Inhoud

1      Voedselkringlopen en evenwichten
1.1       Koolstofkringloop
1.2       Autotroof en heterotroof
2      Herbivoren, carnivoren en omnivoren
2.1       Herbivoren
2.2       Carnivoren
2.3       Omnivoren
2.4       Het gebit
2.4.1        Mensen
2.4.2        Dieren
3      Parasieten, saprofyten en epifyten
3.1 Parasieten
3.2 Saprofyten
3.3 Epifyten
4      Plant en voedsel
4.1       Brandstoffen en bouwstoffen
4.1.1        Bladvoeding
4.1.2        Wortelvoeding
4.2       Afwijkende voeding
4.2.1        Parasitisme
4.2.2        Vleesetende planten
4.2.3        Waterplanten
4.2.4        Epifyten
4.2.5        Symbiose
5      Dier en voedsel
5.1       in- en uitwendige vertering
5.2       herbivoren, omnivoren en carnivoren
5.3       roofdieren, insecteneters en aaseters
5.4       consumenten van diverse ordes
5.5       Bijten en zuigen
5.6       Dieren in het bos
6      Mens en voedsel
6.1 Gevarieerd eten
6.2       Calorieën
6.3       Voedingsstoffen
6.3.1        Eiwit
6.3.2        koolhydraten
6.3.3        Vetten
6.3.4        Water
6.3.5        Vitaminen en spore-elementen
6.3.6        Mineralen en zouten
6.4       De schijf van vijf
6.5       De voedselpiramide
6.6       Sociale aspecten van eten
6.6.1        Ontspanning
6.6.2        Recreatie
6.6.3        Gezondheid

Inleiding
Levende wezens bestaan uit cellen. Elke cel heeft voedsel nodig. Ze gebruiken dit voedsel voor groei en voor de energievoorziening. Dit betekent dat elk organisme bouw- en brandstoffen nodig heeft. Deze worden opgenomen uit de omgeving of door het organisme gemaakt uit andere stoffen.
We gaan hier in dit op voedingsstoffen en hun functie. Transport en vertering komen elders aan de orde.

1      Voedselkringlopen en evenwichten
Kenmerkend voor de natuur is dat stoffen steeds terug komen in het systeem. Hierdoor raken ze niet op. Men spreekt in dit verband over kringlopen en evenwichten. Een uitzondering hierop is energie. Deze wordt verbruikt en moet worden bijgevuld met zonne-energie. Ook dit is in de natuur geregeld door de fotosynthese.
We kennen bijna 92 elementaire stoffen. Combinaties van deze elementen vormen alle stoffen die we kennen stoffen. Zo bestaat water (H2O)uit waterstof(H) en zuurstof(O). Eiwitten bestaan voor het grootste deel uit koolstof (C), zuurstof (O), waterstof (H), stikstof (N) en zwavel (S) met nog een aantal andere stoffen. Suikers en vetten bestaan uit koolstof(C), waterstof (H) en zuurstof(O).
Als deze elementaire bouwsteentjes doorlopen een of meerdere kringlopen. Dit maakt het moeilijk om alles te begrijpen en te overzien. Doordat alles samen hangt kunnen kringlopen door menselijke invloeden verstoord worden. Men spreekt dan over verstoring van het evenwicht.

1.1   Koolstofkringloop
Als voorbeeld bekijken we de koolstofkringloop.
Koolstof(C) is een bestanddeel dat in de ons omringende lucht aanwezig is. Het komt normaal niet vrij in de lucht voor, maar vormt samen met zuurstof koolzuurgas ofwel kooldioxide (CO2). Het percentage is ongeveer 0.03.
Alle groene planten zijn in staat om van de kooldioxide (CO2) in de lucht en het water (H2O) uit de grond suiker (C6H12O6) te maken met behulp van het zonlicht. Hierbij komt zuurstof (O2) vrij. De groene planten op het land, maar ook het plankton in de zee, zorgen er zo voor dat het zuurstofpercentage en het energieniveau op peil blijven. De koolstof uit de lucht wordt dus in de plant vastgelegd in de vorm van suiker en stoffen die daarvan zijn afgeleid.

Dit vastleggen ven zonne-energie in suiker ofwel glucose heet fotosynthese:

De suiker (C6H12O6) wordt naar alle delen van de plant getransporteerd. De zuurstof (O2) gaat de lucht in.

Elk organisme heeft deze zuurstof nodig voor de ademhaling ofwel dissimilatie. Daarbij verbrandt de suiker en komen koolzuurgas en water vrij. Bij warmbloedigen kun je de energie waarnemen doordat de lichaamstemperatuur hoger is dan de omgevingstemperatuur.
Dissimilatie is het omgekeerde van de fotosynthese:

Als de plant wordt opgegeten of hij verteert ontstaan er weer koolzuurgas, waterdamp en energie. Hiervoor is zuurstof nodig. Ook dit is verbranding. Op die manier is de kringloop rond. Als we de koolstofkringloop van een willekeurig organisme bekijken komen we tot het volgende:

koolstofkringloop van de haas

Een haas eet planten. De koolstofdelen in de plant komen zo in het lichaam van de haas terecht.

Er zijn nu verschillende mogelijkheden:
1. De koolstof die gebonden was in de glucose (C6H12O6) wordt door de haas aangewend voor zijn energievoorziening en wordt hierbij verbrand. Daarbij komt de koolstof in de vorm van koolzuurgas (CO2) via de longen van de haas weer in de lucht.
Dit is een korte cyclus.

2. De koolstof uit het planteneiwit wordt door de haas opgenomen voor de opbouw van zijn eigen lichaamscellen. De haas zal eens moeten sterven, waarbij er weer twee mogelijkheden zijn:
a) De haas wordt gegrepen door een vos. De koolstof in het lichaam van de haas gaat over in dat van de vos.
b) De haas sterft een natuurlijke dood. Ook de vos zal een keer dood gaan. Het lichaam van de vos en de haas zullen daarbij weer uiteenvallen tot de elementen waaruit het is opgebouwd, waaronder weer de koolstof.
Dit is een lange cyclus.

Een lichaam valt niet zomaar uiteen. Daar komen een groot aantal organismen aan te pas. Een groot gedeelte wordt door verschillende dieren als voedselbron gebruikt. Denk maar eens aan de kraaiachtigen die aas eten. Ook allerlei kleinere organismen nemen hun deel. Een deel van het lichaam dat niet wordt opgegeten, wordt uiteindelijk door de bacteriën omgezet. Ook bij deze bacteriële processen komt de koolstof weer als kooldioxide in de lucht en kan weer opnieuw aan een cyclus beginnen.

Dit is maar een eenvoudig voorbeeld van een voedselkringloop. Het aantal mogelijkheden is in werkelijkheid ongelooflijk groot. Alles zit bijzonder complex in elkaar.

1.2   Autotroof en heterotroof
Organismen zonder bladgroenkorrels als mensen en veel dieren zijn voor hun energievoorziening afhankelijk van organische stoffen uit de voeding. Deze zijn, direct of indirect, afkomstig van planten.
Planten kunnen organische stoffen maken bij de fotosynthese. Ze leggen daarbij zonne-energie vast in bijv. suiker en vetten.
Wanneer een organisme zonlicht gebruikt voor het verkrijgen van de benodigde energie, dan is het autotroof.
Autotroof is een samenstelling van de Griekse woorden autos (zelf) en trophein (voeden). Dit betekent dat het organisme zelf voedsel kan aanmaken en het niet hoeft te betrekken van een ander organisme. Autotroof is het tegenovergestelde van heterotroof.

Een organisme is heterotroof als het voor zijn organische stoffen afhankelijk is van andere organismen. Dit geldt voor alle levende wezens zonder bladgroen, dus ook voor mensen Het woord “heterotroof” is afkomstig uit het Grieks en betekent letterlijk “zich van anderen voedend” (heteros – “vreemd”, “een andere”; trophein – “voeden”).

2      Herbivoren, carnivoren en omnivoren
Hogere heterotrofe organismen kunnen Op verschillende manieren aan organisch voedsel komen. Ze worden daarom onderverdeeld in:

Planteneters, herbivoren
Vleeseters, carnivoren
Alleseters, omnivoren

Het verschil tussen deze groepen is o.a. te zien aan het gebit en aan de lengte van het spijsverteringskanaal. Ook de lichaamsbouw geeft vaak informatie over de manier van voedsel verwerven.

2.1   Herbivoren
Herbivoren moeten organisch voedsel opnemen uit hun omgeving. Het begrip herbivoor wordt  gebruikt voor organismen die (vrijwel) uitsluitend planten, of delen van planten zoals bladeren, wortels, zaden, vruchten, bloemen, nectar, schors, hout, of plantensappen consumeren om aan organische stoffen te komen.

Omdat plantaardig voedsel moeilijk verteert hebben herbivoren meestal een lang darmkanaal. Soms hebben ze verschillende magen en herkauwen vaak hun voedsel met maalkiezen.

Omdat ze hun voedsel bij elkaar zoeken worden ze tot de verzamelaars gerekend.
De meeste knaagdieren als konijnen, hazen, cavia’s  en eekhoorns zijn herbivoor. Ze eten o.a. zaden.

2.2   Carnivoren
Carnivoren ofwel vleeseters halen minstens 95% van hun organisch voedsel uit andere dieren. Tot de carnivoren behoren veel roofdieren en insecteneters.

Dierlijk voedsel verteert gemakkelijker dan plantaardig voedsel. Dit is terug te zien in de lengte van het spijsverteringsstelsel.  Carnivoren hebben n.l. een korte darm. Verder hebben ze lange hoektanden en knipkiezen die geschikt zijn voor het afbijten van vlees.
Carnivoren die levende prooi vakken worden jagers genoemd. Hun lichaamsbouw kan dan aangepast zijn op snelheid.

 


2.3   Omnivoren
Een omnivoor is een alleseter of een organisme dat in de natuur zowel plantaardig als dierlijk voedsel kan eten om te overleven. Een omnivoor is een carnivoor die ten minste 5% plantaardig voedsel eet of een herbivoor die ten minste 5% dierlijk voedsel eet. Bekend is het varken.

 

 

 

Organismen die dood organisch (plantaardig of dierlijk) materiaal consumeren worden detrivoor of detritivoor genoemd. Deze zouden ook omnivoor genoemd kunnen worden omdat ze zowel plantaardig als dierlijk voedsel consumeren.
Het dieet is bij een omnivoor afhankelijk van wat er op dat moment beschikbaar is, en allerlei plantaardige en dierlijke producten kunnen worden gegeten.

2.4   Het gebit
Voedsel moet afgebeten en/of verkleind worden. Bij mensen en veel dieren begint dat in de mond of bek door middel van tanden en kiezen. Het is een vorm van mechanische vertering. Zodra er speeksel bijkomt begint de chemische vertering door enzymen.
Een tand is een harde, witte structuur in de mond. Alle tanden samen vormen het gebit. Onder andere mensen, andere zoogdieren en reptielen hebben tanden.
Diersoorten die geen tanden hebben zijn bijvoorbeeld de meeste vissen, vogels en insecten. Zij hebben andere mechanismen om het gebit te vervangen. Ook zijn er zoogdieren als miereneters zonder tanden.

Functies
Tanden zijn belangrijk voor het verkrijgen van voedsel.
Bij levend voedsel worden tanden gebruikt om de prooi vast te houden, te doden en te verknippen.
Bij plantaardig wordt de plant afgebeten en vermalen.

We gaan uit van de bekendste omnivoor,de mens.

2.4.1 Mensen

Snijtanden dienen voor het afsnijden voedsel. Hoektanden voor het vasthouden van voedsel. De knobbelkiezen van de mens vermalen het voedsel.
Mensen worden bijna altijd zonder tanden geboren. Soms heeft een pasgeboren kind toch een tand. Bij de meeste kinderen komen na enige maanden tot een jaar de eerste tanden door. Deze eerste set tanden vormen het zogenaamde melkgebit. Normaal gesproken in het 6e tot 12e levensjaar worden deze tanden en kiezen uitgewisseld voor het volwassen gebit. Dit  volwassen gebit bestaat uit meer en grotere tanden en kiezen.
Door zuren kan het glazuur van tanden worden aangetast. Regelmatig goed poetsen kan dit proces afremmen. Fluor is een scheikundig element dat tandbederf tegengaat doordat het de kalk in de emaille van de tand vervangt. Tandsteen is kalkaanslag. Hierin kunnen zich bacteriën nestelen die bijdragen aan tandbederf.

2.4.2         Dieren
Vleeseters gebruiken hun hoektanden om hun prooi te doden en om deze vast te houden. De voortanden worden gebruikt om vlees van botten af te schrapen en te versnijden Het vlees wordt verknipt met knipkiezen of scheurkiezen. Knipkiezen zijn scherp en kunnen voedsel in kleine porties knippen, zodat het snel afgeslikt kan worden. Omdat de kiezen knipbewegingen moeten kunnen maken, is de bovenkaak iets breder dan de onderkaak.Aaseters zijn vleeseters die van dood dierlijk voedsel leven. Het zijn belangrijke opruimers.

 

Planteneters  als paarden snijden het voedsel met hun snijtanden tot kleine eenheden. Ze hebben plooikiezen of maalkiezen. Plooikiezen hebben harde richels van glazuur. Door kauwbewegingen wordt het plantaardig voedsel tussen de richels fijngemalen. Bij planteneters ontbreken de hoektanden vaak. Snijtanden zijn bedoeld om groente, fruit en ander plantaardig materiaal te eten.

Herkauwers hebben geen snijtanden. Soms hebben ze snijtandachtige hoektanden. Sommige planteneters, zoals koeien, hebben geen hoektanden en geen boventanden. Koeien grijpen gras met hun tong en snijden het gras af langs de tanden in de onderkaak. Dit voedsel gaat dan slecht vermalen het spijsverteringsproces in.

 

Alleseters hebben knobbelkiezen. Omnivoren hebben altijd hoektanden. Bij sommige omnivoren zijn de hoektanden even groot als de snijtanden. Ze dienen dan voor het afbijten van voedsel. Soms zijn de hoektanden groot en scherp en dienen ze om een prooi te doden of ter verdediging

 

Enkele bijzonderheden:
Bij knaagdieren groeien de snijtanden het hele leven door. Door hun knaaggedrag is er een evenwicht tussen afslijten en groei.
Een aantal dieren hebben een giftand. Hierin bevindt zich een kanaaltje dat is aangesloten op een gifklier. Ze gebruiken dit om hun prooi te verdoven of te doden en om vijanden te bestrijden.
Dieren zonder gebit kunnen een verkleinsysteem hebben dat even effectief is als een gebit met tanden. Dit geldt bijvoorbeeld voor vogels, vissen, reptielen en amfibieën.

3      Parasieten, saprofyten en epifyten
Organismen hebben vaak hun eigen voedsel en leefwijze. Daardoor zijn ze aangewezen op een bepaalde leefomgeving. Naar voeding kun je  de organismen in deze ordenen in parasieten, saprofyten en epifyten.

3.1 Parasieten
Organismen leven niet alleen van elkaar maar vaak ook op en van elkaar.
Als een plant of dier zijn voedsel ontrekt aan een ander organisme en dat ander organisme heeft daar last van dan spreekt men over een parasiet. Het verschijnsel noemt men parasitistische symbiose of kortweg parasitisme. Ziekteverwekkende organismen zijn altijd parasieten. Voorbeelden zijn bacteriën maar ook luizen.

 

 

3.2 Saprofyten
Vaak halen organismen hun voedsel uit dood organisch materiaal. In dat geval zijn het opruimers van de natuur en spreekt men over saprofyten.

3.3 Epifyten
Epifyten leven op andere organismen maar de gastheer heeft daar geen hinder van. Hij verleent als het ware onderkomen. Denk aan bromelia’s. Dit zijn planten die boven in de bomen groeien zonder dat de betreffende bomen daar last van hebben. Het voordeel voor de bromelia is dat hij boven in de boom volop licht krijgt en dat er organisch materiaal in zijn koker valt. Dit organisch materiaal dient, in combinatie met uitwerpselen van dieren, als voedsel.

4      Plant en voedsel
Als mensen bij voeding over planten spreken denken ze al snel aan dingen als fotosynthese, mensenvoedsel en aan de natuur. Vanuit deze oogpunten gaan we ook hier naar plant en voedsel kijken.

4.1   Brandstoffen en bouwstoffen
Voedingsstoffen kun je indelen in:

  1. a) brandstoffen Dit zijn koolhydraten en vetten.
  2. b) bouwstoffen. Dit zijn bijvoorbeeld water en eiwitten.Planten met bladgroen zijn autotroof. Dit betekent dat ze in staat zijn om brandstoffen te maken en bouwstoffen op te nemen uit de omgeving. Dat opnemen van stoffen uit de omgeving kunnen ze in de meeste gevallen zelfstandig. In een aantal gevallen is er sprake van symbiose.

De grondstoffen voor het maken van deze stoffen neemt de plant op uit de omgeving. Omdat dit via de bladeren en via de wortels gebeurt spreken we over:

  1. a) bladvoeding, fotosynthese ofwel koolstof assimilatie (en verbranding ofwel dissimilatie)
  2. b) wortelvoeding

4.1.1 Bladvoeding

Verbranding
Planten hebben, net als alle andere organismen,  energie nodig voor alle levensprocessen. Deze energie komt vrij bij het verbranden van koolhydraten in de cellen. Hiervoor is zuurstof nodig die wordt opgenomen uit de lucht.
Bij de verbranding ontstaan koolzuurgas en waterdamp. Deze gassen ademt de plant uit.
Omdat de plant altijd energie nodig heeft vindt verbranding ofwel dissimilatie dag en nacht plaats in alle cellen van de plant. Het opnemen van zuurstof zou je als voeding kunnen beschouwen.

Fotosynthese
De koolhydraten (suikers) die nodig zijn voor de verbranding worden door groene planten gemaakt in de bladgroenkorrels. Dit proces heet fotosynthese of koolstofassimilatie. Als grondstoffen gebruikt de plant hiervoor koolzuurgas en water. Als afval ontstaat zuurstof. Het water wordt opgenomen uit de grond en het koolzuurgas wordt opgenomen uit de lucht. De koolhydraten gaan naar alle cellen en de zuurstof wordt uitgeademd. Het samenvoegen van koolzuurgas en water tot koolhydraten kost energie. Deze wordt geleverd door de zon. Fotosynthese vindt dus alleen plaats bij voldoende licht in cellen met bladgroen. De bladgroenkorrels kun je als het ware beschouwen als suikerfabriek. 

Tegenovergesteld
Als je de verbranding vergelijkt met de fotosynthese zul je opmerken dat ze elkaars omgekeerde zijn. De stoffen die voor de verbranding nodig zijn worden bij de fotosynthese gemaakt. Het draait hierbij om het vastleggen van zonne-energie. De energie die de plant zelf niet gebruikt komt ten goede van andere organismen.

Sterk vereenvoudigd kun je deze 2 processen als volgt weergeven:

Verbranding:

suiker  +      zuurstof        ——-            koolzuurgas  +  water   +   Energie

C6H12O6  +        6 O2                                 CO2      +    6H2O +   Energie

 

Fotosynthese:

koolzuurgas  +     water   +   lichtenergie    —–  suiker  +      zuurstof

6CO2 +    6H2O    +      Energie                    C6H12O6  +        6 O2

Zuurstof, koolzuurgas en water zijn in feite de voedingsstoffen die de plant uitwisselt met de omgeving. De energie wordt vastgelegd in de suiker en komt vrij bij verbranding.

Om de fotosynthese te vergroten werken bedrijven met koolzuurgasbemesting en belichting. We kennen dat van het oranje licht dat kassen in de winterperiode vaak uitstralen.
Omdat ook wortels zuurstof opnemen moet grond luchtig zijn en ventileren. Dit betekent zuurstof opnemen en koolzuurgas afgeven.

4.1.2 Wortelvoeding
Bouwstoffen en elementen voor het maken van bouwstoffen worden door de plantenwortels opgenomen uit de bodem.
Als je een plant scheikundig analyseert kun je zien welke elementen erin voorkomen. Dit zijn de elementen die de plant op de een of andere manier moet verwerven. Voor elke plant is dat anders. Bij cultuurplanten voegt men vaak extra voedingsstoffen toe aan de bodem. Als daarvoor scheikundige stoffen als zouten gebruikt worden spreekt men over kunstmest. Ook kan men organische producten als stalmest gebruiken.

De voor de plant noodzakelijke elementen kun je in de volgende groepen verdelen:
–       macro-elementen ofwel hoofdelementen;
–       micro-elementen ofwel spore-elementen;
–       nevenelementen

macro-elementen (Hoofdelementen)
Macro-elementen zijn elementen waarvan de plant in verhouding grote hoeveelheden opneemt. Dit zijn: koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O), stikstof (N), fosfor (P), Kalium (K), zwavel (S), Calcium of kalk (Ca) en magnesium Mg).

Koolstof
Dit element haalt de plant uit de lucht. Bij de fotosynthese wordt dit element vastgelegd in organische stof.

Waterstof en zuurstof
Deze elementen worden uit het water uit de grond verkregen. Ook deze elementen maken deel uit van de organische stoffen.

Stikstof
Stikstof is nodig voor de vorming van eiwitten en bladgroen. Bij stikstofgebrek zal de plant slecht groeien en verkleuren.
Stikstofovermaat geeft extra groei. Hierdoor krijg je in veel gevallen een langgerekte, slappe plant.

Fosfor
Planten hebben fosfor nodig voor de vorming van veel eiwitten, de wortelontwikkeling en de vorming van vruchten en zaden. Bij fosforgebrek zien we vaak bladverkleuring

Kalium
Kalium speelt een belangrijke rol bij de stevigheid van bladeren en stengels. Hierdoor zijn planten met voldoende kalium minder gevoelig voor bijvoorbeeld ziekten en klimaat. Daarnaast helpt dit element bij de vorming en het vervoer van koolhydraten en heeft het een positieve invloed op de kwaliteit van vruchten.
Bij kaliumgebrek wordt het oudere blad donker en dof. Langs de rand van het blad treedt verdroging op.

Zwavel
Dit element komt voor in eiwitten. Het speelt een rol bij de waterhuishouding van de plant. Zwavelgebrek komt praktisch nooit voor.

Calcium of kalk
Dit element speelt een rol bij de opbouw van celwanden en het neutraliseren van zuren in de plant. Gebrek komt praktisch nooit voor. Wel krijg je dan een slecht grondstructuur waardoor de plantengroei indirect verslechtert.

Magnesium
Magnesium is een belangrijk bestanddeel van bladgroen. Bij magnesiumgebrek krijg je bladvergeling tussen de nerven en langs de randen. Later verkleurt dit naar bruin. Rond de nerven blijven de bladeren groen. Magnesiumgebrek komt veel voor op zandgronden en bij kaliumovermaat

micro-elementen ofwel spore-elementen
Hiertoe behoren de elementen die planten in zeer kleine hoeveelheden opnemen. Ze zijn wel onmisbaar. Tot deze groep behoren: ijzer (Fe), silicium of kiezel (Si), mangaan (Mn), borium (B),  zink (Zn), molybdeen (Mo), koper (Cu), Kobalt (Co) en soms jodium (I) en aluminium (Al)

IJzer
IJzer is nodig voor de vorming van bladgroen. Bij ijzergebrek worden de bladeren geel tot wit met scherp afgetekende groene nerven.  Het komt vooral voor op basische grond.

Silicium of kiezel
Dit element komt voor in celwanden.

Mangaan
Mangaan speelt een rol bij de fotosynthese en eiwitstofwisseling. Mangaangebrek is te herkennen aan op lichte vlekken tussen de bladnerven.  De nerven blijven groen.  Het blad is vaak dun. Mangaangebrek wordt vaak veroorzaakt door kalkovermaat en een slechte bodemstructuur.

Borium
Dit element speelt een rol bij de celdeling en waterhuishouding in de plant. Bij gebrek kunnen jonge knoppen afsterven.

Zink
Zink is nodig voor het vormen van groeistoffen. Zinkgebrek geeft groeiremming.

Molybdeen, koper, kobalt, jodium en aluminium
Deze elementen spelen een rol bij allerlei chemische omzettingen. Molybdeen-, kobalt-  en kopergebrek geven misvorming en verkleuring. Jodium- en aluminiumgebrek komen praktisch nooit voor.

Nevenelementen
Hiertoe behoren elementen als Chloor (Cl) en Natrium (Na). Ze zijn niet noodzakelijk voor de groei maar worden wel opgenomen als ze aanwezig zijn. Om erachter te komen welke voedingselementen een plant nodig heeft kun je uitzoeken welke stoffen er in het plantenlichaam zitten.

Wilde planten geven vaak een indicatie over de samenstelling van de grond. Zo wijst brandnetel op de aanwezigheid van stikstof en klein hoefblad op kalk. Varens en mossen zijn indicatoren voor zure grond.

4.2   Afwijkende voeding
Praktisch alle planten hebben wortels om voedsel op te nemen uit de bodem en bladgroen om brandstoffen te maken. Hierdoor zijn ze zelfvoorzienend ofwel autotroof.

Bijzonder vormen van voeding zijn:
– parasitisme
– vleesetende planten
– waterplanten
– epifyten
– symbiose

4.2.1 Parasitisme
Planten zonder bladgroen moeten hun brandstoffen uit organisch materiaal halen. Als dit organisch materiaal nog leeft en hier last van ondervindt spreek je over parasitisme.

Parasitistische planten halen zowel bouw- als brandstoffen uit andere levende wezens. Voorbeelden zijn bacteriën en veel schimmels. Ook duivelsnaaigaren is een parasiet. Hij wortelt in zijn gastheer en heeft geen bladgroen. Zowel bouwstoffen als brandstoffen worden opgenomen uit de plant waarin hij geworteld is. Zwakteparasieten als honingzwam en tonderzwam, tasten verzakte organismen aan.

 

 

populieren met vogellijm

Half parasieten halen een deel van hun voedsel uit andere organismen. Zo zijn kartelblad en ratelaar planten met bladgroen. Daardoor kunnen ze hun brandstoffen zelf maken. Hun wortels halen bouwstoffen uit grassen. Vogellijm (maretak) groeit boven in bomen. Ook deze plant heeft bladgroen voor de fotosynthese en haalt zijn bouwstoffen uit de gastplant.

Een bijzondere vorm van parasitisme is mutualistishe symbiose, kortweg symbiose genoemd. Men spreekt over symbiose als organismen duurzaam samen leven. Hierbij profiteren twee of meerdere organismen van elkaar. Zo krijgen bodemschimmels bijvoorbeeld brandstoffen van een boom. De schimmel zorgt ervoor de andere voedingsstoffen beschikbaar komen van de boom. Zo hebben ze beiden voordeel. Bekend is de symbiose zoals die bij orchideeën voorkomt. Orchideeënzaad bevat namelijk geen reservevoedsel. Als een bepaalde bodemschimmel ontbreekt kan het kiemplantje geen voedsel opnemen.

4.2.2 Vleesetende planten
Een aantal planten zijn in staat om insecten te vangen en te verteren. Op die manier vullen ze hun stikstofvoorziening aan en kunnen ze groeien op plaatsen waar andere planten dat niet meer kunnen. Voorbeelden van zulke vleesetende planten zijn zonnedauw en bekerplant.

4.2.3 Waterplanten
Planten die in het water groeien halen hun bouwstoffen vaak uit het water. Hiervoor gebruiken ze hun waterwortels, bladeren en/of hun stengels. Vaak betreft het drijvende planten. Als ze grondwortels hebben worden die voornamelijk gebruikt voor verankering.

4.2.4 Epifyten
Als planten op andere planten leven zonder dat die andere plant daar last van heeft spreekt men over epifyten. Dit soort planten haalt zijn bouwstoffen uit  “afval” dat zich op de gastplant of in het regenwater bevindt en maakt zelf zijn brandstoffen. Voorbeelden zijn mossen, orchideeën en veel bromelia’s die wij als kamerplant gebruiken.

4.2.5 Symbiose
Als 2 planten samen leven en daar beiden voordeel van hebben spreken we over symbiose. Bekend zijn kostmossen. Het is een samenlevingsvorm tussen een alg en een schimmel. Aan de buitenkant zit de schimmel, die dus ook de grove vorm van het korstmos bepaalt. De algen verzorgen de fotosynthese en produceren daarbij brandstoffen. De schimmel houdt water vast, dat afkomstig is uit de lucht (regen), zodat de algen deze stof kunnen gebruiken voor de fotosynthese. De schimmel scheidt zuren uit, dat helpt bij het opnemen van bouwstoffen voor de algen. De schimmel biedt bescherming tegen intensief zonlicht. Ook in de bodem komt veel symbiose voor waardoor hogere planten geholpen worden bij het opnemen van stoffen in ruil voor brandstoffen. Dit verklaart waarom veel planten op bepaalde plaatsen niet groeien.

 

5      Dier en voedsel
De dierenwereld is erg divers. Dit geldt voor alle aspecten van uiterlijk tot levenswijze. De manier van voeden staat voor een deel aan de basis van deze grote verschillen. Door aanpassingen hebben dieren zich overal kunnen vestigen. Denk aan water, lucht, bodem, land, kou, hitte enz. Aanpassingen kunnen ook zijn het houden van een winterslaap, het aanleggen van een wintervoedselvoorraad en het wegtrekken van dieren tijdens bepaalde seizoenen.
Dieren zijn, op enkele uitzonderingen na, heterotroof. Ze moeten dus organische- en anorganische stoffen opnemen en verteren. Dit gebeurt op diverse manieren. In het dierenrijk is een voedsel-opportunist een dier dat (bijna) alles eet wat voorhanden is.

Dieren worden vaak ingedeeld naar hun manier van voeden.
Zo kennen we bij dieren:
– dieren met uitwendige vertering en inwendige vertering.
– herbivoren, omnivoren en carnivoren.
– parasieten, saprofyten en epifyten
– roofdieren, insecteneters en aaseters.
– consumenten van de eerste orde, consumenten van de tweede orde enz.
– bijtende en zuigende dieren

5.1   in- en uitwendige vertering
Verteren is het verkleinen van een prooi tot oplosbare deeltjes. Dit kan mechanisch en/of chemisch gebeuren. De oplosbare deeltjes kunnen na de vertering door het cytoplasma van de cel worden opgenomen. Dit verteren kan in het organisme of buiten het organisme gebeuren.

Inwendige vertering
Eencelligen verteren hun voedsel altijd in de cel, dus in het lichaam. De amoebe is een voorbeeld van zo’n eencellig waterdiertje. Het beweegt zich voort en voedt zich met behulp van schijnvoetjes. Hij sluit zijn prooi in met schijnvoetjes. Zo wordt in de cel een voedselvacuole gevormd. Met behulp van een enzym wordt het voedsel daar verteerd. Dit is inwendig en chemisch.
Oplosbare deeltjes dringen het cytoplasma binnen. Onverteerde deeltjes worden uitgescheiden.

Pantoffeldiertjes zijn ook eencellig. Ze hebben trilharen en een celmond. Met de trilharen wordt het voedsel naar in de celmond gebracht. Zo komt het in de voedingsvacuole terecht. Hier verteert het voedsel en wordt het opgenomen door het cytoplasma. Onverteerde delen verlaten het lichaam via de cel-anus.

Sponzen zijn eenvoudig gebouwde meercellige dieren. Ze hebben geen echte organen, spieren en zenuwcellen. Sponzen leven onder water, meestal vastgehecht op een stevige ondergrond en kunnen uit zichzelf niet bewegen. Ze filteren hun voedsel en zuurstof uit het zeewater, dat ze door hun vele poriën naar binnen zuigen. Het voedsel spoelt naar een holte waar het in speciale cellen verteerd wordt. Dit is dus inwendig.

Bij dieren met een verteringsstelsel vindt altijd vertering in het lichaam plaats. Dit is inwendige vertering.

Uitwendige vertering
Holtedieren als zoetwaterpoliep, zeeanemoon en kwal vangen hun prooi met tentakels. Ze brengen het voedsel vervolgens via de mond in de darmholte. De darmholte bevindt zich buiten het lichaam en is omgeven door de cellen van het organisme. Daar vindt gedeeltelijke vertering plaats. De voorvertering is dus uitwendig. Cellen uit de laag om de darmholte nemen kleine voedseldeeltjes op en verteren deze verder. Dit is inwendig. Spinnen vangen hun prooi en spuiten deze in met een verterende stof. Vervolgens worden de verteerde stoffen opgezogen als voedsel. Ook dit is een vorm van uitwendige vertering.

5.2   herbivoren, omnivoren en carnivoren
Dieren kunnen hun bouw-, brand- en beschermende stoffen uit plantaardig of dierlijk materiaal halen. Carnivoren gebruiken levend of dood vlees als voedsel. Herbivoren gebruiken levend of door plantaardig voedsel. Omnivoren gebruiken een combinatie van beiden.

Rooddieren moeten hun prooi in veel gevallen achtervolgen. Daardoor is hun lichaamsbouw aangepast aan snelheid. Hun gebit is aangepast aan het dode, vasthouden en verscheuren van vlees.

Roofvogels zijn in staat om hun prooi onverwacht aan te vallen. Ze doen dit bijv. door stil te hangen in de lucht, te wachten op een paal of door ’s nachts te jagen. In het algemeen hebben roofvogels goede ogen en kunnen ze geruisloos vliegen. Vogels die snel hun prooi verslinden braken onverteerbare stoffen uit in de vorm van braakballen.

Insecten en andere geleedpotigen kennen veel technieken om hun prooi te overmeesteren. De bijenwolf bijvoorbeeld is een wesp. Hij graaft een valkuil om bijen te vangen. Parasitaire insecten leggen hun eieren in andere dieren waardoor de larven de eerste periode over voldoende voedsel kunnen beschikken. Bij plantenetende insecten zien we dieren met bijtende- en anderen met zuigende monddelen.

Vleermuizen speuren hun prooi op met een soort sonar.

Spinnen spuiten hun prooi in met een stof die de inhoud van de prooi verteert. Daarna zuigen ze de prooi leeg.

Soms hebben dieren in een bepaalde periode extra voeding nodig. Dit geldt bijvoorbeeld voor steekmuggen. Voor de ontwikkeling van eieren zuigen de vrouwtjes bloed van mensen en dieren op om aan de benodigde eiwitten te komen. Wespen en mieren verzamelen in de periode dat de larve verzorgt moeten worden extra veel suiker. Mensen kunnen daar last van hebben doordat mieren luizen kweken en melken en doordat wespen op alles afkomen wat zoet is.

Insecten kennen diverse stadia. Vooral in het larve stadium is veel voedsel nodig. Hierdoor komt het voor dat ze in een korte periode complete planten kaal vreten. Voor mensen kan dit vervelend zijn. Als ze dan andere dieren inzetten om de parasiet te bestrijden spreken we over biologische bestrijding. Als de parasiet gedood wordt met git heb je te maken met chemische bestrijding.

Bij vogels is aan de bouw van de snavel is te zien welk voedsel ze gebruiken. Lijster gebruiken gereedschap om zaden te openen. Een aantal vogels passen hun voedsel aan aan de periode van het jaar. Zo zullen ze in het voorjaar vooral dierlijk voedsel zoeken om hun jongen te voeren en in de winter leven van zowel dierlijk voedsel als plantaardig voedsel. Veel vogels trekken naar een ander land als er minder voedsel beschikbaar komt.

Veel dieren hebben vaste voedselbronnen. Een aantal eten wat er voor handen is. Dit soort dieren noemt men voedsel-opportunist. De vos is hiervan een voorbeeld.

5.3   roofdieren, insecteneters en aaseters
Roven klinkt vanuit menselijk oogpunt gezien erg negatief. We vinden het al gauw wreed als we zien dat dieren elkaar doden verscheuren en opeten. Vanuit het natuurlijk evenwicht gezien is eten en gegeten worden noodzaak. Het aantal nakomelingen is in het algemeen afgestemd op het in stand houden van de soort. Dieren met veel nakomelingen hebben veel vijanden en omgekeerd. Hetzelfde geldt overigens voor dieren met een korte levensduur. Doordat zwakke dieren als eerste ten prooi vallen aan roofdieren blijven de sterkste over en is de kans op in stand blijven van de soort het grootst. Insecten vormen de meest succesvolle levensvorm op aarde. Doordat de aantallen gigantisch zijn vormen ze een belangrijke voedingsbron voor veel dieren. Echte insecteneters hebben monddelen om het harde chitine-panser van insecten te breken. Aaseters zijn opruimers. Ze nemen een belangrijke plaats in binnen voedselketens en voedselpyramides. Ze verkleinen voedsel waardoor de overblijfselen weer toegankelijk worden voor andere organismen.

5.4   consumenten van diverse ordes
Omdat dieren zelf geen organisch materiaal kunnen maken worden ze consumenten genoemd. Hun voedsel moet dus altijd organisch materiaal bevatten.
Een vos eet geen gras maar wel de muis die een sprinkhaan gegeten heeft. De sprinkhaan heeft wel gras gegeten. Indirect zijn de organische stoffen die de vos eet dus toch afkomstig uit het gras. Zo kunnen we in de natuur zeer veel voedselketens vinden waarbij grote organismen kleinere organismen opeten. Het dier dat planten eet wordt consument van de eerste orde genoemd. De consument van de eerste orde eet de consument van de tweede orde enz.

Kenmerken:
–     Een voedselketen is altijd een rechtdoorgaande lijn.
–     Een voedselketen bevat alleen consumenten.
–     Een consument van de 1e orde is altijd een planteneter (bv. een konijn)
–     Een consument van de 2e orde is altijd een alleseter (bv. een vos) of een vleeseter   (bv. een spitsmuis)

                5.5   Bijten en zuigen
Voedsel moet altijd verkleind worden voordat het op celniveau verwerkt kan worden. Hogere dieren hebben daarvoor een spijsverteringsstelsel dat begint bij de mondopening. Doorvoor hebben dieren bijvoorbeeld de volgende middelen beschikbaar:
– Zoogdieren, reptielen en enkele vissen hebben een gebit;
– Slakken hebben een rasptong;
– Insecten hebben krachtige kaken of een zuigsnuit;
– Vogels hebben een snavel en een krop.

Daarnaast hebben veel dieren aanpassingen die hun leefomgeving vergroten. Voorbeelden zijn de tong van herkauwers en de spiermaag met steentjes bij kippen.
Jonge dieren worden vaak verzorgd door de ouders. Men spreekt dan over broedzorg. De duur en de manieren waarop dit gebeurt zijn erg verschillend
Zoogdieren bijvoorbeeld krijgen de eerste periode melk van de moeder. Vogels daar en tegen krijgen de eerste periode voorverwerkt voedsel. Bij andere dieren hebben de ouders ervoor gezorgd dat de jongen geboren worden in een voedselrijke omgeving
Bij de koekoek komt broedparasitisme voor. De koekoek legt een ei in het nest van een anders soort vogel. Als het ei uitkomt verdringt het koekoeksjong de andere jongen. Hierdoor is zijn de stiefouders in staat om, de vaak veel grotere koekoek, te verzorgen. Men denkt dat vogels bij de broedzorg vooral gefixeerd zijn op de roze snavel en verder het verschil niet opmerken. Koekoeksbijen hebben een vergelijkbaar gedrag.

5.6   Dieren in het bos

Onderstaand verhaal illustreert de complexheid van een levensgemeenschap.

Veel dieren vinden een bos een fijne plek om te wonen. Ze zitten er veilig beschut tegen kou en gure wind. Bovendien kunnen zij zich in een bos prima verschuilen tussen de hoge varens en de dichte braamstruiken. Ook holle bomen bieden een goede bescherming tegen vijanden. Bosdieren leiden een verborgen leven. Je hoort ze niet, je ziet ze niet, maar ze zijn er wel. Zodra je een bos binnengaat, verstoppen de dieren zich. Het bos lijkt dan wel uitgestorven. Maar vanuit hun schuilplaatsen beloeren ze je. Zij zien jou wel, maar jij hen niet. Toch kun je ze ontdekken, als je maar geduld hebt. De dieren verraden hun aanwezigheid vaak door sporen die ze achterlaten: keutels of afgekloven dennenappels. Met een beetje geluk kun je een heleboel sporen vinden. Op eikenbomen zie je soms rare vergroeiingen aan de takken of aan de onderkant van de bladeren. We noemen ze gallen. Hierin wonen de larven van galwespen. Galwespen lijken niet op gewone wespen. Deze insektjes zijn maar een halve centimeter groot. Een galwesp legt een eitje bijvoorbeeld in een blad. Daaruit kruipt een larve die gelijk op het blad spuugt. In dat spuug zit een soort groeistof. Op dat spuugplekje begint het blad dan enorm te groeien. Zo ontstaat een gal. In die gal woont en eet de larve van de galwesp. Als hij volgroeit is, verpopt hij zich. Later, als hij een echte galwesp is geworden, kruipt hij er uit.

In een bos is volop voedsel voor de dieren. Vooral voor de planteneters is er eten in overvloed: bladeren, sappige stengels, vruchten, wortels en zelfs boomschors en hout. De meeste dieren zijn planteneters: grote dieren zoals reeën, maar ook kleine dieren zoals bosmuizen en insecten. De larven van insecten zijn echte eetmachines. Die eten met elkaar makkelijk een boom of struik kaal. Gelukkig zijn er ook nog vleeseters, die op de planteneters jagen. Vleeseters zijn er ook in alle vormen en maten, van vos tot spin. Er zijn ook dieren die van twee walletjes willen eten. Een bosmuis is een kleine planteneter. Hij eet graag zaden, zoals eikels. Om te eten, moet de muis uit zijn schuilplaats komen. Maar daar loeren allerlei gevaren. Een bosuil slaat zijn slag en eet de bosmuis op. De planten, de muis en de 1. uil vormen samen een voedselketen. Aan het begin van zo’n keten staan altijd de planten. Die worden opgegeten door planteneters. En die worden op hun beurt weer opgegeten door vleeseters. Er zijn heel veel voedselketens in een bos.

Een bosmuis heeft heel veel zaden nodig om in leven te blijven. En een bosuil heeft ook niet genoeg aan een bosmuisje. Dat kun je zien in een voedselpyramide. Een pyramide is onderaan heel breed en eindigt in een punt. De voedselpyramide is verdeeld in gelijke lagen. In de onderste laag zitten dus heel veel exemplaren en in de bovenste laag heel weinig. Zodoende zijn er dus veel meer zaden dan bosmuizen, en veel meer bosmuizen dan bosuilen. Niet alleen de uil jaagt op de bosmuis. Ook 2. vossen , 3. wezels en valken lusten graag een muisje. Met zoveel vijanden moet een muis eigenlijk overal ogen en oren hebben. De muis zit in een heleboel voedselketens. Dat is met veel meer dieren en planten het geval. Op de 4. eik bijvoorbeeld leven rupsen en bladluizen. Rupsen eten van de bladeren en bladluizen zuigen sap uit de stengels. Vogels eten van de knoppen. De eikels worden opgegeten door de bosmuis. Rupsen en bladluizen worden opgegeten door koolmezen. Lieveheersbeestjes zijn ook verzot op bladluizen. De 5. sperwer loert op de koolmees en de bosuil op de bosmuis. Al die voedselketens door elkaar vormen een voedselweb Je ziet dat de planten en dieren van elkaar afhankelijk zijn. Daarom noemen we een bos ook wel een levensgemeenschap.

 

6      Mens en voedsel
Ook voor het menselijk lichaam geldt dat het voortdurend voedsel nodig heeft:
– bouwstoffen om te groeien en om voortdurend cellen te vernieuwen;
– brandstoffen voor de energievoorziening;
– regulerende stoffen om alle organen in het lichaam goed te laten
functioneren

Elke paar jaar is elke cel in ons lichaam (behalve zenuwcellen) helemaal vernieuwd. Aan de buitenkant is die permanente vervanging goed te zien bij huid, haar en nagels. Daarnaast heeft eten bij veel mensen een sociale functie. Hierdoor komt gezond eten vaak in gedrang.

6.1 Gevarieerd eten
De keuze aan voedingsmiddelen is enorm. Bijna alles is gezond mits we voldoende afwisselen. Vooral met dierlijke producten (verzadigd vet) en alcohol moeten we matig zijn.
Wie rommel als drugs in zijn lichaam stopt, kan niet verwachten dat dat resulteert in een gezond lichaam met gezonde gedachten.

Wel geldt dat niet alle voedingsmiddelen even waardevol en even gezond zijn. Etenswaren die vanuit voedingskundig oogpunt niet zo waardevol zijn (bijvoorbeeld wittebrood met jam, of friet) kunnen best lekker zijn. Wie gevarieerd eet (wissel aardappelen af met friet of pasta, eet verschillende soorten groente, diverse fruitjes, vlees, vis of kip) krijgt bijna altijd alles binnen wat hij nodig heeft.

Een volwaardige maaltijd bevat:
– voldoende energie (calorieën)
– diverse nuttige voedingstoffen

Handig hulpmiddelen bij het samenstellen van een volwaardige dagmenu zijn:
– de Schijf van vijf
– de Voedselpiramide.

6.2   Calorieën
Bij het verbranden van voedsel komt energie vrij. De eenheid voor energie is calorie ofwel Joule. 1 calorie is de hoeveelheid energie die nodig is om 1 gram water 1 graad op te warmen  Dus 1 kcal (kilocalorie) is nodig om een liter water één graad te verwarmen – en met 100 kcal breng je een liter water aan de kook.

Calorie en Joule
We eten energiehoudende voeding, die eventueel in warmte kan worden omgezet. Een modernere eenheid van energie is de Joule. Een Joule is ongeveer de energie die nodig is om 1 kilo 10 cm op te tillen. Dat is niet veel energie.
Verder geldt: 1 calorie = 4,186 Joule.

Normaal praten we over calorieën en Joules per duizend tegelijk:
– 1 kcal (kilo calorie) = duizend calorieën;
– 1 kJ is duizend Joule.

Op voedingsmiddelen hoort de voedingswaarde te staan, uitgedrukt in kJ (of kcal) per 100 gram van dat voedingsmiddel. Let op: in een pot jam van 450 gram zit dus 4,5 keer de hoeveelheid per 100 gram.

Voor een goed begrip enkele voorbeelden, telkens per 100 gram:
– karnemelk: 120 kJ of 30 kcal
– spinazie à la creme: 192 kJ of 46 kcal
– droge macaroni: 1520 kJ of 358 kcal
– hagelslag: 1770 kJ of 423 kcal
– pindakaas: 2693 kJ of 644 kcal

Alle energie die we eten, moeten we ook gebruiken. We poepen weinig uit, zodat alles wat we teveel eten wordt omgezet in vet.

6.3   Voedingsstoffen
De voedingswaarde van een product is méér dan alleen het aantal calorieën. De voedingswaarde zegt hoeveel en welke nuttige stoffen er in een product zitten (ook telkens per 100 gram). Het gaat dan vooral om de gehaltes aan eiwitten, koolhydraten en vetten, maar ook vitamines en mineralen. De voedingswaarde staat altijd verplicht op de verpakking. Wie per product wil weten wat de voedingswaarde is, kan kijken bij de site Voedingswaardetabel.

De nuttige stoffen in voeding zijn op te delen in eiwitten, koolhydraten, vetten, vitaminen, spore-elementen en mineralen.
De energie in voedingsmiddelen zijn samengesteld uit de organische stoffen koolhydraten, vetten, eiwitten (proteïnen) en alcohol. Elke van deze voedingsstoffen levert een bepaalde hoeveelheid energie. Je lichaam verbruikt altijd een combinatie vetten en koolhydraten om energie op te wekken. Dit heeft onder andere te maken met de intensiteit van de beweging. Bij een lage intensiteit zullen vooral vetten verbrand worden en bij een hoge intensiteit vooral koolhydraten. Meer informatie hierover is te lezen onder het item bewegen.

6.3.1 Eiwit
In bijvoorbeeld: vlees, kip, vis, ei, maar ook wel kaas, erwten en bonen.
Nut: bouwstof voor het lichaam (voor opbouw en onderhoud)
Essentie: alle eiwit/vlees is opgebouwd uit 23 aminozuren; daarvan zijn er voor mensen 8 essentieel (en dus absoluut nodig), omdat ons lichaam de andere zelf kan opbouwen uit de brokstukken.

Eiwitten vormen de structuur van elke cel in het lichaam en dus ook je spieren. Als je wilt afvallen is spiermassa erg belangrijk. Spieren hebben energie nodig zowel bij bewegen en bij rust. Extra spiermassa zorgt voor een hogere stofwisseling en dus ook meer energie verbruik. Eiwitten kunnen ook energie leveren maar het is wel een hele slechte leverancier. Als je lichaam eiwitten gebruikt als energie kan het zijn dat je spiermassa aan het afbreken bent. Je verliest wel gewicht maar geen vet. Als je tijdens het sporten erg naar erg ammonium ruikt ben je spieren aan het afbreken. Je lichaam gaat pas gebruik maken van eiwitten als energie wanneer het lichaam geen gebruik meet kan maken van koolhydraten en vetten.
In een normale en evenwichtige voeding zitten genoeg eiwitten. Krachtsporters en bodybuilders gebruiken extra eiwitten supplementen zoals eiwittenshakers voor een snellere herstel en voor de spieropbouw.

6.3.2 koolhydraten

Bijvoorbeeld: suiker, snoep, meel, pasta, aardappelen.
Nut: energie, die vrij snel na het eten beschikbaar is.
Essentie: de meeste koolhydraten verteren makkelijk en leveren dan energie. Koolhydraten zijn voor de mens een brandstof die efficiënter verbrandt als vetten.

Koolhydraten bestaan grof weg gezegd uit 2 soorten namelijk;
– enkelvoudige koolhydraten;
– meervoudige of complexe koolhydraten.

Enkelvoudige koolhydraten
Enkelvoudige koolhydraten verteert je lichaam snel. Te veel enkelvoudige koolhydraten zorgen voor een hoge bloedsuiker waardoor je lichaam het hormoon insuline gaat afgeven. Dit hormoon haalt glucose uit de bloedbaan om het als energie te gebruiken. Dit zorgt voor een lage suikerspiegel en dat gaat weer gepaard met een honger gevoel, een drang naar eten en zwakte. Insuline remt ook de afbraak van vetten en stimuleert de opbouw daarvan. Natuurlijke enkelvoudige koolhydraten (suikers) zijn gezond. Deze zitten bijvoorbeeld in fruit en zuivelproducten. Slechte voorbeelden zijn snoep, frisdrank, ijs enzovoort.

meervoudige of complexe koolhydraten
Meervoudige of complexe koolhydraten verteren minder snel en geven minder snel een honger gevoel.

Er zijn 2 soorten complexe koolhydraten namelijk;
– zetmeelrijke koolhydraten zoals aardappelen, bruinbrood, volkoren pasta, bonen enzovoort
– vezelrijke koolhydraten zoals groentes.

De meervoudige koolhydraten zorgen voor een gemiddeld energie niveau. Waardoor er geen pieken en dalen zijn in je bloedsuiker. Ook zorgen ze voor een voller gevoel.

Informatie over bloedsuikerspiegel en afvallen

Bloedsuikerspiegel is de glucoseconcentratie in het bloed.
Glucose is de omgezette energie van vetten en koolhydraten.

Hoge bloedsuikerspiegel
Een hoge bloedsuikerspiegel zorgt voor hoge afgifte van insuline, omdat je een te hoge bloedsuikerspiegel hebt zal het hormoon insuline er voor zorgen om de bloedsuikerspiegel weer omlaag te helpen. Insuline heeft invloed op de vetstofwisseling. Het stimuleert de opbouw van vetten en remt de afbraak van vetten. Niet zo gunstig dus als je wilt afvallen.

Lage bloedsuikerspiegel
Een lage suikerspiegel gaat gepaard met een honger gevoel, een drang naar eten en je voelt je zwak en moe. Ook zal je lichaamsverbranding en stofwisseling niet optimaal werken, wat weer een nadeel is bij afvallen.

Wat moet je nu doen voor het afvallen
Zorg er voor de je bloedsuikerspiegel onder controle is en niet te laag, dus minder enkelvoudige koolhydraten, maar meervoudige koolhydraten gaan eten. Sla nooit je ontbijt over! Zorg er voor dat je stofwisseling en lichaamsverbranding voor de hele dag optimaal is, dit is belangrijk bij het afvallen.

6.3.3 Vetten   
Vet levert energie en bouwstoffen en er zitten vaak vitaminen in. Er zijn 2 soorten vetten in onze voeding. Namelijk verzadigde vetten en onverzadigde vetten.

Verzadigde vetten
Verzadigde vetten zijn ongezond. De lever gebruikt verzadigde vetten om er cholesterol van te maken. Een te hoog cholesterol geeft kans op hart en vaat ziektes. Verzadigde vetten zijn de vetten in vaste vorm zoals bijvoorbeeld boter en margarine, maar ook de vetten in koekjes, snacks enzovoort.

Onverzadigde vetten
Onverzadigde vetzuren zijn wel gezond. Ze zijn goed voor hart en bloedvaten en ze zijn cholesterol verlagend. Onverzadigde vetten zijn de vetten in vloeibare vorm zoals plantaardige olie of bijvoorbeeld de veten in vette vis.

Tip:
Verzadigde vetten = V van verkeerd
Onverzadigde vetten = O van oké

6.3.4 Water
Water is echt overal voor nodig.
De mens bestaat in gewicht voor pakweg driekwart uit vocht. Water speelt een rol in alle processen en in elk lichaamsdeel. Het is het belangrijkste oplosmiddel en doet daardoor mee aan praktisch elk chemisch proces. Zonder het drinken van water (ook in de vorm van thee, bier of sapjes) gaan we vrij snel dood. Water is een van de weinige stoffen die kunnen worden opgenomen zonder vertering.

6.3.5 Vitaminen en spore-elementen
Vitaminen en spore-elementen zijn onmisbare specifieke deeltjes voor opbouw, onderhoud en functioneren van het lichaam.
Vitaminen hebben we in zeer geringe hoeveelheden nodig. Wie normaal, gevarieerd eet, krijgt vrijwel altijd voldoende binnen. Bij een gebrek aan vitaminen ontstaan al gauw ziektes en zwakheden. Een overdadig gebruik, via pillen bijvoorbeeld, kan ook tot problemen leiden.

Er zijn dertien vitamines: vier vetoplosbare vitamines en negen wateroplosbare vitamines. De vetoplosbare vitamines zijn vitamine A, vitamine D, vitamine E en vitamine K. De vetoplosbare vitamines zitten voornamelijk in het vet van voedingsmiddelen en kunnen in de weefsels van het lichaam worden opgeslagen. De wateroplosbare vitamines zijn vitamine B1, B2, B3, B5, B6, B8, B11 (foliumzuur) en B12 en vitamine C. Deze vitamines zitten juist in het vocht dat in voedingsmiddelen zit. Het lichaam kan deze wateroplosbare vitamines (met uitzondering van vitamine B12) niet goed opslaan; een teveel verlaat het lichaam via de urine.

Vitamine A t/m B12
Vitamine A
Vitamine A is een van de vitamines die het lichaam zelf kan aanmaken. Daarvoor heeft het wel bèta-caroteen nodig. Bèta-caroteen wordt ook wel pro-vitamine A genoemd. Bèta-caroteen is niet alleen belangrijk voor de aanmaak van vitamine A, het is ook een antioxidant. Dat wil zeggen dat het de schade die vrije radicalen in ons lichaam aanrichten, beperkt.Al langer is bekend dat vitamine A belangrijk is voor ons gezichtsvermogen, vooral voor het aanpassen aan het donker. Daarnaast is deze vitamine belangrijk voor een gezonde huid, de vorming van bloedvaten en slijmvliezen en speelt ze een grote rol bij de weerstand tegen infecties.Natuurlijke bronnen van vitamine A zijn onder meer boter, halvarine, margarine, vis, (volle) melkproducten en lever. Bèta-caroteen zit in veel fruit en groenten (vooral felgekleurde varianten, zoals bijvoorbeeld wortels), in veel koolsoorten en bijvoorbeeld broccoli.De B-vitamines zorgen voor de stofwisseling in ons lichaam; ze zetten koolhydraten, vetten en eiwitten uit ons voedsel om in energie en bouwstoffen.Vitamine B1
Vitamine B1 zorgt ervoor dat de koolhydraten uit ons voedsel worden verbrand, waardoor we meer energie krijgen. Vandaar dat mensen die heel actief zijn, en dus veel energie verbruiken, een grotere behoefte hebben aan vitamine B1. De natuurlijke bronnen zijn: aardappelen, graanproducten, brood, vlees en melkproducten.Vitamine B2
Deze vitamine zorgt voor het gezond houden van huid en haar. Verder heeft het een positief effect op de spijsvertering en het zenuwstelsel. Ook zou het de ogen tegen de schadelijke invloeden van zonlicht beschermen. Vitamine B2 krijgen we bijvoorbeeld binnen via eieren, noten, melk(producten), groente, fruit en vlees.Vitamine B3
Vitamine B3 is goed voor de werking van het zenuwstelsel en het bevordert de energieproductie in het lichaam. Natuurlijke bronnen zijn onder meer bruin (volkoren) brood, noten, vis en vlees en groenten en aardappelen.Vitamine B5
Deze vitamine is nodig voor het herstel van onze weefsels. Verder helpt ze bij de opbouw en afbraak van eiwitten, vetten en koolhydraten. Ook is deze vitamine nodig voor de vorming van bepaalde hormonen.
Goede voedingsbronnen zijn: aardappelen, eieren, melk, vlees en volkorenproducten.Vitamine B6
Vitamine B6 staat de laatste jaren sterk in de belangstelling omdat het – samen met de vitamines foliumzuur en B12 – een belangrijke rol zou spelen bij de bescherming tegen hart- en vaatziekten. Verder is B6 belangrijk voor de vorming van rode bloedcellen, de opbouw van DNA (erfelijk materiaal), de opbouw en afbraak van eiwitten en de goede werking van het zenuwstelsel. Vitamine B6 zit onder meer in aardappelen, bruin brood, banaan, vis, vlees en melk(producten).Biotine (B8)
Net als B2 is biotine belangrijk voor de goede ontwikkeling van huid en haar, de vorming van vetzuren en de energieproductie in ons lichaam. Sojabonen zijn een zeer goede bron voor biotine. Daarnaast zit deze vitamine ook in noten, eieren, lever en melk.Foliumzuur (B11)
Zoals gezegd bij B6, wordt foliumzuur gezien als een belangrijke vitamine voor het verkleinen van de kans op hart- en vaatziekten. Ook kan foliumzuur de kans op een miskraam of een aangeboren afwijking als een open ruggetje verkleinen. Vandaar dat vrouwen die zwanger willen worden, wordt aangeraden om extra foliumzuur te slikken. Verder is deze vitamine belangrijk voor de opbouw van het DNA (ons erfelijk materiaal) en voor de opbouw en afbraak van eiwitten.Samen met de vitamines B6 en B12 kan foliumzuur de schadelijke stof homocysteïne omzetten in onschadelijke stoffen. Homocysteïne is een vermoedelijk schadelijk tussenproduct dat ontstaat tijdens de eiwitstofwisseling in ons lichaam. Een verhoogd homocysteïnegehalte zou een risicofactor kunnen zijn voor het ontstaan van hart- en vaatziekten. Foliumzuur zit onder meer in groenten (broccoli, spruitjes), bruin brood, vlees en eieren.Wil je je laten testen of je wellicht een foliumzuur tekort hebt? Neem dan een kijkje op de pagina “Bloedonderzoek – houd je gezondheid in de gaten”.Vitamine B12
Ook B12 helpt bij een gezonde bouw van ons erfelijk materiaal en bij de opbouw en afbraak van eiwitten. Verder is deze vitamine nodig voor de aanmaak van rode bloedcellen en een goede werking van het zenuwstelsel. Deze vitamine zit alleen in dierlijke producten als eieren, melk(producten), vlees en vis.Links

Een uitgebreid overzicht van alle vitamines vind je op de site: Vitamines

6.3.6 Mineralen en zouten
Zouten leveren onmisbare bestanddelen voor opbouw en onderhoud
Mineralen zijn alle andere (chemische) stoffen die ons lichaam nodig heeft: ijzer, koolstof, stikstof en heel veel andere elementen.
Zouten bestaan vooral uit mineralen. Ze bevatten de metaalatomen natrium, kalium, calcium, ijzer en zink.
Vitaminen en mineralen hebben meer overeenkomsten dan verschillen. In het lichaam zijn beiden onmisbaar bij veel processen. Het belangrijkste verschil tussen vitamines en mineralen is een scheikundig verschil. Vitamines komen uit de levende natuur en kunnen door sommige planten of dieren zelf gemaakt worden, terwijl mineralen uit de dode natuur komen en door planten moeten worden opgenomen uit de aarde en door dieren uit voeding of water.
Mineralen en spore-elementen zijn, net als de meeste vitamines, stoffen die het lichaam niet zelf aan kan maken. Ze zijn onder andere nodig bij de regulatie van enzymen en hormonen. Het verschil tussen mineralen en spore-elementen is de hoeveelheid waarin het lichaam ze nodig heeft. Van mineralen heeft men meer nodig dan van spore-elementen.

6.4   De schijf van vijf
De Schijf van vijf is een begrip van tientallen jaren oud: uit iedere schijf moesten we elke dag wat eten, dan zaten we goed. In 2004 kwam het Voedingscentrum met een nieuwe schijf. Niet met strikte voorschriften, maar met de vrijere gezond verstand benadering. In 2006 is die schijf vernieuwd. Gezond eten betekent met gezond verstand bewuste keuzes maken. Gezond eten levert de voedingsstoffen die nodig zijn om het lichaam gezond te houden. Het vormt samen met voldoende bewegen de basis voor een gezond gewicht. Dat zorgt weer voor een kleinere kans op chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten, diabetes en een aantal vormen van kanker.

De 5 regels van de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum zijn:1 Eet gevarieerd.
2 Eet niet te veel en beweeg.
3 Gebruik minder verzadigd vet.
4 Eet volop groente, fruit en brood
5 Ga veilig met voedsel om.

De 5 vakken geven aan hoe je variatie aanbrengt. Gebruik daarbij de aanbevolen hoeveelheden als richtlijn.

Elk voedingsmiddel bevat verschillende voedingsstoffen in wisselende hoeveelheden. Door gevarieerd te eten, is de kans het grootst dat het lichaam voldoende van alle voedingsstoffen krijgt. Eten uit alle vakken van de Schijf van Vijf, zorgt voor een gezonde basis. Dat betekent: een ruime hoeveelheid brood, aardappelen, rijst, pasta, peulvruchten, groente en fruit en twee keer per week vis. Dit wordt aangevuld met zuivel en vlees, eieren of vleesvervangers en margarine of bak- en braadproducten. Verder is voldoende vocht belangrijk.

Voedingsmiddelen zoals sauzen, snacks, koek, snoep en gebak zijn niet opgenomen in de Schijf van Vijf. Dit is omdat deze producten al snel voor te veel calorieën zorgen. Bovendien zijn ze minder belangrijk voor het leveren van voedingsstoffen. We noemen deze producten dan ook ‘extra’s’. Gezond eten betekent dan ook: niet te veel van alles buiten de Schijf van Vijf.

6.5   De voedselpiramide

De voedselpiramide is net zoiets als de Schijf van vijf, maar dan met een wat andere benadering. Plantaardige olie kun je volgens hem best eten. Dierlijk vet liever niet, dus ook niet te veel melk en kaas. En ook met suiker en zetmeel moet je uitkijken.

de basis

 

 

 

 

de basis
Onderaan de piramide zie je dat eten en bewegen samen vallen in een gezonde leefstijl. Beweeg minstens een half uur, maar liever nog een uur per dag! Beweging versterkt je spieren en botten, verhoogt je stofwisseling, verbetert je conditie, humeur en nachtrust.

de eerste laag
De eerste laag van de piramide is vocht. Heel belangrijk, omdat water een echte basisbehoefte is. Drink dagelijks minstens 1,5 liter. Dat hoeft echt niet alleen water te zijn, ook koffie, thee, zuivel en sappen tellen mee.

de tweede laag
Laag twee bestaat uit groenten en fruit. De officiële aanbeveling is 200 gram groenten en 2 stuks fruit, maar geneer je niet om er meer van te eten! Groenten en fruit zijn echte smaakmakers, die kleur geven aan je eten maar je vooral ook heel veel vitamines en mineralen leveren. Eet ze bij elke maaltijd en ook als tussendoortje.

de derde laag
In laag drie zie je vezelrijke producten als brood, granen, peulvruchten en aardappelen. Ze passen bij elke maaltijd en zijn een goede energiebron. Kies het liefst voor de volkerenproducten, omdat die meer vitamines, mineralen en vezels bevatten.

de vierde laag
De vierde laag levert je gezonde vetten. Vet is namelijk niet ongezond, integendeel, het is een essentieel onderdeel van je voeding. Kies wel voor gezonde vetten en die zitten in vette vis, noten en olie. Eet minstens 1 keer per week vette vis, zoals makreel, zalm, haring of paling.

de vijfde laag
In de vijfde laag zie je eiwitrijke producten, zoals vlees, zuivel, eieren en vis. Eiwitten heb je elke dag nodig, bijvoorbeeld voor het in stand houden van je spierweefsel en voor je weerstand. Ook geven eiwitten veel verzadiging, zodat je niet te veel eet. Kies bij voorkeur voor de magere varianten, zoals mager vlees en halfvolle of magere zuivel.

de zesde laag
Natuurlijk hoort snoepen en snacken er ook bij. In de top van de piramide is daarvoor een plekje ingeruimd. Het zijn de extraatjes in je voeding. En hoeveel je daarvan kunt eten? Dat hangt af van je activiteiten en je eetpatroon. De weegschaal is een goede graadmeter: als je gewicht goed is en ook stabiel blijft, dan is de balans in orde.

de zon
De zon is nodig voor de aanmaak van vitamine D in de huid. Hiervoor is het nodig om elke dag een kwartier buiten te komen.

6.6       Sociale aspecten van eten
Eten is noodzakelijk om in leven te blijven. Planten en dieren zijn er continu mee bezig. Mensen hebben zich anders ontwikkeld. Er zijn sociale verbanden ontstaan waardoor ze niet zelf hun voedsel hoeven te verzamelen en te bereiden. Voedsel en voedsel verbouwen hebben daardoor een andere status gekregen dan bij andere organismen. Voorbeelden zijn ontspanning, recreatie en gezondheid.

6.6.1 Ontspanning
Zo is men, meer dan noodzakelijk, bezig met smaak en variatie en wordt samen eten gebruikt om te communiceren met gezinsleden, vrienden en zakenrelaties. Uit eten heeft weinig meer te maken met honger en dorst.
Jagen wordt gezien als sport, niet meer als het verzamelen van voedsel.
Het bezoeken van een café is een vorm van ontspanning zonder dat er bij elk glas fris gedacht wordt aan het lessen van dorst.
Tussendoortjes worden genomen omdat men ze lekker vindt, niet tegen de honger.
Het kweken van groenten en het houden van kippen bijvoorbeeld gebeurt uit hobby, niet meer uit noodzaak.
Vreemd is het verschijnsel dat mensen er bewust van zijn dat ze te veel eten en vervolgens zich gaan inspannen om het te veel aan energie eraf te sporten. Dergelijk gedrag is bij dieren ondenkbaar.

6.6.2 Recreatie
De Nederlandse land- en tuinbouw was wereldberoemd. Landbouwhuisdieren leverenden ons vlees, melk, eieren, trekkracht, wol, en leer. (En heel veel mest.) De vollegronds- en glastuinbouw leverden groenten, fruit en akkerbouwproducten. Ze leverden zoveel dat agrarische producten voor het grootste deel geëxporteerd konden worden.
Door ruimtegebrek en de hoge kosten van het produceren van voedsel in Nederland zien we steeds meer agrarische bedrijven verdwijnen of omschakelen naar een andere sector. Hierdoor wordt het produceren van voedsel in ons land steeds minder belangrijk.
Slimme ondernemers zetten hun bedrijf in om anderen te informeren en te amuseren. Zo zie je boerencampings en zichtboerderijen ontstaan. Boeren passen hun bedrijfsvoering aan waardoor productiviteit wordt opgeofferd aan natuurbeheer.

6.6.3 Gezondheid
Nederland was trots op de grote productiviteit. Dat dit ten koste van het milieu ging werd amper opgemerkt. Door bewustwording zijn er steeds meer mensen over gaan nadenken dat het ook anders kan. Daardoor zijn de klachten over achteruitgang van het milieu en inefficiënt omgaan met productiemiddelen toegenomen. De vraag om milieuverantwoord gekweekte producten is daardoor toegenomen. Bedrijven en detailhandel speelden daarop in door het aanbieden van biologische producten. Vegetariër zijn was vroeger een uiting van armoede; nu is het iets waar mensen trots op zijn. Iemand die het gebruik van dierlijk voedsel afwijst heet een veganist.

De biologische land- en tuinbouw in Nederland zijn nog bescheiden in omvang. Er zijn nog weinig consumenten bereid om biologische producten te kopen. Het ziet er naar uit dat daarin een omslag gaat komen, zodat kwaliteit voor kwantiteit gaat. Bij kwaliteit wordt niet alleen gedacht aan de eindproducten maar ook aan dierenwelzijn en milieubelasting.

“Je bent wat je eet”. Dit betekent dat je lichaam wordt opgebouwd uit stoffen die je via het voedsel binnenkrijgt. Mensen die vlees eten moeten zich realiseren dat dieren die voor de mens schadelijke stoffen hebben gegeten of zijn toegediend, deze stoffen doorgeven via het vlees.

Levensgevaarlijke, resistente bacteriën kunnen via dierlijk voedsel worden overgebracht. Veel epidemische ziektes – zoals tuberculose, pokken en mazelen – die de mensheid zwaar hebben getroffen, vinden hun oorsprong in de ziektes van dieren.

Eén manier waarop infecties van dier naar mens kan worden overgedragen is via het eten van bedorven of besmet vlees.

Schadelijke stoffen kunnen zijn: groeihormonen, giftige afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen.

Bacteriën kunnen o.a. salmonella bacteriën zijn of bacteriën die door het gebruik van antibiotica in het veevoer resistent zijn gemaakt. Salmonella wordt met name in eieren gevonden.

Antibiotica wordt aan veevoeder toegevoegd om ziekten te voorkomen en om de dieren sneller te laten groeien. De reden hiervoor zijn evident: er kunnen meer dieren in één ruimte en deze zijn eerder slachtrijp. De antibiotica in het veevoer maakt bacteriën in het spijsverteringskanaal van dieren resistent voor deze stof.

Omdat bacteriën resistentie-eigenschappen kunnen uitwisselen, worden ook bacteriën in het menselijke lichaam resistent. Dit is gevaarlijk als de mens een infectie oploopt waarvoor alleen antibiotica nog helpt.

Groeihormonen worden gebruikt om slachtvee meer spierweefsel te laten ontwikkelen zodat het slachtgewicht hoger is en sneller wordt bereikt.

Dioxine is een bij verbranding vrijkomend afvalproduct dat soms in veevoeder terecht komt omdat er al dan niet opzettelijk afvalstoffen worden gemengd met grondstoffen voor veevoer.

 

 

 

 

 

Ecologie

Ecologie_reader basiscursus

Ecologie biotische en abiotische factoren

a-biotische_factoren

Ecologie agrarische kringlopen

Ecologie oefening termen

Ecologie Voedselweb in eikenbos (cursus)

Ecologie Wie eet wie in het voedselweb (cursus)

Ecologie Betekenis vogelfiguurtjes (cursus)

Ecologie_presentatie

Ecologie presentatie 00

Ecologie inleiding presentatie 01

Ecologie presentatie 02

Ecologie voedselketens presentatie

Ecologie voedselweb van zoet water

Ecologie in de praktijk

Ecologie_voorbeelden

Ecologie_veldwerk opdrachten

Ecologie populatie uitleg

Ecologie voedselnet_weiland

Invasieve-waterplanten-veldgids-oktober-2016

Invasieve-exoten-eindrapportage-lesmateriaal-juli-2015

Symbiose tussen bomen en schimmels

 

Bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1     Grond en bodem
1.2   Humus. 2
1.3      Bodemprofiel
1.4      Bodemwater
1.5      Bodemstructuur
1.6      Drainage
1.7      pH
1.8      EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1     Zandgrond
2.2      Kleigrond
2.3      Veengrond
2.4      Zavelgrond
2.5      Lössgrond
3     Flora en fauna
4      Bodemverontreiniging
4.1       Oorzaken
4.2       Stoffen en risico’s

Inleiding
Elk organisme heeft een leefmilieu nodig. Meestal bestaat deze uit grond water en lucht.
In dit hoofdstuk verdiepen we ons in de milieufactor bodem.

1      Begrippen
Grind en bodem zij 2 nauw verwante begrippen. Bij grond gaat het over de afzonderlijke deeltjes. Bij bodem gaat het over een levensgemeenschap van levende en niet levende factoren.
Als je over de grond loopt realiseer je je niet dat zich onder de voeten een complete levensgemeenschap bevindt.Een schepje tuin- of bosgrond onder de microscope maakt duidelijk dat bodem meer is dan wat gronddeeltjes. Als je een verticale kuil graaft zie je een grote variatie in gelaagdheid.
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen een aantal van die begrippen gebruiken om het bodemmilieu te bespreken.

1.1   Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.

1.2   Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem.

1.3   Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.

Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
a      Maaiveld:
Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
b      Bouwvoor:
Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
c      Ondergrond:
Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podsolgronden.

 


1.4   Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is.

Zo onderscheiden we:
–       Hangwater:
Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–       Grondwater:
Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grondporiën met water gevuld zijn.
–       Capillair water:
Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.

Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.

1.5   Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.

We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6   Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.

1.7   pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.

Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.

1.8   EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Als deze in natuurgebieden komen beïnvloeden die het planten- en dierenleven.
Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Dit kun je bijvoorbeeld waarnemen langs wegen waar bij gladheid gestrooid is met zout.

Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.

1.9      Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex.

Het principe berust op elektrische lading. De klei- en humusdeeltjes hebben een negatieve lading. Deze houden positief geladen voedingsstoffen vast. Geladen voedingsdeeltjes heten ionen.

2     Grondsoorten
Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur. Deze eigenschappen beïnvloeden de flora en fauna.
Naast de natuurlijke grondsoorten kennen we grondmengsels en grondverbeteraars die door mensen zijn gemaakt. Deze worden vaak gebruikt in tuinen. Voorbeelden daarvan zijn tuinturf en turfmolm. 

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–       IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–       de loop van de rivierbeddingen;
–       erosie (verwering);
–       vervening.

De bekendste grondsoorten zijn kleigrond, zandgrond, veengrond, zavelgrond en loss.

2.1   Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit. Zand warmt in het voorjaar snel op en is goed doorlatend voor water en lucht.  Zandgrond droogt snel uit, bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast. De pH van zandgrond is altijd laag.

2.2   Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat. Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.
Kleigrond is voedselrijk en vochthoudend. Het is een zware grond die hard wordt bij droogte. Door de dichte structuur is er vaak een slechte waterafvoer en kan er een slechte ventilatie zijn. Dit leidt weer tot slechte plantengroei en weinig bodemleven. In het voorjaar komen kleigronden vaak slecht op temperatuur.
Hoe meer kalk erin zit hoe beter de structuur is.Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.

kienhout Wordt aangetroffen in oude veenlagen. Ideaal voor aquaria, tuinen en bloemwerk

2.3   Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.

2.4 Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.

2.5   Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3      Flora en fauna
Naast de levenloze bodemdeeltjes kom je in de grond dode materialen en levende planten en  dieren tegen. Je ziet er weinig van, maar de hoeveelheid en aantallen zijn erg groot.
Organismen hebben brandstoffen en bouwstoffen nodig. Omdat het in de grond donker is kan er geen fotosynthese plaatsvinden. Dit betekent dat alle organismen, zonder bovengrondse delen, zowel brandstoffen als bouwstoffen uit de grond moeten halen. Planten met bovengrondse bladeren nemen alleen bouwstoffen op uit de bodem.
Bodemorganismen komen aan energie door organisch materiaal te verteren. Daarvoor is zuurstof nodig. Dit verteren is een vorm van verkleinen en opruimen. Daarbij komen allerlei organische- en anorganische stoffen vrij. Deze stoffen vormen weer voedsel voor andere organismen. Op den duur blijft van het organisch materiaal alleen stabiele humus over. Dit kan niet verder meer verteerd worden.
De anorganische stoffen die bij de vertering vrijkomen worden voor een groot deel gebruikt als bouwstof. Hiervan profiteren alle organismen.
Het omzetten van organisch materiaal in anorganisch materiaal heet mineralisatie. Mineralisatie van organisch materiaal is een van de belangrijkste functies die het bodemleven voor de planten- groei  heeft.  Bij  de  mineralisatie  zet  het  bodemleven  organisch  materiaal  om  in  voor  de  plant  opneembare voedingsstoffen. Het omzetten van organisch materiaal in humus heet humificatie.

Samengevat kun je stellen dat het verteringsproces bestaat uit;

  • het verkleinen van onverteerd organisch materiaal;
  • het verteren/mineraliseren van organisch materiaal;
  • het omzetten van organisch materiaal in humusstoffen;
  • het mengen en verplaatsen van materiaal.

Actieve bodembewoners

Bodemorganismen zijn noodzakelijk om kringlopen in stand te houden. Naast mineralisatie en humificatie spelen bodemorganismen een rol bij:

  • het transport van micro-organismen;
  • de productie en onderhoud van bodemholtes en gangen;
  • het versterken van structuurstabiliteit dmv slijmstoffen;
  • de opslag van nutriënten in de biomassa in het organisme zelf.

De bodembewoners zijn globaal als volgt in te delen:

  • wormen: 12%;
  • bacteriën en straalschimmels: 40%;
  • schimmels en algen: 40%;
  • potwormen, mijten, springstaarten, aaltjes enzovoort: 3%;
  • mieren, slakken, pissebedden, larven, spinnen en mollen: 5%.

Regenwormen
Van alle bodemdieren behoren regenwormen tot de meest bekende. Ze dienen als voedsel voor veel andere organismen. Verder spelen ze een belangrijke rol bij de humificatie en mineralisatie. Regenwormen leven van organisch materiaal. Afstervend plantenmateriaal en eventueel mest wordt de bodem ingetrokken, opgegeten en verteerd. Micro-organismen die zelf weinig mobiel zijn worden door regenwormen versleept. De uitwerpselen en de slijmafscheiding van wormen bevatten vrijwel direct voor de plant opneembare stikstof. Wormen zijn in staat door verdichte grondlagen te graven. Ze maken deze lagen zo beschikbaar voor andere organismen en voor plantenwortels.

Overige organismen
Alhoewel de wormen goed zichtbaar aanwezig zijn in de grond vormen ze toch maar een beperkt deel van het totale bodemleven. Minder  zichtbaar  maar  niet  minder  belangrijk  zijn  de  activiteiten  van  kleinere  organismen  zoals  bacteriën, straalschimmels, schimmels, aaltjes, mijten en springstaarten. Een zeer groot aantal planten leeft in symbiose met wortelschimmels (Mycorrhiza). Een aantal soorten speelt een belangrijke rol bij de opname van water en fosfaat. Mijten en springstaarten hebben een regulerende invloed op schimmelgroei in de bodem. Ook zijn er springstaarten die bijdragen aan de vorming van stabiele humus. Roofmijten spelen een grote rol bij de beheersing van plaagvormende organismen.

Omstandigheden

De  activiteit  van  het  bodemleven  is  gebonden  aan  een  aantal  voorwaarden.  Je  moet  hierbij  denken  aan de vochtvoorziening, de aanwezigheid van zuurstof en de temperatuur. Al deze voorwaarden zijn niet voor alle organismen gelijk. Zo zijn humusvormende organismen als wormen en springstaarten actief bij een temperatuur vanaf 0 °C met een optimum bij + 35 °C. Onder zuurstofarme omstandigheden komt mineralisatie al op gang bij een temperatuur vanaf 0 °C, maar blijft op een veel lager niveau dan onder zuurstofrijke  omstandigheden  De  opbouw  van  humus  in  de  bodem  wordt  bepaald  door  het  verschil  tussen humificatie en mineralisatie.

4          Bodemverontreiniging
In de bodem en in het bodemwater komen van nature allerlei stoffen voor zoals stikstof en metalen als ijzer. Deze stoffen maken deel uit van een kringloop en zijn meestal biologisch afbreekbaar door micro-organismen, dieren en planten.
Ook zijn er onnatuurlijke stoffen in het milieu terecht gekomen. Deze door de mensen gemaakte, milieuvreemde stoffen zijn vaak niet of langzaam afbreekbaar en kunnen schadelijk zijn voor milieu of volksgezondheid.
Bodemverontreiniging is de term die wordt gebruikt wanneer er door toedoen van de mens stoffen of materialen in de bodem of het grondwater terecht zijn gekomen die schadelijk zijn voor het ecosysteem of de mens.

4.1      Oorzaken
Verontreiniging wordt voornamelijk veroorzaakt door:
– bodemvervuilende bedrijven;
– langdurige stedelijke bewoning;
– calamiteiten als morsen, lekkage van vaten en leidingen;
– storten van puin en afval als drugsafval;
– ophogingen en dempingen;
– opslag van verf en olie;
– lozingen.

Enkele voorbeelden van bodemvervuilende bedrijven zijn:
– chemische wasserettes;
– benzinestation;
– verffabrieken;
– gasfabrieken;
– metaalverwerkende industrie
– agrarische bedrijven;
– drukkerijen;
– stortplaatsen;
– havens.

Vooral werkwijzen uit het verleden hebben veel schade aangebracht die nu moet worden opgelost.
Vaak zijn het illegale lozingen die ernstige schade aanrichten.

Langdurige stedelijke bewoning heeft gezorgd voor verontreiniging van de bodem op een aantal manieren: ophogingen met puin, storten van afval,  storten van verontreinigd baggerslib, slechte bouwmaterialen en stedelijke bedrijvigheid. 

4.2      Stoffen en risico’s
Omdat bodemverontreiniging erg vervelend is als de grond bebouwd is wordt bouwgrond altijd onderzocht. Bij onderzoek naar verontreiniging (bodemonderzoek) worden standaard een aantal stoffen onderzocht in grond en in het grondwater. Ook wordt gekeken naar de hoeveelheid organische stof in de bodem en naar de zuurgraad van de bodem (pH). Deze factoren beïnvloeden het gedrag van de verontreiniging in de bodem.

Bij een bodemonderzoek wordt gekeken naar de volgende groepen van stoffen;

– zware metalen;
– minerale olie;
– Aromaten.

In het grondwater wordt gekeken naar;
– zware metalen;
– vluchtige aromatische koolwaterstoffen;
– naftaleen;
– koolwaterstoffen;
– minerale olie

Naast deze stoffen kan ook de aanwezigheid van asbest problemen opleveren.

Zware metalen
In het algemeen lossen zware metalen slecht op in water. Hierdoor zijn ze  redelijk immobiel. Zware metalen hechten goed aan klei- en humusdeeltjes. Een lage zuurgraad van de bodem verhoogt de oplosbaarheid.
Voorbeelden van zware metalen zijn lood, zink, koper, arseen, chroom, cadmium en kwik.
Een aantal zware metalen kunnen worden opgenomen door planten. Mensen kunnen er ziek van worden.

Minerale olie
Olie is lichter dan water en blijft als een laag drijven op het grondwater. Een deel van de stoffen in de minerale olie lost op en verspreidt zich zo. Minerale olie is dus vaak een mobiele verontreiniging.
Voorbeelden van minerale olie zijn benzine, diesel en huishoudbrandolie. De verontreinigingen ontstaan door lekkage van olietanks, morsingen en lozingen. De risico’s van verontreiniging door minerale olie ontstaan met name als er contact is met de huid en bij het inademen van de vluchtige stoffen in de minerale olie. Minerale olie wordt in natuurlijke situaties door micro-organismen afgebroken.

Aromaten
Aromaten zijn, net als minerale oliën, koolwaterstofreeksen, maar dan met een aromatische ring.

De belangrijkste verontreinigende aromaten zijn:
– Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK);
– Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK);
– De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL).

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) als naftaleen ontstaan als koolwaterstoffen (bijvoorbeeld barbecue-kooltjes) niet helemaal verbranden. Ze zijn slecht oplosbaar, binden goed aan organische stof in de bodem en zijn in de meeste gevallen een immobiele verontreiniging. Van een aantal PAK’s is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn.

Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK) komen voor in olie, brandstoffen en oplosmiddelen. Ze zijn in het algemeen erg vluchtig. Bij vluchtige stoffen zit het risico vaak bij inademing en soms kunnen de stoffen doordringen in de waterleidingbuizen en zo het drinkwater verontreinigen.
De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL) zijn zwaarder dan water en zakken in de bodem. Een deel van de stoffen lost op in het grondwater en zal zich zo verspreiden (mobiele verontreiniging). Ook zijn deze stoffen erg vluchtig (risico op inademing).

De belangrijkste stoffen zijn:

stof omschrijving eigenschappen
* Benzeen:
.
wordt gebruikt in benzine, rubber en gas Matig oplosbaar, vluchtig en ontvlambaar, uiterst giftig.
* Ethylbenzeen: wordt gevonden bij olieraffinaderijen, organische chemische industrie en wordt gebruikt als oplosmiddel. Matig vluchtig, vormt een drijflaag op het grondwater.
* Tolueen: zit in aardolie, wordt gebruikt als vervanging van benzeen in verf, benzine, parfum en oplosmiddelen. Slecht oplosbaar en zeer vluchtig.
* Xyleen: komt voor in aardolie, benzine en verf. Niet oplosbaar, wel vluchtig.
* Oplosmiddelen: zoals tetrachlooretheen (per) en trichlooretheen (tri). Ze breken op natuurlijke wijze af tot vinylchloride en dat is erg giftig.
 * Cyanide

 

Cyanide is een anorganische stof en komt voor in verschillende vormen die verschillen in mate van giftigheid. In bodemvocht, grondwater en bodemlucht kan vrij cyanide voorkomen. Vrij cyanide is de meest giftige vorm. Cyanide verontreiniging wordt vooral aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen en is te herkennen aan een blauwe kleur in de bodem.
* Pesticiden
.
Pesticiden zijn chemische bestrijdingsmiddelen. Ze zijn in het algemeen slecht oplosbaar in water en moeilijk afbreekbaar
Pesticiden (bijvoorbeeld DDT, Lindan en PCB’s) zijn wèl goed oplosbaar in vet. Dit heeft opstapeling in de voedselketen tot gevolg.
*MTBE
Methyl-tert-Butyl Ether (MTBE)
Wordt sinds 1988 in Nederland aan benzine toegevoegd als vervanger voor lood. Op deze manier wordt de schadelijke uitstoot van lood verminderd omdat met MTBE de verbranding meer volledig is. MBTE blijkt echter naast giftig ook erg mobiel en niet afbreekbaar te zijn.
*Asbest

 

Asbest is een verzamelnaam voor een aantal vezelachtige minerale stoffen (silicaten), die zijn opgebouwd uit zeer fijne vezels. Asbest is op te delen in witte asbest en blauwe en bruine asbest.

 

Witte asbest komt het meest voor en is het minst schadelijk is voor de gezondheid.

Blauwe en bruine asbest bestaat uit  scherpe vezels en het materiaal lost niet op in de longen. De witte asbestvezels zijn rafeliger en kunnen wel oplossen in de longen.

 

4.3     Risico’s

Het gedrag van verontreinigende stoffen wordt bepaald door de volgende eigenschappen:
– oplosbaarheid en mobiliteit;
– binding aan bodemdeeltjes;
– vluchtigheid.

De risco’s kun je verdelen in:
– risico’s voor de mens (gezondheid);
– ecologische risico’s;
– gevaar voor verspreiding.

Risico’s voor de mens
Gevaar voor de gezondheid is een belangrijk punt van aandacht. Mensen kunnen op verschillende manieren in aanraking komen met de verontreinigende stoffen en daar klachten van ondervinden.

Sommige verontreinigende stoffen worden opgenomen door planten. Dat kan via de wortels maar ook via de bladeren (bijvoorbeeld luchtverontreiniging). Het eten van gewassen die verontreinigen hebben opgenomen kan gevaarlijk voor de mens zijn (bij het eten van grote hoeveelheden van deze planten). Mensen in stedelijke gebieden wordt vaak geadviseerd geen groenten uit eigen tuin te eten.

Immobiele verontreiniging, zoals zware metalen als lood, komen vaak voor in de bovengrond. Bij deze verontreinigingen is vooral het contact met de verontreinigde grond een risico. Voorbeelden hiervan zijn contact met de bodem tijdens tuinieren of kinderen die in de tuin spelen (stoppen vaak grond in hun mond).

Tot slot zijn er nog de vluchtige stoffen. Vluchtige stoffen zijn stoffen die gemakkelijk gasvormig worden. Ze lossen niet op in water maar in lucht en zijn op die manier dus ook mobiel. Deze stoffen kunnen uitdampen uit de bodem en zo in kelders, souterrains of woonkamers terecht komen. Ze kunnen dan worden ingeademd. Ook kunnen sommige stoffen doordringen door bepaalde materialen en zo in de waterleiding terecht komen.

Ecologische risico’s
Verontreinigingen kunnen ecosystemen aantasten doordat planten en dieren de verontreinigingen opnemen en doodgaan. Tevens kunnen verontreinigende stoffen kringloopfuncties verstoren. Ook kan natuurlijke afbraak van verontreinigende stoffen zorgen voor giftigere stoffen.

Gevaar voor verspreiding
Als een stof goed oplost in het water, zal deze zich makkelijk verspreiden door de bodem. Men spreekt dan van mobiele verontreiniging. De verontreiniging kan dan in het grond- en oppervlaktewater terecht komen. De situatie kan onbeheersbaar worden.

 

Waterplanten

Inleiding
Planten die in het water groeien als moerasplant of onder water in een vijver hebben eigen kenmerken voor de groei en vorm. We onderscheiden globaal:

  • Planten die ondergedoken in het water groeien.
  • Planten die op het water drijven.
  • Planten die in het water op de bodem wortelen, maar boven water groeien.
  • Moerasplanten.
  • Oeverplanten op een vochtige grond.

Kenmerken van waterplanten
Waterplanten groeien niet allemaal op dezelfde plaats aan of in het water. Zo groeit een waterlelie in het water en een lis juist aan de rand van het water.
Ook de groeivorm verschilt sterk. Een waterlelie groeit met zijn hartvormige bladeren plat op het water, terwijl de lis met zijn lange smalle bladeren hoog boven het water uitsteekt. Zo heeft elke plant zijn eigen kenmerken. 

Standplaats
Bij de waterplanten maken we onderscheid tussen oeverplanten, moerasplanten en de echte waterplanten. En bij de echte waterplanten onderscheiden we ondergedoken waterplanten (de zuurstofplanten) en de drijvende planten.

Elke groep heeft zijn eigen functies.
Iedere plant heeft zijn eigen standplaats.

De  oeverplanten  zorgen  voor  een  natuurlijke  overgang  tussen  de  waterwereld  en  het  land.  Ze  bieden  een schuilplaats en nestgelegenheid aan allerlei dieren.

De  moerasplanten  zuiveren  het  water  doordat  ze  het  overschot  aan  voedingsstoffen  opnemen.  Daarnaast vinden vissen en andere waterdieren een schuilplaats en nestgelegenheid tussen de stengels en de bladeren.

De ondergedoken waterplanten nemen net als de moerasplanten het overschot aan voedingsstoffen op uit het water. Verder produceren ze zuurstof die voor de vissen en andere waterdieren erg belangrijk is. Bovendien kunnen dieren tussen de planten schuilen of eieren afzetten.

De drijvende waterplanten bedekken het wateroppervlak, waardoor er minder licht op de bodem kan komen. Daardoor zal de zon het water minder sterk verwarmen. Verder bieden de bladeren een schuilplaats aan alle dieren in en op het water.

Groeivormen
De ondergedoken en drijvende waterplanten en de moerasplanten hebben verschillende groeivormen.
De  zuurstofplanten  groeien  snel  breeduit.  De  bladeren  blijven  meestal  onder  water  en  de  bloemen  steken boven water uit.
De drijvende waterplanten daarentegen drijven (zoals de naam al aangeeft) op het water. Hun bladeren liggen plat op het water en de wortels bevinden zich in de bovenste waterlaag. Ook de bladeren van de breeduit groeiende waterlelie drijven op het water, maar de wortels wortelen in de vijvergrond.
De moerasplanten groeien in allerlei vormen. Je kunt zowel smal opgaande als breeduit groeiende planten tegenkomen. Sommige soorten woekeren erg. Ook de hoogte van de moerasplanten kan sterk variëren.

Sierwaarde
Voor het samenstellen van een goede vijverbeplanting is het belangrijk dat je de sierwaarden van de verschillende waterplanten kent. Deze sierwaarden kunnen erg verschillend zijn.

Een plant kan zijn sierwaarde ontlenen aan:

  • de groeivorm;
    • het blad;
  • de bloem;
  • de bloeitijd;
  • de geur;
  • de vruchten;
  • of zelfs verschillende soorten insecten, die de plant aantrekt.

Waterplanten: plantdiepten en toepassingen
De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachtspunten.
waterplanten planten video

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.

Water en planten

1        Functies van water
Afhankelijk van de lichamelijke inspanningen en de omgevingstemperatuur kunnen mensen en dieren maar enkele dagen zonder water. De meeste planten kunnen ook maar een korte tijd zonder water. Er zijn natuurlijk uitzonderingen zoals cactussen.
Planten hebben water nodig voor alle levensprocessen.

De functies van water in de plant zijn:

  • productie van suikers door fotosynthese;
  • transport van voedingsstoffen door de plant;
  • temperatuurregeling;
  • celspanning.

Productie van suikers door fotosynthese
In  het  bladgroen  vindt  fotosynthese  plaats.  Water  en  koolzuurgas  worden  met  behulp  van  licht  omgezet  in suikers en zuurstof. Deze suikers gebruikt de plant vooral voor de groeiprocessen. Zonder water is fotosynthese onmogelijk en is er dus geen groei.

Transport van voedingsstoffen door de plant
Samen met het water zuigt de plant bouwstoffen op. Ook het transport van andere stoffen in de plant gebeurt door water
Er is een constante aan- en afvoer van water. Het water zit overal in de plant. De opgeloste voeding wordt dus door de gehele plant getransporteerd.

Temperatuurregeling
Van het opgenomen water wordt ongeveer 98 procent door de bladeren verdampt. Doordat het verdampen van water warmte kost koelt de plant, bij het verdampen van water, af. Je kunt dit vergelijken met transpireren van mensen.

Door het openen en sluiten van de huidmondjes kunnen planten de verdamping regelen. Dit openen en sluiten gebeurt onder invloed van licht, temperatuur en vochtigheid.

Celspanning
Water zorgt voor spanning op de celwand zoals lucht zorgt voor spanning in een fietsband. De kruidachtige onderdelen van de plant, zoals de bladeren, hebben hun stevigheid te danken aan de celspanning. Wanneer een plant onvoldoende water kan opnemen, gaan de kruidachtige delen slap hangen.

2         Hoeveel water heeft een plant nodig?
De meeste planten zuigen water op uit de bodem. De zuigkracht die daarvoor nodig is wordt veroorzaakt door de verdamping van de bladeren. Door het doorgeven van water van de ene cel naar de andere cel ontstaan er drukverschillen tussen de cellen. Op deze manier wordt het water doorgegeven. Dit heet worteldruk.Niet alle planten verlangen even veel water.

We onderscheiden:
–      hydrofyten.
Deze verlangen veel water bijvoorbeeld Parapluplanten.
–      mesofyten.
Dit zijn de planten waarbij we meestal zeggen dat ze een normale hoeveelheid water nodig hebben.
–      xerofyten. Deze hebben weinig water nodig bijvoorbeeld vetplanten

Als verkoper in een bloemenwinkel krijg je vaak vragen over de verzorging van een plant. Je moet de klant kunnen vertellen hoeveel water de plant nodig heeft. Het is onmogelijk om dat voor iedere plant uit je hoofd weten. Het is dus handig als je inzicht hebt of de waterbehoefte snel op kunt zoeken. Dan kun je een goed advies geven. Schrijf de verzorgingseisen voor de klant op, bijvoorbeeld op een bloemenkaartje. De klant zal dit zeker erg prettig vinden.
Je kunt de waterbehoefte van planten vaak zien aan de bouw. Ook kun je ze opzoeken in boeken en tijdschriften.

Om inzicht te krijgen volgen hier een aantal algemene adviezen:

  • Bij een hoge temperatuur en bij droge lucht hebben planten extra veel water nodig
  • Bloeiende planten hebben meer water nodig dan dezelfde niet bloeiende planten
  • Planten met dunne- en met grote bladeren hebben extra veel water nodig
  • Planten met luchtwortels verlangen veel water
  • Vetplanten, planten met behaarde bladeren en planten met een vetlaag op de bladeren hebben weinig water nodig
  • Houtachtige planten regelmatig dompelen
  • Tijdens de rustperiode hebben planten minder water nodig dan tijdens de groeiperiode

–        De verdamping van planten kun je verminderen door de luchtvochtigheid te verhogen

 

 

 

Productverzorging

Aardewerk  Nomenclatuur
Bladverliezende heesters Plantengroepen
Bol- en knolgewassen Plantenvoeding
Bomen en struiken Plantenziekten
Coniferen Schoonhouden
Dieren en dierbenodigdheden Snijbloemen
Droogmaterialen Snoeien
Een- en tweejarigen Tuinhout
Eetbare tuin Tuinmeubels
Fruit Tuinverharding
Gazons Tuinverlichting
Gereedschap Uitplanten van diverse plantengroepen
Glas en kristal Vaste planten
Groenblijvende Heesters Verduurzamen van hout
Grond en bodem Vermeerdering ongeslachtelijk
Hagen Vermeerdering geslachtelijk
Heidetuinen Verwerken van producten
Hout Verzorging kamerplanten
Hydrocultuur Vijver aanleggen
Kaarsen Vijverpompen en filters
Kamerplanten Vijverwater
Kleur Waterdieren
Klim- en leiplanten Water en plant
Kuipplanten Waterplanten
Kunstplanten
Licht en kleur
Licht en warmte
Meststoffen

Uitplanten van diverse plantengroepen

Inleiding
Als klanten planten,  gekocht hebben zullen ze vaak informeren naar de wijze van uitplanten. Dit geldt ook voor bollen en knollen. Aan de hand van een aantal groepen zullen we het planten behandelen. 

1        BOMEN EN STRUIKEN
Of je nu een windkering of kijkgroen aanlegt, je zorgt er altijd voor dat de bomen en struiken een goede start krijgen. Je zet ze allereerst op een gunstige plaats. Vervolgens plant je ze op de juiste diepte in de goede tijd van het jaar en natuurlijk ook op de juiste afstand van elkaar. Een goed begin is het halve werk!

Indeling
Bomen onderscheiden we in de eerste plaats naar grootte.

Voor je een boom of struik gaat planten, kijk je eerst in de toekomst. Hoe groot is de boom of struik als hij volgroeid is? Daar moet je bij de aanplant al rekening mee houden. Zo kun je bijvoorbeeld geen windkering aanplanten van struiken die laag blijven. Die struiken geven uiteindelijk te weinig beschutting. Veel vaker komt het voor dat mensen een boom planten die veel te groot wordt voor de locatie.

Een jonge boom en een volgroeide boom

Niet elke boomsoort wordt even hoog. Een eik wordt veel hoger dan een berk. Bomen worden naar grootte ingedeeld.

Hoe groot een boom of struik wordt, hangt ook af van de hoeveelheid voedsel en vocht die de plant op kan nemen. Een es wordt op vochtige, voedselrijke kleigrond bijvoorbeeld hoger dan op droge, arme zandgrond. Daarnaast spelen weersomstandigheden, zoals wind, een rol. Natuurlijk is ook het onderhoud van groot belang. Een struik die regelmatig wordt gesnoeid, blijft kleiner dan een struik die niet wordt gesnoeid.

 

 

 

Eindbeelden inschatten

Een boom of struik blijft niet eindeloos doorgroeien. Op een gegeven moment wordt de plant niet meer hoger, ook al zijn de omstandigheden ideaal. De boom of struik heeft dan zijn maximale lengte bereikt. Deze maximale lengte kun je opzoeken in boeken, maar je kunt hem ook inschatten door naar oude bomen te kijken.

Een boom groeit ook in de breedte. De breedtegroei van de kroon hangt af van de ruimte die de kroon krijgt. Als bomen dicht bij elkaar staan, worden de kronen minder breed dan wanneer een boom alleen staat.

Kronen van rijbomen

 

Formule voor de breedte van de kroon

De breedte van de kroon kun je schatten door de volgende formule te gebruiken: breedte = 0,8 x de hoogte.

 

 

 

 

 

 

De hoogte van een struik kun je inschatten door de volgende formule te gebruiken: hoogte = breedte.

Formule voor de hoogte van een struik

Deze formules geven natuurlijk alleen maar een schatting. De kruin van een rijboom wordt bijvoorbeeld minder breed dan die van een solitaire boom. Een boom wordt maximaal 11 meter hoog. Hoe breed zal de kruin ongeveer worden?

Bomen zijn er in verschillende groepen. Wat ze gemeen hebben, is dat het om houtige gewassen gaat die een stam vormen: meestal vanuit een centrale rechtdoor groeiende tak.

Een boom heeft een takvrije stam.

Een tweede onderscheid dat je kunt maken, is dat in loofbomen en naaldbomen of coniferen. De naam conifeer is afgeleid van de Latijnse woorden conus (= kegel) en ferre (= dragen). Hiermee is het belangrijkste kenmerk van deze groep genoemd, namelijk dat ze kegeldragend zijn. Uitzonderingen hierop zijn de jenever-bessen (Juniperus) en de venijnboom (Taxus): deze bezitten de zaden in een bes. In Nederland zijn alle loofbomen bladverliezend.

Een derde kenmerk waarnaar we bomen onderscheiden is hun kroonvorm. We spreken van de habitus van de boom. Een beuk is bijvoorbeeld al op honderden meters afstand te herkennen aan zijn silhouet, evenals een eik met zijn grillige vorm. Soms is een oude boom op het terrein een echte sfeermaker.

planttijd
De  beste  tijd  voor  het  planten  van  bomen  is  de  rustperiode.  Dit  betekent  dat  bijna  alle  bomen  tussen  1 november en 15 april kunnen worden geplant. Bomen worden vrijwel altijd zonder kluit verhandeld. In verband met de kansen op aanslaan is het verstandig om bomen met vlezige wortels, eiken en berken met kluit te bestellen. De kluit is meestal voorzien van een gaaslap. Om verstoring van de wortelgroei te voorkomen, moet je de gaaslap voor het planten verwijderen. De beste tijd om coniferen te planten is augustus. Maar ook in april/mei kun je coniferen planten. Coniferen verplant je altijd met een kluit. 

Ingekuilde houtachtigen

Inkuilen en opkuilen
Vaak komt het voor dat bomen voordat ze verkocht of uitgeplant worden tijdelijk worden opgekuild.
Je kuilt ze dan voor maximaal twee weken in, op een plaats waar ze niet in de weg staan. Dat kan gewoon in de grond. Als je de bomen en struiken wilt gaan planten, kuil je ze weer op: je trekt ze voorzichtig uit de grond. Bij het inkuilen en opkuilen moet je op een aantal dingen letten.

In de volgende figuur staan de fouten die vaak gemaakt worden.

Gereedschap
Voor je gaat planten, leg je het benodigde gereedschap klaar. Je maakt eerst de grond los. Dit doe je bijvoorbeeld met een schop, frees of op een andere manier. Daarna ga je aan de gang met de volgende gereedschappen:

Om een boom te planten heb je verder  nodig:
boom, boompaal, boomband, boombandnagels, handhei of slaghuls, grondboor, bats of spade, hamer, nijptang, snoeischaar. Bij inkuilen gebruik je grotendeels dezelfde gereedschappen. Alleen de snoeischaar heb je niet nodig.

Het planten

Bij het planten van bomen en struiken houd je rekening met de planttijd, de plantafstand, de grootte en diepte van het plantgat en het beplantingsplan.

De werkwijze en werkvolgorde zijn als volgt.

  • Graaf een plantgat dat eenderde groter is dan het wortelgestel.
  • Boor het gat voor de boompaal, plaats deze en sla hem in de vaste grond (de hoogte moet tien centimeter onder de kroon zijn).
  • Snoei de kapotte wortels en takken.
  • Zet de boom in het plantgat, waarbij de afstand paal/boom een hand/voetbreedte is.
  • Steek de zijkanten van het plantgat in en schud de boom regelmatig tijdens het planten.
  • Trap de grond stevig aan door van buiten naar binnen te trappen.
  • Vul het plantgat en breng de boomband aan.

Indien nodig, geef je de boom of struik mest. Deze mest meng je goed door de aarde waarmee je het plantgat vult. Je moet goed in de gaten houden of de geplante boom of struik genoeg water krijgt. Desnoods leg je een drainagebuis aan in het plantgat.

Als je meerdere bomen of struiken moet planten zet je deze op een vaste afstand van elkaar. Meestal varieert de plantafstand tussen de 1 en 1,5 meter. Voor je gaat planten, zet je een plantverband uit. Bij bomen en struiken is dit vaak een driehoeks- verband. Bij het uitzetten van het plantverband gebruik je jalons. Deze jalons helpen je om op grote afstanden ook netjes te werken.

Aan de zuidwestzijde van de boom wordt een paal geplaatst. Deze boompaal houdt de pas geplante boom op zijn plaats, waardoor het wortelgestel zich kan herstellen van de verplanting. De boompaal voorkomt dat nieuwe, uit de kluit groeiende wortels niet afbreken als gevolg van beweging van de kluit door de wind. De boom kan zich zo zonder veel problemen opnieuw verankeren. Dit verankeren gebeurt binnen vier jaar. Je kunt daarom gebruik maken van niet verduurzaamde boompalen. Deze  zijn  milieuvriendelijker  en  goedkoper.  Een  boompaal  heeft  een  lengte  van  circa.  2,50  meter  en  is gewoonlijk gepunt en gekruind. Naast deze lange boompaal worden er ook zogenaamde kniepalen gebruikt. Deze zijn circa 1,25 meter lang. Om maaischade te voorkomen worden vaak antimaaischade-paaltjes geplaatst.

Boompalen, kniepalen en anti maaischadepaaltjes moeten de boom beschermen.

 

 

Voorbereidingen voor het verplanten van een struik

Verplanten
Als een struik te groot wordt voor zijn standplaats, moet je hem kappen of verplanten. Dit verplanten moet je goed voorbereiden. Dat doe je door een sleuf om de struik te graven. De struik gaat hierdoor nieuwe wortels maken en krijgt een compact wortelstelsel: een kluit. De wortelgroei stimuleer je door humeuze grond in de sleuf te storten. De nieuwe, compacte wortels helpen de struik later bij het wortelen op zijn nieuwe plek.

Grote bomen verplant je met een boomplantmachine. Na het verplanten kun je de boom of struik eventueel snoeien.

Een boomplantmachine

 

 

 

 


Bomen
in de bestrating
Laanbomen worden langs straten en wegen geplant, vaak in de bestrating. Bomen die je in de bestrating plant, hebben extra zorg nodig. De bestrating om de boom maakt dat er onvoldoende lucht, water en voedingsstoffen bij de boom kunnen komen.

Is deze laanboom goed aangeplant?

 

Om dit probleem op te lossen, kun je de boom in speciaal bomenzand planten. Dit zand maakt dat er meer lucht en voeding bij de boom kan komen dan bij gewoon zand. Ook kun je het plantgat extra groot maken. Soms is het gat meer dan een meter breed en een meter diep. Een andere oplossing is het leggen van buizen rond de wortels van de boom. Door deze buizen stroomt er lucht van buiten naar de wortels.

 

 

 

Nazorgwerkzaamheden
Bomen en struiken moeten wennen aan de verplanting. Ze staan in een nieuwe omgeving, met misschien meer licht of een drogere grond. Dit wennen noem je plantschok. Sommige bomen of struiken gaan door het verplanten zelfs dood. Die moeten dan vervangen worden. Dit noem je inboeten.  Je moet regelmatig controleren of verplante bomen en struiken goed aanslaan. Soms hebben ze wat extra bemesting nodig. Vooral als ze in een klein plantgat staan.
Ook moeten verplante bomen soms bijgesnoeid  worden. Dit is nodig als er wortels afgestorven zijn en de boom niet genoeg voedsel en water kan opnemen voor al zijn takken. Er komen dan kale plekken in de kruin.

Haal op tijd de boomband weg.

Jonge, verplante bomen zet je meestal met een boomband aan een boompaal vast. Die boomband moet je op tijd weghalen. Als boombanden knellen, maken bomen te weinig hout en verzwakken ze. Ook kan de boomband ingroeien.

Ten slotte moet je verplante bomen die op een droge plek staan bij warm en droog weer extra water geven.

 

 

 

Het plantgat moet een derde groter zijn dan de diameter van het wortelgestel van de te planten boom. De bodem in het plantgat moet je losmaken, zodat de wortels in alle richtingen voldoende losse grond krijgen. Bij het planten moet je ervoor zorgen dat de boom niet dieper komt te staan dan twee centimeter boven de hoogst geplaatste wortel (de wortelhals).

Coniferen
Coniferen worden voor een aantal doeleinden aangeplant. In particuliere tuinen vooral om hun sierwaarde van de  bladkleur,  de  kegels  en  de  groeivorm.  Ze  worden  ook  gebruikt  om  een  dichte  haag  te  vormen,  die bescherming  biedt  tegen  inkijk  van  de  buren  en/of  de  wind.  Ook  voor  de  sier  worden  hagen  tegenwoordig aangeplant. Daarbij worden de meest ingewikkelde patronen gemaakt.

 

 

 

Maatvoering en kwaliteit

In de handel wordt de maatvoering van coniferen als volgt geregeld:
– Bij opgaande coniferen wordt de lengte van de conifeer aangegeven. Een schijncypres 80-100 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter.
– Bij platgroeiende of breed uitgroeiende coniferen kan geen lengtemaat gegeven worden. Hierbij wordt de doorsnede van de conifeer aangegeven, bijvoorbeeld 20-30.
– Bij coniferen in een pot (container) wordt bovendien de c van container aangegeven. Een schijncipres 80-100.  C5 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter en is opgekweekt in een container van 5 liter.
– Bij coniferen die op stam zijn geënt, wordt de enthoogte aangegeven.

Met betrekking tot de kwaliteit zijn de volgende punten belangrijk:

Bovengronds:
– De stam moet recht zijn.
– De stam en de takken mogen niet beschadigd zijn.
– De takken moeten regelmatig over de stam verdeeld zijn. De conifeer moet ziektevrij zijn.

Ondergronds:
– De wortels mogen niet beschadigd zijn.
– De kluit moet goed stevig zijn.
– Aan de kluit moet een gaaslap (‘broek’) geknoopt zitten. De kluit moet goed doorworteld zijn.

Een conifeer planten

Coniferen worden altijd met een kluit geplant, anders gaan ze namelijk bijna altijd dood. Een uitzondering hierop vormt de Taxus. Die kun je tot een hoogte van 50 cm nog zonder kluit planten. Het is ook zaak om coniferen nauwkeurig te planten. Als je namelijk te diep plant gaat de conifeer ook dood. De volgende zaken zijn erg belangrijk bij het planten van coniferen:

  • planttijden;
  • grootte en diepte van het plantgat;
  • het verwijderen van de gaaslap;
  • het planten.
Het planten van een conifeer is niet zo moeilijk.

De beste tijd om coniferen te planten zijn de maanden augustus-september en april-mei. Dan is namelijk de bodemtemperatuur optimaal zodat de wortels meteen kunnen gaan groeien. Dat is belangrijk omdat een conifeer het hele jaar door water verdampt. Hij zou dus snel uitdrogen als de wortels niet actief zijn. Een conifeer in een pot (container) kun je het hele jaar door planten.
Het plantgat moet voldoende diep en groot zijn. De kluit moet er ruim in passen. Je moet de conifeer net zo diep  planten  als  deze  op  de  kwekerij  gestaan  heeft.  De  grond  moet  goed  luchtig  zijn.  Storende  lagen  en wateroverlast zijn slecht voor de groei. Bij het planten moet je de gaaslap van de kluit verwijderen. De knopen in de gaaslap kunnen namelijk groeiremmingen veroorzaken. Ook de nazorg is erg belangrijk. Watergebrek is de voornaamste oorzaak van het doodgaan van coniferen na het planten. Adviseer de klant dus om goed water te geven tot enkele weken na het planten.

Het is niet eenvoudig om coniferen te verplanten. Afhankelijk van de groeisnelheid en de hoogte is het zelfs al na enkele jaren niet meer mogelijk. Dan kun je de klant het beste adviseren om een nieuw exemplaar te kopen.

2        BOLLEN EN KNOLLEN
Bol- en knolgewassen kun je verdelen in voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers.
Voorjaarsbloeiers bloeien in de periode van februari tot mei. Je moet ze voor de winter planten.
Zomerbloeiers bloeien in de zomer. Deze moet je na de vorst planten en voor de vorst weer rooien.

Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat de hoeveelheid grond boven de bol of knol tweemaal zo groot is dan de hoogte van de bol of knol.
In bakken past men vaak een z.g. lasagnebeplanting toe. Dit is het in lagen planten zodat de ene soort de andere soort opvolgt.
Veel knolletjes worden in het gazon geplant. Ze worden dan willekeurig verdeeld. Ook worden ze wel tussen bladverliezende heesters geplant. Ze profiteren dan van het licht als er nog geen bladeren aan de heesters zitten.
De plantafstanden variëren van 5 cm bij bijvoorbeeld crocus tot 15 cm bij bijvoorbeeld tulpen.

Wanneer bloeit wat?
Omdat niet alle bolgewassen in het vroege voorjaar bloeien is het belangrijk dat je de bloeitijd kent. Je weet dan wanneer je ze moet planten.

Bloei- en planttijd van bol- en knolgewassen

3          VASTE PLANTEN
Vaste planten kunnen jarenlang op dezelfde plek doorgroeien en zich sterk uitbreiden. Om ervoor te zorgen dat ze goed kunnen groeien, moet je ze op de juiste manier planten.

Plantmateriaal en planttijd
De meeste vaste planten worden door scheuren vermeerderd. Ze worden meestal verkocht in vierkante potjes van 9 cm breed en 10 cm hoog. Bij de aankoop moet je erop letten dat de wortels goed doorworteld zijn in het potje. Omdat de planten in een potje verkocht worden, kun je ze het hele jaar door planten. Als planten gerooid en gescheurd worden, is het voorjaar de beste tijd om ze in de grond te zetten.

De voorbereiding
Met de tekening bepaal je waar de planten komen te staan.
Je moet dit plantvak:
– goed spitten;
– fijn van structuur maken;
– vlak afwerken.

Het plantvak is in orde als je gemakkelijk met een plantschepje of met de hand kunt planten. Vaak kun je een spade gebruiken. Daarna leg je de planten goed verdeeld en op de juiste plekken klaar. De afstand is afhankelijk van de soort. Als het plantvak groot is, kun je het beter in gedeelten spitten en vlak maken. Zo voorkom je het dichttrappen van de grond.

Het planten
Steek het plantschepje in de losse grond en maak een gat dat voldoende diep is. Zet de plant erin. Voor een snelle aangroei moet je de grond om de plant goed aandrukken. Maak de grond tussen de planten met de hand gelijk. Probeer zo veel mogelijk vanuit één plek te planten. Zo voorkom je dat je de grond dichttrapt. Schuif tijdens het werk de plantpotjes in elkaar en ruim ze direct op. Druk de planten goed aan.

4    EEN- EN TWEEJARIGEN
Eenjarigen worden vaak in bakken geplant. De werkwijze wordt dan bepaald door de aard van de bak. Buiten worden na half mei uitgeplant. Eenjarigen  zijn vaak de opvolgers van voorjaarsbloeiende bolgewassen. Tweejarigen worden voor de winter geplant. Deze hebben hun hoofdbloei dan in het vroege voorjaar.
Meestal worden ze in groepen geplant. Net als bij vaste planten kiest men voor driehoeks- of vierkantsverband. Als plantafstand wordt, afhankelijk van de soort en de beschikbare ruimte, 15 tot 25 cm aan gehouden.
Als de grond goed los is kun je het plantgat met de hand of met een plantschepje maken.
Als plantdiepte wordt de bovenkant van de wortelkluit aangehouden.

5    GROENTEN en KRUIDEN
In de moestuin wordt veel geplant. Daarbij gaat het veelal om groenten en kruiden. Het plantgoed wordt vaak door de hobbyist opgekweekt uit zaad. Ook komt het steeds vaker voor dat de planten gekocht worden in het tuincentrum, op de markt of bij een kweker. Het plantmateriaal is vergelijkbaar met perkplanten. Het gaat om losse planten of om planten met een wortelkluit. Praktisch het hele jaar door zijn er wel groenten of kruiden te vinden die geplant kunnen worden. Vooral als een hobbykweker over een kas beschikt zij er talloze mogelijkheden. Op zaaizakjes en in boeken wordt per soort en variëteit de planttijd vermeld.
Plantgoed van groenten en kruiden wordt meestal op rijen of op bedjes geplant. Ze kunnen ook op een sierlijke manier in de siertuin of kruidentuin geïntegreerd worden.
Als diepte houdt men in het algemeen de bovenkant  van de wortelpruik aan. Hierop zijn natuurlijk uitzonderingen die voor zich spreken. Denk daarbij aan gewassen als prei, asperge en pootuien.
Als hulpmiddelen maakt men gebruik van een pootlijn, een schop of plantschepje en een hark of cultivator.
Bij plantafstanden spreekt men over rij afstanden en afstanden op de rij.
De minimale onderlinge afstand bepaalt men door het eindbeeld van het product voor ogen te zien. Zo heeft een preiplant genoeg aan 15 cm en zal een bloemkool ongeveer 50 cm nodig hebben.
In de praktijk zal men, vooral voor de rij afstand, een maat nemen die makkelijk werkt. Zo zijn er mensen die de breedte van de schoffel aanhouden i.v.m. schoonhouden of de lengte van de schoen om een vaste maat te hebben.
Als er met een schop geplant wordt maakt men meestal een sleuf waarin de planten geplaatst worden. Na het plaatsen trapt men de sleuf dicht.
Bij droog weer moet er gegoten worden.

6    WATERPLANTEN

 Plantdiepten en toepassingen
Een totaal andere groep is die van de waterplanten. De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachts- punten.

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.