Waterplanten

Inleiding
Planten die in het water groeien als moerasplant of onder water in een vijver hebben eigen kenmerken voor de groei en vorm. We onderscheiden globaal:

  • Planten die ondergedoken in het water groeien.
  • Planten die op het water drijven.
  • Planten die in het water op de bodem wortelen, maar boven water groeien.
  • Moerasplanten.
  • Oeverplanten op een vochtige grond.

Kenmerken van waterplanten
Waterplanten groeien niet allemaal op dezelfde plaats aan of in het water. Zo groeit een waterlelie in het water en een lis juist aan de rand van het water.
Ook de groeivorm verschilt sterk. Een waterlelie groeit met zijn hartvormige bladeren plat op het water, terwijl de lis met zijn lange smalle bladeren hoog boven het water uitsteekt. Zo heeft elke plant zijn eigen kenmerken. 

Standplaats
Bij de waterplanten maken we onderscheid tussen oeverplanten, moerasplanten en de echte waterplanten. En bij de echte waterplanten onderscheiden we ondergedoken waterplanten (de zuurstofplanten) en de drijvende planten.

Elke groep heeft zijn eigen functies.
Iedere plant heeft zijn eigen standplaats.

De  oeverplanten  zorgen  voor  een  natuurlijke  overgang  tussen  de  waterwereld  en  het  land.  Ze  bieden  een schuilplaats en nestgelegenheid aan allerlei dieren.

De  moerasplanten  zuiveren  het  water  doordat  ze  het  overschot  aan  voedingsstoffen  opnemen.  Daarnaast vinden vissen en andere waterdieren een schuilplaats en nestgelegenheid tussen de stengels en de bladeren.

De ondergedoken waterplanten nemen net als de moerasplanten het overschot aan voedingsstoffen op uit het water. Verder produceren ze zuurstof die voor de vissen en andere waterdieren erg belangrijk is. Bovendien kunnen dieren tussen de planten schuilen of eieren afzetten.

De drijvende waterplanten bedekken het wateroppervlak, waardoor er minder licht op de bodem kan komen. Daardoor zal de zon het water minder sterk verwarmen. Verder bieden de bladeren een schuilplaats aan alle dieren in en op het water.

Groeivormen
De ondergedoken en drijvende waterplanten en de moerasplanten hebben verschillende groeivormen.
De  zuurstofplanten  groeien  snel  breeduit.  De  bladeren  blijven  meestal  onder  water  en  de  bloemen  steken boven water uit.
De drijvende waterplanten daarentegen drijven (zoals de naam al aangeeft) op het water. Hun bladeren liggen plat op het water en de wortels bevinden zich in de bovenste waterlaag. Ook de bladeren van de breeduit groeiende waterlelie drijven op het water, maar de wortels wortelen in de vijvergrond.
De moerasplanten groeien in allerlei vormen. Je kunt zowel smal opgaande als breeduit groeiende planten tegenkomen. Sommige soorten woekeren erg. Ook de hoogte van de moerasplanten kan sterk variëren.

Sierwaarde
Voor het samenstellen van een goede vijverbeplanting is het belangrijk dat je de sierwaarden van de verschillende waterplanten kent. Deze sierwaarden kunnen erg verschillend zijn.

Een plant kan zijn sierwaarde ontlenen aan:

  • de groeivorm;
    • het blad;
  • de bloem;
  • de bloeitijd;
  • de geur;
  • de vruchten;
  • of zelfs verschillende soorten insecten, die de plant aantrekt.

Waterplanten: plantdiepten en toepassingen
De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachtspunten.
waterplanten planten video

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.

Water en planten

1        Functies van water
Afhankelijk van de lichamelijke inspanningen en de omgevingstemperatuur kunnen mensen en dieren maar enkele dagen zonder water. De meeste planten kunnen ook maar een korte tijd zonder water. Er zijn natuurlijk uitzonderingen zoals cactussen.
Planten hebben water nodig voor alle levensprocessen.

De functies van water in de plant zijn:

  • productie van suikers door fotosynthese;
  • transport van voedingsstoffen door de plant;
  • temperatuurregeling;
  • celspanning.

Productie van suikers door fotosynthese
In  het  bladgroen  vindt  fotosynthese  plaats.  Water  en  koolzuurgas  worden  met  behulp  van  licht  omgezet  in suikers en zuurstof. Deze suikers gebruikt de plant vooral voor de groeiprocessen. Zonder water is fotosynthese onmogelijk en is er dus geen groei.

Transport van voedingsstoffen door de plant
Samen met het water zuigt de plant bouwstoffen op. Ook het transport van andere stoffen in de plant gebeurt door water
Er is een constante aan- en afvoer van water. Het water zit overal in de plant. De opgeloste voeding wordt dus door de gehele plant getransporteerd.

Temperatuurregeling
Van het opgenomen water wordt ongeveer 98 procent door de bladeren verdampt. Doordat het verdampen van water warmte kost koelt de plant, bij het verdampen van water, af. Je kunt dit vergelijken met transpireren van mensen.

Door het openen en sluiten van de huidmondjes kunnen planten de verdamping regelen. Dit openen en sluiten gebeurt onder invloed van licht, temperatuur en vochtigheid.

Celspanning
Water zorgt voor spanning op de celwand zoals lucht zorgt voor spanning in een fietsband. De kruidachtige onderdelen van de plant, zoals de bladeren, hebben hun stevigheid te danken aan de celspanning. Wanneer een plant onvoldoende water kan opnemen, gaan de kruidachtige delen slap hangen.

2         Hoeveel water heeft een plant nodig?
De meeste planten zuigen water op uit de bodem. De zuigkracht die daarvoor nodig is wordt veroorzaakt door de verdamping van de bladeren. Door het doorgeven van water van de ene cel naar de andere cel ontstaan er drukverschillen tussen de cellen. Op deze manier wordt het water doorgegeven. Dit heet worteldruk.Niet alle planten verlangen even veel water.

We onderscheiden:
–      hydrofyten.
Deze verlangen veel water bijvoorbeeld Parapluplanten.
–      mesofyten.
Dit zijn de planten waarbij we meestal zeggen dat ze een normale hoeveelheid water nodig hebben.
–      xerofyten. Deze hebben weinig water nodig bijvoorbeeld vetplanten

Als verkoper in een bloemenwinkel krijg je vaak vragen over de verzorging van een plant. Je moet de klant kunnen vertellen hoeveel water de plant nodig heeft. Het is onmogelijk om dat voor iedere plant uit je hoofd weten. Het is dus handig als je inzicht hebt of de waterbehoefte snel op kunt zoeken. Dan kun je een goed advies geven. Schrijf de verzorgingseisen voor de klant op, bijvoorbeeld op een bloemenkaartje. De klant zal dit zeker erg prettig vinden.
Je kunt de waterbehoefte van planten vaak zien aan de bouw. Ook kun je ze opzoeken in boeken en tijdschriften.

Om inzicht te krijgen volgen hier een aantal algemene adviezen:

  • Bij een hoge temperatuur en bij droge lucht hebben planten extra veel water nodig
  • Bloeiende planten hebben meer water nodig dan dezelfde niet bloeiende planten
  • Planten met dunne- en met grote bladeren hebben extra veel water nodig
  • Planten met luchtwortels verlangen veel water
  • Vetplanten, planten met behaarde bladeren en planten met een vetlaag op de bladeren hebben weinig water nodig
  • Houtachtige planten regelmatig dompelen
  • Tijdens de rustperiode hebben planten minder water nodig dan tijdens de groeiperiode

–        De verdamping van planten kun je verminderen door de luchtvochtigheid te verhogen

 

 

 

Productverzorging

Aardewerk  Nomenclatuur
Besdragende heesters
Bladverliezende heesters
Plantengroepen
Bol- en knolgewassen Plantenvoeding
Bomen en struiken Plantenziekten
Coniferen Schoonhouden
Dieren en dierbenodigdheden Snijbloemen
Droogmaterialen Snoeien
Een- en tweejarigen Tuinhout
Eetbare tuin Tuinmeubels
Fruit Tuinverharding
Gazons Tuinverlichting
Gereedschap Uitplanten van diverse plantengroepen
Glas en kristal Vaste planten
Groenblijvende Heesters Verduurzamen van hout
Grond en bodem Vermeerdering ongeslachtelijk
Hagen Vermeerdering geslachtelijk
Heidetuinen Verwerken van producten
Hout Verzorging kamerplanten
Hydrocultuur Vijver aanleggen
Kaarsen Vijverpompen en filters
Kamerplanten Vijverwater
Kleur Waterdieren
Klim- en leiplanten Water en plant
Kuipplanten Waterplanten
Kunstplanten
Licht en kleur
Licht en warmte
Meststoffen

Waterdieren

Inleiding
Water met de daarin levende flora en fauna hebben een grote aantrekkingskracht op mensen. Dit geldt voor de rivier, de sloot, de plas en voor de vijver buiten en het aquarium binnen. Voor veel tuincentra is de vijver- en aquariumafdeling dan ook een afdeling met veel belangstelling van klanten maar ook van medewerkers.

Vissen
Het aantal vissoorten dat geschikt is voor het aquarium en de vijver is erg groot. Daardoor is er veel kennis nodig om klanten verantwoord te kunnen adviseren. Tuincentra moeten zich om die reden vaak beperken tot de algemene soorten. Dit geldt met name voor het aquarium.
In de vijver of in het aquarium kun je ervoor kiezen om maar één vissoort te gebruiken of om meerdere soorten te combineren. Bij het combineren moet je altijd nagaan of de soorten elkaar verdragen.  Zo zullen grote vissen vaak kleine vissen opeten en zijn er soorten als semitraan die erg agressief zijn.
Als je in een aquarium meerdere vissoorten combineert spreekt men over een gezelschapsbak. Het kan daarbij gaan om zoetwater of zoutwater.
Een voorbeeld van een aquarium met een soort vissen is de ciclidenbak. Deze kun je moeilijk combineren met waterplanten. Bij een aquarium zijn bovendien temperatuur, filter, wateroppervlakte en de zandbodem erg belangrijk bij het maken van de juiste keuze en het combineren van soorten.

Waterdiepte
Bij het kiezen van de vissen moet je ook rekening houden met de diepte waarin ze leven. In de vijver onderscheiden we de volgende waterkolommen:

  • De bovenste kolom is de meest opvallende en ook de warmste waterlaag.
  • In de  middenkolom  zitten  meestal  de  meeste  vis-  en  plantensoorten.  In  deze  zone  kun  je  de  vissen  al moeilijker waarnemen.
  • De onderste kolom is het terrein van de bodemvissen. Alleen bij heel helder water kun je de vissen hier nog waarnemen.

In verband met vorst moet een vijver minimaal 60 a 80 cm diep zijn. Dieper is beter omdat de omstandigheden dan minder wisselen. Aquaria worden verkocht in standaardmaten, zodat je met de waterdiepte eigenlijk nooit in de fout kunt gaan. Maar ook bij aquaria zijn er vissoorten die op verschillende hoogte in de waterkolom leven. Houd daar dus rekening mee bij de keuze van de vissen. Ondiepe aquaria worden snel te warm door de lampen. 20 cm Kun je beschouwen als een minimale diepte bij aquaria.

Geschiktheid van de soort vijver
Welke vissen moet je voor je vijver kiezen? Dat hangt er uiteraard van af wat voor vijver je wilt. Wil je een siervijver met de nadruk op het plantenbestand of juist een met de nadruk op het visbestand? In het eerste geval  moet  je  uiteraard  geen  vissen  aanschaffen  die  de  planten  eten  of  de  grond  omwoelen,  waardoor  de planten ontworteld raken. In het tweede geval is er in je vijver weinig ruimte voor planten. Houd er dan wel rekening mee dat sommige vissoorten alleen goed kunnen gedijen dankzij de beschutting van planten. Voor beide gevallen geldt uiteraard dat de waterkwaliteit altijd optimaal moet zijn om vissen te kunnen houden.

Hoeveel vissen?
Het spreekt voor zich dat er een grens is aan het aantal vissen dat je in een vijver kunt houden. Vaak zie je dat er veel te veel vissen in het oppervlaktewater worden gehouden. Hanteer als richtlijn 5 cm vislengte per 1000 liter water. Neem dus voor een vijver van 5000 liter niet meer dan zes goudvissen en zes goudwindes. Dan wordt het natuurlijk evenwicht niet verstoord.  Bij een aquarium wordt het maximale aantal vissen voor een groot deel bepaald door de waterkwaliteit en wat de consument mooi vindt. Vooral scholvissen hechten niet zoveel waarde aan ruimte. 

 

 

Vissoorten

Het aantal soorten aquariumvissen is gigantisch. De keuze is een kwestie van smaak, ruimte, beschikbare tijd en deskundigheid.
Enkele bekende zoetwater soorten zijn:
– diverse tetra’s
– Betta ofwel kempvis
– guppy
– maanvis
– platy
– black molly
– bicolor
– cycliden
– discus
– modderkruiper

Vijvers worden voornamelijk bewoond door:
– goudvissen
–  goudwinde
–  koikarper

 Combinatie met andere dieren
Je kunt vissen in een vijver ook de combineren met een aantal andere dieren. Hieronder noemen we enkele mogelijkheden.

–     Amerikaanse brulkikkers

Met hun gebrul kunnen ze jou én de buren slapeloze nachten bezorgen. Ze kunnen 22 cm groot worden met poten van 25 cm.

 

 

 

 

–     Salamanders

Ze zijn 2 cm groot en ze kunnen worden opgegeten door de vissen. Ze komen vaak vanzelf in de vijver terecht en leven gedeeltelijk onder water.

 

 

 

 

–     Watermosselen
Watermosselen kunnen overleven in een natuurvijver met voldoende modder op de bodem. Ze filteren het water, maar ze woelen ook onder de grond de waterplanten los. Daardoor vertroebelen ze het water. Hun voedsel bestaat uit muggenlarven, wormen en dergelijke.  In combinatie met vissen zijn ze dus eigenlijk niet zo geschikt. Bovendien kunnen dode mosselen een enorme stank van het water veroorzaken

 

 

 

–     Groene kikkers
Groene kikkers zijn niet plaatsgebonden, maar zullen bij een goede biologische waterkwaliteit in de vijver blijven. Ze overwinteren op het diepste punt van de vijver. Overdag zitten ze meestal aan de rand van de vijver te wachten op een prooi (slakken, wormen, libellen). Iedere groene kikker heeft zijn eigen territorium

 

 

 

–     Bruine kikkers
Bruine kikkers leggen hun eieren tussen de waterplanten maar leven hoofdzakelijk aan land. Ze zijn erg nuttig in de tuin en vangen veel insecten.

 

 

 

Naast deze opvallende dieren zullen zich in een vijver veel kleinere dieren ontwikkelen als muggenlarven, libellenlarven, waterkevers, bloedzuigers, schaatsenrijders enz. Dit waterleven kan de vijver tot een boeiende levensgemeenschap maken.

Minder blij is men in de vijvertuin met visetende vogels als de blauwe reiger en de ijsvogel. Het zijn overigens wel mooie vogels.
Op grote vijvers kunnen eenden, meerkoetjes, fuut en waterhoentjes verschijnen.

Fuut
ijsvogel
blauwe reiger

               

 

 

 

Het transport van vissen
Voordat handelaren vissen transporteren, laten ze de vissen enige tijd vasten, zodat de dieren tijdens het transport minder afvalstoffen (vooral ammoniak en kooldioxide) produceren. Bij een te hoge concentratie van deze stoffen worden vissen tijdens het transport vergiftigd. Het transport van vissen veroorzaakt veel stress bij de dieren. Door verdovende middelen aan transportwater toe te voegen, proberen handelaren van siervissen de  stress  te  verminderen.  Bij  het  gebruik  van  verdovende  middelen  moet  je  de  vissen  extra  voorzichtig behandelen als je ze in bakken met schoon water zet. Bij een te snelle overzetting kunnen de vissen in shock raken en daardoor sterven.

Als een klant een vis koopt dan moet jij op de volgende punten letten:

  • Verpak de vis in een plastic zak met water en daarboven lucht.
  • Gebruik een fijnmazig gaas als je de vis uit de bak haalt, zodat de schubben niet worden beschadigd.

De klant moet bij het vervoer aan de volgende punten denken:

  • Laat de vis na aankoop wennen aan ander water.
  • Tijdens het vervoer mag het water klotsen, er komt alleen maar meer zuurstof vrij.
  • Leg de gesloten zak op de vijver of in het aquarium.
  • Leg een natte handdoek over de plastic zak als de zon schijnt, om verbranding te voorkomen.
  • Het water in de zak moet dezelfde temperatuur krijgen als het water in de vijver of in het aquarium. Dit kan ongeveer een half uur duren.
  • Laat daarna ongeveer een halve liter water van de vijver of het aquarium in de zak stromen, zodat de vis langzaam kan wennen.
  • Vul het water drie keer bij. Het geheel duurt ongeveer een uur.
  • Laat de vissen langzaam uit de zak zwemmen.

Gezondheid van de vissen
Vissen zijn gevoelig voor ziekten. Dit geldt m.n.voor vissen onder kunstmatige omstandigheden als het aquarium en de vijver.
Hieronder staan een aantal symptomen voor het herkennen van ziekten:

Kenmerken van gezonde vissen:
– heldere ogen;
– goede huidskleur;
– gespreide vinnen;
– rugvin staat overeind;
– schubben zijn regelmatig;
– de vis is niet te mager;

Kenmerken van zieke vissen
– troebele ogen;
– schubbeschadigingen;
– sterk vermagerd;
– lusteloos;
– afwijkende ontlasting;
– schimmeldraden op de staartvin.

Houd de vissen gezond. Ook als een klant de nodige voorzorgsmaatregelen heeft genomen kunnen de vissen ziek worden. Vaak gebeurt dit door aankoop van nieuwe vissen. De nieuwe vissen kunnen parasieten meenemen die de andere vissen aansteken. Voor de meeste ziekten zijn er medicamenten. Hierdoor genezen de vissen meestal binnen tien dagen weer.

De meest voorkomende ziekten zijn:

witte stip

Schimmel als witte stip, virus, bacteriën, karperluis, visbloedzuiger en ankerworm.
Ook natuurlijke voedseldiertjes kunnen vissen infecteren. Bij het vangen van watervlooien komt vaak karperluis mee en bij tubifexwormen bloedzuigers. Als de klant nieuwe vissen in de vijver zet, kun je hem een preventief geneesmiddel adviseren waardoor de vissen minder risico lopen.
Zuurstofgebrek kan ertoe leiden da vissen aan de oppervlakte komen om lucht te happen. Dit kun je meestal opheffen door het aanbrengen van een zuurstofpompje, door water te verversen en door het aanplanten van zuurstofplanten als waterpest.

Vissen voeren

pekelkreeftjes

Er is voor vissen allerlei voedsel in de handel, namelijk:

  • levend voer: watervlooien, tubifex, cyclops, rode muggenlarven, zwarte muggenlarve en witte muggenlarven;
  • droogvoeders: vlokkenvoer, tabletten en geperste korrels;
  • geconserveerd voer: diepvries en gedroogd.

Voedsel wordt meestal met de hand toegediend. Voor aquaria zijn voerderautomaten in de handel. Bij overmatig voeren wordt het water voedselrijk waardoor er algengroei kan optreden. Voedsel dat naar de bodem is gezakt kan opgeruimd worden door slakken en modderkruipers.

Bij voedselgebrek kan het gebeuren dat de vissen van de waterplanten gaan eten in het aquarium. Bij een buitenvijver ga  je  de  vissen  pas  voeren  als  de  temperatuur boven  12°C  komt. Als  je  bij  lagere  temp  voert, kunnen de vissen het voer slecht verteren. Voer altijd op dezelfde plek en houd in de gaten of er geen voedselresten op de grond blijven liggen. Hierdoor neemt de waterkwaliteit af. Voer dus met mate en alleen bij warm weer.

Tips voor het voeren van aquariumvissen:

  • Geef meerdere malen per dag kleine hoeveelheden.
  • Geef niet meer voedsel dan ze in enkel minuten kunnen opeten.
  • Zorg voor afwisselende voeding.
  • Voer niet direct nadat je het water hebt gereinigd of vervangen.
  • Voer plantenetende vissen bij met speciaal voedsel.
  • Geef bodembewoners speciaal voedsel, zij eten ook meestal ’s avonds.
hevelen

De verzorging van het aquarium
Een aquarium moet regelmatig worden schoongemaakt. Hierna volgt een opsomming van werkzaamheden om een aquarium in goede conditie te houden:

  • Reinig een aquarium regelmatig.
  • Controleer iedere dag de techniek en de temperatuur.
  • Bekijk het gedrag en het uiterlijk van de vissen en kijk of er geen afwijkingen zijn.
  • Vervang iedere veertien dagen 10-30 % van het aquariumwater (afhankelijk van het visbestand) door leidingwater. Voor het leegzuigen kun je een hevel gebruiken.
  • Zuig vuil van de bodem weg en maak het glas met een magneetreiniger schoon om algenaanslag te verwijderen.
  • Knip snelgroeiende waterplanten met een scherpe schaar tot tweederde af.
  • Geef iedere 14 dagen ijzerbemesting voor de planten.
  • Reinig het filter.
  • Spoel de biologische filtermassa iedere drie maanden met aquariumwater uit. Doe dit voorzichtig zodat niet de waardevolle micro-organismen verdwijnen.

Verzorging van de vijver

Ook vijvers moet je onderhouden. Vissen zijn erg gevoelig voor een slechte conditie van het vijverwater.
Plantenresten haal je er uit met een schepnet.

In de winter is de vijver in rust, de stofwisseling van de vissen is sterk verminderd. De vissen leven nu op de vijverbodem en nemen geen voedsel meer op. Werk nu zo min mogelijk aan de vijver om de winterrust niet te verstoren. Met een ijsvrijhouder kunnen vrijkomende verontreinigde gassen worden afgevoerd.

BRONNEN
Aquariumplanten Leeuwarden 
Aquarium verzamel pagina

Aquariumwater 1
Aquariumwater 2
Aquarium Holgen
Berekeningen
Biologisch evenwicht
Filtersystemen
Filtersystemen 2
Guppy vijvertechniek
Koibonsai   
Koi-info
 
Koi-farm
 
Leven in het water
 
Marechal brochure waterplanten
Notesdejardin vijvers
Stoffen in het water
vijverfolie 
Vijverwater

Vijverleven
Vijverhulp voor planten
Vijverboek
Vijver- en moerasplanten
Vijverplanten
Vijver startpagina
Vijvertrends
Vijverinfo

Vijverpracht
Zwemvijvers
   

 

 

Vijver- en aquariumwater

Waterkwaliteit
Vissen en andere waterdieren moet je makkelijk kunnen zien op enige afstand van de vijver. Daarvoor moet het water helder zijn. Vaak is dat echter een probleem. Algen maken van helder water vaak een troebele groene massa. Water kan pas helder worden als er in de vijver een natuurlijk evenwicht is ontstaan. Daarbij spelen veel organismen en niet te vergeten de waterwaarden een belangrijke rol.

Waterchemie
In water zit een groot aantal opgeloste stoffen, zoals calcium (kalk), fosfaat, stikstofverbindingen, koolzuur en zuurstof. Verder is de zuurgraad van het water belangrijk. De  hoeveelheid  calciumcarbonaat  en magnesiumcarbonaat  in  het  water  bepalen  de  zogenaamde  hardheid  van  het  water.  We  maken  hierbij onderscheid tussen de carbonaathardheid en de gezamenlijke hardheid.

Carbonaathardheid (KH)
De carbonaathardheid wordt ook wel het zuurbindend vermogen genoemd en staat voor de concentratie van bicarbonaten in het vijverwater. Deze bicarbonaten zijn in staat waterstofionen op te nemen en af te staan en daarmee te zorgen voor een stabilisatie van de pH waarde. De carbonaathardheid moet liggen tussen 5-15. Ook deze waarde moet zeker 4 keer per jaar gecontroleerd worden.

Gezamenlijke hardheid
De gezamenlijke hardheid (GH-waarde) geeft de hoeveelheid opgelost calcium (kalk) en magnesium weer. De ideale GH-waarde ligt tussen de 8 en de 12. Deze waterwaarden kun je eenvoudig meten met speciaal daarvoor bestemde testsetjes.

Zuurgraad
De pH of zuurgraad is een maat voor de hoeveelheid opgeloste zuur- of alkalisch reagerende stoffen en is de belangrijkste factor voor het goed functioneren van alle levende organismen in het vijverwater. Onder de 7 wordt zuur genoemd, 7 is neutraal, daarboven wordt het water basisch of alkalisch genoemd. De pH-waarde van het vijverwater mag maximaal schommelen tussen 6 en 8 om een goed biologisch evenwicht te kunnen behouden.
Planten en vissen reageren verschillend op veranderingen in de pH-waarde:
pH<5:
Door gistingsprocessen van bijvoorbeeld bladafval kan de pH plotseling sterk dalen. Er moet dan overgegaan worden tot drastische maatregelen: de vijver ontdoen van bladafval en een deel van het vijverwater vervangen door leidingwater tot de juiste pH-waarde is bereikt. Dit moet wel langzaam gebeuren, om plotselinge temperatuurwisselingen te voorkomen. Met  AquaStart kan het water verder gestabiliseerd worden.
pH<6:
Ook water dat iets te zuur is, kan vissen opzadelen met schade aan huid en kieuwen. Met AquaStart moet het water gestabiliseerd worden.
pH>8
Bij te alkalisch water worden er teveel algen gevormd. De oplossing voor dit probleem is;
water met Aqua pH-minus stabiliseren
Controleren of KH-waarde te hoog is. Zo ja, dan vers water toevoegen.
pH>9
Bij sterk alkalisch water kan vissterfte voorkomen. Ook hier ligt de oplossing in het stabiliseren van het water met Aqua-pH-minus en eventueel vers water toevoegen.

Chemische processen
In gezond vijverwater zijn miljarden bacteriën aanwezig. Zij zorgen ervoor dat de uitwerpselen van vissen, voedselresten, afgestorven plantendelen, enz. worden afgebroken. Afhankelijk van de zuurgraad van de vijver is het resultaat van de eerste fase van het aërobe afbraakproces (dus het afbraakproces onder invloed van zuurstof) het niet giftige ammonium en het uiterst gevaarlijke ammoniak dat door bacteriën in het minder schadelijke nitriet wordt omgezet. Maar over een langere periode kunnen ook hoge nitrietwaarden voor de vissen dodelijk zijn. Hoge nitrietwaarden worden meestal veroorzaakt doordat het aantal nitrobacter bacterien tekort schieten. Dit wijst erop dat de bacteriehuishouding is verstoord of nog niet op gang is gekomen. Redenen kunnen bijvoorbeeld zijn: teveel visvoer, bladresten, plantenresten en zweefafval.
Bij een verder verloop van het afbraakproces zal het nitriet worden omgezet in nitraat. Nitraat is geen gif maar kunstmest dat door nitrosomas bacterien ontstaat uit nitriet. Nitraat wordt een probleem als er te weinig planten zijn. Deze nemen namelijk nitraat op. Met name algen profiteren van te veel nitraat. Om deze reden is het verstandig het nitraatgehalte laag te houden: de algengroei is dan beperkt.

Biologisch afbraakproces
*Ammoniak (NH4, NH3)
d.m.v. aërobe afbraakprocessen o.i.v. nitrobacter bacterieen:

*Nitriet (NO2)
d.m.v. aërobe afbraakprocessen o.i.v. nitrosomas bacterieen:

*Nitraat (NO3)
(en d.m.v. anaërobe afbraakprocessen: stikstof (NO, N2O en N2)

 Biologisch evenwicht
Alle organismen spelen een belangrijke rol bij het biologische evenwicht in een vijver. In een vijver leven verschillende organismen, zoals bacteriën, algen, waterplanten en waterfauna. Die hebben allemaal een eigen taak in het water.

Bacteriën
Bacteriën zetten organisch materiaal om in bruikbare voedingsstoffen voor de planten. Dit organisch materiaal is afkomstig van afgestorven waterplanten, uitwerpselen van vissen en bladeren uit de tuin.

Waterplanten
Waterplanten  nemen  de  vrijgekomen  voedingsstoffen  uit  het  water  op  om  te  kunnen  groeien.  Zolang  de waterplanten deze voedingsstoffen snel genoeg opnemen, kunnen de algen niet groeien. Maar als er meer voeding in het water is dan de waterplanten kunnen opnemen, gaan de algen snel groeien en geven ze het water een groene kleur. Als vijverwater te sterk verwarmd wordt, neemt de hoeveelheid zuurstof af. Daardoor kunnen met name de vissen sterven. Drijvende waterplanten, zoals de waterlelie, voorkomen dit. Ze bedekken namelijk een deel van het wateroppervlak. Op die plaatsen kan de zon het water niet verwarmen. Onderwaterplanten produceren zuurstof. Die is noodzakelijk voor alle organismen in het water, zowel de planten, de vissen als de bacteriën. Zonder zuurstof is er geen leven mogelijk, ook niet onder water.

Waterfauna
Waterplanten en kleine waterdiertjes, zoals muggenlarven, worden gegeten door de vissen. Dat voorkomt dat er een plaag van deze diertjes kan ontstaan. Je moet er toch niet aan denken dat je op een zomeravond niet lekker buiten op het terras kunt genieten van de vijver omdat de muggen je massaal steken.
Naast voeding geven waterplanten de vissen ook dekking. Tussen de waterplanten kunnen ze zich schuilhouden. Ook kunnen ze hun eieren tussen de planten afzetten, zodat deze niet gezien worden door andere vissen.
Hieruit kun je concluderen dat alle organismen in de vijver van elkaar afhankelijk zijn. Er moet een evenwicht heersen, zodat alle organismen kunnen blijven leven. Bij dit biologische evenwicht spelen de waterwaarden ook een belangrijke rol.
Overmatig voeren van de vissen kan het biologische evenwicht in het water sterk verstoren. De vissen zullen dan niet alles opeten en het overschot moet door de bacteriën worden afgebroken. Als dit onvoldoende gebeurt, ontstaat algengroei en kleurt het water groen.

 

Bronnen:

Vijver- en moerasplanten
Vijver startpagina
Koibonsai   
Koi-info
 
Koi-farm
 
Leven in het water

Vijverhulp voor planten
Stoffen in het water 
Aquarium verzamel pagina

Aquariumwater
Marechal brochure waterplanten
Vijverleven

 

Uitplanten van diverse plantengroepen

Inleiding
Als klanten planten,  gekocht hebben zullen ze vaak informeren naar de wijze van uitplanten. Dit geldt ook voor bollen en knollen. Aan de hand van een aantal groepen zullen we het planten behandelen. 

1        BOMEN EN STRUIKEN
Of je nu een windkering of kijkgroen aanlegt, je zorgt er altijd voor dat de bomen en struiken een goede start krijgen. Je zet ze allereerst op een gunstige plaats. Vervolgens plant je ze op de juiste diepte in de goede tijd van het jaar en natuurlijk ook op de juiste afstand van elkaar. Een goed begin is het halve werk!

Indeling
Bomen onderscheiden we in de eerste plaats naar grootte.

Voor je een boom of struik gaat planten, kijk je eerst in de toekomst. Hoe groot is de boom of struik als hij volgroeid is? Daar moet je bij de aanplant al rekening mee houden. Zo kun je bijvoorbeeld geen windkering aanplanten van struiken die laag blijven. Die struiken geven uiteindelijk te weinig beschutting. Veel vaker komt het voor dat mensen een boom planten die veel te groot wordt voor de locatie.

Een jonge boom en een volgroeide boom

Niet elke boomsoort wordt even hoog. Een eik wordt veel hoger dan een berk. Bomen worden naar grootte ingedeeld.

Hoe groot een boom of struik wordt, hangt ook af van de hoeveelheid voedsel en vocht die de plant op kan nemen. Een es wordt op vochtige, voedselrijke kleigrond bijvoorbeeld hoger dan op droge, arme zandgrond. Daarnaast spelen weersomstandigheden, zoals wind, een rol. Natuurlijk is ook het onderhoud van groot belang. Een struik die regelmatig wordt gesnoeid, blijft kleiner dan een struik die niet wordt gesnoeid.

 

 

 

Eindbeelden inschatten

Een boom of struik blijft niet eindeloos doorgroeien. Op een gegeven moment wordt de plant niet meer hoger, ook al zijn de omstandigheden ideaal. De boom of struik heeft dan zijn maximale lengte bereikt. Deze maximale lengte kun je opzoeken in boeken, maar je kunt hem ook inschatten door naar oude bomen te kijken.

Een boom groeit ook in de breedte. De breedtegroei van de kroon hangt af van de ruimte die de kroon krijgt. Als bomen dicht bij elkaar staan, worden de kronen minder breed dan wanneer een boom alleen staat.

Kronen van rijbomen

 

Formule voor de breedte van de kroon

De breedte van de kroon kun je schatten door de volgende formule te gebruiken: breedte = 0,8 x de hoogte.

 

 

 

 

 

 

De hoogte van een struik kun je inschatten door de volgende formule te gebruiken: hoogte = breedte.

Formule voor de hoogte van een struik

Deze formules geven natuurlijk alleen maar een schatting. De kruin van een rijboom wordt bijvoorbeeld minder breed dan die van een solitaire boom. Een boom wordt maximaal 11 meter hoog. Hoe breed zal de kruin ongeveer worden?

Bomen zijn er in verschillende groepen. Wat ze gemeen hebben, is dat het om houtige gewassen gaat die een stam vormen: meestal vanuit een centrale rechtdoor groeiende tak.

Een boom heeft een takvrije stam.

Een tweede onderscheid dat je kunt maken, is dat in loofbomen en naaldbomen of coniferen. De naam conifeer is afgeleid van de Latijnse woorden conus (= kegel) en ferre (= dragen). Hiermee is het belangrijkste kenmerk van deze groep genoemd, namelijk dat ze kegeldragend zijn. Uitzonderingen hierop zijn de jenever-bessen (Juniperus) en de venijnboom (Taxus): deze bezitten de zaden in een bes. In Nederland zijn alle loofbomen bladverliezend.

Een derde kenmerk waarnaar we bomen onderscheiden is hun kroonvorm. We spreken van de habitus van de boom. Een beuk is bijvoorbeeld al op honderden meters afstand te herkennen aan zijn silhouet, evenals een eik met zijn grillige vorm. Soms is een oude boom op het terrein een echte sfeermaker.

planttijd
De  beste  tijd  voor  het  planten  van  bomen  is  de  rustperiode.  Dit  betekent  dat  bijna  alle  bomen  tussen  1 november en 15 april kunnen worden geplant. Bomen worden vrijwel altijd zonder kluit verhandeld. In verband met de kansen op aanslaan is het verstandig om bomen met vlezige wortels, eiken en berken met kluit te bestellen. De kluit is meestal voorzien van een gaaslap. Om verstoring van de wortelgroei te voorkomen, moet je de gaaslap voor het planten verwijderen. De beste tijd om coniferen te planten is augustus. Maar ook in april/mei kun je coniferen planten. Coniferen verplant je altijd met een kluit. 

Ingekuilde houtachtigen

Inkuilen en opkuilen
Vaak komt het voor dat bomen voordat ze verkocht of uitgeplant worden tijdelijk worden opgekuild.
Je kuilt ze dan voor maximaal twee weken in, op een plaats waar ze niet in de weg staan. Dat kan gewoon in de grond. Als je de bomen en struiken wilt gaan planten, kuil je ze weer op: je trekt ze voorzichtig uit de grond. Bij het inkuilen en opkuilen moet je op een aantal dingen letten.

In de volgende figuur staan de fouten die vaak gemaakt worden.

Gereedschap
Voor je gaat planten, leg je het benodigde gereedschap klaar. Je maakt eerst de grond los. Dit doe je bijvoorbeeld met een schop, frees of op een andere manier. Daarna ga je aan de gang met de volgende gereedschappen:

Om een boom te planten heb je verder  nodig:
boom, boompaal, boomband, boombandnagels, handhei of slaghuls, grondboor, bats of spade, hamer, nijptang, snoeischaar. Bij inkuilen gebruik je grotendeels dezelfde gereedschappen. Alleen de snoeischaar heb je niet nodig.

Het planten

Bij het planten van bomen en struiken houd je rekening met de planttijd, de plantafstand, de grootte en diepte van het plantgat en het beplantingsplan.

De werkwijze en werkvolgorde zijn als volgt.

  • Graaf een plantgat dat eenderde groter is dan het wortelgestel.
  • Boor het gat voor de boompaal, plaats deze en sla hem in de vaste grond (de hoogte moet tien centimeter onder de kroon zijn).
  • Snoei de kapotte wortels en takken.
  • Zet de boom in het plantgat, waarbij de afstand paal/boom een hand/voetbreedte is.
  • Steek de zijkanten van het plantgat in en schud de boom regelmatig tijdens het planten.
  • Trap de grond stevig aan door van buiten naar binnen te trappen.
  • Vul het plantgat en breng de boomband aan.

Indien nodig, geef je de boom of struik mest. Deze mest meng je goed door de aarde waarmee je het plantgat vult. Je moet goed in de gaten houden of de geplante boom of struik genoeg water krijgt. Desnoods leg je een drainagebuis aan in het plantgat.

Als je meerdere bomen of struiken moet planten zet je deze op een vaste afstand van elkaar. Meestal varieert de plantafstand tussen de 1 en 1,5 meter. Voor je gaat planten, zet je een plantverband uit. Bij bomen en struiken is dit vaak een driehoeks- verband. Bij het uitzetten van het plantverband gebruik je jalons. Deze jalons helpen je om op grote afstanden ook netjes te werken.

Aan de zuidwestzijde van de boom wordt een paal geplaatst. Deze boompaal houdt de pas geplante boom op zijn plaats, waardoor het wortelgestel zich kan herstellen van de verplanting. De boompaal voorkomt dat nieuwe, uit de kluit groeiende wortels niet afbreken als gevolg van beweging van de kluit door de wind. De boom kan zich zo zonder veel problemen opnieuw verankeren. Dit verankeren gebeurt binnen vier jaar. Je kunt daarom gebruik maken van niet verduurzaamde boompalen. Deze  zijn  milieuvriendelijker  en  goedkoper.  Een  boompaal  heeft  een  lengte  van  circa.  2,50  meter  en  is gewoonlijk gepunt en gekruind. Naast deze lange boompaal worden er ook zogenaamde kniepalen gebruikt. Deze zijn circa 1,25 meter lang. Om maaischade te voorkomen worden vaak antimaaischade-paaltjes geplaatst.

Boompalen, kniepalen en anti maaischadepaaltjes moeten de boom beschermen.

 

 

Voorbereidingen voor het verplanten van een struik

Verplanten
Als een struik te groot wordt voor zijn standplaats, moet je hem kappen of verplanten. Dit verplanten moet je goed voorbereiden. Dat doe je door een sleuf om de struik te graven. De struik gaat hierdoor nieuwe wortels maken en krijgt een compact wortelstelsel: een kluit. De wortelgroei stimuleer je door humeuze grond in de sleuf te storten. De nieuwe, compacte wortels helpen de struik later bij het wortelen op zijn nieuwe plek.

Grote bomen verplant je met een boomplantmachine. Na het verplanten kun je de boom of struik eventueel snoeien.

Een boomplantmachine

 

 

 

 


Bomen
in de bestrating
Laanbomen worden langs straten en wegen geplant, vaak in de bestrating. Bomen die je in de bestrating plant, hebben extra zorg nodig. De bestrating om de boom maakt dat er onvoldoende lucht, water en voedingsstoffen bij de boom kunnen komen.

Is deze laanboom goed aangeplant?

 

Om dit probleem op te lossen, kun je de boom in speciaal bomenzand planten. Dit zand maakt dat er meer lucht en voeding bij de boom kan komen dan bij gewoon zand. Ook kun je het plantgat extra groot maken. Soms is het gat meer dan een meter breed en een meter diep. Een andere oplossing is het leggen van buizen rond de wortels van de boom. Door deze buizen stroomt er lucht van buiten naar de wortels.

 

 

 

Nazorgwerkzaamheden
Bomen en struiken moeten wennen aan de verplanting. Ze staan in een nieuwe omgeving, met misschien meer licht of een drogere grond. Dit wennen noem je plantschok. Sommige bomen of struiken gaan door het verplanten zelfs dood. Die moeten dan vervangen worden. Dit noem je inboeten.  Je moet regelmatig controleren of verplante bomen en struiken goed aanslaan. Soms hebben ze wat extra bemesting nodig. Vooral als ze in een klein plantgat staan.
Ook moeten verplante bomen soms bijgesnoeid  worden. Dit is nodig als er wortels afgestorven zijn en de boom niet genoeg voedsel en water kan opnemen voor al zijn takken. Er komen dan kale plekken in de kruin.

Haal op tijd de boomband weg.

Jonge, verplante bomen zet je meestal met een boomband aan een boompaal vast. Die boomband moet je op tijd weghalen. Als boombanden knellen, maken bomen te weinig hout en verzwakken ze. Ook kan de boomband ingroeien.

Ten slotte moet je verplante bomen die op een droge plek staan bij warm en droog weer extra water geven.

 

 

 

Het plantgat moet een derde groter zijn dan de diameter van het wortelgestel van de te planten boom. De bodem in het plantgat moet je losmaken, zodat de wortels in alle richtingen voldoende losse grond krijgen. Bij het planten moet je ervoor zorgen dat de boom niet dieper komt te staan dan twee centimeter boven de hoogst geplaatste wortel (de wortelhals).

Coniferen
Coniferen worden voor een aantal doeleinden aangeplant. In particuliere tuinen vooral om hun sierwaarde van de  bladkleur,  de  kegels  en  de  groeivorm.  Ze  worden  ook  gebruikt  om  een  dichte  haag  te  vormen,  die bescherming  biedt  tegen  inkijk  van  de  buren  en/of  de  wind.  Ook  voor  de  sier  worden  hagen  tegenwoordig aangeplant. Daarbij worden de meest ingewikkelde patronen gemaakt.

 

 

 

Maatvoering en kwaliteit

In de handel wordt de maatvoering van coniferen als volgt geregeld:
– Bij opgaande coniferen wordt de lengte van de conifeer aangegeven. Een schijncypres 80-100 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter.
– Bij platgroeiende of breed uitgroeiende coniferen kan geen lengtemaat gegeven worden. Hierbij wordt de doorsnede van de conifeer aangegeven, bijvoorbeeld 20-30.
– Bij coniferen in een pot (container) wordt bovendien de c van container aangegeven. Een schijncipres 80-100.  C5 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter en is opgekweekt in een container van 5 liter.
– Bij coniferen die op stam zijn geënt, wordt de enthoogte aangegeven.

Met betrekking tot de kwaliteit zijn de volgende punten belangrijk:

Bovengronds:
– De stam moet recht zijn.
– De stam en de takken mogen niet beschadigd zijn.
– De takken moeten regelmatig over de stam verdeeld zijn. De conifeer moet ziektevrij zijn.

Ondergronds:
– De wortels mogen niet beschadigd zijn.
– De kluit moet goed stevig zijn.
– Aan de kluit moet een gaaslap (‘broek’) geknoopt zitten. De kluit moet goed doorworteld zijn.

Een conifeer planten

Coniferen worden altijd met een kluit geplant, anders gaan ze namelijk bijna altijd dood. Een uitzondering hierop vormt de Taxus. Die kun je tot een hoogte van 50 cm nog zonder kluit planten. Het is ook zaak om coniferen nauwkeurig te planten. Als je namelijk te diep plant gaat de conifeer ook dood. De volgende zaken zijn erg belangrijk bij het planten van coniferen:

  • planttijden;
  • grootte en diepte van het plantgat;
  • het verwijderen van de gaaslap;
  • het planten.
Het planten van een conifeer is niet zo moeilijk.

De beste tijd om coniferen te planten zijn de maanden augustus-september en april-mei. Dan is namelijk de bodemtemperatuur optimaal zodat de wortels meteen kunnen gaan groeien. Dat is belangrijk omdat een conifeer het hele jaar door water verdampt. Hij zou dus snel uitdrogen als de wortels niet actief zijn. Een conifeer in een pot (container) kun je het hele jaar door planten.
Het plantgat moet voldoende diep en groot zijn. De kluit moet er ruim in passen. Je moet de conifeer net zo diep  planten  als  deze  op  de  kwekerij  gestaan  heeft.  De  grond  moet  goed  luchtig  zijn.  Storende  lagen  en wateroverlast zijn slecht voor de groei. Bij het planten moet je de gaaslap van de kluit verwijderen. De knopen in de gaaslap kunnen namelijk groeiremmingen veroorzaken. Ook de nazorg is erg belangrijk. Watergebrek is de voornaamste oorzaak van het doodgaan van coniferen na het planten. Adviseer de klant dus om goed water te geven tot enkele weken na het planten.

Het is niet eenvoudig om coniferen te verplanten. Afhankelijk van de groeisnelheid en de hoogte is het zelfs al na enkele jaren niet meer mogelijk. Dan kun je de klant het beste adviseren om een nieuw exemplaar te kopen.

2        BOLLEN EN KNOLLEN
Bol- en knolgewassen kun je verdelen in voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers.
Voorjaarsbloeiers bloeien in de periode van februari tot mei. Je moet ze voor de winter planten.
Zomerbloeiers bloeien in de zomer. Deze moet je na de vorst planten en voor de vorst weer rooien.

Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat de hoeveelheid grond boven de bol of knol tweemaal zo groot is dan de hoogte van de bol of knol.
In bakken past men vaak een z.g. lasagnebeplanting toe. Dit is het in lagen planten zodat de ene soort de andere soort opvolgt.
Veel knolletjes worden in het gazon geplant. Ze worden dan willekeurig verdeeld. Ook worden ze wel tussen bladverliezende heesters geplant. Ze profiteren dan van het licht als er nog geen bladeren aan de heesters zitten.
De plantafstanden variëren van 5 cm bij bijvoorbeeld crocus tot 15 cm bij bijvoorbeeld tulpen.

Wanneer bloeit wat?
Omdat niet alle bolgewassen in het vroege voorjaar bloeien is het belangrijk dat je de bloeitijd kent. Je weet dan wanneer je ze moet planten.

Bloei- en planttijd van bol- en knolgewassen

3          VASTE PLANTEN
Vaste planten kunnen jarenlang op dezelfde plek doorgroeien en zich sterk uitbreiden. Om ervoor te zorgen dat ze goed kunnen groeien, moet je ze op de juiste manier planten.

Plantmateriaal en planttijd
De meeste vaste planten worden door scheuren vermeerderd. Ze worden meestal verkocht in vierkante potjes van 9 cm breed en 10 cm hoog. Bij de aankoop moet je erop letten dat de wortels goed doorworteld zijn in het potje. Omdat de planten in een potje verkocht worden, kun je ze het hele jaar door planten. Als planten gerooid en gescheurd worden, is het voorjaar de beste tijd om ze in de grond te zetten.

De voorbereiding
Met de tekening bepaal je waar de planten komen te staan.
Je moet dit plantvak:
– goed spitten;
– fijn van structuur maken;
– vlak afwerken.

Het plantvak is in orde als je gemakkelijk met een plantschepje of met de hand kunt planten. Vaak kun je een spade gebruiken. Daarna leg je de planten goed verdeeld en op de juiste plekken klaar. De afstand is afhankelijk van de soort. Als het plantvak groot is, kun je het beter in gedeelten spitten en vlak maken. Zo voorkom je het dichttrappen van de grond.

Het planten
Steek het plantschepje in de losse grond en maak een gat dat voldoende diep is. Zet de plant erin. Voor een snelle aangroei moet je de grond om de plant goed aandrukken. Maak de grond tussen de planten met de hand gelijk. Probeer zo veel mogelijk vanuit één plek te planten. Zo voorkom je dat je de grond dichttrapt. Schuif tijdens het werk de plantpotjes in elkaar en ruim ze direct op. Druk de planten goed aan.

4    EEN- EN TWEEJARIGEN
Eenjarigen worden vaak in bakken geplant. De werkwijze wordt dan bepaald door de aard van de bak. Buiten worden na half mei uitgeplant. Eenjarigen  zijn vaak de opvolgers van voorjaarsbloeiende bolgewassen. Tweejarigen worden voor de winter geplant. Deze hebben hun hoofdbloei dan in het vroege voorjaar.
Meestal worden ze in groepen geplant. Net als bij vaste planten kiest men voor driehoeks- of vierkantsverband. Als plantafstand wordt, afhankelijk van de soort en de beschikbare ruimte, 15 tot 25 cm aan gehouden.
Als de grond goed los is kun je het plantgat met de hand of met een plantschepje maken.
Als plantdiepte wordt de bovenkant van de wortelkluit aangehouden.

5    GROENTEN en KRUIDEN
In de moestuin wordt veel geplant. Daarbij gaat het veelal om groenten en kruiden. Het plantgoed wordt vaak door de hobbyist opgekweekt uit zaad. Ook komt het steeds vaker voor dat de planten gekocht worden in het tuincentrum, op de markt of bij een kweker. Het plantmateriaal is vergelijkbaar met perkplanten. Het gaat om losse planten of om planten met een wortelkluit. Praktisch het hele jaar door zijn er wel groenten of kruiden te vinden die geplant kunnen worden. Vooral als een hobbykweker over een kas beschikt zij er talloze mogelijkheden. Op zaaizakjes en in boeken wordt per soort en variëteit de planttijd vermeld.
Plantgoed van groenten en kruiden wordt meestal op rijen of op bedjes geplant. Ze kunnen ook op een sierlijke manier in de siertuin of kruidentuin geïntegreerd worden.
Als diepte houdt men in het algemeen de bovenkant  van de wortelpruik aan. Hierop zijn natuurlijk uitzonderingen die voor zich spreken. Denk daarbij aan gewassen als prei, asperge en pootuien.
Als hulpmiddelen maakt men gebruik van een pootlijn, een schop of plantschepje en een hark of cultivator.
Bij plantafstanden spreekt men over rij afstanden en afstanden op de rij.
De minimale onderlinge afstand bepaalt men door het eindbeeld van het product voor ogen te zien. Zo heeft een preiplant genoeg aan 15 cm en zal een bloemkool ongeveer 50 cm nodig hebben.
In de praktijk zal men, vooral voor de rij afstand, een maat nemen die makkelijk werkt. Zo zijn er mensen die de breedte van de schoffel aanhouden i.v.m. schoonhouden of de lengte van de schoen om een vaste maat te hebben.
Als er met een schop geplant wordt maakt men meestal een sleuf waarin de planten geplaatst worden. Na het plaatsen trapt men de sleuf dicht.
Bij droog weer moet er gegoten worden.

6    WATERPLANTEN

 Plantdiepten en toepassingen
Een totaal andere groep is die van de waterplanten. De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachts- punten.

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.

 

 

 

Vijverpompen en filters

Inleiding

Mensen willen graag helder vijverwater. Vooral in grote vijvers zal dit vanzelf ontstaan doordat er een biologisch evenwicht wordt ingesteld. Mensen kunnen helpen om het water helder te krijgen en te houden door gebruik te maken van filters en pompen.

 

Filtering
Het biologisch evenwicht in een vijver van cruciale betekenis voor het leven van vissen en planten. Maar tegelijk is het vaak een zeer wankel evenwicht, dat door allerlei invloeden van buitenaf verstoord kan worden. Vaak kan een kunstmatige waterpartij als een tuinvijver voor een goed biologisch evenwicht niet buiten een goed vijverfilter en een krachtige bijbehorende filterpomp die het vijverwater op de juiste snelheid door het filter voert.

We onderscheiden een aantal verschillende filtermethoden die zeker in de uitgebreidere filtersystemen allemaal toegepast worden:

  1. Mechanische filtering
    In deze eerste stap worden de zweefstoffen uit het vijverwater gefilterd. Bladafval, uitwerpselen van vissen, resten visvoer, algen en ander afval wordt door filterborstels en filtermatten uit het water gezeefd.
  2. Biologische filtering
    Op de ingebouwde filtermatten rijpen na ongeveer 6 tot 8 weken nitrificerende bacteriën, die met name ammoniak en nitriet in onschadelijk nitraat omzetten.
  3. Voor dit zogenaamde nitrificatieproces zijn, afhankelijk van de mate van verontreiniging van het water, grote hoeveelheden zuurstof nodig. Daarom beschikken goede vijverfilters over een voldoende groot filteroppervlak, die extra geventileerd kan worden. Toevoegen van een beluchtingpomp zal het nitrificatieproces versnellen en zo zorgen voor een nog betere werking van het filter.

UV-C-apparaat:
Het vijverwater kan naast het filter ook nog door een UV-C-apparaat gevoerd worden. Dit is niet zozeer een filtermethode als wel een extra behandeling die het vijverwater ondergaat. Het vijverwater wordt in het UV-C apparaat langs de UV-C lamp gevoerd. Deze kan zich in het filter maar ook buiten het filter bevinden. Door het UV licht ontstaat er in de celkern van de micro-organismen, die in het vijverwater aanwezig zijn (algen, sporen, schimmels, etc), een fotomechanische reactie die ingrijpt in het celdelend vermogen. Hierdoor kunnen de bacteriën zich niet meer vermeerderen.
Bij UV-C-bestraling van eencellige algen die groene verkleuring van het vijverwater veroorzaken, klonteren deze samen waarna ze in het mechanische en het biologische gedeelte van het vijverfilter opgevangen kunnen worden.

Bij het onderhoud van filters moet je denken aan de volgende punten:

  • Controleer regelmatig of de werking nog optimaal is. Zeker bij de biofilters en mechanische filters is onderhoud van groot belang. Deze filters hebben verschillende lagen van verschillende materialen. Deze materialen moeten eens  in  het  halfjaar  worden  vervangen.  Je  vervangt  dan  de  filterwatten,  de  actieve  kool  en  de keramiek buisjes.
  • Controleer roosters en filters op vervuiling. Een sterk vervuild filter laat te weinig water door en de pomp moet te veel kracht zetten om het water er doorheen te zuigen. De pomp zal dan warmlopen en kapot gaan.
  • Haal de UV-filter in het najaar uit het water en bewaar deze vorstvrij.

 

Pompen

Pompen worden gebruikt om water op te zuigen en weg te pompen. Daarbij wordt het water verplaatst van de ene naar de andere plek. Dat is nodig bij een waterval, fontein of watersteen of om het vijverwater te filteren. Voor  al  deze  toepassingen  heb  je  een  pomp  nodig.  Het  is  dan  ook  niet  verwonderlijk  dat  er  verschillende soorten pompen zijn.

 

Bij pompen maken we onderscheid tussen:

  • magneetrotorpompen;
  • splijtbuispompen;
  • waaierpompen.

 

Bij de magneet rotorpomp draait de rotor as in een magnetisch veld, zowel links- als rechtsom. De magneetro-torpomp is relatief goedkoop en heeft een laag energieverbruik. Een nadeel is de gevoeligheid voor vuil; het filter moet dan ook regelmatig schoongemaakt worden. De capaciteit van de magneet rotorpomp is laag, daarom wordt deze pomp hoofdzakelijk gebruikt voor fonteintjes.

 

Bij de splijtbuis pomp kan de draaisnelheid ingesteld worden. De as draait in één richting. De splijtbuis pomp wordt horizontaal geplaatst waardoor slijtage van de rotor as minimaal is en de pomp lang meegaat. De pomp

is ook een stuk minder gevoelig voor vuil. Het stroomverbruik is laag. De capaciteit is redelijk en afhankelijk van het type pomp. De pomp is geschikt voor bijna alle toepassingen. Een nadeel van dit type pomp is de prijs. De splijtbuis pomp is een stuk duurder dan de magneetrotorpomp.

 

In de waaierpomp zit een waaier die het water verplaatst. In de volksmond wordt deze pomp vaak dompelpomp

of vuilwaterpomp genoemd. De pomp wordt namelijk op de bodem van de vijver geplaatst en is ongevoelig voor vuil. Vroeger mochten deze pompen niet continu draaien omdat ze anders oververhit zouden raken. Dat probleem is echter verleden tijd.

 

De waaierpomp gaat lang mee en is ongevoelig voor vuil in het water. De pomp verplaatst veel water, zodat deze ongeschikt is voor waterstenen en fonteinen. Een nadeel is het hoge energieverbruik.

 

Bij de pompen van tegenwoordig kan maar weinig kapot gaan. Alleen ronddraaiende delen, zoals de as kunnen slijten. Normaal gesproken gaan ze echter jaren mee. Ze moeten wel goed worden onderhouden.

 

In het najaar is het verstandig om de pomp diep in de vijver te laten overwinteren. Een vijver zal op een diepte van 80 cm nooit bevriezen. Als de pomp zo diep kan worden bewaard, moet je de pomp op een vorstvrije plaats bewaren. Vorst beschadigt namelijk de keramische delen. Deze kunnen de vorst kapot springen.

 

Vroeger moesten de pompen in een emmer met water overwinteren. Droog bewaren was niet goed, omdat de rubbers indroogden en de pomp niet meer waterdicht was. Tegenwoordig kun je de pompen echter ook droog bewaren, zeker als je let op de volgende punten:

  • Haal de pomp uit elkaar. Als de pomp rubbers heeft, moeten deze met zuurvrij vet worden ingesmeerd, zodat het rubber soepel blijft.
  • Verwijder de opgezogen rotzooi uit het pomphuis. Dit kun je het beste doen meteen nadat je de pomp uit het water hebt gehaald. Opgedroogd vuil is moeilijker te verwijderen.
  • Maak het filter van de pomp schoon. Het is raadzaam om bij de goedkopere pompen dit filter het hele jaar door regelmatig schoon te maken. Filters zitten in de kleinere pompen die vooral voor een fontein gebruikt kunnen worden.
  • Vervang onderdelen die beschadigd zijn.

 

 

BRONNEN

ijver- en moerasplanten
Vijver startpagina
Koibonsai   
Koi-info
 
Koi-farm
 
Leven in het water

Vijverhulp voor planten
Vijverboek
Aquariumplanten Leeuwarden 
Stoffen in het water
 
Aquarium verzamel pagina

Aquariumwater 1

Aquariumwater 2
Berekeningen
 
Aquarium Holgen
Marechal brochure waterplanten
Zwemvijvers
Vijverfolie 
Vijverwater

Vijverleven
Filtersystemen
Filtersystemen 2
Guppy vijvertechniek
Biologisch evenwicht