men voor het kweken en vermeerderen van planten vaak kunstmatig vervaardigde substraten. Steenwol is daarvan het meest bekende. Het bestaat uit gesmolten puinsteen waaraan diverse stoffen zijn toegevoegd. Steenwol is daardoor luchtig, waterhoudend, stevig en steriel.

BRONNEN
Workshop Levende bodem
Regenwormenkaart
Atlas natuurlijk kapitaal

tuingereedschap

Inleiding
Werken in de tuin is in de meeste gevallen een hobby. Daarvoor is gereedschap nodig. De prijs- en kwaliteitsverschillen daarvan zijn erg groot. Hoe groter je tuin en hoe vaker je een bepaald stuk gereedschap nodig hebt, hoe meer belang je aan de kwaliteit moet hechten en hoe meer geld je er normalerwijs zult aan uitgeven. Goedkoop is dikwijls snel onbruikbaar. Gesmeed gereedschap is veel duurder dan uit plaat vervaardigd materiaal.

Basisuitrusting
Het valt voor een beginner niet meer uit maken wat basisgereedschap is en wat later als aanvulling aangekocht kan worden. In volgend lijstje vind je het minimum aan gereedschap dat nodig is om de belangrijkste werkzaamheden in de moestuin aan te kunnen.

  • Spade.
  • Spitvork.
  • Riek met 4 tanden.
  • Brede hak (18 – 20 cm)
  • Smalle hark (10 – 12 cm)
  • Tuinhark (10 – 14 tanden)
  • Tuinkoord.
  • Zak- en snoeimes
  • Plantschopje.
  • Pootstok.
  • Krabber.
  • Gieter met fijne broes.
  • Kruiwagen.
  • Heggeschaar
  • Takkenschaar
  • Snoeischaar
  • Cultivator
  • Grasschaar
  • GrasmaaierDit lijkt een hele waslijst, maar als we al deze gereedschappen eens van nabij bekijken, dan zal het nut van elk gereedschap onmiddellijk blijken en dit in een volgend artikel.
    We zullen er enkele bespreken.

Stelen
Handgereedschappen zijn er in soorten en maten.
Voor veel handgereedschap geldt dat ze een steel nodig hebben. Goede stelen zijn gemaakt van essenhout (taai, elastisch en glad) of wilgenhout (taai, veerkrachtig en licht, maar erg zacht en dus niet duurzaam). Vooral aan de draadrichting van het hout moet aandacht worden geschonken.
Bij hobbygereedschap zie je vaak dat de steel gemakkelijk te wisselen is. Je hebt dan maar een steel nodig. Dit spaart opslagruimte en maakt het gereedschap goedkoper. Nadelen zijn dat het omwisselen extra tijd kost en dat je te maken hebt met zwakke verbindingspunten.

Panschoppen of batsen en steekschoppen
Een panschop heeft een platte ronde snede en enigszins afgeronde hoeken. De zijkanten zijn naar achteren verlopend iets opgebogen. De achterzijde is eveneens licht opgebogen en verloopt naar boven in een bus of dul, waarin de steel zit.
De stand van de dul ten opzichte van het blad kan variëren.

 

Uit de combinatie van de panschop met een rechte dul en een licht gebogen steel ontstaat een steekschop, waarbij de steel en de snede van het blad in één lijn liggen. Door deze stand is de bats geschikt voor graven en spitten. Moet je zand opscheppen of grond verspreiden over het terrein, bijvoorbeeld bij grof egaliseren, dan is een schop met een opgebogen dul met een kromme steel geschikt.

Spaden of steekschoppen

spade

Bij het graven van sleuven voor kabels, waarbij wortels moeten worden doorgestoken, of bij het werken in zwaardere grond wordt de spade gebruikt, die ook wel steekschop wordt genoemd. Spaden hebben een in dwarsrichting iets gebogen blad, dat bij de snede wat breder is dan bij de steel. Het staal is meestal van betere kwaliteit dan het staal dat voor panschoppen wordt gebruikt. Spaden zijn zwaarder en ook duurder.

De beste spaden hebben aangesmede veren, die aan de voor- en achterkant over de steel lopen en die met klinknagels ertussen wordt vastgezet. Bij de goedkopere soorten is de bevestiging van de steel met klinknagels op het blad vastgezet. Deze spaden zijn ongeschikt voor zwaar werk, omdat de klinknagels los gaan zitten als ze op wortels stoten. Hierdoor wordt de schop waardeloos.

 

 

Schoffels
Schoffels worden voornamelijk gebruikt voor het bestrijden van onkruid.
Een goede schoffel is gesmeed uit één stuk metaal, is voorzien van een lange hals en heeft een gesloten dul. De steel is ongeveer 1,70 meter lang en voorzien van een schuine hilt. Wanneer het einde van de steel tegen de schouder rust, moet het schoffelblad plat op de grond liggen. Op zware gronden gebruikt men vaak een hak. Hiermee kun je plaatselijk onkruid weghakken.

Harken
Harken kunnen op twee manieren worden ingedeeld.
In de eerste plaats naar het aantal tanden: acht, tien, twaalf, veertien en zestien. Het aantal tanden geeft tevens de werkbreedte aan.
De tweede indeling is gebaseerd op  de  vorm  van  de  tanden.  Harken  met  gebogen  tanden  zijn  geschikt  voor  het  bij  elkaar  harken  van  niet gewenste kruiden en afval en voor het onderwerken van zaad. Harken met rechte tanden worden gebruikt voor het egaliseren van de grond. Een goede hark is gesmeed uit één stuk en heeft een essenhouten steel van 1,70 meter lang.
Andere harken zijn de blad- en spiraalhark. Deze wordt gebruikt voor het bij elkaar harken van tuinafval als onkruid, gemaaid gras en blad.

Riek of vork
Een normale riek wordt mestriek of mestvork genoemd. Als de tanden gebogen zijn spreekt men over een haakse riek.

Een riek is onmisbaar voor het opladen van plantenresten en compost. Vooral na het bij elkaar harken van bijvoorbeeld organisch afval is het erg handig om er met een riek in te prikken en het vervolgens te verwijderen. De grond blijft dan achter.

Verder wordt de riek veel gebruik voor het uit de grond halen van (wortel)onkruiden, planten, bollen en knollen. Organische meststoffen worden door de hobbytuinder eveneens uitgespreid met een riek.
Ook voor rieken geldt dat het aantal tanden kan wisselen. Meestal zijn ze 2 tot 5 tands.

Een andere riek is de spitriek. Deze heeft platte tanden en wordt gebruikt voor het omspitten van zware grond bijvoorbeeld tussen de planten.

Cultivator

Een hand cultivator wordt gebruikt om de grond tussen planten los te maken. Hierdoor wordt onkruid bestreden, wordt de gaasuitwisseling bevorderd en droogt de grond minder snel uit.

 

Klein gereedschap
Particulieren maken veel gebruik van klein gereedschap als plantschepjes, 3 tandharkjes, handschoffels, poothout e.d. Ook hiervoor geldt dat er een groot verschil is in kwaliteit.

Overig gereedschap
Als je rondkijkt op de afdeling gereedschap  van bijv. een tuincentrumdan zul je zien dat er naast het standaard gereedschap erg veel hulpmiddelen zijn om het werk in de tuin zo aangenaam mogelijk te maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een kantensteker voor het gazon en de diverse scharen. Hieronder zijn een aantal voorbeelden afgebeeld.
Steeds vaker zie je dat er van handgereedschap automatische toepassingen komen.

Opbergen en onderhoud van gereedschap
Het is erg vervelend om, elke keer als je in de tuin gaat werken, naar het gereedschap te moeten zoeken. Daarom zijn er diverse ophangsystemen in de handel die het aantrekkelijk maken om alles overzichtelijk op te bergen. Door het elke keer op een overzichtelijke plaats op te bergen, voorkom je veel ergernis over een niet te vinden bats of hark. Verder draagt goed opbergen bij aan veiligheid.

Tuingereedschap moet goed onderhouden worden. Dat geldt vooral voor gesmeed gereedschap, als je wil dat het lang meegaat. Om goed met het gereedschap te kunnen werken, is onderhoud noodzakelijk.
Het gereedschap moet regelmatig worden geslepen. De meeste werktuigen worden aan een kant geslepen.
Voor het slijpen kun je gebruikmaken van verschillende slijpinstrumenten. Bij gebruik van een slijpmachine moet verbranding (blauwe plekken) van het metaal worden voorkomen. Verbranding heeft snelle slijtage of omkrullen van het snijvlak tot gevolg, omdat het metaal als het ware zijn hardheid verliest.
Het meeste gereedschap komt in contact met vochtige grond of vochtige plantendelen, het kan dus makkelijk roesten. Daarom moet tuingereedschap op een droge plaats opgeborgen worden. Als het materiaal voor een lange tijd wordt weggezet (bv.’s winters), is het nodig al het gebruikte materiaal schoon te maken met een oud borsteltje, zodat alle grond en plantenresten verdwenen zijn. Daarna vet je het gereedschap best in met vet of motorolie. Je hoeft de schoongemaakte metalen delen maar heel lichtjes in te strijken met bijvoorbeeld een oude verfkwast. Olie is ook als spuitbus te koop.
Een andere methode is een kist vullen met een mengsel van zand en gebruikte motorolie. Elke keer je het gereedschap gebruikt hebt, steek je het in de kist. Het zand reinigt het gereedschap en tezelfdertijd wordt het geolied.
Houten stelen kun je, voordat je ze gaat gebruiken, in de olie zetten; dit oliën moet later nog eens worden herhaald. Je kunt houten stelen beter niet lakken. Verder moeten stelen worden gecontroleerd op splinters en eventuele breuken.
Zijn er tijdens je werkzaamheden bepaalde stukken gereedschap beschadigd of gebroken, dan zorg je ervoor dat deze worden hersteld voordat je ze opbergt. Daarom zal een goede gereedschapsberging voorzien zijn van een kleine werkbank met het nodige herstelgereedschap en herstelmateriaal.