Bodem, landschap en geologie

Suggesties:

Belangengroepen_ Landschappen
Bodem doorlaatbaarheid practicum Landschappen elementen van een reliëf
Bodem Geologische processen Landschappen presentatie Peel en Maas
Bodem grond reader Landschappen_definitie
Bodem Nederlandse_landschap Landschappen_ontstaan
De appelboor Landschappen-doorsnede
Bodem strooiselprakticum en waterdieren    Landschappen-ontstaan van Nederland
Boden aardlagen  Landschapsleeskaart
Demografie van de wereld Landschapsvorming
Geologie
Geologie_van_de_aarde
Peelrandbreuk
Geologische actoren Geologische tijdschaal in het kwartair
Geologische tabel van Nederland Toerisme
Het_Nederlandse_landschap
Nederlandse Landschap opdrachten_bij_schooltv_beeldbank
Toponiemen_veen
Landschap reader basiscursus

 

 

Waterplanten

Inleiding
Planten die in het water groeien als moerasplant of onder water in een vijver hebben eigen kenmerken voor de groei en vorm. We onderscheiden globaal:

  • Planten die ondergedoken in het water groeien.
  • Planten die op het water drijven.
  • Planten die in het water op de bodem wortelen, maar boven water groeien.
  • Moerasplanten.
  • Oeverplanten op een vochtige grond.

Kenmerken van waterplanten
Waterplanten groeien niet allemaal op dezelfde plaats aan of in het water. Zo groeit een waterlelie in het water en een lis juist aan de rand van het water.
Ook de groeivorm verschilt sterk. Een waterlelie groeit met zijn hartvormige bladeren plat op het water, terwijl de lis met zijn lange smalle bladeren hoog boven het water uitsteekt. Zo heeft elke plant zijn eigen kenmerken. 

Standplaats
Bij de waterplanten maken we onderscheid tussen oeverplanten, moerasplanten en de echte waterplanten. En bij de echte waterplanten onderscheiden we ondergedoken waterplanten (de zuurstofplanten) en de drijvende planten.

Elke groep heeft zijn eigen functies.
Iedere plant heeft zijn eigen standplaats.

De  oeverplanten  zorgen  voor  een  natuurlijke  overgang  tussen  de  waterwereld  en  het  land.  Ze  bieden  een schuilplaats en nestgelegenheid aan allerlei dieren.

De  moerasplanten  zuiveren  het  water  doordat  ze  het  overschot  aan  voedingsstoffen  opnemen.  Daarnaast vinden vissen en andere waterdieren een schuilplaats en nestgelegenheid tussen de stengels en de bladeren.

De ondergedoken waterplanten nemen net als de moerasplanten het overschot aan voedingsstoffen op uit het water. Verder produceren ze zuurstof die voor de vissen en andere waterdieren erg belangrijk is. Bovendien kunnen dieren tussen de planten schuilen of eieren afzetten.

De drijvende waterplanten bedekken het wateroppervlak, waardoor er minder licht op de bodem kan komen. Daardoor zal de zon het water minder sterk verwarmen. Verder bieden de bladeren een schuilplaats aan alle dieren in en op het water.

Groeivormen
De ondergedoken en drijvende waterplanten en de moerasplanten hebben verschillende groeivormen.
De  zuurstofplanten  groeien  snel  breeduit.  De  bladeren  blijven  meestal  onder  water  en  de  bloemen  steken boven water uit.
De drijvende waterplanten daarentegen drijven (zoals de naam al aangeeft) op het water. Hun bladeren liggen plat op het water en de wortels bevinden zich in de bovenste waterlaag. Ook de bladeren van de breeduit groeiende waterlelie drijven op het water, maar de wortels wortelen in de vijvergrond.
De moerasplanten groeien in allerlei vormen. Je kunt zowel smal opgaande als breeduit groeiende planten tegenkomen. Sommige soorten woekeren erg. Ook de hoogte van de moerasplanten kan sterk variëren.

Sierwaarde
Voor het samenstellen van een goede vijverbeplanting is het belangrijk dat je de sierwaarden van de verschillende waterplanten kent. Deze sierwaarden kunnen erg verschillend zijn.

Een plant kan zijn sierwaarde ontlenen aan:

  • de groeivorm;
    • het blad;
  • de bloem;
  • de bloeitijd;
  • de geur;
  • de vruchten;
  • of zelfs verschillende soorten insecten, die de plant aantrekt.

Waterplanten: plantdiepten en toepassingen
De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachtspunten.
waterplanten planten video

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.

Water en planten

1        Functies van water
Afhankelijk van de lichamelijke inspanningen en de omgevingstemperatuur kunnen mensen en dieren maar enkele dagen zonder water. De meeste planten kunnen ook maar een korte tijd zonder water. Er zijn natuurlijk uitzonderingen zoals cactussen.
Planten hebben water nodig voor alle levensprocessen.

De functies van water in de plant zijn:

  • productie van suikers door fotosynthese;
  • transport van voedingsstoffen door de plant;
  • temperatuurregeling;
  • celspanning.

Productie van suikers door fotosynthese
In  het  bladgroen  vindt  fotosynthese  plaats.  Water  en  koolzuurgas  worden  met  behulp  van  licht  omgezet  in suikers en zuurstof. Deze suikers gebruikt de plant vooral voor de groeiprocessen. Zonder water is fotosynthese onmogelijk en is er dus geen groei.

Transport van voedingsstoffen door de plant
Samen met het water zuigt de plant bouwstoffen op. Ook het transport van andere stoffen in de plant gebeurt door water
Er is een constante aan- en afvoer van water. Het water zit overal in de plant. De opgeloste voeding wordt dus door de gehele plant getransporteerd.

Temperatuurregeling
Van het opgenomen water wordt ongeveer 98 procent door de bladeren verdampt. Doordat het verdampen van water warmte kost koelt de plant, bij het verdampen van water, af. Je kunt dit vergelijken met transpireren van mensen.

Door het openen en sluiten van de huidmondjes kunnen planten de verdamping regelen. Dit openen en sluiten gebeurt onder invloed van licht, temperatuur en vochtigheid.

Celspanning
Water zorgt voor spanning op de celwand zoals lucht zorgt voor spanning in een fietsband. De kruidachtige onderdelen van de plant, zoals de bladeren, hebben hun stevigheid te danken aan de celspanning. Wanneer een plant onvoldoende water kan opnemen, gaan de kruidachtige delen slap hangen.

2         Hoeveel water heeft een plant nodig?
De meeste planten zuigen water op uit de bodem. De zuigkracht die daarvoor nodig is wordt veroorzaakt door de verdamping van de bladeren. Door het doorgeven van water van de ene cel naar de andere cel ontstaan er drukverschillen tussen de cellen. Op deze manier wordt het water doorgegeven. Dit heet worteldruk.Niet alle planten verlangen even veel water.

We onderscheiden:
–      hydrofyten.
Deze verlangen veel water bijvoorbeeld Parapluplanten.
–      mesofyten.
Dit zijn de planten waarbij we meestal zeggen dat ze een normale hoeveelheid water nodig hebben.
–      xerofyten. Deze hebben weinig water nodig bijvoorbeeld vetplanten

Als verkoper in een bloemenwinkel krijg je vaak vragen over de verzorging van een plant. Je moet de klant kunnen vertellen hoeveel water de plant nodig heeft. Het is onmogelijk om dat voor iedere plant uit je hoofd weten. Het is dus handig als je inzicht hebt of de waterbehoefte snel op kunt zoeken. Dan kun je een goed advies geven. Schrijf de verzorgingseisen voor de klant op, bijvoorbeeld op een bloemenkaartje. De klant zal dit zeker erg prettig vinden.
Je kunt de waterbehoefte van planten vaak zien aan de bouw. Ook kun je ze opzoeken in boeken en tijdschriften.

Om inzicht te krijgen volgen hier een aantal algemene adviezen:

  • Bij een hoge temperatuur en bij droge lucht hebben planten extra veel water nodig
  • Bloeiende planten hebben meer water nodig dan dezelfde niet bloeiende planten
  • Planten met dunne- en met grote bladeren hebben extra veel water nodig
  • Planten met luchtwortels verlangen veel water
  • Vetplanten, planten met behaarde bladeren en planten met een vetlaag op de bladeren hebben weinig water nodig
  • Houtachtige planten regelmatig dompelen
  • Tijdens de rustperiode hebben planten minder water nodig dan tijdens de groeiperiode

–        De verdamping van planten kun je verminderen door de luchtvochtigheid te verhogen

 

 

 

Productverzorging

Aardewerk  Nomenclatuur
Besdragende heesters
Bladverliezende heesters
Plantengroepen
Bol- en knolgewassen Plantenvoeding
Bomen en struiken Plantenziekten
Coniferen Schoonhouden
Dieren en dierbenodigdheden Snijbloemen
Droogmaterialen Snoeien
Een- en tweejarigen Tuinhout
Eetbare tuin Tuinmeubels
Fruit Tuinverharding
Gazons Tuinverlichting
Gereedschap Uitplanten van diverse plantengroepen
Glas en kristal Vaste planten
Groenblijvende Heesters Verduurzamen van hout
Grond en bodem Vermeerdering ongeslachtelijk
Hagen Vermeerdering geslachtelijk
Heidetuinen Verwerken van producten
Hout Verzorging kamerplanten
Hydrocultuur Vijver aanleggen
Kaarsen Vijverpompen en filters
Kamerplanten Vijverwater
Kleur Waterdieren
Klim- en leiplanten Water en plant
Kuipplanten Waterplanten
Kunstplanten
Licht en kleur
Licht en warmte
Meststoffen

Vijver- en aquariumwater

Waterkwaliteit
Vissen en andere waterdieren moet je makkelijk kunnen zien op enige afstand van de vijver. Daarvoor moet het water helder zijn. Vaak is dat echter een probleem. Algen maken van helder water vaak een troebele groene massa. Water kan pas helder worden als er in de vijver een natuurlijk evenwicht is ontstaan. Daarbij spelen veel organismen en niet te vergeten de waterwaarden een belangrijke rol.

Waterchemie
In water zit een groot aantal opgeloste stoffen, zoals calcium (kalk), fosfaat, stikstofverbindingen, koolzuur en zuurstof. Verder is de zuurgraad van het water belangrijk. De  hoeveelheid  calciumcarbonaat  en magnesiumcarbonaat  in  het  water  bepalen  de  zogenaamde  hardheid  van  het  water.  We  maken  hierbij onderscheid tussen de carbonaathardheid en de gezamenlijke hardheid.

Carbonaathardheid (KH)
De carbonaathardheid wordt ook wel het zuurbindend vermogen genoemd en staat voor de concentratie van bicarbonaten in het vijverwater. Deze bicarbonaten zijn in staat waterstofionen op te nemen en af te staan en daarmee te zorgen voor een stabilisatie van de pH waarde. De carbonaathardheid moet liggen tussen 5-15. Ook deze waarde moet zeker 4 keer per jaar gecontroleerd worden.

Gezamenlijke hardheid
De gezamenlijke hardheid (GH-waarde) geeft de hoeveelheid opgelost calcium (kalk) en magnesium weer. De ideale GH-waarde ligt tussen de 8 en de 12. Deze waterwaarden kun je eenvoudig meten met speciaal daarvoor bestemde testsetjes.

Zuurgraad
De pH of zuurgraad is een maat voor de hoeveelheid opgeloste zuur- of alkalisch reagerende stoffen en is de belangrijkste factor voor het goed functioneren van alle levende organismen in het vijverwater. Onder de 7 wordt zuur genoemd, 7 is neutraal, daarboven wordt het water basisch of alkalisch genoemd. De pH-waarde van het vijverwater mag maximaal schommelen tussen 6 en 8 om een goed biologisch evenwicht te kunnen behouden.
Planten en vissen reageren verschillend op veranderingen in de pH-waarde:
pH<5:
Door gistingsprocessen van bijvoorbeeld bladafval kan de pH plotseling sterk dalen. Er moet dan overgegaan worden tot drastische maatregelen: de vijver ontdoen van bladafval en een deel van het vijverwater vervangen door leidingwater tot de juiste pH-waarde is bereikt. Dit moet wel langzaam gebeuren, om plotselinge temperatuurwisselingen te voorkomen. Met  AquaStart kan het water verder gestabiliseerd worden.
pH<6:
Ook water dat iets te zuur is, kan vissen opzadelen met schade aan huid en kieuwen. Met AquaStart moet het water gestabiliseerd worden.
pH>8
Bij te alkalisch water worden er teveel algen gevormd. De oplossing voor dit probleem is;
water met Aqua pH-minus stabiliseren
Controleren of KH-waarde te hoog is. Zo ja, dan vers water toevoegen.
pH>9
Bij sterk alkalisch water kan vissterfte voorkomen. Ook hier ligt de oplossing in het stabiliseren van het water met Aqua-pH-minus en eventueel vers water toevoegen.

Chemische processen
In gezond vijverwater zijn miljarden bacteriën aanwezig. Zij zorgen ervoor dat de uitwerpselen van vissen, voedselresten, afgestorven plantendelen, enz. worden afgebroken. Afhankelijk van de zuurgraad van de vijver is het resultaat van de eerste fase van het aërobe afbraakproces (dus het afbraakproces onder invloed van zuurstof) het niet giftige ammonium en het uiterst gevaarlijke ammoniak dat door bacteriën in het minder schadelijke nitriet wordt omgezet. Maar over een langere periode kunnen ook hoge nitrietwaarden voor de vissen dodelijk zijn. Hoge nitrietwaarden worden meestal veroorzaakt doordat het aantal nitrobacter bacterien tekort schieten. Dit wijst erop dat de bacteriehuishouding is verstoord of nog niet op gang is gekomen. Redenen kunnen bijvoorbeeld zijn: teveel visvoer, bladresten, plantenresten en zweefafval.
Bij een verder verloop van het afbraakproces zal het nitriet worden omgezet in nitraat. Nitraat is geen gif maar kunstmest dat door nitrosomas bacterien ontstaat uit nitriet. Nitraat wordt een probleem als er te weinig planten zijn. Deze nemen namelijk nitraat op. Met name algen profiteren van te veel nitraat. Om deze reden is het verstandig het nitraatgehalte laag te houden: de algengroei is dan beperkt.

Biologisch afbraakproces
*Ammoniak (NH4, NH3)
d.m.v. aërobe afbraakprocessen o.i.v. nitrobacter bacterieen:

*Nitriet (NO2)
d.m.v. aërobe afbraakprocessen o.i.v. nitrosomas bacterieen:

*Nitraat (NO3)
(en d.m.v. anaërobe afbraakprocessen: stikstof (NO, N2O en N2)

 Biologisch evenwicht
Alle organismen spelen een belangrijke rol bij het biologische evenwicht in een vijver. In een vijver leven verschillende organismen, zoals bacteriën, algen, waterplanten en waterfauna. Die hebben allemaal een eigen taak in het water.

Bacteriën
Bacteriën zetten organisch materiaal om in bruikbare voedingsstoffen voor de planten. Dit organisch materiaal is afkomstig van afgestorven waterplanten, uitwerpselen van vissen en bladeren uit de tuin.

Waterplanten
Waterplanten  nemen  de  vrijgekomen  voedingsstoffen  uit  het  water  op  om  te  kunnen  groeien.  Zolang  de waterplanten deze voedingsstoffen snel genoeg opnemen, kunnen de algen niet groeien. Maar als er meer voeding in het water is dan de waterplanten kunnen opnemen, gaan de algen snel groeien en geven ze het water een groene kleur. Als vijverwater te sterk verwarmd wordt, neemt de hoeveelheid zuurstof af. Daardoor kunnen met name de vissen sterven. Drijvende waterplanten, zoals de waterlelie, voorkomen dit. Ze bedekken namelijk een deel van het wateroppervlak. Op die plaatsen kan de zon het water niet verwarmen. Onderwaterplanten produceren zuurstof. Die is noodzakelijk voor alle organismen in het water, zowel de planten, de vissen als de bacteriën. Zonder zuurstof is er geen leven mogelijk, ook niet onder water.

Waterfauna
Waterplanten en kleine waterdiertjes, zoals muggenlarven, worden gegeten door de vissen. Dat voorkomt dat er een plaag van deze diertjes kan ontstaan. Je moet er toch niet aan denken dat je op een zomeravond niet lekker buiten op het terras kunt genieten van de vijver omdat de muggen je massaal steken.
Naast voeding geven waterplanten de vissen ook dekking. Tussen de waterplanten kunnen ze zich schuilhouden. Ook kunnen ze hun eieren tussen de planten afzetten, zodat deze niet gezien worden door andere vissen.
Hieruit kun je concluderen dat alle organismen in de vijver van elkaar afhankelijk zijn. Er moet een evenwicht heersen, zodat alle organismen kunnen blijven leven. Bij dit biologische evenwicht spelen de waterwaarden ook een belangrijke rol.
Overmatig voeren van de vissen kan het biologische evenwicht in het water sterk verstoren. De vissen zullen dan niet alles opeten en het overschot moet door de bacteriën worden afgebroken. Als dit onvoldoende gebeurt, ontstaat algengroei en kleurt het water groen.

 

Bronnen:

Vijver- en moerasplanten
Vijver startpagina
Koibonsai   
Koi-info
 
Koi-farm
 
Leven in het water

Vijverhulp voor planten
Stoffen in het water 
Aquarium verzamel pagina

Aquariumwater
Marechal brochure waterplanten
Vijverleven

 

Een vijver aanleggen

Inleiding
Voor de aanleg van een vijver kun je verschillende materialen gebruiken zoals vijverfolie of een voorgevormde vijverbak. Bij het plaatsen van zo’n vijverbak ga je heel anders te werk dan bij het leggen van vijverfolie. Voor beide materialen geldt echter: geef eerst in de tuin aan waar de vijver moet komen en welke vorm hij moet krijgen.

Een vijver maken met vijverfolie

Bij het uitgraven van de vijver is het profiel erg belangrijk.

Bij het aanleggen van een vijver met vijverfolie ga je als volgt te werk.

1   Bepaal eerst de plaats en de vorm van de vijver.
De vijver mag niet de hele dag in de zon liggen. Hierdoor krijgt het water een te hoge temperatuur, waardoor er extra algengroei op zal treden. Alleen maar schaduw is ook niet goed voor de planten en dieren in de vijver. In het voorjaar zullen deze zich te langzaam of niet ontwikkelen. Een plek waar de zon ongeveer zes uur op schijnt, is ideaal.

Vijvervorm uitleggen op de grond.

2      Begin daarna met het uitzetten.
Na deze uitgebreide voorbereiding zet je de vorm van de vijver op de grond uit. Voor  de  bochten  kun  je  een  tuinslang  of  een  dik  touw  gebruiken,  voor  de  rechte  lijnen  touw  en  paaltjes  of haringen. Zorg ervoor dat de vijver waterpas komt te liggen.  Sla daartoe op de rand van de vijver een aantal piketten in de grond en bevestig daaraan een houten lat.

 

 

 

.

3         Vervolgens kun je beginnen met het uitgraven.

Graaf altijd van de buitenkant van de vijver naar de binnenkant om te voorkomen dat de wanden instorten. Graaf de zijkanten van de vijver niet recht naar beneden, maar iets schuin naar binnen. Maak op een diepte van ongeveer 30 cm een horizontaal vlak, waar de waterplanten op gezet kunnen worden. Maak dit plateau breed genoeg, zodat de mandjes met de waterplanten er niet af kunnen vallen bij sterke wind. Graaf vervolgens de rest van de vijver dieper uit (weer met een schuine zijkant). Maak de vijver minimaal 60 cm diep, want op die diepte zal het water in de winter niet makkelijk bevriezen. De vissen kunnen dan op de bodem van de vijver overwinteren zonder ingevroren te worden.

Het uitgraven van de vijver is een lichamelijk zware klus. Wanneer de vijver groter is, is het verstandig om een graafmachine te gebruiken. Bij het graven van de vijver in de tuin is het belangrijk dat je weet of er geen kabels of afvoerpijpen in de grond zitten die kunnen worden beschadigd. Je kunt dit navragen bij het KLIC. Dit is het Kabel en Leidingen Informatie Centrum. Deze organisatie kan je heel snel vertellen waar kabels en leidingen door heel Nederland zich bevinden. Als laatste verwijder je stenen en wortels uit de kuil en dek je de zijden af met 2 centimeter nat zand.

4       Na het uitgraven meet je op hoeveel folie je nodig hebt. Daarvoor meet je de breedte en de lengte van de vijver op met een meetlint. Leg daarbij het meetlint helemaal in de vorm van de uitgegraven vijver. Tel bij de opgemeten lengte aan weerszijden 30 cm extra op. Deze lengte heb je namelijk nodig om de randen netjes om te kunnen vouwen.

5       Leg  nu  de  folie  in  het  gat.  Zorg  ervoor  dat  er  geen  vouwen  ontstaan,  want  door  deze  vouwen  kan  het waterpeil in de vijver zakken. Het water kruipt namelijk tussen de vouwen door naar boven en wordt door de tuingrond uit de vijver gezogen. De randen kun je tijdelijk vastleggen met stenen.

Folie op maat geknipt en vijver afgewerkt met sierbestrating.

6       Je vult nu de vijver langzaam met water.
Naarmate het waterniveau stijgt, verwijder je steeds enkele stenen, zodat het folie geleidelijk kan uitzakken in de uitgegraven vorm.

Om het folie in de bochten mooi aan te laten sluiten, maak je kleine plooien en vouwen. Je vult de vijver tot 5 centimeter onder de rand en verwijdert dan de laatste stenen. Je knipt de rand met een schaar en bewaart een overlap van 15 centimeter. Daarna leg je platte stenen op de rand. De stenen moeten 5 centimeter over het water uitsteken. Probeer de stenen zo te leggen dat de folie helemaal bedekt wordt.

Blijf controleren dat de vijverbak waterpas blijft liggen.


Een vijver maken met een voorgevormde vijverbak
Bij het aanleggen van een vijver met een voorgevormde vijverbak ga je als volgt te werk.

– Plaats de vijverbak op de juiste plaats.
– Teken met een lat de contouren van de bovenkant van de bak af op de grond.
De diepte wordt bepaald door de diepte van de vijver. Deze kun je opmeten als de vijverbak bovenop de grond staat.
– Begin nu met het Heb je diep genoeg gegraven, maak dan een stevige en horizontale bodem.
Leg tegels op de bodem van het gat. Zorg ervoor dat deze perfect waterpas liggen.
– Zet nu de bak op de tegels.
– Het gat is nu groter dan de vijverbak. Je moet de resterende ruimte dus opvullen. Vul echter eerst de bak tot de helft met water. Hierdoor wordt de bak namelijk zwaarder en kan hij niet omhoog gedrukt worden. Gebruik voor het opvullen straatzand. Strooi het zand voorzichtig tussen de bak en de tuingrond en spuit het er met water verder in. Zo ontstaat een stevige wand, die ervoor zorgt dat de bak niet makkelijk meer kan scheuren. Controleer tijdens het inwateren regelmatig of de bak nog waterpas ligt. 

Verschillende bodemmaterialen
Voor de aanleg van een vijver heb je een aantal bodemmaterialen nodig. Zo heb je voor de groei van planten grond nodig en voor waterplanten zelfs speciale grond: vijvergrond. Bacteriën leven graag in zacht gesteente. Daarvoor kun je vijversubstraat kopen.

Vijvergrond
Vijvergrond  is  een  mengsel  van  klei,  veen  en  scherp  zand.  Het  wordt  gebruikt  om  waterplanten in  te  laten groeien. Klei en scherp zand worden gewonnen in ons rivierengebied, maar veen (turf) mag in Nederland niet meer gewonnen worden. Dat komt uit Scandinavië, Duitsland, Polen en Rusland. De samenstelling van vijvergrond kan nogal verschillen. Een waterlelie bijvoorbeeld heeft graag veel klei in de grond. Daarom wordt er speciale waterleliegrond verkocht.
Het is belangrijk dat er in de vijvergrond weinig voedingsstoffen zitten. Deze lossen namelijk op in het water en daardoor kan een overschot ontstaan aan voeding in het water. Algen kunnen dan snel toeslaan en het water groen kleuren. Dat is de reden waarom steeds meer hoveniers hun mandjes vullen met het voedingsarme vijversubstraat in plaats van met vijvergrond. Een waterplant haalt immers zijn voedingsstoffen voor een groot deel uit het water. De voeding die de waterplant uit de vijvergrond haalt is te verwaarlozen.
Gebruik je waterplanten die hoog boven het water uitgroeien, dan doe je er verstandig aan om de manden te verzwaren met iets zwaars op de potten of met grind. Alleen vijversubstraat zou in dat geval veel te licht zijn. Je kunt dan beter kiezen voor vijvergrond.

Vijversubstraat

Vijversubstraat is een onmisbare schakel in het biologisch evenwicht

Vijversubstraat bestaat uit grillige steentjes die erg poreus zijn. Het is een vulkanisch gesteente, dat gebruikt wordt voor verschillende doeleinden. Het heeft een groot poriënvolume (er zitten veel gaatjes in). Daardoor kunnen er zich veel bacteriën in vestigen. Dat is belangrijk voor het biologisch evenwicht in het vijverwater. Verder kan vijversubstraat stoffen uit het water opnemen en afgeven. Zo neutraliseert het de zure stoffen die ontstaan bij de afbraak van organisch materiaal (bladeren en ander plantaardig materiaal). Ook dat is gunstig voor het biologisch evenwicht.

 

 

 

Grind
Grind wordt gewonnen bij de rivieren en veel verwerkt in de betonindustrie. Er zijn veel soorten grind te koop, in verschillende kleuren en formaten. Met grind kun je de vijvergrond in de mandjes afdekken om te voorkomen dat de vijvergrond uit de mand spoelt als je deze in het water zet. Hiervoor wordt ook vaak vijversubstraat gebruikt. Vanwege de goede eigenschappen van dit substraat sla je dan namelijk twee vliegen in een klap. Je kunt grind ook gebruiken om de zwarte vijver- folie uit het zicht te nemen. Vooral in de ondiepe delen van de vijver is het lelijk om tegen de zwarte folie aan te kijken.

Toepassing van overige materialen
Hierboven  hebben  we  beschreven  hoe  je  een  vijver  kunt  aanleggen,  maar  daarmee  is  het  karwei  nog  niet geklaard. Je moet namelijk de vijver nog vullen met water, waterplanten en vissen. En met andere materialen kun je de vijverrand nog uit het zicht halen. Verder is het belangrijk om zo snel mogelijk een goed biologisch evenwicht te krijgen. De belangrijkste schakel daarin spelen de bacteriën. Om voor de bacteriën een goed leefklimaat te scheppen strooi je op de bodem van de vijver vijversubstraat uit. Dit substraat is gemaakt van zeer poreuze steentjes, waarin de bacteriën goed kunnen leven. In leidingwater zitten geen bacteriën, daarom moet je het vijverwater nog enten met bacteriën. Dit kun je doen door water uit een bestaande vijver te halen, maar het is beter om de klant een potje met bacteriën (Bacterial) te verkopen.

Onderwaterplanten plaats je direct in het water nadat de vijver gevuld is met leidingwater. De moerasplanten komen in mandjes te staan op het uitgegraven plateau.

De vissen mag je niet direct in de vijver zetten. Er moet namelijk eerst een evenwicht ontstaan zijn. De vissen zouden dit evenwicht van het begin af aan verstoren, zodat het zeker meer dan een jaar zou duren voordat het evenwicht bereikt wordt. Daarom mag je de vissen pas na een maand of twee in de vijver uitzetten. Veel klanten vinden dit erg lang; ze willen zo snel mogelijk vissen in de vijver. Raad dit de klanten af!

De vijverrand kun je op de volgende manieren aan het zicht onttrekken. Je kunt:

  • zwerfkeien op de rand leggen;
  • tegels over de rand leggen;
  • planten over de rand laten groeien;
  • speciale grindfolie of begroeiingsmatten gebruiken.

 

Er zijn een aantal manieren om de vijverrand weg te werken.

Lassen en lijmen
Meestal zul je een vijver met folie uit één stuk willen aanleggen; je hoeft dan immers niet te lijmen of te lassen. Helaas is dit niet altijd haalbaar. Bij grote vijvers en bij vijvers met een ingewikkelde vorm zul je enkele delen aan elkaar moeten lijmen of lassen. Je kunt niet alle folies op dezelfde manier lijmen of lassen.

PVC-folie
PVC-folie kun je heel makkelijk lijmen ( koud lassen). Daarbij is het belangrijk dat de folie droog, vetvrij en vrij van vuil is. Je kunt de folie het beste op een vlakke ondergrond aan elkaar lijmen. Leg daarbij de foliebanen 5 cm over elkaar. Breng de lijm met een kwast tussen de beide foliebanen aan en druk de delen met een roller op elkaar. Let op: bij het lijmen ontstaan schadelijke gassen. Lijm dus altijd in een goed geventileerde ruimte. Voorkom ook dat de lijm op je huid komt. Moet de folie in de vijverkuil verwerkt worden, smelt dan de folie met hete lucht aan elkaar ( thermisch lassen). Leg de foliebanen neer met 5 tot 10 cm overlap. Verhit vervolgens de folie met een soort föhn zodat de lagen gaan smelten. Druk de foliebanen aan elkaar met een rol. Als de folie afkoelt, blijven de foliebanen aan elkaar plakken.

Rubberfolie
Ook rubberfolie kun je in één geheel bestellen, maar deze folie is duur. Bij ingewikkelde vijvervormen kun je veel folieafval hebben en dat kost geld. Je kunt de rubberfolie dan beter op maat bestellen bij de leverancier. Dat gaat als volgt.
Eerst graaf je de vijver uit zoals je die wil hebben. Vervolgens maak je een tekening van de uitgegraven vijver en meet je op verschillende plaatsen de breedte en de lengte op. Leg daarbij het meetlint helemaal in de vorm van de uitgegraven vijver. De maten geef je duidelijk aan op de tekening. Vervolgens wordt in de fabriek met de computer berekend hoeveel rubberfoliebanen nodig zijn en hoe deze (thermisch) aan elkaar gelast moeten worden. De op maat gemaakte folie wordt opgevouwen als een harmonica. Op de tekening wordt aangeven waar je de folie bij de vijver neer moet leggen en hoe je deze moet uitvouwen.

Onderhoudswerkzaamheden aan de vijver

Ook een vijver heeft onderhoud nodig.

Net als een tuin moet ook de vijver het hele jaar door worden onderhouden.

Lente
In de lente moet je alle dode delen van de waterplanten en het gezonken blad verwijderen. De pomp moet uit het water worden gehaald en worden nagekeken op slijtage en gebreken. In mei of juni kun je dode waterplanten vervangen. De niet winterharde vijverplanten kunnen weer terug in de vijver.
Zomer
De vijver is in de zomer het mooist. De planten staan er fris bij en bloeien. In het water groeien de zuurstofplanten erg hard. De vijver kan dan gemakkelijk dichtgroeien met zuurstofplanten. Als dat gebeurt, verwijder je een deel van de zuurstofplanten uit het water. De vijver kan ook dichtgroeien met drijvende waterplanten. Er komt dan onvoldoende licht in het water, zodat de zuurstofplanten hun werk niet meer kunnen doen. Schep daarom regelmatig een deel van deze drijvende waterplanten weg.

 

 

Herfst
In de herfst sterven de meeste waterplanten af. Daarnaast vallen de bladeren van de bomen en heesters. Als deze bladeren in het water vallen, zullen ze het water verrijken met voedingsstoffen. In de lente zal dit algengroei veroorzaken. Door netten over de vijver te spannen kun je voorkomen dat het blad in de vijver waait. De afge- storven delen van de waterplanten kunnen ook het beste in deze periode afgeknipt worden. Daar zijn speciale tangen voor in de handel. Haal de UV-filter in de herfst uit het water en zet deze op een droge plek. De pomp kan op een diepte van 60 tot 80 cm in de vijver overwinteren. Als de vijver niet zo diep is, dan moet de pomp uit het water en op vorstvrije plek worden opgeborgen.

Winter
In de winter bestaat het onderhoud van de vijver voornamelijk uit het ijsvrij houden van een deel van de vijver en het verwijderen van de sneeuw op het ijs. Het ijsvrij houden kan met een zuurstofpompje en een ijsvrijhouder van tempex. Sneeuw mag niet op het ijs blijven liggen, omdat anders geen licht meer in de vijver kan komen. Hierdoor kunnen de groenblijvende zuurstofplanten geen zuurstof meer produceren en zullen zelfs afsterven.

Vijverproblemen
Een goed biologisch evenwicht ontstaat niet automatisch in het water. Vaak zul je het ontstaan van een biologisch evenwicht een handje moeten helpen of moeten bijsturen. Bij vijvers kunnen verschillende problemen optreden, namelijk:

  • algen;
  • vissterfte;
  • slechte groei van waterplanten;
  • beschadigingen aan de vijver.

Algen
Een van de grootste problemen in een vijver zijn de algen. Er bestaan verschillende soorten algen, zoals:

  • draadalgen;
  • groene zweefalgen;
  • bruine algen.

Draadalgen zijn algen die als een draad in het water groeien. Ze ontstaan in een goed watermilieu. Het water is helder maar er is te veel voeding in het water, vooral stikstof en fosfaat. Je kunt deze algen bestrijden door de draadalgen uit het water te halen en meer snelgroeiende zuurstofplanten in het water te zetten. Deze planten zullen door de snelle groei veel voeding uit het water opnemen.

Groene zweefalgen zijn de meest bekende algen. Ze veranderen het heldere vijverwater in een groene massa. Deze  algen  ontstaan  bij  een  overschot  aan  voedingsstoffen  in  het  water.  Je  kunt  ze  bestrijden  door  meer snelgroeiende zuurstofplanten in het water te zetten.

Bruine  algen  zijn  algen  die  het  water  een  bruine  waas  geven.  Ze  ontstaan  in  net  aangelegde  vijvers.  Het bestrijden van deze algen is niet nodig. Het probleem zal vanzelf oplossen. Bij vijvers die in de schaduw liggen kan het probleem hardnekkiger zijn.

Vissterfte
Vissterfte kan allerlei oorzaken hebben. Een van de oorzaken is ziekte. Vissen kunnen allerlei ziekten krijgen, maar ze zijn niet allemaal dodelijk. Vissen kunnen ook doodgaan door zuurstofgebrek. Een vijver die erg ondiep is, zal in de zomer warm worden. In warm water zit minder zuurstof en de afbraakprocessen zullen onder slechte omstandigheden plaatsvinden. Het resultaat is zuurstofarm water waarin de vissen en planten niet meer kunnen leven. Ook in de winter kan het zuurstofgehalte te laag worden als de vijver in helemaal dichtvriest.

Ook de hardheid van water is van belang voor de vissen en de waterplanten. De hardheid van water kun je achterhalen  door  het  vijverwater  te  testen.  Daarvoor  zijn  speciale  testsetjes  te  koop.  Vissen  kunnen  slecht tegen een te lage of te hoge carbonaathardheid (KH-waarde). Iedere vissoort heeft zijn eigen voorkeur voor de carbonaathardheid. Een goudvis heeft graag een KH-waarde tussen de 6 en 12 en een winde tussen de 0

en 6.

Slechte groei van waterplanten
De  slechte  groei  van  waterplanten  kan  veroorzaakt  worden  door  een  te  hoge  gezamenlijke  hardheid  (GH- waarde) of een te lage carbonaathardheid (KH-waarde). Ook een te hoge zuurgraad (pH-waarde) is slecht voor de groei van planten. Om te achterhalen waarom de planten slecht groeien, moet je het vijverwater testen.

Beschadigingen aan de vijver
Vijvers kunnen beschadigen en daardoor gaan lekken. Vijverfolie (PVC) heeft als nadeel dat deze harder wordt in de loop van de tijd. Het materiaal zal snel scheuren als je het buigt. Het wordt daarom afgeraden om aan een oude folievijver iets te veranderen. Het opsporen van een lek in de folie is geen gemakkelijke klus. Om te beginnen moet je de vijver vullen en elke dag kijken of het water nog verder zakt. Het lek zal zich ergens ter hoogte  van  de  laagste  waterstand  bevinden.  Het  lek  kan  gemakkelijk  met  een  stukje  folie  en  lijm  worden gerepareerd. Er is zelfs lijm die onder water aangebracht kan worden. Het stukje folie moet na het lijmen stevig aangedrukt worden.

Rubberfolie kan veel meer hebben en zal ook later nog soepel blijven. Beschadigingen kun je thermisch her stellen. Ook is er kit in de handel om een lek in rubberfolie te herstellen.

Een voorgevormde vijver (polyester) kun je herstellen door de polyester in lagen op het lek aan te brengen. Het is echter niet gemakkelijk.

 

 

 

Uitplanten van diverse plantengroepen

Inleiding
Als klanten planten,  gekocht hebben zullen ze vaak informeren naar de wijze van uitplanten. Dit geldt ook voor bollen en knollen. Aan de hand van een aantal groepen zullen we het planten behandelen. 

1        BOMEN EN STRUIKEN
Of je nu een windkering of kijkgroen aanlegt, je zorgt er altijd voor dat de bomen en struiken een goede start krijgen. Je zet ze allereerst op een gunstige plaats. Vervolgens plant je ze op de juiste diepte in de goede tijd van het jaar en natuurlijk ook op de juiste afstand van elkaar. Een goed begin is het halve werk!

Indeling
Bomen onderscheiden we in de eerste plaats naar grootte.

Voor je een boom of struik gaat planten, kijk je eerst in de toekomst. Hoe groot is de boom of struik als hij volgroeid is? Daar moet je bij de aanplant al rekening mee houden. Zo kun je bijvoorbeeld geen windkering aanplanten van struiken die laag blijven. Die struiken geven uiteindelijk te weinig beschutting. Veel vaker komt het voor dat mensen een boom planten die veel te groot wordt voor de locatie.

Een jonge boom en een volgroeide boom

Niet elke boomsoort wordt even hoog. Een eik wordt veel hoger dan een berk. Bomen worden naar grootte ingedeeld.

Hoe groot een boom of struik wordt, hangt ook af van de hoeveelheid voedsel en vocht die de plant op kan nemen. Een es wordt op vochtige, voedselrijke kleigrond bijvoorbeeld hoger dan op droge, arme zandgrond. Daarnaast spelen weersomstandigheden, zoals wind, een rol. Natuurlijk is ook het onderhoud van groot belang. Een struik die regelmatig wordt gesnoeid, blijft kleiner dan een struik die niet wordt gesnoeid.

 

 

 

Eindbeelden inschatten

Een boom of struik blijft niet eindeloos doorgroeien. Op een gegeven moment wordt de plant niet meer hoger, ook al zijn de omstandigheden ideaal. De boom of struik heeft dan zijn maximale lengte bereikt. Deze maximale lengte kun je opzoeken in boeken, maar je kunt hem ook inschatten door naar oude bomen te kijken.

Een boom groeit ook in de breedte. De breedtegroei van de kroon hangt af van de ruimte die de kroon krijgt. Als bomen dicht bij elkaar staan, worden de kronen minder breed dan wanneer een boom alleen staat.

Kronen van rijbomen

 

Formule voor de breedte van de kroon

De breedte van de kroon kun je schatten door de volgende formule te gebruiken: breedte = 0,8 x de hoogte.

 

 

 

 

 

 

De hoogte van een struik kun je inschatten door de volgende formule te gebruiken: hoogte = breedte.

Formule voor de hoogte van een struik

Deze formules geven natuurlijk alleen maar een schatting. De kruin van een rijboom wordt bijvoorbeeld minder breed dan die van een solitaire boom. Een boom wordt maximaal 11 meter hoog. Hoe breed zal de kruin ongeveer worden?

Bomen zijn er in verschillende groepen. Wat ze gemeen hebben, is dat het om houtige gewassen gaat die een stam vormen: meestal vanuit een centrale rechtdoor groeiende tak.

Een boom heeft een takvrije stam.

Een tweede onderscheid dat je kunt maken, is dat in loofbomen en naaldbomen of coniferen. De naam conifeer is afgeleid van de Latijnse woorden conus (= kegel) en ferre (= dragen). Hiermee is het belangrijkste kenmerk van deze groep genoemd, namelijk dat ze kegeldragend zijn. Uitzonderingen hierop zijn de jenever-bessen (Juniperus) en de venijnboom (Taxus): deze bezitten de zaden in een bes. In Nederland zijn alle loofbomen bladverliezend.

Een derde kenmerk waarnaar we bomen onderscheiden is hun kroonvorm. We spreken van de habitus van de boom. Een beuk is bijvoorbeeld al op honderden meters afstand te herkennen aan zijn silhouet, evenals een eik met zijn grillige vorm. Soms is een oude boom op het terrein een echte sfeermaker.

planttijd
De  beste  tijd  voor  het  planten  van  bomen  is  de  rustperiode.  Dit  betekent  dat  bijna  alle  bomen  tussen  1 november en 15 april kunnen worden geplant. Bomen worden vrijwel altijd zonder kluit verhandeld. In verband met de kansen op aanslaan is het verstandig om bomen met vlezige wortels, eiken en berken met kluit te bestellen. De kluit is meestal voorzien van een gaaslap. Om verstoring van de wortelgroei te voorkomen, moet je de gaaslap voor het planten verwijderen. De beste tijd om coniferen te planten is augustus. Maar ook in april/mei kun je coniferen planten. Coniferen verplant je altijd met een kluit. 

Ingekuilde houtachtigen

Inkuilen en opkuilen
Vaak komt het voor dat bomen voordat ze verkocht of uitgeplant worden tijdelijk worden opgekuild.
Je kuilt ze dan voor maximaal twee weken in, op een plaats waar ze niet in de weg staan. Dat kan gewoon in de grond. Als je de bomen en struiken wilt gaan planten, kuil je ze weer op: je trekt ze voorzichtig uit de grond. Bij het inkuilen en opkuilen moet je op een aantal dingen letten.

In de volgende figuur staan de fouten die vaak gemaakt worden.

Gereedschap
Voor je gaat planten, leg je het benodigde gereedschap klaar. Je maakt eerst de grond los. Dit doe je bijvoorbeeld met een schop, frees of op een andere manier. Daarna ga je aan de gang met de volgende gereedschappen:

Om een boom te planten heb je verder  nodig:
boom, boompaal, boomband, boombandnagels, handhei of slaghuls, grondboor, bats of spade, hamer, nijptang, snoeischaar. Bij inkuilen gebruik je grotendeels dezelfde gereedschappen. Alleen de snoeischaar heb je niet nodig.

Het planten

Bij het planten van bomen en struiken houd je rekening met de planttijd, de plantafstand, de grootte en diepte van het plantgat en het beplantingsplan.

De werkwijze en werkvolgorde zijn als volgt.

  • Graaf een plantgat dat eenderde groter is dan het wortelgestel.
  • Boor het gat voor de boompaal, plaats deze en sla hem in de vaste grond (de hoogte moet tien centimeter onder de kroon zijn).
  • Snoei de kapotte wortels en takken.
  • Zet de boom in het plantgat, waarbij de afstand paal/boom een hand/voetbreedte is.
  • Steek de zijkanten van het plantgat in en schud de boom regelmatig tijdens het planten.
  • Trap de grond stevig aan door van buiten naar binnen te trappen.
  • Vul het plantgat en breng de boomband aan.

Indien nodig, geef je de boom of struik mest. Deze mest meng je goed door de aarde waarmee je het plantgat vult. Je moet goed in de gaten houden of de geplante boom of struik genoeg water krijgt. Desnoods leg je een drainagebuis aan in het plantgat.

Als je meerdere bomen of struiken moet planten zet je deze op een vaste afstand van elkaar. Meestal varieert de plantafstand tussen de 1 en 1,5 meter. Voor je gaat planten, zet je een plantverband uit. Bij bomen en struiken is dit vaak een driehoeks- verband. Bij het uitzetten van het plantverband gebruik je jalons. Deze jalons helpen je om op grote afstanden ook netjes te werken.

Aan de zuidwestzijde van de boom wordt een paal geplaatst. Deze boompaal houdt de pas geplante boom op zijn plaats, waardoor het wortelgestel zich kan herstellen van de verplanting. De boompaal voorkomt dat nieuwe, uit de kluit groeiende wortels niet afbreken als gevolg van beweging van de kluit door de wind. De boom kan zich zo zonder veel problemen opnieuw verankeren. Dit verankeren gebeurt binnen vier jaar. Je kunt daarom gebruik maken van niet verduurzaamde boompalen. Deze  zijn  milieuvriendelijker  en  goedkoper.  Een  boompaal  heeft  een  lengte  van  circa.  2,50  meter  en  is gewoonlijk gepunt en gekruind. Naast deze lange boompaal worden er ook zogenaamde kniepalen gebruikt. Deze zijn circa 1,25 meter lang. Om maaischade te voorkomen worden vaak antimaaischade-paaltjes geplaatst.

Boompalen, kniepalen en anti maaischadepaaltjes moeten de boom beschermen.

 

 

Voorbereidingen voor het verplanten van een struik

Verplanten
Als een struik te groot wordt voor zijn standplaats, moet je hem kappen of verplanten. Dit verplanten moet je goed voorbereiden. Dat doe je door een sleuf om de struik te graven. De struik gaat hierdoor nieuwe wortels maken en krijgt een compact wortelstelsel: een kluit. De wortelgroei stimuleer je door humeuze grond in de sleuf te storten. De nieuwe, compacte wortels helpen de struik later bij het wortelen op zijn nieuwe plek.

Grote bomen verplant je met een boomplantmachine. Na het verplanten kun je de boom of struik eventueel snoeien.

Een boomplantmachine

 

 

 

 


Bomen
in de bestrating
Laanbomen worden langs straten en wegen geplant, vaak in de bestrating. Bomen die je in de bestrating plant, hebben extra zorg nodig. De bestrating om de boom maakt dat er onvoldoende lucht, water en voedingsstoffen bij de boom kunnen komen.

Is deze laanboom goed aangeplant?

 

Om dit probleem op te lossen, kun je de boom in speciaal bomenzand planten. Dit zand maakt dat er meer lucht en voeding bij de boom kan komen dan bij gewoon zand. Ook kun je het plantgat extra groot maken. Soms is het gat meer dan een meter breed en een meter diep. Een andere oplossing is het leggen van buizen rond de wortels van de boom. Door deze buizen stroomt er lucht van buiten naar de wortels.

 

 

 

Nazorgwerkzaamheden
Bomen en struiken moeten wennen aan de verplanting. Ze staan in een nieuwe omgeving, met misschien meer licht of een drogere grond. Dit wennen noem je plantschok. Sommige bomen of struiken gaan door het verplanten zelfs dood. Die moeten dan vervangen worden. Dit noem je inboeten.  Je moet regelmatig controleren of verplante bomen en struiken goed aanslaan. Soms hebben ze wat extra bemesting nodig. Vooral als ze in een klein plantgat staan.
Ook moeten verplante bomen soms bijgesnoeid  worden. Dit is nodig als er wortels afgestorven zijn en de boom niet genoeg voedsel en water kan opnemen voor al zijn takken. Er komen dan kale plekken in de kruin.

Haal op tijd de boomband weg.

Jonge, verplante bomen zet je meestal met een boomband aan een boompaal vast. Die boomband moet je op tijd weghalen. Als boombanden knellen, maken bomen te weinig hout en verzwakken ze. Ook kan de boomband ingroeien.

Ten slotte moet je verplante bomen die op een droge plek staan bij warm en droog weer extra water geven.

 

 

 

Het plantgat moet een derde groter zijn dan de diameter van het wortelgestel van de te planten boom. De bodem in het plantgat moet je losmaken, zodat de wortels in alle richtingen voldoende losse grond krijgen. Bij het planten moet je ervoor zorgen dat de boom niet dieper komt te staan dan twee centimeter boven de hoogst geplaatste wortel (de wortelhals).

Coniferen
Coniferen worden voor een aantal doeleinden aangeplant. In particuliere tuinen vooral om hun sierwaarde van de  bladkleur,  de  kegels  en  de  groeivorm.  Ze  worden  ook  gebruikt  om  een  dichte  haag  te  vormen,  die bescherming  biedt  tegen  inkijk  van  de  buren  en/of  de  wind.  Ook  voor  de  sier  worden  hagen  tegenwoordig aangeplant. Daarbij worden de meest ingewikkelde patronen gemaakt.

 

 

 

Maatvoering en kwaliteit

In de handel wordt de maatvoering van coniferen als volgt geregeld:
– Bij opgaande coniferen wordt de lengte van de conifeer aangegeven. Een schijncypres 80-100 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter.
– Bij platgroeiende of breed uitgroeiende coniferen kan geen lengtemaat gegeven worden. Hierbij wordt de doorsnede van de conifeer aangegeven, bijvoorbeeld 20-30.
– Bij coniferen in een pot (container) wordt bovendien de c van container aangegeven. Een schijncipres 80-100.  C5 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter en is opgekweekt in een container van 5 liter.
– Bij coniferen die op stam zijn geënt, wordt de enthoogte aangegeven.

Met betrekking tot de kwaliteit zijn de volgende punten belangrijk:

Bovengronds:
– De stam moet recht zijn.
– De stam en de takken mogen niet beschadigd zijn.
– De takken moeten regelmatig over de stam verdeeld zijn. De conifeer moet ziektevrij zijn.

Ondergronds:
– De wortels mogen niet beschadigd zijn.
– De kluit moet goed stevig zijn.
– Aan de kluit moet een gaaslap (‘broek’) geknoopt zitten. De kluit moet goed doorworteld zijn.

Een conifeer planten

Coniferen worden altijd met een kluit geplant, anders gaan ze namelijk bijna altijd dood. Een uitzondering hierop vormt de Taxus. Die kun je tot een hoogte van 50 cm nog zonder kluit planten. Het is ook zaak om coniferen nauwkeurig te planten. Als je namelijk te diep plant gaat de conifeer ook dood. De volgende zaken zijn erg belangrijk bij het planten van coniferen:

  • planttijden;
  • grootte en diepte van het plantgat;
  • het verwijderen van de gaaslap;
  • het planten.
Het planten van een conifeer is niet zo moeilijk.

De beste tijd om coniferen te planten zijn de maanden augustus-september en april-mei. Dan is namelijk de bodemtemperatuur optimaal zodat de wortels meteen kunnen gaan groeien. Dat is belangrijk omdat een conifeer het hele jaar door water verdampt. Hij zou dus snel uitdrogen als de wortels niet actief zijn. Een conifeer in een pot (container) kun je het hele jaar door planten.
Het plantgat moet voldoende diep en groot zijn. De kluit moet er ruim in passen. Je moet de conifeer net zo diep  planten  als  deze  op  de  kwekerij  gestaan  heeft.  De  grond  moet  goed  luchtig  zijn.  Storende  lagen  en wateroverlast zijn slecht voor de groei. Bij het planten moet je de gaaslap van de kluit verwijderen. De knopen in de gaaslap kunnen namelijk groeiremmingen veroorzaken. Ook de nazorg is erg belangrijk. Watergebrek is de voornaamste oorzaak van het doodgaan van coniferen na het planten. Adviseer de klant dus om goed water te geven tot enkele weken na het planten.

Het is niet eenvoudig om coniferen te verplanten. Afhankelijk van de groeisnelheid en de hoogte is het zelfs al na enkele jaren niet meer mogelijk. Dan kun je de klant het beste adviseren om een nieuw exemplaar te kopen.

2        BOLLEN EN KNOLLEN
Bol- en knolgewassen kun je verdelen in voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers.
Voorjaarsbloeiers bloeien in de periode van februari tot mei. Je moet ze voor de winter planten.
Zomerbloeiers bloeien in de zomer. Deze moet je na de vorst planten en voor de vorst weer rooien.

Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat de hoeveelheid grond boven de bol of knol tweemaal zo groot is dan de hoogte van de bol of knol.
In bakken past men vaak een z.g. lasagnebeplanting toe. Dit is het in lagen planten zodat de ene soort de andere soort opvolgt.
Veel knolletjes worden in het gazon geplant. Ze worden dan willekeurig verdeeld. Ook worden ze wel tussen bladverliezende heesters geplant. Ze profiteren dan van het licht als er nog geen bladeren aan de heesters zitten.
De plantafstanden variëren van 5 cm bij bijvoorbeeld crocus tot 15 cm bij bijvoorbeeld tulpen.

Wanneer bloeit wat?
Omdat niet alle bolgewassen in het vroege voorjaar bloeien is het belangrijk dat je de bloeitijd kent. Je weet dan wanneer je ze moet planten.

Bloei- en planttijd van bol- en knolgewassen

3          VASTE PLANTEN
Vaste planten kunnen jarenlang op dezelfde plek doorgroeien en zich sterk uitbreiden. Om ervoor te zorgen dat ze goed kunnen groeien, moet je ze op de juiste manier planten.

Plantmateriaal en planttijd
De meeste vaste planten worden door scheuren vermeerderd. Ze worden meestal verkocht in vierkante potjes van 9 cm breed en 10 cm hoog. Bij de aankoop moet je erop letten dat de wortels goed doorworteld zijn in het potje. Omdat de planten in een potje verkocht worden, kun je ze het hele jaar door planten. Als planten gerooid en gescheurd worden, is het voorjaar de beste tijd om ze in de grond te zetten.

De voorbereiding
Met de tekening bepaal je waar de planten komen te staan.
Je moet dit plantvak:
– goed spitten;
– fijn van structuur maken;
– vlak afwerken.

Het plantvak is in orde als je gemakkelijk met een plantschepje of met de hand kunt planten. Vaak kun je een spade gebruiken. Daarna leg je de planten goed verdeeld en op de juiste plekken klaar. De afstand is afhankelijk van de soort. Als het plantvak groot is, kun je het beter in gedeelten spitten en vlak maken. Zo voorkom je het dichttrappen van de grond.

Het planten
Steek het plantschepje in de losse grond en maak een gat dat voldoende diep is. Zet de plant erin. Voor een snelle aangroei moet je de grond om de plant goed aandrukken. Maak de grond tussen de planten met de hand gelijk. Probeer zo veel mogelijk vanuit één plek te planten. Zo voorkom je dat je de grond dichttrapt. Schuif tijdens het werk de plantpotjes in elkaar en ruim ze direct op. Druk de planten goed aan.

4    EEN- EN TWEEJARIGEN
Eenjarigen worden vaak in bakken geplant. De werkwijze wordt dan bepaald door de aard van de bak. Buiten worden na half mei uitgeplant. Eenjarigen  zijn vaak de opvolgers van voorjaarsbloeiende bolgewassen. Tweejarigen worden voor de winter geplant. Deze hebben hun hoofdbloei dan in het vroege voorjaar.
Meestal worden ze in groepen geplant. Net als bij vaste planten kiest men voor driehoeks- of vierkantsverband. Als plantafstand wordt, afhankelijk van de soort en de beschikbare ruimte, 15 tot 25 cm aan gehouden.
Als de grond goed los is kun je het plantgat met de hand of met een plantschepje maken.
Als plantdiepte wordt de bovenkant van de wortelkluit aangehouden.

5    GROENTEN en KRUIDEN
In de moestuin wordt veel geplant. Daarbij gaat het veelal om groenten en kruiden. Het plantgoed wordt vaak door de hobbyist opgekweekt uit zaad. Ook komt het steeds vaker voor dat de planten gekocht worden in het tuincentrum, op de markt of bij een kweker. Het plantmateriaal is vergelijkbaar met perkplanten. Het gaat om losse planten of om planten met een wortelkluit. Praktisch het hele jaar door zijn er wel groenten of kruiden te vinden die geplant kunnen worden. Vooral als een hobbykweker over een kas beschikt zij er talloze mogelijkheden. Op zaaizakjes en in boeken wordt per soort en variëteit de planttijd vermeld.
Plantgoed van groenten en kruiden wordt meestal op rijen of op bedjes geplant. Ze kunnen ook op een sierlijke manier in de siertuin of kruidentuin geïntegreerd worden.
Als diepte houdt men in het algemeen de bovenkant  van de wortelpruik aan. Hierop zijn natuurlijk uitzonderingen die voor zich spreken. Denk daarbij aan gewassen als prei, asperge en pootuien.
Als hulpmiddelen maakt men gebruik van een pootlijn, een schop of plantschepje en een hark of cultivator.
Bij plantafstanden spreekt men over rij afstanden en afstanden op de rij.
De minimale onderlinge afstand bepaalt men door het eindbeeld van het product voor ogen te zien. Zo heeft een preiplant genoeg aan 15 cm en zal een bloemkool ongeveer 50 cm nodig hebben.
In de praktijk zal men, vooral voor de rij afstand, een maat nemen die makkelijk werkt. Zo zijn er mensen die de breedte van de schoffel aanhouden i.v.m. schoonhouden of de lengte van de schoen om een vaste maat te hebben.
Als er met een schop geplant wordt maakt men meestal een sleuf waarin de planten geplaatst worden. Na het plaatsen trapt men de sleuf dicht.
Bij droog weer moet er gegoten worden.

6    WATERPLANTEN

 Plantdiepten en toepassingen
Een totaal andere groep is die van de waterplanten. De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachts- punten.

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.

 

 

 

Verzorging kamerplanten

Inleiding
Een van de belangrijkste taken bij de verkoop van kamerplanten is het geven van een goed advies aan de klant. De klant zal zich in eerste instantie tot de verkoper wenden met de vraag hoe de kamerplant te verzorgen.
Kamerplanten verdeel je in groepen. Je kijkt daarbij naar de sierwaarde van de plant. Zo onderscheid je bloeiende planten en bladplanten. Ook als je verzorgingstips over de plant geeft, kijk je naar het uiterlijk van de plant. 

1     Groene Bladplanten

Kenmerken
Bladplanten zijn planten met mooie bladeren of stengels. Ze hebben geen bloemen.
Groene planten worden meestal aangeschaft voor een langere periode, dus de verzorging moet optimaal zijn om zolang mogelijk van een mooie groene plant te kunnen genieten.
Planten uit deze groep worden vaak per stuk verkocht. Daarnaast worden ze vaak toegepast in plantschalen en grote plantarrangementen.

 Verzorging
–     Bijna alle groene planten hebben een hekel aan felle zon en zijn daardoor vooral geschikt voor een raam op het noorden, het noordoosten of het westen. Ze nemen vaak genoegen met voldoende kunstlicht
–     Groene planten moet je in de groeiperiode matig bijmesten: twee keer per maand. In de winterperiode moet je ze spaarzaam bijmesten.
–     De beste tijd voor het verpotten (als dat nodig is) is in het vroege voorjaar, kort voor het begin van de nieuwe groeiperiode.
–     Meestal kun je aan de plant zien wat zijn specifieke behoeften zijn.
Bijvoorbeeld:
Groene planten met een dik, glanzend blad en behaard zijn het best bestand tegen de luchtvochtigheidsomstandigheden in de huiskamer. Bij zo’n blad is de verdamping namelijk beperkt en is de waterbehoefte daardoor minder. Planten met dun, kruidachtig blad zijn daarentegen gevoelig. Bij deze planten moet je goed letten op de luchtvochtigheid en de watergifte.
Als de planten dunne bladeren hebben, zijn ze kwetsbaar. Je moet dan regelmatig controleren of de potgrond nog vochtig is .

2 Bonte bladplanten

Kenmerken
Bonte planten zijn planten met gekleurde bladeren. Bonte bladplanten worden zowel toegepast in grote plantarrangementen als in afzonderlijke potten. Voor die laatste toepassingswijze komen vooral de wat bossige vormen in aanmerking, zoals de Dieffenbachia en Schefflera.

Er zijn verschillende soorten bonte planten:

  • soorten met dikker blad;
  • soorten met kruidachtig blad.

Verzorging
Bonte planten hebben meer behoefte aan licht dan groene planten. Krijgen ze onvoldoende licht, dan stagneert de groei en wordt de plant vatbaar voor ziekten. Ook wordt de kleurintensiteit van de bladtekening minder.
Bonte planten met een wat dikker, vleesachtig blad kunnen in beperkte mate zonlicht verdragen. In alle gevallen moeten bonte planten een lichte standplaats hebben: in ramen op het oosten of zuidwesten.
Per soort kan de verzorging sterk verschillen, doordat de natuurlijke afkomst van de planten niet hetzelfde is.
Bonte planten met een dikker blad hebben wat minder water nodig en zijn minder bestand tegen de koude. Soorten met kruidachtig blad hebben wat meer water nodig en verlangen een wat hogere luchtvochtigheid en zijn wat minder bestand tegen fel zonlicht.
In het algemeen geldt dat een bonte plant iets minder sterk is dan een groene vorm van hetzelfde geslacht.

3  Bloeiende Planten

Kenmerken
Bloeiende planten verkoop je als ze bloemen hebben. Ze worden wel verdeeld in weggooiplanten en meerjarige planten.

Tot de groep meerjarig bloeiende planten rekenen we planten die heel gemakkelijk overgehouden kunnen worden (tot het volgend jaar in leven gehouden worden). 

Verzorging
Voor een bloeiende plant geldt:
–     verwijder oude bloeiwijzen of uitgebloeide bloemen; . De jonge knoppen groeien daardoor eerder uit.
–     snoei na de bloei;
–     Geef regelmatig water. lanten in bloei verdampen veel water. geef na de bloei minder water dan tijdens de bloeiperiode;
–     bemest niet of spaarzaam na de bloei. Begin weer met bemesten bij hergroei (meestal in het voorjaar);
–     verplant de plant in het vroege voorjaar (alleen indien nodig).
–     Zorg voor een lichte standplaats.

Bijzonderheden
Stimuleer knopvorming door de plant een week of vier licht te verwaarlozen. Dat betekent dat je spaarzaam water geeft en de plant niet bemest. Dat voorkomt dat hij een overmaat aan blad ontwikkelt en geen bloemknoppen. Laat soorten met een uitgesproken rustperiode koel en vrij droog overwinteren op een lichte plek.

4 Succulenten en cacteeën

Kenmerken
De succulenten en cacteeën vormen een speciale groep bladplanten. Je kunt ze herkennen aan de dikke en vlezige bladeren of stengels. Daarmee kunnen ze veel water vasthouden.
Je hoeft succulenten en cacteeën minder vaak water te geven. Ze kunnen ook in de zon staan. Ze hebben vaak een groeiperiode en een rustperiode. In de rustperiode gebruiken ze heel weinig water.

Oefeningen:  Verzorgen planten

1  Om deze opdracht uit te kunnen voeren, heeft iedereen uit de schoolkas, drie planten meegenomen waarvan naar zijn mening de verzor­gingsadviezen sterk uiteenlopen. Uit het totaal van alle meegenomen planten (dus ook van je klasgenoten) maken jullie met de klas groepen, waarvan naar jullie mening de verzorgingsadviezen overeenkomen.

Ben je er vrijwel zeker van dat de ontstane plantengroepen qua verzorging bij elkaar horen, dan verdeel je de planten over een aantal groepen leerlingen. Vervolgens schrijf je een verzorgingsad­vies over de planten die jullie als groep hebben gekre­gen.

Denk daarbij aan:

  • water
  • licht
  • temperatuur; minimum en maximum
  • luchtvochtigheid
  • zon
  • grondmengsel

Om tot een goed verzorgingsadvies te komen, is het van belang dat je kennis neemt van de algemene regels. Zet vervolgens de verzorgingsregels per plantengroep op papier.  Als dit is gebeurd, wordt er per groep over het onderwerp een tiental vragen gemaakt met bijbehorende antwoorden. De gemaakte vragen en antwoorden worden ter beschikking van de andere groepen gesteld.

2        Loop door de plantenkas en zoek bij elke groep uit het schema 4  voorbeelden. Noteer de namen op de juiste plaats.

 

 KENMERK  VOORBEELD 1  VOORBEELD 2  VOORBEELD 3

 

 VOORBEELD 4
 blad bedekt met

glanzende waslaag

 behaard blad  

 

 vlezige stengels en   bladeren

 

 bladeren zijn veranderd in stekels
 dun blad  

 

 bont blad  

 

 bloeiende plant  

 

 grote bladeren  

 

 plant met

luchtwortels

 plant staat in stenen bloempot

 

 bladeren vormen een trechter  

 

 plant heeft een knol  

 

 houtachtige plant  

 

3     Hieronder staan de namen van 10 verschillende kamerplanten. Ga naar de schoolkas en zoek de planten op. Schrijf achter elke naam een kenmerk. Gebruik de derde kolom om een verzorgingsadvies te geven welke past bij dat kenmerk.

 

 NAAM  KENMERK VERZORGINGSADVIES 
Monstera  

 

Saintpaulia

 

 

 

 

Kalanchoe

 

 

 

Vriesea

 

 

 

 

Rhododendron  

 

 

Campanula  

 

 

Begonia

semperflorens

 

 

 

Zygocactus  

 

 

Dieffenbachia  

 

 

Pellaea  

 

 

Hedera  

 

 

Beloperone  

 

 

 

Vermeerdering geslachtelijk

Inhoud

Geslachtelijke vermeerdering
Inleiding
1     Zaaitijdstip
2      Wat is zaad, wat heeft het nodig?
3     De 4 basisbehoeften
4      Voor- en nadelen van zaaien
5      Manieren van zaaien
6      Zaaimethoden
6.1       Breedwerpig zaaien
6.2       Zaaien op rij
6.3       Dibbelen
7      Grond zaaiklaar maken
8      Zaaien op rijen in de volle grond met de hand
9      Breedwerpig zaaien in een zaaibakje
10        Zaadsoorten
11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

Inleiding
Om een soort in stand te houden dient dit zich te vermeerderen.  Als je bij de vermeerdering te maken hebt met 2 geslachten spreek je over geslachtelijke- ofwel vegetatieve vermeerdering.
Bij planten heb je dan te maken met zaad. Het uitstrooien van zaden heet zaaien. Zaaien wordt bij veel cultuurgewassen toegepast. Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt in de bloem.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

 

1     Zaaitijdstip
De beste tijd om te zaaien is tussen januari en juli. We moeten hier wel een onderscheid maken tussen éénjarigen en vaste planten.

Immers, de eerste groep zaaien we vroeger, zij moeten de tijd krijgen om tot een volle bloeiende plant uit te groeien en vervolgens zaad af te geven voor de herfst.

Met de zaden van vaste planten hebben we minder haast omdat die meestal toch pas het jaar erna bloeien, en dit geldt tegelijk ook voor de tweejarigen.

 

     Wat is zaad, wat heeft het nodig?
Een zaadje is te vergelijken met een embryo in een ei. Het heeft de juiste voorwaarden nodig om uit te komen want zelfs zo´n klein nietig zaadje heeft een soort overlevingsdrang, ze willen wel uitkomen maar soms zijn de omstandigheden niet goed genoeg om na het uitkomen te overleven en daarom lijkt het hun beter om nog wat door te slapen en te wachten tot de omstandigheden verbeteren.

Zeg daarom niet: ik heb slechte zaden gekregen, iets wat ik mensen wel vaker hoor zeggen, nee, er is niet aan de juiste voorwaarden voldaan voor dat zaadje om uit te komen.

 

Er zijn 4 basisbehoeften waaraan moet worden voldaan voor een zaadje voordat het wil/kan uitkomen. Dit zijn achtereenvolgens water, zuurstof, licht en temperatuur.
 

Het is de kunst om per zaadsoort de juiste balans te vinden tussen deze 4 sleutels om het kiemmechanisme van het zaad te ontsluiten. De samenwerking tussen deze 4 zaken brengt een chemisch proces op gang wat leidt tot de kieming van de plant.

En deze balans is per plantensoort verschillend en dat maakt het soms zo moeilijk

Raak nu niet direct in paniek, het overgrote deel van de planten kiemt toch wel bij een temperatuur tussen 15 en 20 graden, als ze voldoende water hebben, niet te nat staan en niet te diep onder de grond verscholen zijn.

Je kunt de meeste zaden dan ook beter te weinig bedekken dan teveel.

3     De 4 basisbehoeften
Water: Iedereen weet dat je water nodig hebt om zaad te laten ontkiemen. De kieming start als het water de zaadhuid binnendringt. Het zaad neemt het water op, zet zich uit en de zaadhuid begint te barsten, het plantje ontrolt zich zodat de wortel de grond ingaat en de stengel naar boven.

Zuurstof: Zaden hebben dit nodig voor de chemische processen tijdens het kiemen. Daarom is een luchtige, goed doorlatende grond van belang. Als u bv. op zware klei zaait blijft het water daarop staan en neemt het de plaats in van de lucht. Er zal dan ook sneller schimmel optreden die uw zaden zal belagen.

Licht: Een zaadje zou het verschil kennen tussen donker en licht. Voor een klein zaadje kan een paar centimeter onder de grond hetzelfde zijn als een paar meter. Het is gewoon helemaal donker, daarom mogen kleine zaden nooit te diep onder de grond gezaaid worden, niet of nauwelijks bedekken is de boodschap. Het schijnt dat zonminnende planten gevoelig zijn voor de hoeveelheid rood in het licht, en ze ontkiemen dan ook niet als het te donker is, wat hun betreft is het niet het goede moment in het jaar om uit te komen.

Zaden in de volle zon plaatsen is zeker ook niet goed, ze kunnen dan verbranden.

Temperatuur: Elk chemisch proces heeft een bepaald temperatuur nodig om door te kunnen gaan. Als een zaadje het te warm of te koud heeft zal het niet ontkiemen en sommige zaden hebben bepaalde grenzen waarboven of waaronder ze er niet over zullen denken om te ontkiemen.

In het algemeen kun je zeggen dat warmte ontkieming bevordert maar teveel warmte remt het af. Dit is logisch als je bedenkt dat het zaadje moet weten dat het lente is en nog geen zomer.

Bij het bewaren van zaad kan ook nogal eens wat mis gaan, als u zaden krijgt en u bent niet van plan ze direct te zaaien dan is het het beste om ze in de ijskast te bewaren, de zakjes in een afgesloten plastic bakje. De meeste zaden behouden hun levensvatbare eigenschappen gedurende twee jaar op kamertemperatuur, maar een koude bewaring is toch beter voor ze, het zou zelfs de levensduur van de zaden verlengen. Bewaar uw zaden NOOIT in de serre, de warmte en de vochtigheid zijn dodelijk voor uw zaden, ze hebben dan maar een levensverwachting van zes weken ipv. twee tot drie jaar.

 

4    Voor- en nadelen van zaaien
In de plantenteelt zijn er twee manieren om planten te vermeerderen, namelijk

  1. a) geslachtelijk (zaaien)
  2. b) ongeslachtelijk.

Vergelijk je beide manieren met elkaar, dan heeft zaaien de volgende voor- en nadelen

Voordelen van zaaien

  • Je hebt na zaaien vrij snel een groot aantal nieuwe planten.
  • De kans op het overbrengen van virusziekten is kleiner.

Nadelen van zaaien

  • Het is niet altijd eenvoudig om zaden te winnen.
  • Het duurt langer voordat er een kant-en-klare plant is die de markt op kan.
  • Omdat het zaad afkomstig is van een moederplant en van een vaderplant, heeft die ook twee verschillende groepen van eigenschappen. De nieuwe planten die uit het zaad ontstaan, kunnen daardoor sterk afwijken van de ouderplanten. Ze kunnen beter of slechter zijn.
Een tuincentrum verkoopt veel verschillende soorten zaadjes van planten.

5  Manieren van zaaien
Zaaien kan op vele manieren. Die manieren hebben voor- en nadelen 

Ter plaatse of niet ter plaatse
In de landbouw worden de gewassen ter plaatse gezaaid. Ook gazons worden vaak ter plaatse gezaaid.
Ter plaatse wil zeggen dat je zaait op de plaats waar de planten kunnen blijven groeien tot ze oogstbaar zijn. Ter plaatse zaaien kan breedwerpig of in rijen gebeuren.

In de tuinbouw zaait men meestal niet ter plaatse. Niet ter plaatse zaaien wil zeggen dat de plantjes na een lange of korte periode verplaatst worden. Dit gebeurt onder andere met de meeste groenten, een- en tweejarige planten.
Bij het niet ter plaatse zaaien zaait eerst in speciale zaaibakken of in zaaitrays. Een zaaitray is een voorgevormde plastic plaat waar zaadjes machinaal in kleine kluitjes aarde worden gezaaid. Na het ontkiemen zet men de plantjes met het inmiddels doorgewortelde kluitje in een pot. Het grote voordeel van deze methode (vergeleken met verspenen) is dat je de wortels niet beschadigt. Hierdoor krijg je een snelle doorgroei.

 

 

6  Zaaimethoden
Zaaien gebeurt op drie manieren:
– breedwerpig;
– zaaien op rij;
– precisiezaai;
– dibbelen.

breedwerpig zaaien

6.1      Breedwerpig zaaien
Bij breedwerpig zaaien strooi je het zaad over het gehele perceel. Eerst maak je de grond fijn en los. Daarna verdeel je het zaad zo regelmatig mogelijk over het perceel. Breedwerpig zaaien is mogelijk met kleinere zaden. Het moet erg gelijkmatig gebeuren.
Na het zaaien moet je soms lichtjes met een hark over het perceel gaan. Hierna bedek je de zaden met een dun laagje aarde. Vervolgens rol je de grond, zodat de zaden goed in contact komen met de vochtige grond. De zaden ontkiemen kriskras over het perceel verspreid. Het is dan ook moeilijk om op een later moment het onkruid tussen de planten te verwijderen.
Breedwerpig zaaien gebeurt bijvoorbeeld bij gras en spinazie.

 

op rijen zaaien

6.2      Zaaien op rij
In de praktijk worden bijna alle gewassen op rij gezaaid. Denk maar aan wortels, maïs en granen. Eerst trek je in de grond kleine geultjes. De diepte van de geultjes is afhankelijk van de grootte van de zaden: hoe groter de zaden, hoe dieper de geultjes. Als hulpmiddel bij het zaaien gebruik je bijvoorbeeld een schoffel. Grootschalig gebeurt het met een zaaimachine. Na het zaaien maak je het geultje dicht en druk je de grond zachtjes aan.
Let erop dat de onderlinge rijenafstand groot genoeg is. Je moet het onkruid mechanisch kunnen bestrijden, bijvoorbeeld met een schoffel of hak.

 

 

6.3  Dibbelen
Dibbelen is het zaaien op hoopjes. Dit past men vaak toe bij groenten in de moestuin. Voorbeelden zijn erwten en bonen.

7  Grond zaaiklaar maken

Als je in de tuin gaat zaaien, moet je ook eerst de grond bewerken. Je gaat eerst spitten en dan harken. Tijdens het harken maak je de grond vlak. Dat heet egaliseren.
Werkwijze:
1   Spit de grond om.
2   Let tijdens het spitten op je houding. Voorkom rugklachten!
3   Na het spitten maak je de kluiten klein. Dat doe je met de rug van de hark.
4   Pak de hark vast zoals in de figuur.

Met de hark worden de kluiten kapotgeslagen.

 5   Sla met de rug van de hark de kluiten kapot.
6   Als alle kluiten klein zijn, ga je egaliseren. Dat doe je ook met de hark.
7   Blijf de hark op dezelfde manier vasthouden.
8   Waar bergjes liggen, hark je de grond weg naar de dalen.
9   Blijf dit doen totdat de grond zo vlak is als een biljartlaken!
10 Als je klaar bent, maak je het gereedschap schoon en ruim je alles netjes op.

 

 

 

 

 

 

8  Zaaien op rijen in de volle grond met de hand

Als je thuis in je tuin wil gaan zaaien, heb je niet direct een zaaimachine bij de hand. Je kunt ook met hele eenvoudige materialen in de volle grond zaaien.

 

 

 

Benodigdheden
– hark
– schoffel
– riek
– spade
– gieter met broes
– pakje zaadnaamkaartjes

Werkwijze
1   Maak het zaaibed gereed:
–   maak de grond onkruidvrij door te spitten;
–   hark de grond gelijk vlak.
2   Maak over de lengte van het zaaibed sleuven van twee centimeter diep. Om rechte sleuven te krijgen kun je gebruik maken van een lange stok of van een pootlijn die je uitzet. De afstand tussen de sleuven is afhankelijk van het soort planten (zie daarvoor de beschrijving op het pakje zaad).
3   Zaai het zaad in de sleuven; leg grote zaden op de juiste afstand uit elkaar; strooi kleine zaden dun in de geul uit.
4   Maak de sleuven dicht met de achterkant van de hark en druk deze licht aan met een plankje.
5   Vul de naamkaartjes in en steek de ingevulde naamkaartjes in de grond.
6   Geef bij droge grond water met een gieter met een fijne broes.

9  Breedwerpig zaaien in een zaaibakje

Kweken in zaaibakken

Zaadjes kun je opkweken in zaaibakjes. Een zaaibakje moet schoon zijn en het liefst ontsmet. In het bakje doe je in zaaigrond. De bovenste zandlaag moet je zeven. Die laag moet goed vlak zijn, zodat er bij het water geven geen plassen ontstaan.
Als je de zaadjes gezaaid hebt, dek je ze af met een klein laagje zaaigrond. Gebruik niet meer dan dat het zaad dik is. Hele kleine zaden en zaden die licht nodig hebben om te kiemen, hoef je niet af te dekken. Zorg er altijd voor dat de zaaibak voldoende vochtig is. Als laatste dek je de zaaikist af met een glasplaat of plastic tot dat de zaden gekiemd zijn. Dit is om het uitdrogen te voorkomen.
Je moet altijd ongeveer 1 cm onder de rand van het zaaikistje blijven. Als de zaden dan uitkomen, staan ze niet gelijk tegen het glas of het plastic aan.

 

Stappenplan voor een zaaikist
– Kistje schoonmaken
– Zaaigrond zeven (fijne grond)
– Kist voor drievierde vullen met grond
– Randen licht aandrukken
– Afvullen met gezeefde grond
– Grond vlak maken

Zaaien
– Klein laagje grond erover doen (net zo dik als zaad zelf is)
– Licht aandrukken
– Water geven indien nodig
– Wegzetten en afdekken met glasplaat of plastic
– Werkplek schoonmaken en het gebruikte gereedschap schoon opruimen

10 Zaadsoorten

Begonia’s worden gekweekt uit erg duur begoniazaad!

Er zijn duizenden zaadsoorten. Die zaadjes verschillen in grootte, kleur vorm et cetera. Ze verschillen ook in prijs! Sommige zaadjes zijn zo duur, dat ze tot de duurste producten op aarde behoren. Een voorbeeld is begoniazaad. Duizend zaadjes is ongeveer 1/16 gram. Stel je eens voor hoe klein die zaadjes zijn: heel, heel erg klein! Een hoeveelheid van 1/16 gram kost ongeveer 15 euro. Een gram begoniazaad kost dus 16 x 15 euro = 900 euro. En een kilo dus 1000 keer zoveel: 900.000 euro! Daar heb je dan ook wel 16.000.000 planten voor. Als je het bedrag omrekent naar een bedrag per plantje, valt het dus wel mee.

Er zijn andere zaden die veel groter zijn, bijvoorbeeld het afrikanenzaad (Tagetes). Duizend van die zaadjes wegen ongeveer 5 gram. Duizend zaadjes van zonnebloemen wegen nog veel zwaarder: 100 gram. Zo zie je, dat de grootte van zaden erg verschillend kan zijn.

 

 

11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

 

Stel u eerst de volgende vragen: is het zaad leefbaar, slaapt het, is het het goede seizoen, moet de zaadhuid doorbroken worden, is het zaad te koud, te warm, te nat, te droog?

U heeft aan alle voorwaarden voldaan, alles volgens het boekje, de juiste temperatuur, goede grond, genoeg licht, niet in de volle zon, goed bewaard en toch komen uw zaden niet uit.

Misschien zijn de zaden te oud en hebben ze geen levenskracht meer. Dit zal u waarschijnlijk niet gebeuren als u zaad krijgt van grote erkende zaadhuizen maar het is mogelijk als u het uit een onbekende bron krijgt. Toch zal dit niet vaak gebeuren.

Het is waarschijnlijker dat het zaad nog steeds slaapt en dat er verschillende stappen genomen moeten worden om het uit deze slaap te halen.

De zaadhuid is te hard en moet doorbroken worden: dit geldt voor bv. Lathyrus en Lupinen. We weken deze zaden 24h in lauw water en zaaien ze daarna. Een andere mogelijkheid is om een stukje van de zaadhuid af te schrapen, u moet hier wel oppassen dat u het ´oog´ niet raakt, een puntje aan de zijkant van het zaad.

Het zaad is een vorst- of koudekiemer: veel zaden hebben een soort rem op hun ontkieming die opgeheven moet worden, en dit gebeurt door middel van kou. Koudekiemers zaait u in vochtige tuinturf, geef ze dan een paar dagen de tijd om het vocht op te nemen en stel ze dan bloot aan kou, zet de bakjes (of plastic zakjes) in de ijskast en laat ze daar 3 tot 6 weken instaan. Als er kiemplantjes verschijnen is het uiteraard tijd om ze eruit te halen.

Vorstkiemers zaait u best in het najaar en laat ze in de winter buiten staan, let er dan wel op dat de zaden niet uit de bakjes kunnen wegspoelen door de regen of dat muizen het niet als wintervoedsel gaan gebruiken, bescherm uw bakken. Haal ze in februari weer binnen en geef ze een hogere temperatuur, als ze beginnen te kiemen behandeld u ze verder als gewone zaailingen. Zelf heb ik het ook al aangedurfd om een paar bakjes in de diepvries te zetten voor een week om daarna de bevroren bakjes op hun gemak te laten ontdooien en ze dan wat meer warmte te geven. Voor verschillende soorten is mij dit gelukt maar niet allemaal. Ik zou er dus geen algemene regel van willen maken.