Productverzorging

Aardewerk  Nomenclatuur
Besdragende heesters
Bladverliezende heesters
Plantengroepen
Bol- en knolgewassen Plantenvoeding
Bomen en struiken Plantenziekten
Coniferen Schoonhouden
Dieren en dierbenodigdheden Snijbloemen
Droogmaterialen Snoeien
Een- en tweejarigen Tuinhout
Eetbare tuin Tuinmeubels
Fruit Tuinverharding
Gazons Tuinverlichting
Gereedschap Uitplanten van diverse plantengroepen
Glas en kristal Vaste planten
Groenblijvende Heesters Verduurzamen van hout
Grond en bodem Vermeerdering ongeslachtelijk
Hagen Vermeerdering geslachtelijk
Heidetuinen Verwerken van producten
Hout Verzorging kamerplanten
Hydrocultuur Vijver aanleggen
Kaarsen Vijverpompen en filters
Kamerplanten Vijverwater
Kleur Waterdieren
Klim- en leiplanten Water en plant
Kuipplanten Waterplanten
Kunstplanten
Licht en kleur
Licht en warmte
Meststoffen

Verwerken van producten

Inhoud

Inleiding
1 Wie verwerkt de producten?
2 Hoe worden de producten verwerkt
2.2 Uitpakken en herverpakken
2.3 Verwerken
2.4 Prijzen en coderen
3 Productverwerking en milieu
4 Stappenplan controleren en verzorgen van producten

Inleiding
Als de producten binnen zijn moet er iets mee gebeuren. In veel gevallen worden ze verkoopklaar gemaakt en in de winkel geplaatst. Soms gaan ze naar een tijdelijke opbergplaats.
Bij het verwerken gaat het vooral om het verkoopklaar maken. Daarbij zullen wij ons op de eerste plaats moeten afvragen wie dit doet, wanneer dit gebeurt en hoe dit gebeurt.

1 Wie verwerkt de producten?
Het binnenkomen van producten veroorzaakt altijd een tijdelijke piekbelasting. Er moeten op dat moment medewerkers aanwezig zijn om de producten te verwerken. Het is daarom van belang dat de detaillist weet op welk moment de producten binnenkomen.

Grote bedrijven beschikken over magazijnpersoneel en vulploegen. Dit zijn vaste of tijdelijke medewerkers die in het algemeen niets anders doen dan binnen gekomen producten verwerken. Vaak zijn magazijnmedewerkers intern opgeleid. Ze weten precies hoe ze producten moeten ontvangen en verwerken. Het is niet altijd nodig dat ze over productkennis beschikken. Dit soort bedrijven worden soms ’s nachts bevoorraad. Bijvullen gebeurt vaak voor en na sluitingstijd.

Bij kleine ambachtelijke bedrijven moeten de medewerkers die producten ontvangen en verwerken over een ander soort van vakkennis en vakvaardigheid beschikken. Zo zal iemand die bloemen en planten in ontvangst neemt de levering alleen kunnen controleren als hij de namen van de producten kent. Ook het verkoopklaar maken van dergelijke producten kan alleen verantwoord gebeuren door medewerkers met voldoende vakvaardigheid. Deze mensen moeten op het moment dat de producten binnenkomen vaak onttrokken worden uit de verkoop. In de planning van de personeelsbezetting zal men daar rekening mee moeten houden.
Bedrijven met weinig medewerkers besluiten soms om de winkel een dagdeel te sluiten zodat de producten verwerkt kunnen worden en de winkel aangevuld kan worden.

2 Hoe worden de producten verwerkt?
Binnengekomen producten worden opgeslagen en/of verkoopklaar gemaakt. De wijze waarop dit gebeurt is erg divers en productafhankelijk.

In het algemeen kun je stellen dat je aan het verwerken de volgende eisen moet stellen:

  • Het moet veilig gebeuren.
  • Het moet doelmatig gebeuren
  • Het moet zorgvuldig gebeuren
  • Het moet hygiënisch gebeuren
  • Het moet milieuvriendelijk gebeuren

We zullen hier ingaan op de manieren waarop producten  verkoopklaar gemaakt worden. Daarbij zullen we de nadruk leggen op producten uit het tuincentrum en de bloemenwinkel.

2.1  Uitpakken en herverpakken

Producten gaan onverpakt of in consumentenverpakking de winkel in.

Als ze binnen komen zitten ze vaak in een omverpakking ofwel grootverpakking. Meestal bestaat deze omverpakking uit dozen, kisten, kratten, pallets, trays, containers e.d. Emmertjes met snijbloemen zijn voorbeelden van zulke containers. Ook folie wordt als omverpakking beschouwd.
Grootverpakking  dient ervoor om producten gemakkelijk, veilig en in grote hoeveelheden tegelijk te vervoeren. Kwetsbare  producten worden vaak extra beschermd met papier of kunststof. Vaak wordt hiervoor piepschuim en noppenfolie gebruikt. De omverpakking wordt altijd verwijderd. Dit gebeurt vaak in het magazijn of in de werkplaats.

Consumentenverpakking is door de producent aangebracht om met het product te verkopen. Deze verpakking ziet er aantrekkelijk uit en er staat informatie op over de inhoud. Meestal blijft deze verpakking dan ook om het product zitten. Afhankelijk van de winkel en het product kan het voorkomen dat detaillist besluit om de consumentenverpakking te verwijderen of te vervangen.

Dit vervangen noemt men herverpakken.
Hiervoor kunnen diverse redenen zijn. Bijvoorbeeld:
– Het bedrijf wil de producten in huisstijl aanbieden; Dit kan belangrijk zijn voor de naamsbekendheid van de winkel.
– Men vindt de verpakking niet geschikt voor het product. Zo kan een bloemist besluiten om de kunststof hoes om snijbloemen en potplanten te verwijderen omdat de producten in kunststof kunnen gaan smetten.
– Men wil het product beter laten zien; Dit kan voorkomen bij verpakkingsmaterialen die de goede kwaliteit van de producten onvoldoende weergeven.
– Men wil de inhoud veranderen; Denk daarbij aan de bos snijbloemen die omgebost wordt, de potgrond die in kleinere zakken wordt gedaan en de decoratiematerialen die men anders wil aanbieden.

  • Men is het niet eens met de informatie die op de verpakking staat;
  • De verpakking is vuil of beschadigd;
  • Men wil het product controleren en verzorgen;
  • Men wil het product beveiligen;
  • Het product is diefstalgevoelig;

Zo komt het vaak voor dat producten door de klant verwisseld worden van verpakkingsmateriaal. Ze kunnen dan een goedkoper product afrekenen.

Het is vanzelfsprekend dat het uitpakken en herverpakken van producten zorgvuldig en voorzichtig moet gebeuren. Dit geldt met name voor kwetsbare producten en producten die door beschadiging of vervuiling in waarde verminderen.

Tijdens het uitpakken dienen producten gecontroleerd te worden. Zo moet de inhoud overeenkomen met de pakbon en bestelbon of orderbevestiging en mag er niets aan het product mankeren.

Verpakkingsmaterialen dienen verantwoord te worden afgevoerd.

2.2 Verwerken
Veel producten worden na het uitpakken, controleren en eventueel reinigen onverwerkt in de winkel gezet. Andere producten worden gebruikt om iets te creëren.
Tuincentra en bloemenwinkels hebben hun imago grotendeels te danken aan hun creativiteit. Om dit imago te behouden zal men hoge eisen stellen aan het verwerken en presenteren van de producten. Dit kan alleen als men beschikt over medewerkers met voldoende vakkennis en vakvaardigheid.

Het verwerken van binnengekomen producten is product- en bedrijfsafhankelijk. Zo zullen levende producten anders behandeld dienen te worden dan niet levende producten en zullen discounters anders met producten omgaan dan speciaalzaken.

In bloemenspeciaalzaken heeft men vaak te maken met snijbloemen. Deze moeten schoongemaakt en verwerkt worden. Speciaalzaken zullen elk product anders behandelen.

Zonder op details in te gaan kun je stellen dat het verzorgen van binnengekomen snijbloemen in grote lijnen bestaat uit:

  • het losmaken van de bos;
  • het zonodig gedeeltelijk ontbladeren;
  • het afsnijden of afknippen van de uiteinden van de bloemsteel;
  • het op water zetten.

Daarnaast kunnen snijbloemen verwerkt worden tot arrangementen.

 

Kamerplanten kun je verdelen in bladplanten en bloeiende planten. Na het uitpakken gaan ze vaak naar de winkel waar ze gepresenteerd worden. Tijdens dit werk worden ze gecontroleerd op afwijkingen en vochtigheid. Beschadigde plantendelen worden verwijderd en droge planten worden gegoten of gedompeld. Vooraal bij bloeiende planten moet er gelet worden op uitgebloeide bloemknoppen. Soms wordt de vorm bijgewerkt. Ook kan het voorkomen dat planten verwerkt worden tot arrangementen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor bij bolgewassen in het voorjaar.

Glas- en aardewerk wordt gecontroleerd op afwijkingen en beschadigingen. Door de kwetsbaarheid van dit product moet er voorzichtig gewerkt worden.


2.3 Prijzen en coderen

In de winkel moeten producten geprijsd zijn.  Dit geldt niet voor kunst, antiek, onroerend goed, tweedehands artikelen, bont en edelmetalen.
Dit prijzen kan op het schap, op een verzamellijst of op het product gebeuren.
Prijzen gebeurt door de fabrikant of de detaillist.
Naast prijzen staan er vaak andere codes op de producten.

Uitprijzen en omprijzen
Vaak wordt er onderscheid gemaakt tussen voorprijzen, uitprijzen en omprijzen.
– Voorprijzen gebeurt door de leverancier.
– Uitprijzen wil zeggen dat nieuw binnengekomen artikelen van een prijsaanduiding worden voorzien.
– Omprijzen wil zeggen dat men de verkoopprijs verandert. Opprijzen is omhoog; afprijzen is omlaag. Opprijzen komt bijvoorbeeld voor bij planten die door groei in waarde gestegen zijn. Als opgeprezen planten verkocht worden levert dit een stukje vergoeding op voor extra kosten. Afprijzen komt voor bij opruiming, kwaliteitsvermindering, verstrijken van de houdbaarheidsduur  en aanbiedingen. Het leidt altijd tot een stukje derving. Afprijzen gebeurt soms in overleg met de leverancier.

Eisen
Aan het prijzen van producten stelt men de volgende eisen:

– De verkoopprijs moet in euro’s zijn;
– De prijs moet duidelijk leesbaar zijn;
– de eenheid waarvoor de prijs geldt moet duidelijk staan aangegeven;
–  de prijs is inclusief BTW

Bepalen van de verkoopprijs

Op het moment dat men een prijsaanduiding gaat aanbrengen staat de inkoopprijs vast. In veel gevallen heeft de bedrijfsleiding opdat moment bepaald hoe hoog de verkoopprijs moet worden. Ook komt het voor dat de medewerker zelf de verkoopprijs moet bepalen. Hierbij zal deze uitgaan van de richtlijnen van het bedrijf. Deze richtlijnen kunnen erg divers zijn. Bijvoorbeeld:

  • Het bedrijf hanteert richtprijzen.

In dit geval hebben een aantal producten vaste prijzen. Als er vergelijkbare producten binnenkomen zullen deze eenzelfde prijs krijgen.

  • Bruto winst staat vast.

Bruto winst ofwel opslag is het verschil tussen inkoopprijs en verkoopprijs. Bij het bepalen van de verkoopprijs vermeerdert men de inkoopprijs met het bruto winstpercentage ofwel opslagpercentage. Om het verschil tussen ontvangen en betaalde BTW te compenseren rond men daarbij ruim naar boven af. Vaak hanteert men voor risicovolle producten een hoger winstpercentage dan voor minder risicovolle producten. Bij levende producten gaat men vaak uit van een bruto winstpercentage tussen 100% en 150%. Omdat, met name levende, producten erg heterogeen kunnen zijn zie je,binnen een partij, vaak dat het ene product iets lager geprijsd wordt dan het andere product.

  • Uitgaan van seizoensprijzen.

In periodes met veel vraag en weinig aanbod hanteert men hoge prijzen en in periodes met weinig vraag en veel aanbod hanteert men lagere prijzen. Bij bloemen en planten gebeurt dit vanzelf als je, bij het bepalen van de verkoopprijs uitgaat van de inkoopprijs. Dit zie je bijvoorbeeld in de zomerperiode bij snijbloemen.

Een andere vorm van seizoensprijzen is “uitverkoop”.

  • Uitgaan van psychologische prijzen.

Psychologische prijzen zijn prijzen die gevoelsmatig lager lijken dan ze zijn. Zo klinkt €0,98 goedkoper dan €1,00 en twee voor €5,00 goedkoper dan een voor €2,50.

Manieren van prijzen
Bij het aanbrengen van prijsaanduidingen gaat men zeer doordacht te werk.
Elk bedrijf zoekt naar een methode die voor het bedrijf praktisch is en die de klant voldoende duidelijkheid biedt. De wijze waarop het bedrijf geautomatiseerd is speelt daarbij een belangrijke rol.
Vaak zie je dat een bedrijf meerdere methodes naast elkaar toepast. Zo gebruikt men bijvoorbeeld voor aanbiedingen opvallende posters met een grote stopkracht. Door deze posters regelmatig van vorm en plaats te verwisselen voorkomt men gewenning.

Naast posters komt men vaak de volgende methoden van prijzen tegen:

* stickers
Stickers zijn prijsetiketten die op de producten worden geplakt. Soms zijn ze erg klein en staat er enkel een prijs op. Ze worden ook gebruikt voor het aanbrengen van barcodes. Steeds vaker wordt er productinformatie op aangebracht. Dit kom je bijvoorbeeld tegen bij kamerplanten.

* Schapstickers en schapkaarten

Schapstickers zijn prijsetiketjes die op het schap wordt geplakt. Schapkaarten worden in het schap geschoven. Op deze stickers en kaarten staat naast de prijs productinformatie.

* Prijskaarten
Prijskaarten worden bij de producten geplaatst. Vaak staan ze in speciale kaarthouders of hangen ze aan het rek of plafond. Meestal zijn ze in huisstijl en komen ze ook terug in advertenties e.d. Ze zijn erg geschikt voor aanbiedingen.

* Stempels
Het nadeel van verplaatsbare stickers kan men in sommige gevallen vervangen door stempels. Je komt deze manier van prijzen bijvoorbeeld tegen op blikken.

* Verzamellijsten
Verzamellijsten worden vaak opgehangen bij artikelen waarbinnen veel te kiezen valt. Ze bieden de consument de mogelijkheid om de mogelijkheden en prijzen in een oogopslag te vergelijken.

* Etiketten
Prijsetiketten worden aan producten gehangen of bij producten gestoken. We komen ze in allerlei variaties tegen. Ze worden veel gebruikt bij buitenplanten. Kleurcodes geven extra mogelijkheden tot prijzen en informeren.
Een bijzondere vorm is het kimball-kaartje. Dit ponskaartje wordt veel gebruikt bij kleding. Het wordt bevestigd met een dun nylon draadje. Dit schiet men met een ridderspoor door de stof.

* Voorgedrukte prijzen
In enkele gevallen worden producten door de fabrikant voorzien van een prijsaanduiding. Daarnaast zijn praktisch alle producten voorzien van een barcode. Deze kan gebruikt worden als prijsaanduiding.

* Krijtbord
Krijtborden kom je vaak tegen bij buitenpresentaties. Ze zorgen voor een persoonlijk karakter.

Hulpmiddelen bij het prijzen
Er zijn diverse hulpmiddelen om de prijzen aan te brengen. De meest voorkomende zijn:

– prijzentang
– ridderspoor Soort pistool voor nylon koortje
– stempelmachine
– etiketteermachine
– viltstift
– computer-printer
– Stempels

De keuze hangt nauw samen met de wijze van prijzen

Uitprijsregels
Als winkel kun je eindeloos variëren in het aanbrengen van prijsaanduidingen. In veel winkels en winkelketens heeft men afspraken gemaakt over de wijze van prijzen en de plaats van prijzen. Klanten en medewerkers hoeven dan niet te zoeken naar de prijsaanduiding. Daarnaast zou het erg slordig uitzien als elk product anders geprijsd was. Hieronder staan een aantal voorbeelden van afspraken met betrekking tot het aanbrengen van prijsaanduidingen:

– het prijsetiket mag product niet beschadigen
– stickers mogen niet gemakkelijk te verwisselen zijn
– de gebruiksaanwijzing en streepjescodes moeten leesbaar blijven
– een etiket per artikel
– etiket netjes aanbrengen
– alle producten op dezelfde manier prijzen

Verder zijn er voor praktisch elk product wel regels afgesproken. Als een product fout geprijsd is en de klant kan zien dat de prijs niet in overeenstemming is met het artikel, is de prijs ongeldig.

Coderen en automatiseren
Het automatisch verwerken van producten heeft ertoe geleid dat praktisch elk product een of meer codes bevat.

 Voordelen van coderen en automatiseren zijn:
– eenvoudige en snelle verwerking van gegevens
– minder kans op fouten
– goederen zijn te volgen
– geautomatiseerd prijzen
– uniformiteit in coderen
– koppeling van het systeem van de winkel aan het systeem van de leverancier
– snel afrekenen bij de kassa
– informatie over het artikel is snel op te roepen. (voorraad, inkoopprijs, leverancier, onderdelen, prijs enz.)
– opsporen van derving 

Nadelen van coderen en automatiseren zijn:
– hoge kosten
– vakkennis nodig
– afhankelijkheid
– fouten kunnen grote gevolgen hebben 

Diverse codes
Hieronder zie je een aantal voorbeelden van codes zoals je deze kunt tegenkomen.

Diverse coderingen op een product; eigen codes en uniforme codes
Amerikaanse codering (UPC-code met 12 cijfers) en Europese codering (EAN-code met 13 cijfers)

 

 

 

 

 

 

Om de kans op leesfouten zo klein mogelijk te maken werkt men vaak met BAR-codes. Getallen zijn dan omgezet in streepjes.
We kunnen de codes als volgt ordenen:

Uniforme codes:
– EAN (Eurpees) en UPC (Amerikaans)
– OCR: manier om cijfers en letters te lezen. Bekend van de scanner thuis.

Eigen codes bijvoorbeeld:
–     source-codering op levende producten die regelmatig van prijs wisselen. Bijv op de veiling en in een tuincentrum.
–     Electronic Data Intercange (EDI-codering).
Voorraadsysteem van de winkel is via de computer gekoppeld aan de leverancier. Bestellingen kunnen automatisch verlopen. Alleen voor grote bedrijven.
–     PLU-code
Elk artikel heeft een code die door de computer wordt herkend. Wordt gebruikt voor elke handeling. Kassa’s met een PLU-toets zoeken het artikel op prijzen dit automatisch en benoemen het.
–  Eigen BAR-code
In een BAR-code zijn cijfers omgezet in een streepjescode. Hierdoor worden er minder scanfouten gemaakt dan bij het lezen van cijfers met OCR. Diverse software bedrijven kunnen producten leveren voor een eigen codering.

Het coderen kan op elke plaats in de keten gebeuren. Meestal bij de fabrikant.  Hiervoor is software nodig. Als je lid bent van het EAN-codesysteem ontvang je deze software met een eigen nummer.

Betekenis van de 13 cijfers van de EAN-codering: bijv. 87 19400 00 527 1
– 87: landaanduiding (hier Nederland)
– 19400: nummer van de leverancier (hier POKON & CHRYSAL)
– 00527; artikelnummer. 00 wordt automatisch door de computer aangemaakt; 527 door de leverancier
– 0; controlecijfer. Geeft bijv. aan waarop de code gecontroleerd is.

3 Productverwerking en milieu
De drang naar efficiëntie draagt het gevaar met zich mee dat  er weinig aandacht overblijft voor milieuaspecten. Dit terwijl juist de detailhandel veel mogelijkheden biedt om mee te werken aan een beter milieu.

Hieronder staan voorbeelden van mogelijkheden:
* Kies zo mogelijk voor milieuvriendelijke producten.

Veel milieuvriendelijke producten dragen een keurmerk. Zo kennen we bijvoorbeeld:

– Het EKO-keurmerk
Dit geldt voor producten uit de biologische landbouw.

 

– De Stichting Milieukeur
Deze stichting ontwikkelt eisen waaraan een product moet voldoen om het milieukeurmerk van deze stichting te dragen. De controle heeft betrekking op de milieubelasting van het hele product. Ze begint bij het maken en eindigt bij het afvoeren.

 

 

Het FSC-keurmerk
Dit keurmerk heeft betrekking op milieuvriendelijk geproduceerd hout. Het gaat daarbij zowel om buitenlands hout als om inlands hout.  In Nederland zijn inmiddels meer dan 200 bedrijven met een eigen milieukeurmerk.

 

 

* Ga bewust om met verpakkingsmaterialen.
Ontvangen verpakkingsproducten kun je gescheiden verzamelen en afvoeren of hergebruiken om producten van klanten te verpakken. Vaak kun je verpakkingsmaterialen teruggeven aan de leverancier. De massa van afvalverpakking kun je verkleinen door dit samen te persen. Pak verkochte producten zo milieubewust mogelijk in. Zo worden er bijvoorbeeld meer draagtassen uitgedeeld dan klanten wensen.

* Ga zuinig om met energie.
Dit kan bijvoorbeeld door verlichting en andere apparaten uit te schakelen als ze niet nodig zijn. Het verhaal dat het in- en uitschakelen van lampen meer energie kost dan het aanlaten is allang achterhaald. Ook het openlaten van deuren terwijl de verwarming brandt komt te veel voor. Automatische deuren kunnen een aanzienlijke energiebesparing geven. In kassen kan men ’s nachts de scherminstallatie sluiten.

* Geef goede consumentenvoorlichting.
Als een klant informatie vraagt over producten kun je in het antwoord de milieuaspecten betrekken. Zo kun je erop wijzen dat er milieuvriendelijk alternatieven bestaan en dat een product met het KCA (klein chemisch afval)-symbool niet in de afvalbak mag belanden.

* Neem restproducten als batterijen terug.
Hoe gemakkelijker je het de klant maakt om producten verantwoord af te voeren hoe eerder hij er gebruik van zal maken.

4      Stappenplan controleren en verzorgen binnengekomen producte

 

 

 

 

Stap Wat te controleren Opmerkingen
1. Bepaal samen met je leidinggevende per product of per leverancier wat het eerst uitgepakt en gecontroleerd wordt om vervolgens de winkel klaar te maken
2. Kijk of de juiste aantallen zijn binnengekomen Tel per product de aantallen en controleer met behulp van de pakbon
3. Kijk of het product van de juiste maat en kleur is Controleer of het juiste product volgens de pakbon is geleverd
4. Kijk of de zending klopt met de pakbon Geef op- of aanmerkingen zo spoedig mogelijk door en noteer ze
5. Kijk of er oneffenheden zijn Controleer op breuk, beschadigingen of productiefouten
6. Pak de producten verder uit en zet ze overzichtelijk neer Sorteer per product
7. Prijs de producten, overleg de verkoopprijs van het product met je leidinggevende Bepaal welk prijsetiket of op het artikel komt
8. Informeer hoeveel van deze artikelen in de winkel komen
9. Informeer hoe de artikelen in de winkel gepresenteerd moeten worden Informeer naar soort opstelling van het artikel
10. Sla de rest van de artikelen die achterblijven op in het magazijn Informeer waar en hoe de overige artikelen in het magazijn opgeslagen worden
11. Ruim verpakkingsmaterialen op Sorteer de verpakkingsmaterialen en voer deze af
12. Verzorg de producten wanneer ze in de winkel staan Stof de producten af met een vochtige doek, wanneer dat nodig is (als ze vuil zijn)

 

 

Verduurzamen van hout

Inleiding
De levensduur van Europees tuinhout is beperkt. Toch kun je het langer als tuinhout gebruiken door het te verduurzamen. Verduurzamen van hout is een methode waarbij je het hout meestal inwendig behandelt zodat het bestand is tegen allerlei vormen van aantasting.

1 Aantasting en bederf
Er zijn vier verschillende factoren waardoor aantasting kan optreden:

  • vocht;
  • schimmels en insecten;
  • zuurstof;
  • (hoge) temperatuur.

2 Verduurzamen
Hout kun je niet zomaar verduurzamen. Eerst moet je het hout:

  • drogen;
  • ontdoen van bast- en schorsresten;
  • alle houtverbindingen en boorgaten aanbrengen, zodat deze bewerkingen de verduurzaming niet (gedeel- telijk) ongedaan maken.

Om hout te verduurzamen kun je kiezen voor verschillende methoden.
Je kunt onder andere kiezen voor:

  • de Vacuümdrukmethode;
  • de Bespuit- of bestrijkmethode;
  • Drenken;
  • Dompelen.

2.1 Vacuümdrukmethode
Bij de Vacuümdrukmethode plaats je het hout in een grote metalen cilinder (tot vierentwintig meter lang en twee meter breed) waar je de lucht uit haalt (vacuüm). Zo’n cilinder heet een autoclaaf. Wanneer het vacuüm bereikt is, giet je het verduurzamingsmiddel in de autoclaaf en voer je de druk op tot ongeveer tien atmosfeer.
Zo pers je het verduurzamingsmiddel in het hout. Na afloop trek je de autoclaaf weer vacuüm om al het over- tollige middel terug in de voorraadtank te laten stromen. De tijd dat het hout in de autoclaaf ligt, is afhankelijk van de houtsoort. Deze manier van verduurzamen is verreweg de duurste, maar geeft ook het allerbeste effect. Vrijwel alle bedrijven passen deze methode toe. Als je het hout na het impregneren geforceerd droogt, zorg je er voor dat het middel ‘op zijn plaats blijft’.

2.2 Bespuit- of bestrijkmethode
Bij de Bespuit- of bestrijkmethode bespuit of bestrijk je het hout met het verduurzamingsmiddel. Dit kan de klant zelf doen maar is een minder goede methode. Met deze methode kun je namelijk scheuren en naden  niet  verduurzamen,  omdat  je  ze  niet  of  onvoldoende  met  het  middel  kunt  bewerken.  Omdat  deze scheuren en naden niet verduurzaamd zijn, kunnen hier gemakkelijk micro-organismen, schimmels en insecten naar binnen. Bedrijven gebruiken deze methode niet.
De Bespuit- of bestrijkmethode lijkt op verven of lakken. Dit zijn echter geen verduurzamingsmethodes.

Je kunt hout behandelen met:
a) Dit is speciale beits voor onderhoud van verduurzaamd hout (hout dat is behandeld);
b) Dit is speciale verfbeits die het hout beschermt tegen weersinvloeden en het bovendien een andere kleur geeft
c) Deze gaat het vergrijzen van teakhouten meubelen en andere hardhoutproducten tegen
d) verf

Met tuinbeits, tuindecoratiebeits en teakolie houdt het hout zijn natuurlijke uitstraling. Met verf kan het  hout  elke  gewenste  kleur  krijgen  maar  de  structuur  van  het  materiaal  wordt onzichtbaar

2.3 Drenken
Bij de methode Drenken dompel je het te verduurzamen hout onder in een bak met verduurzamingsmiddel. Hierbij geldt de vuistregel dat voor iedere centimeter dat het hout dik is, het hout 24 uur ondergedompeld moet blijven met een maximum van zeven dagen. De kern van het hout zul je met deze methode nooit bereiken. De methode Drenken geeft niet zo’n diepe indringing als de vacuümdrukmethode. Bij een dwarsdoorsnede zul je dan ook zien dat het middel lang niet helemaal is ingedrongen.

2.4  Dompelen
De methode Dompelen is een makkelijke methode. Bij deze methode dompel je het te verduurzamen hout in een bak. De dompeltijd varieert tussen de tien en twintig minuten. Doordringing naar de diepere houtdelen is niet mogelijk.

2 Verduurzamingsmiddelen

Het impregneren of verduurzamen van hout gebeurt met chemische middelen. Deze middelen bestrijden de schimmels die houtrot veroorzaken. De chemische middelen moeten lang werken om de schimmels tegen te houden. Het zijn dan ook middelen die langzaam afbreken. Ze zijn daarom milieubelastend.
Welke middelen je mag gebruiken bepaalt het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB). Dit college  is  aangesteld  door  de  overheid  en  toetst  de  bestrijdingsmiddelen  op  hun  toelaatbaarheid.  Punten waarmee het college rekening houdt zijn milieu en volksgezondheid.
Het CTB test zowel nieuwe als reeds eerder toegelaten middelen. De eisen die de overheid stelt, veranderen immers en worden steeds zwaarder. Naast de overheid stellen ook de milieubeweging en de consumentenbond steeds hogere eisen.
Sinds januari 2000 zijn de toelatingsregels weer verzwaard en heeft het CTB een aantal middelen verboden. De verduurzamingsmiddelen mogen nu geen koper, chroom en arseen meer bevatten en ze mogen niet meer gebruikt worden voor de verduurzaming van hout dat bestemd is voor de consument en dat in contact kan komen met de grond, het grondwater of het oppervlaktewater. Handel in en import van verduurzaamd hout is echter nog steeds toegestaan. Ook mogen de impregneerbedrijven doorgaan met het produceren van verduurzaamd hout voor de buitenlandse markt, dus voor de export. Mogelijk worden de regels nog aangescherpt.

De verduurzamingsmiddelen die het CTB sinds januari 2000 heeft verboden, zijn:
Wolmanzouten.
Dit zijn mengsels van koper- en chroomverbindingen aangevuld met arseen, borium, fluor of zink. De wol- manzouten geven het hout de groen-blauwe kleur. Deze middelen bevatten zware metalen en zijn schadelijk voor het milieu.
Creosootolie.
Dit is een destillaat uit steenkoolteer; een middel dat nog maar weinig werd toegepast en al eerder is verboden door het CTB. Met creosootolie verduurzaamd hout heeft een bruine kleur, is vettig en ruikt rokerig.
Carbolineum.
Dit middel lijkt op creosootolie en werd net zoals creosootolie al eerder verboden door het CTB. Bij behan- delingen met carbolineum wordt alleen de oppervlakte bewerkt. Een voordeel van het gebruik van carbolineum is dat droogtescheuren en naden bij deze methoden ook goed worden verduurzaamd.

3 Milieuproblemen (impregneren)
Verduurzamingmiddelen kunnen uitlogen in het milieu. Uitloging is het proces waarbij stoffen uit het hout ontsnappen en terechtkomen in de lucht, het water of de bodem. Deze stoffen zoals arseen, koper en broom zijn slecht afbreekbaar en schadelijk voor bodem- en waterorganismen. De mate van uitlogen van deze stoffen is afhankelijk van hoe goed het verduurzamen is gebeurd.
Het afval van verduurzaamd hout kun je niet zo maar afvoeren. Het storten van dit afval is niet mogelijk door het  proces  van  uitloging van  gevaarlijke  stoffen.  Ook  kun  je  het  afval  niet  zonder  meer  verbranden,  omdat daarbij schadelijke stoffen kunnen vrijkomen. Het is vanwege deze schade aan bodem- en waterleven en de bedreiging  van  de  gezondheid  van  mens  en  dier  dat  de  milieubeweging  en  de  consumentenbond  al  jaren pleiten voor een totaal verbod op verduurzamingsmiddelen.

4 Zonder chemicaliën
Het  is  ook  mogelijk  hout  te  verduurzamen  zonder  het  gebruik  van  chemicaliën  Voorbeelden  van  dergelijke methoden zijn:

  • de Stellac-methode;
  • de PLATO-methode;
  • de Perdure-methode.

4.1 Stellac-methode
Bij de Stellac-methode maak je het hout duurzaam door stoffen die van nature in het hout zitten op een of andere manier te laten reageren op warmte. De duurzaamheid van Stellac-hout is te vergelijken met Bangkirai en Azobé (duurzaamheidklasse 1 en 2). De Stellac-methode is genoemd naar het Finse bedrijf Stellac Oy dat de methode heeft ontwikkeld.
4.2 PLATO-methode
De PLATO-methode is weer heel anders. PLATO staat voor het Providing Lasting Advanced Timber Option- proces. Vertaald betekent dit zoveel als voorzien in een blijvend goed soort hout. In het PLATO-proces wordt hout in een waterige oplossing onder hoge temperatuur en druk verdicht waardoor de hardheid en duurzaamheid van het hout worden vergroot. De PLATO-methode duurt vier tot zes uur, afhankelijk van het soort hout. Daarna start het drogen dat enkele dagen kan duren. Na de eerste verhitting vindt een tweede verhitting plaats. Het hout wordt ongevoelig voor schimmels en insecten. Net als hardhout valt met de PLATO-methode behandeld hout onder de duurzaamheidklasse 1 en 2. Het effect van het PLATO-proces op het milieu lijkt gunstig ten opzichte van andere verduurzamingmethoden. Je gebruikt bij deze methode geen schadelijke chemicaliën. Daarnaast is de totale hoeveelheid energie die je met deze methode verbruikt vergelijkbaar met het energie- verbruik van andere methoden. De productiekosten van het PLATO-hout zijn relatief hoog.
4.3 Perdure-methode
Dan bestaat er ook nog de Perdure-methode. Het Perdure-hout is gemaakt van massief hout of houtvezels. Deze grondstof ondergaat een hittebehandeling waarbij het hout vaster van structuur wordt. Het product neemt door de behandeling minder vocht op. De vorm wordt vaster: krimpen en uitzetten zijn daardoor tot een minimum teruggebracht.

5  Tropisch Hardhout
Tropisch hardhout komt van langzaam gegroeide bomen en is daardoor hard en minder gevoelig voor bederf. In dit langzaam groeien schuilt het probleem dat vervanging van bomen lang duurt. Hierdoor worden tropische bossen bedreigd.

Het tropische regenwoud vervult een aantal functies:

  • Bescherming tegen bodemerosie (bij hevige regen spoelen anders hele bodemgedeelten weg).
  • Opslag van  erfelijk  materiaal  (hierdoor  is  het  mogelijk  meer  gewassen  te  kruizen  en  is  er  meer  erfelijk materiaal).
  • Opslag van geneeskundige planten;
  • Herbergen van soms nog onbekende dier- en plantensoorten.
  • Leefgebied voor mensen die daar al jaren leven.
  • Economische waarde (het hout brengt geld op waar weer andere producten mee kunnen worden gekocht).

Het oorspronkelijk regenwoud, waar de mens geen invloed op heeft gehad, heeft een natuurlijk evenwicht. De plantengroei (de binding van koolstof) enerzijds en de vertering/verrotting (productie van koolstof) anderzijds vormen een evenwicht.
Het verdwijnen van de tropische bossen heeft een aantal oorzaken. De bevolkingsaanwas is groot. Mensen moeten kunnen wonen en eten. Het gevolg hiervan is uitbreiding van bestaande steden en het vestigen van nieuwe. Dit heeft weer tot gevolg dat er een toename is van de vraag naar landbouwgronden (vaak zwerfland- bouw). Daarnaast ontwikkelt de industrie zich. Voor al deze activiteiten is hout nodig, als bouwmateriaal en als brandstof. Daarbij is het landelijk inkomen vaak heel laag. De verkoop van hout is nodig om de aankoop van andere goederen te bekostigen.

International Tropical Timber Organization (ITTO)
Het verdwijnen van de regenwouden is vooral te wijten aan:

  • de stedenbouw;
  • industrie en infrastructuur;
  • de zwerflandbouw;
  • de aanleg van plantages voor bijvoorbeeld koffie en thee.

Zwerflandbouw  wordt  door  de  arme  bevolking  uitgevoerd  om  in  leven  te  blijven.  Slechts  weinig  hout  wordt gekapt voor de verkoop; het is grotendeels voor eigen gebruik. Denk maar eens aan Nederland dat vroeger een land met water en bos was. Door de bevolkingsgroei ontstaat verstedelijking. De bossen worden gekapt om plaats te maken voor de mens. De omvang van de export van tropisch hardhout is maar een fractie van de totale houtkap. Waar wel naar moet worden gestreefd, is om in goed overleg met de betreffende landen te komen tot een verantwoord bosbeheer. Dit betekent niet alleen bos kappen, maar ook de beplanting instand- houden.

Speciaal daarvoor is de International Tropical Timber Organization (ITTO) opgericht. In deze organisatie zijn producerende landen en consumerende landen vertegenwoordigd. Het doel van de organisatie is om het tropisch regenwoud niet verder te laten slinken. Duurzaam bosbeheer speelt hierbij een belangrijke rol.

6 Vervangers van tropisch hardhout
Een andere manier om het probleem van de regenwouden op te lossen is het zoeken naar mogelijke vervangers van tropisch hardhout. Er zijn genoeg houtsoorten met dezelfde natuurlijke duurzaamheid. Robinia gaat van nature net zo lang mee als tropisch hout, klasse 1 of 2, maar op dit moment is het nog niet mogelijk Robinia te leveren met voldoende lengte en dikte. Bovendien zijn er in het verleden weinig Robiniabomen aangeplant voor de houtproductie. De bomen zijn pas na ongeveer veertig jaar volgroeid en geschikt om te worden verzaagd. Op dit moment worden de bestaande soorten geselecteerd op groeisnelheid om zo in kortere tijd meer volgroeide bomen te krijgen. Maar het duurt nog enkele jaren voordat dit effect heeft.

Tuinverlichting

Inleiding
De tuin vormt steeds meer een eenheid met het woonhuis. In de tuin wordt dan ook geleefd zoals er binnen geleefd wordt. Tuinverlichting is een van de middelen om dit te realiseren.
Bij tuinverlichting heb je te maken met energievoorziening, lichtbronnen, stijlen, materialen, toepassingsmogelijkheden en allerlei hulpmaterialen.
Voor alles geldt dat er meerdere mogelijkheden zijn. Op een aantal van deze aspecten zullen we ingaan.

1      Geschiedenis
Van  de  Romeinse  keizer  Nero  is  bekend  dat  hij  regelmatig feesten gaf  in  zijn  tuinen. Tijdens  deze  feesten waren die tuinen verlicht met fakkels. Tot ver in de Middeleeuwen maakte men gebruik van eenvoudige olielampjes.  De olie voor deze lampjes werd geperst uit zaden. Een pit, meestal in een tuit, zoog de olie op uit een reservoir. Deze pit kon je aan het uiteinde aansteken. Later  slaagde  de  kaarsenindustrie  erin  de  olie  uit  het  schapenvet  en  rundervet  te  scheiden  van  de  vaste bestanddelen.
Het gebruik van petroleum in de negentiende eeuw leidde tot een betere verlichting met eenvoudigere lampen. Op het einde van de negentiende eeuw kwam ook de gasverlichting in gebruik. Ook werd in deze periode de booglamp uitgevonden: een lamp waarin men elektrische vonken laat overspringen tussen koolspitsen waardoor een fel wit licht ontstaat.
In 1879 maakte Edison een bruikbare gloeilamp. Deze lamp heeft langzamerhand alle andere vormen van verlichting verdrongen.

Nog altijd kun je ervoor kiezen om je tuin te verlichten met fakkels, maar gelukkig zijn er tegenwoordig ook veiligere manieren te vinden. Verlichting in een tuin was in eerste instantie praktisch. Zo kon je na zonsondergang zien waar je liep. Misschien is in de tijd van de Romantiek, toen er veel aandacht was voor natuurbeleving, meer aandacht gekomen voor verlichting van de tuin zelf. Door een uitgekiende verlichting kun je namelijk een sfeer creëren Je kunt spelen met lijnen en vormen. Bomen en struiken die overdag nauwelijks opvallen, kunnen in het juiste licht de tuin een heel ander aanzien geven. De laatste jaren is verlichting vooral ingezet om de veiligheid rond het huis te vergroten. Het spreekt voor zich dat je dan spreekt over kunstlicht. Niemand zou met een veilig gevoel gaan slapen als er buiten zonder enig toezicht nog fakkels branden.

2        Gebruiksmogelijkheden van tuinverlichting

2.1        Functionele tuinverlichting
Als je de tuin vergelijkt met een huiskamer zal het duidelijk zijn wat je verstaat onder functionele verlichting. Een huiskamer zonder licht is niet leefbaar. Misschien is de tuin wel zo donker dat je ’s avonds geen hand voor ogen kunt zien. Om dan zonder struikelen de weg van de schuur of de garage naar de huisdeur te kunnen vinden, heb je gewoon licht nodig. Een vaste lamp is in dit geval praktischer dan elke keer een zaklantaarn meenemen.

2.2    Sfeerverlichting
Met sfeerverlichting kun je na zonsondergang zorgen voor een gezellige omgeving. Maar je kunt ook bomen, struiken of een kunstwerk uitlichten. Dit vraagt een gerichte, sterke, neutraal witte bundel. Als je ’s  avonds  enkel in  de  tuin  wilt  zitten,  dan  kan een  zacht  licht  gericht  op  de  directe omgeving voldoen. Sfeerverlichting kan tevens een functionele toepassing hebben.

2.3 Veiligheidsverlichting
Er  zijn  verschillende  manier  waarop  je  verlichting  kunt  gebruiken  als  beveiliging.  Je  kunt  bijvoorbeeld  met sensoren ervoor zorgen dat de verlichting aangaat als er iemand in de buurt van de lamp komt. Deze veiligheidsverlichting is bedoeld om eventuele indringers af te schrikken. Veiligheidsverlichting kan de bewoners er ook op wijzen dat er iets gebeurt dat niet in de haak is. In dit laatste geval is er vaak sprake van een zwaailicht gecombineerd met een alarm. Daarnaast hebben lampen op opvallende plaatsen om het huis vaak al een preventieve werking. Inbrekers kunnen overdag al zien dat ze ’s nachts beter uit de buurt kunnen blijven.

2.4    Grondspots
Bij grondspots moet je denken aan verlichting die is weggewerkt in de bestrating. Deze verlichting kan zowel decoratief als functioneel zijn. Je kunt bijvoorbeeld een sierlijke boom uitlichten met een grondsport. Dit is een voorbeeld  van  decoratief  gebruik.  Functioneel  is  de  verlichting  als  parkeervakken  of  wandelpaden  worden verlicht. Grondspots zijn uitgevoerd met extra stevig glas, omdat je er over moet kunnen lopen of rijden. Een groot voordeel van deze lampen is dat je ze mooi kunt wegwerken en dat ze overdag bijna onzichtbaar zijn, terwijl ze ’s avonds een mooi lichteffect geven. In grondspots zitten vaak vrij sterke lampen:

Bij de aanleg van grondspots moet je er op letten dat je eerst een bedje van verstevigd zand of fijn grind aanlegt waar je de spots inzet. Dit is nodig voor een goede afwatering, zodat er geen verzakkingen kunnen ontstaan. Op deze manier voorkom je ook dat het glas kan barsten doordat er een verkeerde druk op het glas wordt geplaatst. De armaturen van grondspots zijn meestal van aluminium of roestvrij staal. Daarnaast zijn goede armaturen weerbestendig.

Op alle verpakkingen van verlichting voor zowel binnen als buiten staan twee letters en twee cijfers, bijvoorbeeld IP 44. Hoe hoger het getal des te beter de armatuur bestand is tegen het binnendringen van water en stof. Bij buitenverlichting is het getal altijd hoger dan 44. Je spreekt dan over spatwaterdicht. Bij grondspots ligt de IP- waarde tussen de 65 en 67.

2.5     Onderwaterverlichting
Een lamp in een vijver kan heel decoratief zijn. Het licht trekt vissen en andere onderwaterdieren aan en door het  licht  zijn  ze  goed  zichtbaar.  Onderwater verlichting  moet  waterdicht  zijn.  Water  en  elektriciteit  kunnen gecombineerd levensgevaarlijke situaties veroorzaken.

De meeste onderwater verlichting is laagvoltage, omdat dat veiliger is voor mens en dier. Als de klant dan voor een sterke lamp kiest moet je erop wijzen dat de stroomsterkte vrij groot wordt. Om te voorkomen dat de kabel warm wordt moet hij dan een extra dikke maat gebruiken.

Het snoer en de lamp zijn vaak uit één geheel gemaakt, omdat zo de kans op lekkage minimaal is. De bijgeleverde transformator moet je zo droog mogelijk installeren. Onderwater verlichting is in vele prijsklassen te koop. Let hierbij ook weer op de IP – waarde, die hierbij geldt vanaf 80. Onder- waterverlichting is vaak uitgerust met meerdere kleurenfilters en komt het beste tot zijn recht bij bewegend water.

Je plaatst de lampen afhankelijk van de functie van de verlichting. Daarnaast wil je overdag niet de hele tijd tegen de lampen aankijken. Je zult ze daarom verdekt moeten opstellen. Maar je kunt ook kiezen voor een lamp die overdag erg decoratief is. Denk maar eens aan een ouderwetse straatlantaarn. Voor deze vorm van verlichting kan een tuinplan van bijvoorbeeld een tuinarchitect uitkomst bieden. Deze tuinarchitect bedenkt een oplossing vanuit de wensen van de klant.

3        Armaturen
Bij verlichting maak je onderscheid tussen de lamp, het glazen ding dat daadwerkelijk licht geeft en de houder waar je die lamp in plaatst, de zogenaamde armatuur. Er  is  tegenwoordig  een  enorm  aanbod  van  de  meest  uiteenlopende  modellen  en  lichtbronnen.  Vooral  de armatuur (het omhulsel) is bij deze verlichting vaak bepalend voor de sfeer. Armaturen voor tuinverlichting kunnen bijvoorbeeld gemaakt zijn van kunststof, hout, steen of metaal.
Kunststof armaturen zijn vaak zwart van kleur. De armaturen worden door ons klimaat blootgesteld aan verschillende weersomstandigheden: zomers aan warmte en het licht van de zon en in de winter aan vocht en vorst. Het kunststof moet daarom van hoogwaardige kwaliteit zijn. Vaak heeft het klimaat invloed op de hardheid van het product en breekt het materiaal eenvoudig in stukken.
Bij  houten  armaturen  heb  je  ook  te  maken  met  de  invloed  van  het  weer.  Bij  warm  weer  ontstaan  er  kleine scheurtjes. Dit komt doordat er veel vocht uit het hout verdampt: het hout krimpt. Wanneer het weer omslaat en het vochtiger wordt, verdwijnen de scheurtjes weer. Het hout zet dan uit. Dit proces heet het werken van het hout.
Bij goedkopere houtsoorten zoals grenen, vuren en beuken zal het hout na verloop van tijd gaan rotten, doordat er schimmels in de scheurtjes gaan zitten. Bij duurdere houtsoorten zoals Bangkirai en tropisch hardhout treedt vrijwel geen rotting op. Het enige probleem bij deze duurdere houtsoorten is de verkleuring van het hout. Het hout wordt door weersinvloeden grijs van kleur. Sommige mensen vinden dit echter juist mooi. De verkleuring is tegen te gaan door het hout met oliën en andere middelen te behandelen.
Voor metalen armaturen geldt hetzelfde als voor kunststof armaturen. Het klimaat in Nederland tast de producten snel aan. De producten moeten daarom van hoogwaardig materiaal zijn gemaakt.

Krijgt  bijvoorbeeld  gietijzer  niet  een  laatste  harde  afwerklaag,  dan  zal  het  gietijzer  snel  gaan  roesten.
Veel voorkomende metalen zijn:
koper;
roestvrijstaal;
aluminium;
zink (lantarens);
gietijzer.

4       Elektriciteit
Bij tuinverlichting  wordt gebruik gemaakt van elektriciteit. Deze wordt geleverd door het net of door de zon.

Begrippen waarmee je te maken hebt zijn:
a) Spanning:  de eenheid hiervoor is Volt
b) Stroomsterkte: De eenheid hiervoor is Watt
c) Weerstand: de eenheid hiervoor is Ohm
d) Vermogen: De eenheid hiervoor is Watt

4.1     Spanning
Deze geeft het drukverschil aan tussen de  + en de -. Hoe groter het drukverschil, des te hoger wordt de spanning.

4.2       Stroomsterkte
Deze geeft aan hoeveel deeltjes er per seconde door een draad stromen.  Je kunt het vergelijken met een hoeveelheid water die door een tuinslang stroomt.
Niet alle apparaten die stroom gebruiken, hebben evenveel nodig. Als je de stroomsterkte zou aanpassen, zou je echter knipperende verlichting krijgen. Dat is niet erg handig. Vandaar dat je werkt met zogenaamde weerstand.

4.3     Weerstand
Deze geeft aan hoe moeilijk of gemakkelijk de deeltjes door een draad stromen. Wanneer de stroom gelijk blijft bij een groter wordende weerstand zal het voltage omhoog moeten.

4.4     Vermogen
Een ander begrip dat je veel tegen zult komen als het gaat over elektriciteit, is Vermogen. Vermogen is de elektrische energie die een apparaat gebruikt uitgedrukt in Watt. Dit is voltage x stroomsterkte.

4.5     Soorten stroom
In Nederland kennen we drie soorten stroom:
a) Zwakstroom. Dit is lager dan 110 volt. Zwakstroom kun je gebruiken voor veiligheidsapparatuur, maar ook voor tuinverlichting en vijververlichting. Door het lagere voltage is het gebruik van deze stroom veiliger.
b) Netspanning  van 230 volt (hetzelfde als 220 volt). Deze soort stroom kun je gebruiken voor kleine huishoudelijke apparaten, tuinverlichting en machines.
c) Sterkstroom of krachtstroom van 380 volt. Deze vorm van stroom kun je gebruiken voor machines die een hoger voltpercentage nodig hebben.

4.6     Veiligheid
Als er te veel stroom door een draad gaat kan deze doorsmelten of brand veroorzaken. Om dit te voorkomen zijn installaties beveiligd met zekeringen.
Vroeger werden hiervoor zogenaamde stoppen of smeltzekeringen gebruikt. Bij een te groot stroomgebruik smelt de zilverdraad in zo’n stop door en valt de stroom uit. Maar de ouderwetse stoppenkasten worden steeds vaker vervangen door installatieautomaten. Deze automaten beveiligen zichzelf tegen een te hoog stroomgebruik. Na kortsluiting hoef je de zekering niet te vervangen. Door de zwarte knop in het midden van de automaat in te drukken zal de stroom weer normaal gaan stromen.

aardlekschakelaar

Verder gebruikt men een aardlekschakelaar.  Deze vergelijkt de stroom die bij de bron vertrekt met de stroom die terugkomt. Is daar verschil tussen dan betekent dit dat er ergens stroom weglekt. Dit kan gevaarlijk zijn. De aardlekschakelaar springt dan uit.

4.7     Aanleggen van kabels en leidingen
Tuinverlichting wordt veel toegepast. Het aantal mogelijkheden neemt snel toe. Zo zie ja steeds meer spotlights op de vijver en steplights. De installatiematerialen worden in tuincentra en bouwmarkten volop aangeboden.

Een particulier mag kabels en leidingen aanleggen, maar een erkend installateur moet de aansluiting op de meterkast maken. Om dit te omzeilen beperken particulieren zich vaak tot lampen die aan de muur bevestigd worden of maken ze  vaak gebruik van een laagspanningsinstallatie.
Bij een laagspanningsinstallatie zet een transformator de 220 volt om in 12 volt (laagvoltage). In tuincentra zijn hiervoor speciale transformators voor te koop.

De voordelen van laagvoltage zijn:
– laag energieverbruik
– veiliger
–  gemakkelijker in de aanleg.

Voordat je een spade in de grond zet, moet je weten of er bestaande kabels en leidingen in de tuin lopen. Deze moet je eerst opsporen om ongelukken te voorkomen. Neem hiervoor contact op met het Kabels en Leidingen Centrum (KLIC). Vraag ook de ‘huisaansluitingen’ op.

Bij 220 volt leg je speciale grondkabels (met metalen mantel) in de sleuf. Voor een stopcontact maak je een lus in de kabel. Zo is er voldoende ruimte om het stopcontact te monteren.

Grond- en buitenkabel                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     

De bedrading van een buitenlamp bestaat uit drie of vier soorten installatiedraad. Deze draden hebben alle vier  een andere kleur. De draden hebben de kleuren:
blauw;
bruin;
zwart
groengeel.

Bruin  is  de  fase.  Dit  is  de  stroomaanvoer.
Blauw  is  de  nuldraad.  Dit  is  de  stroomafvoer.
Zwart is de schakeldraad. Deze vervangt de bruine draad achter de schakelaar.
Groengeel  is  de randaarde. Deze draad staat in contact met de aarde. Wanneer er stroom op de armatuur komt te staan, zorgt de geelgroene rand aarde draad ervoor dat de stroom wordt afgevoerd naar de aarde. Dit is dus een soort veiligheidsdraad.

Buitenlampen met metalen armaturen die door het metaal eenvoudig stroom geleiden, moet je altijd aarden. Bij kunststof armaturen is dat niet nodig. Kunststof geleidt geen stroom. Alle elektrische aansluitingen in natte ruimten (bijvoorbeeld een badkamer) moet je met geaarde bedrading aanleggen.

kabeldoos

Voor het aan elkaar maken van kabels heb je lasdoppen en spatdichte kabeldozen nodig.  Als je met een schakelaar werkt gaat er een bruine draad naar de schakelaar en een zwarte draad van de schakelaar naar de lamp.

 

 

 

Kabels worden vastgezet met zadeltjes.

 

 

 

Kroonsteentjes  heb  je  nodig  om  de  bedrading  van  de  armatuur  aan  te  sluiten  op  de  bedrading  van  het lichtnet.
Bij laagspanning is montage eenvoudiger. Een lichtere kabel is voldoende. Raadpleeg de handleiding in de verpakking.

 

5       Solar verlichting
Als lampen op zonne-energie werken spreekt men over solarverlichting. Overdag laden zij  op en als het donker wordt, schakelen zij zichzelf aan dankzij de automatisch lichtsensor .
Hij is geheel draadloos.

Zonne-energieverlichting kun je eigenlijk alleen ’s zomers gebruiken. ’s Winters laadt de batterij vrijwel niet op.

Je kunt de lamp dan beter naar binnen halen. Wanneer het buiten weer wat lichter is, kun je de lamp naar buiten doen. Na twee dagen kun je de batterij via een schakelaar weer aanzetten. De zonnecellen zullen niet snel slijten. Helaas doet de batterij dat wel.

De lichtopbrengst van een zonne-energielamp is vergelijkbaar met een gloeilamp van 10 Watt. Het licht straalt niet ver uit en je kunt er niet bij lezen. Tuinverlichting op zonne-energie kun je gebruiken als sfeerverlichting en voor het markeren van paden.

 

Voordelen

Zonne-energieverlichting heeft een aantal voordelen:
a) Het is milieuvriendelijk en goedkoop. De lamp laadt zich overdag op en gaat ’s avonds aan.
b) Het is een oplossing voor de plekken in de tuin waar je moeilijk met elektriciteit kunt komen.
c) Er zijn geen stroomkosten.
d) Er hoeft geen bekabeling naar toe.
e) Het is veilig.

Nadelen

Naast voordelen heeft zonne-energieverlichting helaas ook nadelen:
a) De aanschaf van de goede zonne-energielampen is duur.
b) Ze zijn kwetsbaar.

6       Lampen
Naar lampen kun je op verschillende manieren kijken. Zo zal de een een lamp kiezen om zijn gemak, uiterlijk of materiaal terwijl de ander het energiegebruik veel belangrijker vindt.

6.1     Netstroom lampen
We gaan uit van:
– Een staande tuinlamp voor 230 Volt.
– Tuinlampen die bestaan uit een voet, een staander en een lichtbron.

Vaak is de voet één geheel met de staander. Dit zorgt voor een stevige constructie. Je moet de lamp echter nog wel op een andere ondergrond bevestigen. Deze ondergrond kan bijvoorbeeld een tegel zijn. Het voordeel van een tegel is dat de lamp nog steeds verplaatsbaar is. De staander is bedoeld om hoogte te krijgen. De staander is meestal hol van binnen, omdat hij anders te zwaar wordt. Bovendien kun je de bedrading zo onzichtbaar maken. De kap kun je meestal loshalen van de rest van de constructie, zodat je de lichtbron kunt aansluiten of vervangen.

 

Als lichtbron kun je verschillende soorten lampen gebruiken. De meest voorkomende zijn:

een gloeilamp;
een spaarlamp;
een halogeenlamp (spaarlamp);
een tl-buis (fluorescentie buis).
een LED-lamp

Gloeilampen en halogeenlampen hebben een laag rendement en worden steeds minder gebruikt.
Spaarlampen hebben een opstarttijd hetgeen nadelig is bij het gebruik van een bewegingsmelder.
Het beste voor het milieu zijn LED-lampen.

Je kunt lampen in verschillende sterktes krijgen. De sterkte van een lamp wordt in Watt weergegeven. Hoe hoger het getal, des te groter de lichtsterkte. Om tot eenzelfde lichtsterkte te komen hebben LED-lampen en spaarlampen een aanmerkelijk lager Wattage dan gloeilampen.

Lampen bevestigt men in een fitting. De maat van zo’n fitting wordt aangeduid met de letter E en het cijfer bijv. 27. Als je een lamp moet vervangen, dan staat er op het doosje van de lamp altijd de fittingmaat. In dit geval zou het E27 moeten zijn.

6.2     Zwakstroomlampen
De opbouw van een zwakstroomlamp is hetzelfde als de opbouw van een 230 volt – lamp. Het verschil zit in de stroomtoevoer en de lichtsterkte. Gewone buitenverlichting sluit je aan op het lichtnet. Hoe meer lampen je op dit lichtnet aansluit, hoe meer stroomverbruik je hebt.
Zwakstroom werkt anders. Bij zwakstroomverlichting sluit je alle lampen aan op een transformator. De transformator zet 230 volt om naar 12 volt.
Er kunnen verschillende lampen op een transformator al na gelang hoe groot die is. Bij een 100 Watt – transformator kun je bijvoorbeeld 5 lampen van 20 Watt aansluiten.
Wanneer een klant zwakstroomverlichting aanschaft, heb je altijd te maken met een complete set, die bestaat uit een transformator, kabel connectors en een aansluitkabel.

Een  transformator  zet  de  230  volt – netspanning  om  naar  een  veilige  12  volt -zwakstroom. Dit  is  een bescherming tegen kortsluiting en overbelasting. De transformators kun je in verschillende sterkten krijgen. (Ook de sterkte van transformators druk je uit in Watt.)

De aansluitkabel is een speciale kabel. De kabel is vrij plat. Dit is nodig om het aansluiten van de lampen of het verlengen van de kabel te vereenvoudigen.

Meestal hebben klanten extra losse kabels nodig om de zwakstroom buitenverlichting aan te sluiten. Er zijn losse kabels voor zwakstroom verkrijgbaar, maar let er wel op dat het om 12 volt – tuinverlichting gaat. Het is zeer vervelend als de klant thuis de lampen op de juiste plaats heeft bevestigd en de extra kabel past niet.

De  kabelconnectors  zijn  plastic  clips  met  een  koperen  binnenwerk.  Het  koperen  binnenwerk  bestaat  uit twee pinnetjes die met elkaar in verbinding staan. Bij het bevestigen van een lamp wordt de kabel op de twee pinnetjes gedrukt. De kabel maakt nu contact met het koper. Het plastic omhulsel sluit het geheel waterdicht af. Aan de lamp zit een stekker die je op de kabelconnector aansluit.

De armaturen zijn net als bij andere tuinverlichting in verschillende materialen verkrijgbaar. De meest voorkomende materialen zijn aluminium en kunststof. Als lichtbron zul je meestal een 10 watt- of 20 watt – gloeilamp of -spaarlamp gebruiken. Lampen met een hoger wattage dan 20 kun je eigenlijk niet gebruiken. Dit heeft te maken van de transformator. Een transformator heeft bijvoorbeeld 100 watt. Hierop kun je vijf lampen van 20 watt aansluiten. Gebruik je hogere wattages van bijvoorbeeld 50 watt dan zijn dit er maar twee.

7       Bewegingsmelders
Lampen met een bewegingsmelder zijn ideaal om ongenode gasten af te schikken. Vaak zijn ze geïntegreerd in de armatuur van de lamp. Ze kunnen alleen aangesloten worden op netspanning. Dit betekent bij een laagspanningsinstallatie dat je wel de hele installatie kunt bedienen maar niet een afzonderlijke lamp. Door het gebruik van bewegingsmelders is er altijd licht wanneer je naar buiten moet.

Er bestaan twee soorten bewegingsmelders: bewegingsdetectoren en warmtedetectoren. Een bewegingsdetector reageert op bewegingen, dus ook op de bewegingen van  takken  in  een  stormachtige  nacht. Een  warmtedetector  reageert  op  temperatuurschommelingen,  zoals lichaamstemperatuur. De sensoren hebben een bereik van 110 graden (dus iets meer dan een rechte hoek) tot 360 graden (rondom).

Alle lampen die je koopt, bevatten een gebruiksaanwijzing. Het is raadzaam deze gebruiksaanwijzing op te volgen als je de lamp gaat monteren. In de meeste gebruiksaanwijzingen staat dat je een bewegingsmelder het beste op twee meter hoogte kunt monteren. Door deze advieshoogte op te volgen zorg je voor een optimale reikwijdte van de detector.

Bij  een  lage  temperatuur  in  de  winter  is  de  reikwijdte  van  een  bewegingsmelder  groter  dan  in  een  warme zomernacht. Storingsbronnen die de lamp onnodig aan laten gaan moet je proberen te vermijden.

Bronnen:
Jouw portaal buitenverlichting

Tuinverharding

Inleiding
De tuin wordt steeds meer beschouwd als een verlengde huiskamer. Hierdoor kom je in de tuin veel bestratingmaterialen tegen.   Meestal gaat het daarbij om steenachtige materialen. Tuincentra spelen hierop in door het sortiment aan bestratingmaterialen continu te vergroten en bij te stellen.

1      Materialen
Als iemand zoekt naar steenachtige bestratingmaterialen kan hij kiezen tussen:
a) Beton
b) Gebakken materialen
c) Natuursteen

De uiteindelijke keuze zal bepaald worden door de smaak van de klant, de stijl van de tuin en het doel.

  • Beton
    Beton wordt gemaakt van kalk en beton. Het materiaal kan in alle vormen en formaten gegoten worden. Door het toevoegen van kleurpigmenten is het erg gemakkelijk te kleuren. De kleurvastheid valt vaak tegen. Beton wordt onder andere gebruikt voor het maken van tuinbanken, trappen, schuttingen en keerwanden. Bekend zijn ook de z.g. patiostenen.
    Voor tuinverharding kom je voornamelijk betontegels, grindtegels en betonklinkers tegen. Deze materialen worden opgesloten met trottoirbanden.

Betontegels zijn meestal vierkant; 30 x 30 cm met een gave rand. Hierop kom je variaties tegen als karteltegels, visbektegels, bisschopstegels, zestandtegels en gatentegels. Afhankelijk van het gebruik kun je kiezen voor verschillende diktes.  Betonklinkers worden vaak gebruikt voor opritten. Ook klinkers kom je in verschillende maten tegen bijvoorbeeld 20 x 10 x 8 cm.

  • Baksteen
    Baksteen wordt gemaakt van klei. Deze wordt gewonnen langs de grote rivieren. Rivierklei bakt van nature rood. Dit komt door het ijzer dat erin voorkomt. Als er kalk in de klei zit krijg je een gele kleur. Baksteen wordt in tuinen vooral gebruikt als plavuizen en als stenen. Gebakken materialen zijn kleurecht en worden door de jaren heen steeds mooier. Ze zijn  duurder als beton. Oude gebakken klinkertjes hebben mooie onregelmatig afgeronde kanten door het vele gebruik. Bij nieuwe klinkers wordt dit effect geïmiteerd: de zgn. getrommelde klinkers.

Naar de wijze van vormen kun je stenen verdelen in:
a) hand gevormd in houten bakjes
b) machinaal gevormd in houten bakken
c) machinaal gevormd met een strengpers
d) machinaal gevormd met een stempelpers

Het verschil is te zien aan de structuur van de zijkanten en scherpte van de randen. Stempelstenen bevatten altijd een fabrieksstempel. De hardheid en kwaliteit worden bepaald door de baktemperatuur. Hoe heter ze gebakken zijn hoe harder ze zijn.
Bakstenen worden vaak benoemd naar de herkomst van de klei. De maten kunnen nogal eens verschillend zijn. Bijvoorbeeld:

Naam lengte breedte dikte
Waalformaat 195 – 220 95 – 107 85 en 70
IJsselformaat 155 – 165 75 – 80 37 – 45
Vechtvorm 208 – 220 101 – 107 40,5 – 44,5
Groningse steen 240 120 60

In tuincentra krijg je vaak te maken met de vraag naar het aantal benodigde stenen. In folders van leveranciers kom je daarom tabellen tegen als hieronder:

Naam Aantal per m2 Gewicht per 1000 stenen
Klinkerkeien 47 – 50 3,6 ton
Waalvorm dik 75 2,6 ton
Waalformaat 90 1,9 ton
drieling 135 – 140 1,4 ton

In de Europese norm, de NEN-EN 771-1, kennen we de begrippen waalformaat, vechtformaat etc. niet. Deze formaataanduidingen mogen wel gebruikt blijven omdat vanuit historisch besef men dan weet over wat voor soort product men spreekt. Ten behoeve van objectieve productinformatie van de fabrikant naar de afnemer moet de fabrikant vóór de daadwerkelijke productie de gemiddelde maten van het product declareren met bijbehorende tolerantie op de gemiddelde maat alsook de maatspreiding.

  • Natuursteen
    Een groot deel van de aardkorst bestaat uit steenachtige materialen. In veel streken worden deze gedolven  en vervolgens verwerkt en bewerkt tot bouw- en bestratingmaterialen. De variatie is erg groot. Veel voorkomende steensoorten zijn: leisteen, marmer, zandsteen, tufsteen, kalksteen, graniet en basalt. Ook gedolven grind en zand zou je tot natuursteen kunnen rekenen. Natuursteen wordt bijvoorbeeld verwerkt tot  straatkeien, klinkers, tegels, steenslag en split.
Graniet

 

BRONNEN
Goeninfo
Bestraten info

Leisteen
Natuursteen startpagina

Steenplaza

Tuinhout

Inleiding
Praktisch elk tuincentra verkoop tuinhout. Door het grote assortiment en de vele toepassingen is het een van de meest veelzijdige producten uit het assortiment.
Hout is ook een moeilijk product. Dit geldt zowel voor de presentatie in de winkel als voor het geven van advies over productkeuze, houdbaarheid, bevestiging enz.

Toepassingen
Omdat hout een natuurlijk product is past het perfect in de tuin. Wel moet je extra aandacht besteden aan het verlengen van de levensduur. Deze is zonder maatregelen, afhankelijk van de houtsoort, beperkt.
Voorbeelden van toepassingen zijn tuinmeubilair, vlonders, afscheidingen, pergola’s, plantenbakken, bielzen, tuinhuizen en prielen.

Houtsoorten
Globaal kun je hout verdelen in inlands hout en buitenlands hout. Buitenlands hout komt vaak uit tropische landen, soms uit Scandinavische landen.
In het algemeen zijn inlandse houtsoorten sneller gegroeid dan tropische soorten. Dit verklaart dat tropisch hout duurzamer is dan inlands hout.  De naam hardhout suggereert een bepaalde hardheid. In werkelijkheid slaat het op loofhout.
Tropisch hardhout heeft een goede kwaliteit maar er kleven veel bezwaren aan.
Het belangrijkste bezwaar is het verdwijnen van het tropisch oerwoud waardoor de adsorptie van koolzuurgas en de productie van z uurstof afnemen. Ook heeft het gevolgen voor de biodiversiteit, bodemerosie en klimaatverandering.

De meeste tuincentra verkopen alleen FSC gecertificeerd hout. FSC staat voor verantwoord beheer en behoud van bossen. FSC heeft regels opgesteld voor goed bosbeheer. In bossen waar die regels worden toegepast, wordt zorgvuldig gekapt, met respect voor mensen, planten en dieren.

Een andere manier om het probleem van de regenwouden op te lossen is het zoeken naar mogelijke vervangers van tropisch hardhout. Er zijn genoeg houtsoorten met dezelfde natuurlijke duurzaamheid. Robinia gaat van nature net zo lang mee als tropisch hout, klasse 1 of 2, maar op dit moment is het nog niet mogelijk Robinia te leveren met voldoende lengte en dikte. Bovendien zijn er in het verleden weinig Robiniabomen aangeplant voor de houtproductie. De bomen zijn pas na ongeveer veertig jaar volgroeid en geschikt om te worden verzaagd. Op dit moment worden de bestaande soorten geselecteerd op groeisnelheid om zo in kortere tijd meer volgroeide bomen te krijgen. Maar het duurt nog enkele jaren voordat dit effect heeft.

Robbina houten tegel
Robina boom

 

 

 

 

 

 

Presenteren
Tuinhoutproducten worden meestal buiten gepresenteerd. Ze nemen over het algemeen veel plaats in beslag. Dat levert in de winkel vaak problemen op. Je kunt niet altijd alles uitstallen wat je hebt. Maar hout heeft ook andere kenmerken die het moeilijk maken om het te presenteren. Denk  daarbij aan de afmetingen, de kwetsbaarheid en de houdbaarheid.

Onderhoud en bescherming
Hout is een natuurproduct: het heeft geleefd en blijft werken. Dat betekent dat er met hout allerlei dingen kunnen gebeuren die je niet wilt. Hout kan verkleuren, het kan gaan rotten en door uitdroging kan het scheuren of krom trekken. Bovendien kan er uitslag ontstaan. Om dat alles te voorkomen wordt hout verduurzaamd. Vaak gebeurt dit door de fabrikant. In de winkel wordt het hout dan verduurzaamd behandeld. Klanten kunnen  hout verduurzamen met verfproducten.

Verduurzamen van hout
De levensduur van Europees tuinhout is beperkt. Dit komt vooral door de zachtheid waardoor het snel wordt aangetast onder invloed van vocht, schimmels, insecten, zuurstof en temperatuur. Toch kun je het langer als tuinhout gebruiken door het te verduurzamen. Verduurzamen van hout is een methode waarbij je het hout inwendig of uitwendig behandelt zodat het bestand is tegen allerlei vormen van aantasting.

Het meeste tuinhout dat in tuincentra verkocht wordt is reeds verduurzaamd. Dit is gebeurd door de vacuümdruk methode, bespuiten, bestrijken, drenken of dompelen.
Bestrijken kan door de klant gebeuren. Hierbij wordt het hout bestreken met een verduurzamingsmiddel. Deze middelen worden in tuincentra verkocht. Bestrijken is een minder goede methode omdat je namelijk scheuren en naden  niet  of onvoldoende bereikt.  Omdat  deze scheuren en naden niet verduurzaamd zijn, kunnen hier gemakkelijk micro-organismen, schimmels en insecten naar binnen.

Bestrijken, verven of lakken is daardoor geen echte verduurzamingsmethodes.

Voor het bestrijken kun je gebruik maken van:
a) Dit is speciale beits voor onderhoud van verduurzaamd hout (hout dat is behandeld);
b) Dit is speciale verfbeits die het hout beschermt tegen weersinvloeden en het bovendien een andere kleur geeft;
c) Deze gaat het vergrijzen van teakhouten meubelen en andere hardhoutproducten tegen;
d) verf

Met tuinbeits, tuindecoratiebeits en teakolie houdt het hout zijn natuurlijke uitstraling. Met verf kan het  hout  elke  gewenste  kleur  krijgen  maar  de  structuur  van  het  materiaal  wordt onzichtbaar 

Bevestigingsmogelijkheden
Bij het verkopen van hout dien je de klant te wijzen op de diverse bevestigingsmogelijkheden en de hulpmaterialen die daarvoor nodig zijn.
De klant moet daarbij goed weten wat hij wil en hoe hij iets wil. Er zijn namelijk zeer veel mogelijkheden om houten delen aan elkaar te bevestigen.

Koppelstukken voor bevestiging van tuinschermen

Het is afhankelijk van de gebruikseisen die aan de verbinding worden gesteld welke oplossing de beste is.

Bovendien vragen allerlei toepassingen van tuinhout om specifieke bevestigingsmethoden. Voor schuttingpanelen zijn er speciale verbindingselementen. Verder kun je voor de bevestiging van palen kiezen uit:

  • hoekprofielen met schroefdraad;
  • paalhouders met pin;
  • paalhouders met ankerplaat voor een stevige ondergrond;
  • betonankers.

Verder is er allerlei hang- en sluitwerk voor het hangen en sluiten van deuren en poorten.

hang- en sluitwerk

 

BRONNEN:
Hillhout
Houtinfo
fsc
Houtsoorten 1
Houtsoorten 2

 

 

 

Snijbloemen

Algemene verzorging van snijbloemen
Iemand die bloemen koopt, doet dat om plezier te hebben van de vormen, geuren en kleuren.
Om ervoor te zorgen dat dit plezier zo lang mogelijk duurt moeten de bloemen goed verzorgd worden.

Zonder wortels kan een bloem niet leven en zal deze op den duur afsterven. Dat betekent dat het afstervingsproces begint op het moment waarop een bloem wordt geoogst. Het is de kunst om dit afstervingsproces zo traag mogelijk te laten verlopen. Dat geldt tijdens de hele keten van kweker tot en met consument. Daarom moet de keten zo kort mogelijk zijn en moeten de omstandigheden altijd optimaal zijn.

In het algemeen kun je snijbloemen verzorgen door ze van water en voeding te voorzien.

  • Water is nodig om de bloem in leven te houden: het vervoert voedingsstoffen en zorgt dat de cellen op spanning blijven.
  • Voeding (suiker) zorgt voor energie zodat de bloem zich maximaal kan ontwikkelen.

1      Water
Het is belangrijk om te zorgen dat de snijbloem goed water kan opnemen. Een snijbloem neemt het beste water op in een
schone omgeving . Daarom moet het water goed schoongehouden worden. Daarvoor kun je twee dingen doen:

* gebruik schone vazen, zo komt er geen vervuiling in het water

Vaatbundels kunnen verstopt raken door ziektekiemen. Met name de binnenkant van de vaas is een plaats waar veel ziekten zich kunnen ontwikkelen. Dit is te voorkomen door de vazen regelmatig schoon te maken met cleaner of een chlooroplossing. Denk eraan dat chloor vermengd met water vlekken geeft. Het is voldoende om 2 of 3 druppels chloor per liter water op te lossen. Chloor wordt ook in tabletvorm geleverd. Goed naspoelen met voldoende water mag men niet vergeten.

*  ontdoe het stengeldeel dat in het water komt van blad
Bladeren die in het water blijven, kunnen namelijk gaan rotten, waardoor er bacteriën in het water komen. Alleen dàt blad verwijderen, wat mogelijk in het water kan komen. Maak er geen “striptease” van, zodat er kale stelen overblijven met nog maar een enkel blad bovenin.

Bij de meeste bloemen is het voor een goede wateropname noodzakelijk om een stukje van de steel af te snijden, vlak voordat deze in het water gaat. Een verse, liefst schuine,  snede kan namelijk goed water opnemen.

Voor snijbloemen met houtachtige stengels gebruikt men warm water omdat dit minder lucht bevat. Het water in de afgesneden stengel verplaatst zich via kleine kanaaltjes. Deze heten houtvaten. Door het schuin afsnijden wordt de oppervlakte van de wond ovaal van vorm. Een ovale wond heeft een grotere oppervlakte dan een ronde wond. Hierdoor raakt deze wond minder snel verstopt.

Het scherpe mes zorgt voor een gave wond. Knippen met een snoeischaar kan de stelen dichtdrukken waardoor de wateropname wordt belemmerd. 

Optrekken
Als een bloem tijdens het transport naar de winkel een vochttekort heeft opgelopen, is het voor de bloem erg moeilijk om dat weer helemaal aan te vullen. Je kunt de bloemen helpen met het aanvullen van water door:

  • de omgevingstemperatuur laag te houden door de bloemen in een koelcel , kelder of koeling in de verkoopruimte te zetten;
  • de bloemen in papier te verpakken en op water zetten;
  • de bloemen diep in het water te zetten.

Beide methoden beperken de verdamping van water, zodat de aanvoer groter is dan de verdamping. Dit proces noemen we het ‘ op laten trekken ’ van bloemen. 

Pas op: Er zijn uitzonderingen.
– Sommige bloemen mogen niet in de koelcel. Dit geldt bijvoorbeeld voor orchideeën en Anthuriums
– Bloemen met behaarde stengels als Lathyrus en Gerbera mogen niet diep in het water

2      Voeding
Om tot ontwikkeling te komen, hebben bloemen ook voeding nodig. In water alleen zitten namelijk niet genoeg voedingsstoffen voor de bloem. De voeding wordt meestal in de vorm van een houdbaarheidsmiddel aan het water toegevoegd. Zo’n houdbaarheidsmiddel bestaat meestal uit een bacterie-dodend middel, suiker en andere toevoegingen als ethyleen-remmers.
Ethyleen is een verouderings-gas.

Houdbaarheidsmiddelen
Lang heeft men geprobeerd met allerlei hulpmiddelen, snijbloemen langer goed te houden. Men gebruikte citroensap, alcohol, azijn, aspirine, stijfsel, koperen munten, wasmiddelen enz. De resultaten waren matig tot slecht. Snijbloemen nemen vrijwel alleen suikers op. Bij een beschadigde plant, dus ook een bloemsteel, treedt snel rotting op. Door aan het water een bacterie-dodend middel toe te voegen, houdt men het water schoon en bevordert men de ononderbroken wateropname. Om deze reden voegt men aan gerbera’s bijvoorbeeld een druppel chloor toe als vervanging van het houdbaarheidsmiddel.

doceerapparaat

De huidige houdbaarheidsmiddelen zijn gebaseerd op suikers, bacterieremmende middelen en ethyleenremmers. Daarnaast zijn er bijzondere houdbaarheidsmiddelen met extra toevoegingen. Veel detaillisten gebruiken een doseerapparaat. Dit heeft de volgende voordelen:

  • tijdwinst
  • altijd de goede dosering
  • minder gebruik van water

suikers
Nadat de bloem van de plant is gesneden, is de voedselopname via de wortels niet meer mogelijk. De in een houdbaarheidsmiddel of snijbloemenvoedsel aanwezige suikers dienen nu als voeding (brandstof) voor de bloem.

bacterieremmende middelen
Een aantal bacterieremmende stoffen zorgen voor schoon vaaswater, waardoor de wond schoon en open blijft en water en voedsel kunnen worden opgenomen. Hoe minder we de bloemsteel beschadigen, des te minder is de kans op bacterievorming.

Ethyleenremmers
Bloemen zijn organen bestemd voor vermeerdering. Ze vormen hormonen die de uitbloei en zaadvorming regelen. Door het wegnemen van deze stoffen wordt de uitbloei afgeremd.

Ethyleen wordt ook afgescheiden door rijpend fruit. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld anjers gaan krimpen als ze gecombineerd worden met fruit.

Bijzondere producten
Fabrikanten van houdbaarheidsmiddelen ontwikkelen steeds nieuwe producten. Zo zijn er producten die kalkaanslag in de vaas tegengaan en producten die de nadelige effecten van nacissenslijm verkleinen.
Als kweker, handelaar, detaillist en consument de goede voeding aan de snijbloemen geven, zal dit een positieve invloed uitoefenen op de houdbaarheid

Er zijn diverse firma’s die  snijbloemenvoedsel op de markt brengen.
Enkele merken zijn:

  • Chrysal
    Substral
    Aadural

Elke firma heeft een aantal soorten snijbloemenvoedsel op de markt gebracht. Zo kennen we snijbloemenvoedsel speciaal voor:

  • heestertakken
    bolbloemen
    anjers / chrysanten
    Bouvardia
    algemeen

Om verzekerd te zijn van een goed houdbare snijbloem zal de bloemist de snijbloem het juiste houdbaarheidsmiddel moeten geven. Door het gebruik van houdbaarheidsmiddelen, tijdens de handel, bereikt men vooral bij de consument de volgende positieve effecten:

  • een grotere en beter ontwikkelde bloem;
    een betere bloemkleur;
    een geringere gevoeligheid voor ethyleen;
    minder schade door de transportperiode;
    minder schade van te onrijp oogsten;

Adviseren van klanten
Om vragen te beantwoorden en geloofwaardigheid te zijn is het noodzakelijk om je advies te kunnen verklaren.
Samenvattend houdt dit in dat je moet adviseren over:

– schone vaas gebruiken om bacteriegroei te beperken

– schoon water gebruiken om vaatverstopping te voorkomen

– schuin aansnijden om de oppervlakte van de wond te vergroten en opname te vergroten

– houdbaarheidsmiddel toevoegen als energiebron, ethyleen-remmer en ontsmetting
Een goede service van de bloemist is om, naast een goed advies over de verzorging van de bloemen, een zakje houdbaarheidsmiddel bij te voegen.  De hoeveelheid snijbloemenvoedsel moet wel in relatie staan met het aantal bloemen.

– Warm of koud water
Het gebruik van warm water, doet het snijbloemenvoedsel snel oplossen en zodoende is dit ook snel opneembaar voor de bloem. Dit is zeker goed voor bepaalde heestergewassen, bijvoorbeeld  Acacia (mimosa). Verder bevat warm water minder zuurstof. Dit remt de bacterieontwikkeling af en er komen minder luchtbellen in de vaatbundels.

Schoonhouden bedrijfsruimten

INHOUD
1      Schoonmaken en opruimen
1.1       Redenen
1.2      Normen
1.3       Hoort erbij
1.4       Hulpmiddelen
1.4.1       Gereedschap en machines
1.4.2       Reinigingsmiddelen
2     Schoonmaken en ergonomie
2.1       Lichaamshouding en ergonomie
2.2       Hulpmiddelen en ergonomie
3      Methoden van schoonmaken
3.1       Dweilen en moppen van vloeren
3.2       Vegen
3.3       Ramen reinigen
3.4       Gereedschap schoonmaken
3.4       Sanitair reinigen
3.5       Containers schoonmaken
3.6       Displays reinigen
3.7       Producten reinigen
3.8       Overigen
4      Afval
4.1       Papier en karton
4.2       Plastic en andere kunststoffen
4.4       Hout
4.5       Steen en puin
4.6       Textiel
4.7       Glas
4.9       Chemisch afval
4.10    Restafval
Begrippenlijst
Afsluiting

1          Schoonmaken en opruimen

Inleiding
We vinden het thuis en op het werk vanzelfsprekend om over allerlei apparaten te beschikken. Dat veel van deze apparaten werken op gas, water en licht realiseren we ons pas als er iets misgaat. Dit kan tot vervelende situaties leiden. Het is daarom belangrijk dat de medewerkers op een bedrijf in staat zijn om eenvoudige apparaten aan te sluiten en op de juiste wijze om te gaan met storingen.

1.1      Redenen
Al erg jong werd je ermee geconfronteerd: “het opruimen van je eigen rommel en de rommel van anderen”.  Je snapte niet waarom het nodig was en het opruimen van andermans rommel beschouwde je helemaal als onrechtvaardig. Als je in een winkel werkt besteed je veel tijd aan opruimen en schoonmaken. Hiervoor zijn diverse redenen aan te voeren.
Voorbeelden daarvan zijn:

Uitstraling van de winkel
De eerste indruk die een klant opdoet als hij de winkel binnenkomt wordt grotendeels bepaald door de netheid van de zaak. Geen enkele zaak zal blij zijn met het imago “het is daar altijd een rotzooi”.

Hygiëne
Organisch afval en beschadigde plantendelen kunnen een bron zijn voor ziekten.  Hierdoor kunnen bijvoorbeeld gezonde planten en zelfs mensen besmet worden. In slecht gereinigde vazen zullen zich bacteriën ontwikkelen die de houdbaarheid van snijbloemen verslechteren. Hetzelfde geldt voor slecht ontbladerde snijbloemen.

Veiligheid
Afval kan gladheid veroorzaken waarover mensen kunnen uitglijden Slecht onderhouden gereedschap kan gevaarlijk zijn.

Duurzaamheid
Afval en vuil kan materialen en gereedschap aantasten. Denk aan het roesten van metalen en besmetten van vloeren.

1.2      Normen
Iedereen heeft andere normen. De een stoort zich al aan een stoel die niet recht staat, terwijl de ander er geen moeite mee heeft om eerst de meubelen te verschuiven voordat hij door het huis kan lopen. Dit verschil komen we ook in tuincentra en bloemenwinkels tegen. Dit geldt zowel voor klanten als voor medewerkers. Op het ene bedrijf is men constant bezig met schoonmaken en opruimen terwijl men op het andere bedrijf alleen ’s avonds of enkele malen per week opruimt en schoonmaakt. Je eigen normen mogen echter niet bepalend zijn voor de eisen die je aan de verzorging van de winkel stelt. Een verkooppunt moet er altijd netjes en verzorgd uitzien. Dat jij je er als ondernemer of werknemer prettig bij voelt om in een niet opgeruimde omgeving te werken betekent niet dat de klant er net zo over denkt.

Moeilijk te beantwoorden is de vraag wat is netjes?

Gemakkelijk kunnen er in een bedrijfssituatie conflicten ontstaan tussen bedrijfsleiding en andere medewerkers over de tijd die besteed mag of moet worden aan opruim- en schoon­maakwerk. Zo kan de bedrijfsleiding vinden dat de tijd beter aan andere bezigheden besteed kan worden. Ook het omgekeerde is mogelijk.

1.3      Hoort erbij
Wat we als klein kind van onze ouders leerden passen we nog dagelijks toe in de verkoopsitua­tie: Je bent de hele dag bezig met het opruimen van de rommel die jezelf, je collega’s en de klanten maakten. Enkele grote tuincentra beschikken over een schoonmaakdienst die de hele dag door oproep­baar is. Sommige bedrijven werken met een schoon­maak­bedrijf dat na sluitingstijd schoon­maakt. In de meeste gevallen gebeurt het schoon­maakwerk echter geheel of gedeeltelijk door dezelfde medewerkers die ook het andere werk uitvoeren.
De aard van de producten die we in de bloemenwinkel en het tuincentrum verkopen draagt ertoe bij dat schoonmaken en opruimen een bezigheid is die veel aandacht verdient. Het hoort erbij.

1.4      Hulpmiddelen
Schoonmaken lijkt gemakkelijker dan het is. Als je de werkwij­ze van profes­sio­nele schoonma­kers ziet realiseer je je dat schoonmaken een vak is. Niet opgeleide schoonma­kers gebruiken in het algemeen teveel en verkeerde hulpmid­delen. Schoonmaken en opruimen varieert van eenvoudig handwerk zonder hulpmid­delen tot volledig geautomatiseerd werken. In de bloemenwinkel en in het tuincentrum gaat men in het algemeen vrij eenvoudig te werk. Als hulpmiddelen maakt men gebruik van voor de hand liggende gereedschappen, machines en reinigingsmiddelen.

1.4.1   Gereedschap en machines
Net als thuis heeft iedereen zijn voorkeuren als het om schoonmaak materialen gaat.
Vaak hebben bedrijven een speciale ruimte voor het opbergen van schoonmaakspullen. Dit kan een centraal magazijn zijn maar ook een opslagplaats per afdeling.
Om een indruk te geven van de vele mogelijkheden staat hieronder een lijst van schoonmaakmaterialen. Deze kan bijna oneindig worden aangevuld.

Naam van het hulpmiddel Naam van het hulpmiddel
Dweil Schrob- / dweilmachine
Stoffer en blik Materiaalwagen
Schoonmaakemmer Stofzuiger
(Straat)Bezem Waterstofzuiger
Trekker Veegmachine
Spons Hoge druk spuit
Zeem Bladblazer
Schrobber Bladzuiger
Mop
Vuilcontainers metaal
Vuilcontainers (kliko)
Vuilniszakken
Reinigingsdoekjes
Schuursponsjes
Ramentrekker
Handschoenen

Of er op een bedrijf schoonmaakmachines aanwezig zijn is o.a afhankelijk van:
–           de aard van het bedrijf;
–           de grootte;
–           de inrichting;
–           de professionaliteit van de schoonmakers.

1.4.2   Reinigingsmiddelen
Er zijn veel manieren om afval te verwijderen en af te voeren. In eerste instantie zal men stoffen droog trachten te verwij­deren; vervolgens stapt men over op koud en warm water. Daarna volgen maatregelen waarbij men gebruik maakt van reinigings­middelen.

De werking van zulke reinigingsmiddelen berust op natuurkundige-, biologische en scheikundige processen.
De bekendste zijn:
–           opheffen van de oppervlaktespanning van water;
–           oplossen;
–           chemisch reageren
–           ontsmetten.
Voorbeelden

Water
De meeste schoonmaakmiddelen werken op basis van water. Zuiver water wordt gebruikt om vuil op te lossen en af te spoelen. In warm water lost vuil beter op dan in koud water. Regelmatig komt het voor dat water kalkhoudend is. In dat geval kan er na het reinigen kalkaanslag overblijven.

 

Zeep
Door het toevoegen van zeep aan water verandert de samenstelling. Hierdoor veranderen de eigenschappen van het water.

 

 

De werking van zeep berust o.a. op:

  1. Het uitvloeien van de waterdruppeltjes. Dit wil zeggen dat de watermoleculen minder aan elkaar klitten waardoor het vuil beter kan oplossen. Doordat de oppervlaktespanning van het water vermindert wordt vuil niet meer afgestoten.
  2. Vergroten van de oplosbaarheid. In zeep lossen stoffen op die in zuiver water niet oplossen.
  3. Vergroting van de doordringbaarheid. Door de olieachtige structuur zal zeep dieper doordringen in poriën e.d. dan water.
  4. Chemische en natuurkundige reacties. Zepen kunnen vuil natuurkundig of scheikundig binden.

Zuren en basen
Door het toevoegen van reinigingsmiddelen aan water verandert de zuurgraad. Deze wordt afgekort met de letters pH. Zure stoffen hebben en pH lager dan 7; basische stoffen hebben een pH hoger dan 7.

Zuren en basen zijn bijtende stoffen. Deze werking is groter naar mate het zuur of de base sterker is. Een ander woord voor base is loog. Het volgende schema geeft een indicatie van de werking van zuren en basen:

 

 

Soort pH Eigenschappen
Sterk basisch

(soda en ammonia)

12-14 Sterk ontvettend

Bijtend

Aantasting van verf en metalen

Linoleum en

zwak basisch zeep

8-12 Vuil en vetverwijderend
Neutraal (water) 6-7-8 Werking wordt bepaald door temperatuur en  toevoegingen
Zwak zuur  (schoonmaakazijn) 2-6 Kalk- en roestverwijdering

Aantasting van kalk

Sterk zuur (zoutzuur) 1 Sterk kalk en roestverwijderend,

Aantasting van de huid,

aantasting van metalen,

aantasting van kalk bijv. marmer.

Chloorbleekmiddelen
Bleekmiddelen werken bijtend en desinfecterend. Ze worden vaak gebruikt voor het schoonmaken van vazen. Ze zijn nadelig voor het milieu omdat ze ook nuttige bacteriën doden. Daarnaast hebben ze een irriterend effect op de huid. Bij het mengen met andere middelen kan er gevaarlijk chloorgas ontstaan.
Het gebruik van reinigingsmiddelen gaat meestal gepaard met milieueffecten. Het zou goed zijn om de keuze van het middel mede te laten bepalen door het verschil in milieubeïnvloeding. Zo is het onzin om te denken dat het schoon kan ruiken. Geurstoffen en kleurstoffen hebben eerder een negatieve invloed op de werking dan een positieve.

Ook kan het omgaan met schoonmaakmiddelen gevaren met zich meebrengen 

PROEFJES

De volgende proefjes hebben betrekking op de werking en milieueffecten van reinigingsmiddelen

PROEF A:  OPPERVLAKTESPANNING
Watermoleculen houden elkaar zodanig vast dat deeltjes met een soortelijke massa groter dan die van water, op water blijven drijven. We kennen dit uit de natuur: Sommige insecten kunnen op het water lopen. Dit ver­schijnsel heet de oppervlakte­spanning van water.

Neem een glas koud water. Strooi hierop een kleine hoe­veelheid zaagsel of peper.  Voeg vervolgens enkele druppels afwasmiddel toe.
a) Welke invloed heeft afwasmiddel op de oppervlakte­spanning van water.
b) Hoe komt het dat water beter reinigt als de opper­vlaktespanning is opgehe­ven? 

PROEF B; VET VERWIJDEREN

Neem 4 buisjes met koud water.
1. Voeg aan elk buisje een scheutje slaolie toe en schud de vloeis­toffen door elkaar.
2. Verwarm het tweede buisje. (of voeg warm water toe)
3. Voeg aan het derde buisje enkele druppels spiritus of alcohol toe.
4. Voeg aan het vierde buisje enkele druppels afwasmid­del toe.

(OPMERKING; Olie is een vet dat bij kamertemperatuur vloeibaar is)

a) Lost olie op in koud water?
b) Welk verschil in oplosbaarheid zie je tussen de olie in het buisje met koud water en de olie in het buis­je met warm water?
c) Welke invloed heeft alcohol(of spiritus) op de oplosbaarheid van olie in water?
d) Welke invloed heeft afwasmiddel op de oplosbaarheid van olie in water?
e) Wat heb je met deze proef duidelijk gemaakt betreffende het verwijderen van vetten?

PROEF C: KALK VERWIJDEREN

Vul een buisje voor de helft met azijn. Voeg kalk of krijt toe.
a) Wat neem je waar?
b) Waarvoor kun je schoonmaakazijngebruiken?

PROEF D: SCHOONMAAKMIDDELEN MENGEN

Met soda kun je ontvetten en met azijn kun je ontkalken.
Neem een buisje. Vul dit voor 1/4 met (schoonmaak)a­zijn. Voeg enkele korrels soda toe.
Aanwijzing: Doe eerst azijn in het buisje, hou het daarna schuin en leg de soda op de rand van het buisje. Sluit het buisje af met een stop en schud het mengsel.
a) Wat neem je waar
b) Wat heb je met deze proef duidelijk gemaakt?

PROEF E: ZUURGRAAD
Schoonmaakmiddelen die scheikundig werken vaak zuur of basisch.
Of een stof zuur of basisch is kun je onderzoeken met een pH-meter. Ook kun je een indicator gebruiken. Lakmoes en rode-koolsap zijn voorbeelden van zulke indicatoren.

– Neem 5 glaasjes of buisjes met een kleine hoeveelheid water.
– Voeg aan 4 glaasjes of buisjes respectievelijk de volgende schoonmaakmiddelen toe­maakmiddel toe; soda; schoonmaakazijn; alcohol; afwasmiddel (kleurloos);
– Voeg aan elk glas enkele druppels rode koolsap toe.

Vul de volgende tabel in.

 naam van het

schoon­maakmiddel

 

  kleur na toevoe­ging

van rodekoolsap

   zuur of basisch
soda
schoonmaakazijn
alcohol
afwasmidden
Water

Veiligheid en milieu
Bij snijbloemen hebben we vaak te maken  met verontreinigd vaaswater. Dit ontstaat door rottingsbacteriën. Ernstig verontreinigde emmers en vazen kun je reinigen door ze te weken in een chlooroplossing. Hiervoor zijn speciale tabletjes in de handel. Omdat chloor schadelijk is voor het milieu is het beter om ernstig verontrei­nigde  vazen te reinigen met een borstel, schuurspons en water.
Veel schoonmaakmiddelen kunnen nadelig zijn voor mens en milieu. Om deze nadelen tot een minimum te beperken zijn de volgende zaken belangrijk:
– Kies het juiste schoonmaakmiddel
– Volg de gebruiksaanwijzing op
– Meng geen schoonmaakmiddelen
– Gebruik niet meer dan noodzakelijk
– Kies geen middelen om hun kleur en geur
– Zamel chemisch afval apart in 

Omdat de gebruiksaanwijzing op de verpakking vaak niet gelezen wordt worden de risico’s tegenwoordig aangegeven met pictogrammen.

2          Schoonmaken en ergonomie
De laatste jaren wordt er veel aandacht besteed aan arbeidsomstandigheden.  Dit heeft te maken met wettelijke regelingen en een bewustwordingsproces bij de ondernemers.
Schoonmaakwerk wordt vaak uitgevoerd door het eigen personeel. Het kan zwaar, gevaarlijk en vervelend  zijn. Om het werk te verbeteren let men binnen de ergonomie  o.a. op lichaamshouding en het gebruik van hulpmiddelen.

2.1      Lichaamshouding en ergonomie
In de detailhandel moet je veel tillen, lopen en bukken. Hierdoor kom je vooral in dit vak veel rugklachten tegen. De kans op rugklachten kun je terugdringen door het aannemen van een juiste lichaamshouding.

Aandachtspunten daarbij zijn:
1 Ga recht voor de last staan
2 Buig je knieën en houd de rug recht. Til met 2 handen.
3 Houd de last dicht tegen het lichaam
4 Kijk uit waar je loopt
5 Beperk de last
6 Gebruik zomogelijk hulpmiddelen als karretjes en trapjes
7 Gebruik je lichaamsgewicht
8 Breng afwisseling in je houding bij het duwen en trekken
9 Zorg voor een goede conditie
10 Ondersteun de wervelkolom

2.2      Hulpmiddelen en ergonomie
Er is veel verbeterd. Vroeger was het normaal om uren op de grond te liggen om te vegen, te schrobben, te boenen enz. Tegenwoordig is het normaal om bij het schoonmaken  allerlei hulpmiddelen te gebruiken die het werk aangenamer en gemakkelijker maken. Hieronder staan een aantal voorbeelden van materialen die de laatste jaren, bij het schoonmaken, gemeen goed geworden zijn;
de dweil om een trekker;
de mop;
de stofzuiger;
de materiaalwagen met schoonmaakspullen;
de schrobmachine;
de waterstofzuiger;
de ramentrekker;
verlengstukken om het bukken te voorkomen;
wegwerpdoekjes;
handschoenen

 

 

 

 

 

 

 

 

Door het gebruik van deze en andere hulpmiddelen is schoonmaken aangenamer geworden en is ook het aanzien van het werk verbeterd.

3             Methoden van schoonmaken
Bij het schoonmaken in een winkel heb je te maken met grote verschillen  Dit komt door het verschil in bedrijfsaard en bedrijfsinrichting. Zo zijn er bedrijven met enkel een klein winkeltje maar ook bedrijven met ruim opgezette verkoopruimtes, kantines, magazijnen, werkruimtes, buitenafdelingen enz.
Vaak om je bedrijven tegen die de inrichting hebben aangepast aan het schoonmaken. Dit gaat vaak te kosten van sfeer.
Enkele veel voorkomende schoonmaakwerkzaamheden zijn:

3.1      Dweilen en moppen van vloeren
Binnenvloeren bestaan vaak uit zeil, tegels of beton. Buitenvloeren zijn vaak gemaakt van beton, tegels of klinkers. In verkoopkassen kom je alle verhardingen tegen.  In winkels kom je meestal vloeren tegen die nat gereinigd kunnen worden. Vaak gebeurt dit met een zeepoplossing. Bij handmatig dweilen is het handig om met 2 emmers te werken; een met reinigingsmiddel en een met schoon water. Het schone water kan dan gebruikt worden om de dweil of mop uit te wringen. Als er vloerverwarming is heeft dit als voordeel dat de vloer snel droog is. Ergonomisch is het goed om zo weinig mogelijk gebukt te werken. Je ziet dan ook vaak dat men werkt met een dweil om een trekker.

mop-pers
materiaalwagen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2         Vegen
Bezems  worden de hele dag door gebruikt. Afhankelijk van de vloer gebruik je harde of minder harde bezems. Voor het fijne veegwerk worden soms zwabbers gebruikt. Veegmachines worden toegepast in grote verkoopruimtes en magazijnen. Ook parkeerplaatsen worden gereinigd met veegmachines. Veegmachines kunnen handmatig of machinaal aangedreven worden.

3.3      Ramen reinigen
Ramen worden vooral vuil door neerslag uit de lucht en vingerafdrukken. Vaak heb je met vette aanslag te maken. Als ramen vuil zijn kan dat erg opvallen. Reinigen met schoon water laat vaak kalkvlekken achter. Dit betekent dat je reinigingsmiddelen moet gebruiken. Dit kunnen geen zepen zijn omdat die juist een vetlaagje achterlaten.

De volgende middelen zijn wel te gebruiken:
* Schoonmaakazijn tegen kalkaanslag
* Spiritus tegen vet
* Ammonia tegen vet
* Allesreiniger tegen vuil

Als gereedschap worden spons, zeem en ramentrekker gebruikt. Kassen worden vaak een keer per jaar grondig gereinigd. Dit gebeurt in veel gevallen door gespecialiseerde bedrijven met een borstelmachine.

3.4      Gereedschap schoonmaken
Door het gebruik van plantaardige materialen, grond en water lijdt gereedschap erg veel. Vooral als het buiten wordt gebruikt. Metalen gaan roesten en bewegende delen gaan steeds slechter werken. Voor duurzaamheid betekent dit dat er vaak schoongemaakt moet worden. Liefst elke dag.  In veel gevallen  kan dit met een eenvoudige doek, borstel of staalborstel.  Snoeischaren zul je af en toe uit elkaar moeten halen voor de combinatie van reinigen en onderhouden. Na het reinigen worden metalen delen vaak ingevet en bewegende delen gesmeerd. Sommige bedrijven gebruiken een bak met zand en olie om schoppen na gebruik op een snelle manier te reinigen en in te vetten.

3.4      Sanitair reinigen

Het reinigen van toiletten heeft altijd iets minderwaardigs om zich heen gehad. Zo hoor je regelmatig dat een  goede collegialiteit bevestigd wordt door een opmerking als; “We doen hier alles samen, dus ook de wc schoonmaken”.
Sanitaire voorzieningen vervuilen snel. Dit komt doordat ze in het algemeen zeer intensief worden gebruikt.  In bedrijfstakken als de groene sector, waar met grond, water en planten gewerkt wordt zullen kranen en afvoerkanalen  extra snel vervuilen. Openbare toiletten en wasgelegenheden zullen sneller vervuilen dan voorzieningen die enkel door eigen mensen worden gebruikt.

De frequentie waarin sanitaire voorzieningen schoongemaakt moeten worden hangt nauw samen met het gebruik en de intensiviteit daarvan. Hierbij spelen zowel uitstraling als hygiëne een rol.

 

Voor het schoonmaken van wc’s worden vaak desinfecterende middelen als chloor gebruikt. Vaak gebeurt dit te overdadig hetgeen weer schadelijk is voor het milieu. Bij het gebruik van zeep let men vaak meer op de geur dan op de werking. Eenvoudige, goedkope groene zeep reinigt even goed als mooi gekleurde en geurende zeepproducten. Als gereedschap worden vaak borstels en sponsen gebruikt. Het is van belang om dit gereedschap te reserveren voor dit werk.

3.5      Containers schoonmaken
Containers is een verzamelnaam voor alles waar iets in kan. Tot deze groep behoren snijbloemen maar behoort ook vuil.Vazen en emmers voor snijbloemen kunnen gereinigd worden met een harde borstel. Soms zie je dat hiervoor een toiletborstel wordt gebruikt. Voor het desinfecteren gebruikt meen vaak chloor. Dit is zinvol bij ernstige vervuiling en dient beperkt te blijven. Vuilcontainers dienen regelmatig gereinigd te worden met water. Hiervoor is een hoge druk spuit erg geschikt.

 

 

 

3.6      Displays reinigen
Displays zijn (tijdelijke) ondergronden bij presentaties. Het zijn dus rekken, tafels, kasten e.d. Ze bepalen in hoge mate de uitstraling van de winkel en dienen er dus altijd netjes uit te zien. In de praktijk worden ze onderhouden en schoongemaakt als het nodig is. De frequentie kan dus erg wisselen. De wijze van schoonmaken zal afhankelijk zijn van het materiaal en de vervuiling.

3.7      Producten reinigen
Productverzorging is een kwestie van inzicht, ervaring en vakbekwaamheid. Steeds moeten de medewerkers ervoor zorgen dat de winkel er netjes uitziet. Continu restaureren, spiegelen en opruimen zijn daarbij erg belangrijk.

3.8      Overigen
Een schoon en opgeruimd bedrijf blijft het visitekaartje van ons vak. Dit geldt zowel binnen als buiten. Zwerfvuil waait vaak aan en blijft liggen. Het zal door jou als medewerker van een bedrijf opgeruimd moeten worden. Bestratingmateriaal kun je schoonspuiten met een hogedrukspuit of vegen met een straatbezem of borstelmachine. Blad kun je opzuigen of wegblazen.
Van een rommelige winkel zal een klant geen goede producten verwachten. Opruimen betekent ook dat er achter de schermen netjes gewerkt wordt. Voor alle medewerkers moet het vanzelfsprekend zijn om (de eigen) rommel op te ruimen en alles op zijn plaats terug te leggen. Ook ergonomisch is het niet verantwoord om niet netjes te werken.
Ook transportmiddelen en machines moeten netjes gehouden worden. Dit geldt niet voor de auto die in het oog van de klant valt.

4          Afval
Iedereen produceert afval dit geldt voor particulieren en voor bedrijven. Afval is in onze consumptiemaatschappij een groot probleem. Het is niet voor niets dat milieuproblemen  meestal  in een adem genoemd worden met afval.
Elk bedrijf heeft zijn eigen systeem om met afval om te gaan. Kleine bedrijven kunnen vaak volstaan met systeem dat vergelijkbaar is met dat van huishoudens. Grote bedrijven zullen vaak een georganiseerd systeem hanteren van opslaan en afvoeren. Gelukkig is het vanzelfsprekend om afval te scheiden zodat het verantwoord verwerkt of hergebruikt kan worden.

Afval kun je verdelen in de volgende groepen:
* Papieren karton;
* Plastic en andere kunststoffen;
* Groente-, fruit-, en tuinafval;
* Hout;
* Steen en puin;
* Textiel;
* Glas;
* Metalen;
* Chemisch afval;

Door afval in deze groepen te verzamelen werk je als bedrijf mee aan een beter milieu en een duurzame samenleving.

4.1      Papier en karton
Hier gaat het vaak om verpakkingsmaterialen die niet hergebruikt worden. Vaak zie je dat bedrijven dozen e.d. beschikbaar stellen aan klanten. Kleine hoeveelheden papier worden vaak door de gemeente of door verenigingen opgehaald. Ook kunnen kleine hoeveelheden naar gemeentelijke depots gebracht worden. Grote bedrijven hebben vaak een papiercontainer.  Het is niet de bedoeling om papier bij het restafval te doen. Oud papier wordt hergebruikt door de papierindustrie.

4.2   Plastic en andere kunststoffen
Kunststof is niet meer weg te denken uit onze consumptiemaatschappij. Naast veel voordelen heeft het veel nadelen. Denk maar aan de plastic soep die onze zeeën bedreigt.
In ons vak kun je bij kunststofafval denken aan folie, bloempotjes, verpakkingsmateriaal e.d. Kunststof kan goed hergebruikt worden. Alhoewel de ontwikkelingen snel gaan blijft het sorteren van kunststof lastig. Met het blote oog kun je vaak niet zien met welke kunststof je te maken hebt. Zo zul je niet zo snel verwachten dat het plastic snackbakje van dezelfde kunststof is gemaakt als piepschuim. Vaak zie je dat bedrijven een bak hebben voor plastic dat in grote hoeveelheden voorkomt, bijvoorbeeld folie. De rest van de kunststoffen deponeren ze bij elkaar in de kunststofcontainer of restbak. Afvalcontainers op bedrijven worden geleegd door speciale bedrijven, soms door de gemeente.

4.3 Groente-, fruit-, en tuinafval
Plantaardig afval komt in onze branche veel voor. Praktisch alle bedrijven zullen het gescheiden verzamelen en afvoeren. Kleine bedrijven kunnen plantaardig afvoer afvoeren via de gemeentelijke kanalen. Grote bedrijven kiezen vaak voor zelf composteren of een container voor plantaardig afval die door een speciaal bedrijf wordt opgehaald.  Het is een permanente zorg om organisch afval zuiver te houden.

4.4   Hout
Grof tuinafval kun je versnipperen. Dit gebeurt bijvoorbeeld op tuincentra met snoeihout en onverkoopbare planten. Snippers kun je tussen de planten strooien of gebruiken op paden. Houtafval kun je in alle gevallen naar het gemeentelijk milieustation brengen. Dit geldt ook voor sloophout en pellets.

4.5   Steen en puin
Bouwafval als steen en puin komt incidenteel voor. In de meeste gevallen wordt er voor dit afval een speciale container besteld. Kleine hoeveelheden kunnen naar gemeentelijke depots gebracht worden.

4.6   Textiel
Stof en textiel zal in onze branche weinig voorkomen. Meestal kan dergelijk afval naar containers gebracht worden die her en der in de gemeente zijn geplaatst.

4.7   Glas

Naast papier is glas een afvalproduct dat gemakkelijk hergebruikt kan worden, Het moet dus gescheiden verzameld worden. Glas kun je in de glasbak deponeren of bij de gemeentelijke depots afleveren. Grote hoeveelheden vlakglas worden ingezameld door speciale bedrijven.

4.8 Metalen
Bij oude metalen heb je te maken met waardevolle grondstoffen, Ze dienen dan ook verzameld te worden. Vaak worden ze opgehaald door ijzerhandelaren.

4.9   Chemisch afval
Tot het chemisch afval behoren bijvoorbeeld verfresten, bestrijdingsmiddelen, olieresten; schoonmaakmiddelen en medicijnen, Ze kunnen gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Elke gemeente heeft een systeem om dergelijke producten te kunnen afvoeren.

4.10    Restafval
Na het scheiden van afval blijft er altijd gemengd afval over. Je kunt daarmee weinig anders dan verzamelen afvoeren, Kleine hoeveelheden kunnen bij het huishoudelijk afval. Het is echter niet de bedoeling dat bedrijven dit doen. Zij moeten in de meeste gevallen in zee gaan met bedrijven die gespecialiseerd zijn in afvalverwijdering. Deze plaatsen dan een container. Het ophalen ervan kan op afroep of op vaste tijdstippen.

Afval dient verantwoord te worden afgevoerd zodat het verwerkt of gerecycled kan worden. Het is vanzelfsprekend dat gemengd afvoer geen schadelijke producten als asbest mag bevatten.

Afsluiting
Met schoonmaken, opruimen en vuil afvoeren heeft elk bedrijf dagelijks te maken. Gelukkig houdt men tegenwoordig steeds meer rekening met het milieu en met ergonomie waardoor dit werk redelijk verantwoord wordt uitgevoerd. De meeste bedrijven zijn in deze redelijk op weg na

 

 

Licht en kleur

Inhoud

Inleiding
1 Definities van kleur
1.1 Taalkundig
1.2 Psychologisch
1.3 Emotioneel
1.4 Natuurkundig
2 Kleurenleer
Primaire kleuren
Secundaire kleuren
Tertiaire kleuren
Contrasten
Kleur en licht
Kleuren toepassen
3 Toepassingen

 

Inleiding
Kleuren zijn niet weg te denken in ons leven. Ze bepalen onze stemming en kunnen ons vrolijk en verdrietig maken. Als er geen kleuren zouden bestaan, zou alles er heel grauw uitzien. Denk bijvoorbeeld maar eens aan zwart-wit films en foto’s. Bij de inrichting van gebouwen als winkels, kantoren en woonhuizen is kleur bepalend voor het resultaat. Binnen creatieve vakken gebruikt men de eigenschappen van kleuren bij het maken van composities en creaties.
We gaan in dit hoofdstuk een aantal zaken bekijken die met kleur en kleur beleving te maken hebben.

1     Definities van kleur
De vraag “Wat is kleur?” kun je vanuit verschillende vakgebieden bekijken. Bijvoorbeeld:
Taalkundig
Psychologisch
Emotioneel
Natuurkundig

1.1   Taalkundig
De bijzonder eigenschap van dingen, om van het licht dat erop of erdoor valt, slechts stralen van een bepaalde, voor iedere stof karakteristieke golflengte terug te kaatsen of door te laten.

1.2   Psychologisch
Kleuren hebben effect op de gemoedstoestand/ gevoel van mensen.

Hoe ervaren mensen kleur?
Rood wordt ervaren als de warmste kleur en blauw als de koudste kleur. Onderzoek heeft uitgewezen dat een geheel rode kamer 3 tot 5 graden warmer wordt ervaren dan deze in werkelijkheid is. Een blauwe kamer wordt als kouder ervaren. Als we naar een blauw en een rood vlak kijken lijkt het of het blauwe vlak van ons afwijkt en het rode vlak naar ons toekomt. Dit gegeven is direct toepasbaar in de bloemsierkunst. Zo kun je visuele diepte creëren in een bloemstuk of in een grote versiering.  Uit onderzoek is gebleken dat donkerblauw zwaarder wordt ervaren als lichtgeel. De onderzoekers hebben mensen donkerblauwe dozen en lichtgele dozen laten sjouwen. Deze dozen waren exact even zwaar, maar de proefpersonen vervaarden de donkerblauwe dozen als zwaarder.

1.3   Emotioneel
Kleur is een hulpmiddel om emoties (per individu verschillend) te uiten. Kleur heeft effect  op de fysiologische huishouding van de mens. Zo wekt een geel vertrek agressie op. Rood stimuleert de uitstoot van adrenaline, versnelt de hartslag en de ademhaling en verhoogt de hartslag. Groen heeft een rustgevend effect. Tussen bonte kleuren wordt de kleur groen als rustig ervaren. Geel is een actieve en stimulerende kleur.

1.4   Natuurkundig
Kleur is ontbonden licht. Kleur maakt het de mens mogelijk om voorwerpen (vormen) te kunnen waarnemen.

Spectrale kleuren
Als licht gebroken wordt neemt het menselijk oog 7 kleuren waar. Deze kleuren heten de spectrale kleuren. Het worden ook wel de kleuren van de regenboog genoemd. Voor het breken van licht kan men een stuk glas of kunststof gebruiken dat tot een prisma geslepen is. Bij een regenboog fungeren de regendruppels als prisma.

De 7 spectrale kleuren zijn : Rood, Oranje, Geel, Groen, Blauw, Indigo, Violet  (ROGGBIV)

Waarnemen van kleuren
Stel je ziet een gele pot. Dit komt doordat er licht op de pot valt. Alleen geel wordt teruggekaatst (gereflecteerd) en komt in jouw ogen terecht. De overige kleuren van het spectrum worden door de pot geabsorbeerd. Hetzelfde geldt voor een rode of blauwe pot. Je ziet ze doordat de betreffende de kleuren op het netvlies van jouw oog terecht komen. Bij een bruine pot Bruine pot worden er meerdere kleuren gereflecteerd en meerdere kleuren geabsorbeerd.Als alle kleuren worden gereflecteerd ervaren wij dit als wit. Als alle kleuren worden geabsorbeerd zien wij dit als zwart.

2     Kleurenleer
Het systeem van kleurenleer dat wij behandelen is ontwikkeld door Johannes Itten. (Docent van “Das Bauhaus”, Duitse stroming in de vormgeving tussen 1920 en 1935 waarbij  functionaliteit centraal staat.) Er zijn meerdere systemen. We zullen dit doen aan de hand van veel gebruikte begrippen.

Wat is kleur en hoe maak je het?

Primaire kleuren
Over dergelijke vragen wordt al eeuwen nagedacht en de antwoorden vind je in de zogenaamde kleurenleer. Op de kleuterschool leerde je al dat je door rode en gele verf door elkaar te roeren oranje verf kreeg. Later leerde je dat er drie zogenaamde primaire kleuren zijn: rood, geel en blauw. Maar inmiddels zijn deze opvattingen achterhaald. Rood, geel en blauw werden primaire kleuren genoemd, omdat je ze niet door vermenging zou kunnen produceren. Maar als je magenta met geel mengt, krijg je een prachtige kleur rood. En magenta en cyaan geven blauw. De primaire kleuren zijn dus niet geel, rood en blauw, maar geel, magenta en cyaan. Deze kleuren kun je niet krijgen door vermenging.

Secundaire kleuren
Door twee primaire kleuren te mengen krijg je andere kleuren: geel en cyaan wordt groen, geel en magenta zoals gezegd rood en magenta en cyaan blauw. Groen, rood en blauw zijn dus secundaire kleuren. Je moet twee primaire kleuren mengen om secundaire kleuren te krijgen.

Tertiaire kleuren
Tertiaire kleuren noem je de kleuren die ontstaan door vermenging van een primaire en een secundaire kleur. Zo is bruin het resultaat van vermenging van rood met groen en oranje krijg je door rood en geel te mengen. Overigens gaat dit alleen op als je verf mengt. Als je verschillende kleuren licht mengt, krijg je heel andere resultaten.

Kleurmenging vanuit de primaire kleuren

Betrouwbare resultaten
De (verf)primaire kleuren cyaan, geel en magenta leveren zeer betrouwbare resultaten wanneer ze met elkaar worden gemengd. Dat is ook de reden waarom deze kleuren in de industrie (fotografie, drukwerk, verfmenging) worden gebruikt. Kijk bijvoorbeeld maar eens met een vergrootglas naar een kleurenfoto.
Wanneer iemand een deuk in zijn auto heeft gereden, is het fijn als, na reparatie, de auto in precies dezelfde kleur wordt bijgespoten. De machine waarmee deze kleur wordt gemengd, gaat uit van de hoofdkleuren cyaan, geel en magenta.

 

Contrasten
Dun-dik, kort-lang, heet-koud. Het zijn een paar voorbeelden van tegenstellingen. Maar als je op straat twee mensen naast elkaar ziet lopen, de één dun en de ander dik, dan merk je dat het uiterlijk van de één dat van de ander versterkt. Juist doordat de ene zo dun is, lijkt de ander nog dikker. Je noemt dit contrast. Eigenlijk kun  je  van  elke  tegenstelling  een  contrast  maken.  In  de  kleurenleer  ligt  dat  iets  anders,  daar  wordt  vooral gekeken naar de verschillen tussen kleuren. Sterker nog, wanneer je kunt zien dat je met twee kleuren te maken hebt in plaats van een kleur, spreek je al van contrast. Bijvoorbeeld: lichtblauw en donkerblauw vormt een licht- donkercontrast.

Alle verschillen tussen kleuren noem je contrasten en deze contrasten hebben verschillende namen, zoals het licht-donkercontrast,  warm-koudcontrast,  enzovoort.  Twee  kleuren  die  verschillend  zijn,  kunnen  meerdere contrastnamen hebben. Zo is blauw naast geel een warm-koudcontrast, een licht-donkercontrast, maar ook een complementair contrast.

Het volgende schema geeft aan in welke verhouding je kleuren het beste kunt combineren .
We kunnen verschillende contrasten onderscheiden. In dit Hoofdstuk gaan we er een aantal behandelen.

Kleurcontrasten

Kleur-tegen-kleurcontrast

 

Kleur-tegen-kleurcontrast
De drie (verf)primaire kleuren versterken elkaar het meest als ze tegen elkaar liggen. Dit versterken gebeurt ook bij de andere zuivere kleuren (niet gemengd met wit of zwart).

 

 

Licht-donkercontrast

Licht-donkercontrast
Het verschil in helderheid, de mate waarin het licht door de kleur wordt weerkaatst, bepaalt het contrast tussen twee kleuren. Het sterkste licht-donkercontrast is het contrast tussen wit en zwart.

 

 

Koud-warmcontrast

 

Koud-warmcontrast
De kleuren worden ten opzichte van elkaar als koud of warm ervaren. Oranjerood of scharlaken is de warmste en blauwgroen of mangaanoxide is de koudste kleur.

 

Complementair contrast

Complementair contrast
Door een kleur te combineren met de tegenoverliggende kleur uit de kleurencirkel, wordt zijn stralingskracht optimaal. Gemengd met elkaar worden ze zwart.

 

Simultaan contrast

Simultaan contrast
Het menselijk oog verlangt bij een gegeven kleur altijd tegelijkertijd de complementaire kleur en roept hem zelfs op wanneer hij niet is gegeven.

 

Kwaliteitscontrast

Kwaliteitscontrast ( verzadigingscontrast)
Binnen een kleur kijk je naar het verschil tussen de schakeringen van de tinten. Dit wordt ook wel monochroom ton-sur-ton genoemd. Je hebt ook polychroom ton-sur-ton en dat is de kleurverandering van bijvoorbeeld geel naar rood.

Kwantiteitscontrast

Kwantiteitscontrast: contrast door verschil in hoeveelheid kleur, oftewel de oppervlaktegrootte. Bij dit contrast gaat het om de combinatie van stralingskracht en oppervlak van kleurvlekken. Een kleur met veel stralings- kracht heeft een veel kleiner oppervlak nodig om in verhouding te zijn dan één met weinig stralingskracht. De verhoudingen zijn rood : oranje : geel : groen : blauw : violet is 6 : 8 : 9 : 6 : 4 : 3.

 

Kleur en licht
Je hebt vast wel eens kleren gekocht en gevraagd of je even buiten mocht kijken, omdat het licht daar anders is. Dus eigenlijk weet je al dat om kleuren te kunnen zien, licht is vereist. Maar misschien vraag je je af waarom dat zo is. Licht, of dat nu van de zon komt of uit een lamp, bestaat uit golven. Bepaalde golven worden opgenomen en omgezet in warmte. Andere golven worden juist teruggekaatst. Deze golven worden door het oog opgevangen en in de hersenen vertaald in een kleurgewaarwording. Als alle golven worden weerkaatst, is er sprake van totale reflectie. Het voorwerp dat je bekijkt, is dan wit. Omgekeerd, als alle golven worden opgenomen, totale absorptie dus, is je waarneming zwart.

Kleuren toepassen
Om kleuren bij het etaleren te kunnen toepassen moet je eerst weten wat de functie is van kleur. Kleur kan een presentatie aantrekkelijker maken, het kan een gewenste sfeer scheppen, het kan de aandacht trekken van voorbijgangers en het kan artikelen beter uit laten komen. Vraag je voor je begint altijd af waarvoor je kleur wilt gebruiken.

Tips voor het gebruik van kleur:

  • Gebruik niet te veel kleuren in een presentatie. Probeer je te beperken tot één of twee kleuren, eventueel aangevuld met een neutrale tint. Een opvallende kleur die overheerst, heeft een sterke blikvangende werking, bijvoorbeeld vuurrode artikelen in een witte of zwarte ruimte.
  • Gebruik zo veel mogelijk actuele modekleuren. Je kunt dan kiezen voor een artikel in die kleur of juist con- trasterend met de modekleur als achtergrond.
  • Gebruik de kleuren van de tijd van het jaar. Bijvoorbeeld pasteltinten in het voorjaar; frisse, heldere kleuren in de zomer; warme herfstkleuren in het najaar en koude donkere kleuren in de winter.
  • Probeer de kleuren af te stemmen op het karakter van het artikel en de doelgroep. Bijvoorbeeld vrolijke kleuren bij kinderkleding, heldere kleuren bij sportartikelen, enzovoort.

Mandwerk

Inhoud
1     Geschiedenis
2     Vervaardiging van manden
3     Eerlijke handel
4     Gebruik
5     Opslag van Mandwerk

Inleiding
Al eeuwen lang worden er van natuurlijke materialen voorwerpen gemaakt die kunnen worden gebruikt om iets in op te bergen of te vervoeren. Ook bij het maken van bloemwerk komen we dit tegen. Denk maar eens aan de manden waarin bloemen werden verzameld.

1     Geschiedenis
Over het ontstaan en het gebruik van bloemenmanden kan men veel fantaseren. Het zal wel net zo gegaan zijn als met het boeket, bloemen samen gebonden met een lint. Zo zal men met het plukken van bloemen voor meerdere boeketten, geïnspireerd zijn door de rijke aanblik van de bloemenpracht in een verzamelmand.

biedermeiermand

In de beginperiode van de bloemsierkunst zie je dan ook dat er hoofdzakelijk hengsel- en dekselmanden gebruikt worden. Vooral in de Biedermeier-periode (+ 1820 – 1850) komt de mand als ondergrond voor het bloemwerk tot grote ontwikkeling. De bekende Biedermeiervorm is vandaag de dag nog in gebruik. Vooral op tentoonstellingen en in grote uitvoeringen ( ± 1.50 m – 2.00 m) is dit een zeer geliefd klassiek werkstuk.

2     Vervaardiging van manden

Er zijn nauwelijks verschillen in productie van mandwerk als je verschillende materialen gebruikt. Alle manden worden ongeveer op dezelfde manier gemaakt. Er zijn wel verschillende manieren van vervaardiging zoals vlechten, ringetjes maken en weven.

In Nederland liggen de arbeidskosten hoog. Daarom worden de arbeidsintensieve manden vaak in landen met goedkope arbeidskrachten vervaardigd. Maar ook in Nederland worden er nog steeds manden gevlochten. Vaak kom je het tegen op braderieën of bij presentaties van oude ambachten. Manden vlechters gebruiken meestal Hollandse materialen. Hun producten kom je in bijna elk huishouden tegen denk aan de hondenmand, de wasmand, het mandje voor op de fiets, enzovoort.

Waarom manden veel gebruikt worden bij het maken van bloemwerk komt door de natuurlijke uitstraling.
Een probleem is echter dat manden niet waterdicht zijn. Vroeger werd dat opgelost met behulp van vetvrij papier. Als alternatief werd later blik of glas gebruikt, ook een voordelige en lichte kunststof pot is goed bruikbaar. Tegenwoordig zie je steeds meer mandjes met een kant- en klare voering van plastic. Het probleem daarbij blijft wel het gevaar van lekkage doordat er gemakkelijk gaatjes in het plastic kunnen komen.

Om iets zinnigs te kunnen zeggen over de ondergrond en de eigenschappen ervan is het wel belangrijk dat je weet van welk materiaal het is vervaardigd. Manden worden gemaakt van plantaardig materiaal. Elk land kent hiervoor zijn eigen materialen. In Nederland wordt gebruik gemaakt van Wilgenteen. Voor het vlechten van manden zijn de twijgen van de Salix, oftewel de wilg, zeer geschikt. De zogenaamde wilgentenen (ook wel griendhout genoemd) worden speciaal voor het vlechtwerk gekweekt. De wilgentenen worden voor verschillende soorten  manden gebruikt.
Verder zien we in Nederland ook veel manden van ander materiaal. Deze producten zijn dan geïmporteerd als grondstof of als kant-en-klaar product.

wilg

Uitgangsmaterialen
De belangrijkste materialen waarvan mandwerk gemaakt wordt zijn:

Teen
Dit is één van de vele wilgensoorten. (Salix)
We kennen drie soorten teen, n.l.
– Grauwe teen
Dit is teen in zijn oorspronkelijke staat met de bast er nog omheen. Het is donker van kleur.
– Bufteen
Dit is grauwe teen die na een kookproces van 24 uur wordt geschild met een schilijzer of machine. Het is dan roodbruin van kleur.
– Witte teen
Dit is de normale grauwe teen die eerst in water wordt gezet waardoor deze doorgroeit. Zodoende kan men makkelijk de bast eraf halen met een schilijzer of machine.
Na het schillen blijft de kleur licht.

Rotan

rotan

Is de stengel van de liaanachtige, klimmende palmsoort. (Calamus siphomaspathus. Deze komt veel voor in Indonesië en groeit 25 tot 40 meter in één jaar tijd.

 

 

 

Pitriet

pitriet

Is de kern van Rotan die op diverse dikten wordt gesneden waardoor uitstekend vlechtmateriaal ontstaat. Pitriet wordt om het een witte kleur te geven vaak gebleekt.

 

 

 

 

Bamboe

bamboe

Is een zeer snel groeiende grassoort met verhouten stengels. Het wordt vaak gespleten verwerkt tot mandjes. Bekend zijn de bamboestokken die bij planten als steun dienen.

 

 

 

Raffia

raffia

Wordt gemaakt van de bladvezels van de Raffia palm. Het wordt meestal in natuurlijke kleur verwerkt en soms ook geverfd. We kennen in de praktijk ook het zgn. “Kunstraffia”. Dit wordt veel gebruikt voor het binden van boeketten.

 

 

 

 

kokosvezel

Kokosvezel
Komt van de bladvoet van de bladeren van de kokospalm. Het materiaal wordt gedroogd daarna verwerkt. Je kunt het gebruiken bij de verwerking van droogbloemen

 

 

 

 

 

berk

Berk
De bast kun je in combinatie met takken verwerken tot mandjes.

 

 

 

 

Lavendel en Calluna (heide)
Hiervan worden vaak mandjes vervaardigd waarin ook nog de bloemen (in gedroogde vorm) te herkennen zijn.

 

Overige soorten die veel voor kunnen komen zijn:

kastanjevezel
maïs biezen
haverstro
hennep
zeegras

 

 

3     Eerlijke handel
Bij de productie van mandwerk, maar ook van andere producten, in zogenaamde lage lonenlanden kunnen kinderarbeid en andere vormen van uitbuiting voorkomen.
Om dat tegen te gaan controleren Westerse organisaties steeds vaker de herkomst en de omstandigheden waaronder hun producten worden gemaakt. Max Havelaar is zo’n organisatie die bananen, koffie en chocola verkoopt..Je kunt Max Havelaar producten kopen bij de supermarkt en ze zijn herkenbaar aan een speciaal logo. Andere producten als mandwerk kun je kopen in zogenaamde fairtrade winkels. Vaak betaal je wat meer dan in andere winkels, maar je weet dan wel zeker dat er van misstanden geen sprake is en dat de vlechters een eerlijke prijs voor hun producten hebben gekregen.

4     Gebruik
Er zijn verschillende redenen om mandwerk te gebruiken:
–     mandwerk is tijdloos;
–     mandwerk kan makkelijk in elke gewenste kleur gespoten worden (Pasen, Kerst, Moederdag, enz.);
–     de prijs van mandwerk is aantrekkelijk door goedkope import uit verschillende landen (China, Filippijnen, e.d.);
–     doordat veel mandwerk met plastic “gevoerd” is, geeft dit geen technische bezwaren. We kunnen b.v. direct een plant inplanten. (Bij het gebruik met steekschuim wel dubbel plastic gebruiken!)

Wanneer wij manden gebruiken om er een droogstuk in te maken, kan het nodig zijn de mand te verzwaren met b.v. een flinke steen. Verder is het belangrijk om mandwerk droog, donker en stofvrij te bewaren.
Mandwerk is er in zeer veel vormen die elk hun eigen mogelijkheden hebben om er in te schikken. Zo zijn er de klassieke biedermeiermanden maar ook zeer strakke vormen.

5     Opslag van Mandwerk
Te veel vocht kan lelijke vlekken veroorzaken. En leiden tot schimmel. Met name lichte manden zijn hier gevoelig voor. Aan de andere kant beperkt ook te droge opslag de levensduur van het mandwerk. Het wordt dan erg broos, Onder invloed van licht kunnen er verkleuringen optreden. Zo kunnen gebleekte manden gelig worden en bruine manden kunnen vergrijzen. Stof kan zich in en op mandwerk goed nestelen en draagt ook niet bij tot een lange levensduur. Probeer dit dus te vermijden.
Voor bloemisten houdt het inkopen van naturel mandwerk geen enkel risico in. Wanneer het wat verkleurt kun je d.m.v. een spuitbus voor elke gelegenheid iets passends leveren, (Pasen: geel; Kerst: rood; geboorte roze of blauw etc.)