Oppotten en verpotten

Inleiding
Plantjes kunnen gezaaid worden in kistjes of gestekt in een stekbakje. Als ze gaan groeien, worden die kistjes of bakjes echter al snel te klein. De plantjes worden dan alleen of met een aantal tegelijk in een potje gezet.

Je noemt dit oppotten.

Als je een pas vermeerderde plant voor de eerste keer in een bloempot zet heet dit oppotten. Verplaats je de plant van de ene pot in de andere dan heet dit verpotten of overpotten.

In de plaats van een pot kun je natuurlijk ook een andere container gebruiken.

 

Redenen
Door planten in potten te zetten blijven ze verplaatsbaar en het hele jaar verplantbaar. Dit laatste is van belang bij kamerplanten en tuinplanten.
Redenen om de planten in een later stadium te verpotten kunnen zijn:
– plant is te groot geworden
– potgrond is verzilt, verzuurd en uitgeput
– potgrond neemt geen water meer op (is irreversibel geworden door uitdroging)

Potten en andere containers
Wat wij bloempot noemen is in feiten een plantenpot. Omdat een bak een container wordt genoemd gebruikt men dit woord ook als verzamelnaam voor alles waarin je planten uitplant. Dus voor bloempotten, plantenbakken en allerlei decoratiematerialen. Meestal heeft men het bij containers over grote potten.

We kunnen kiezen tussen kunststof bloempotten of aardewerk potten. De potmaat wordt uitgedrukt in cm en heeft betrekking om de grootste doorsnede. Bij kunststof potten staat de maat afgedrukt op de onderkant van de bloempot.

Verpotten
Bij het verpotten kiezen we meestal een pot die 2 maten groter is dan de oorspronkelijke pot. Het is van belang om voor het verpotten de oude wortelkluit goed schoon te maken. Oude potgrond moet zoveel mogelijk verwijderd worden. Ook moet je de overbodige wortels weghalen.
Als de plant slecht uit de oude pot gaat werkt het vaak om de plant op zijn kop te houden en met de potrand op de tafelrand te tikken. Kunstof potten kun je open knippen.
Men kiest een potgrond die past bij de plant. Als er geen speciale grond beschikbaar is kies je voor universele potgrond.

 

De werkwijze bij het oppotten en verpotten is afhankelijk van de grootte van de wortelkluit.
Hier zijn 3 manieren getekend.

 

Als de plant in de pot staat moet je de nieuwe potgrond goed tegen de oude kluit drukken. Er moet een gietrand overblijven.

 

 

 

Werkplek inrichten
Oppotten gebeurt handmatig of machinaal. In verband met het werktempo en de veiligheid is het, vooral als je grote hoeveelheden oppot, van belang om een goede werkhouding aan te nemen. Daarvoor is het van belang dat de opstelling en inrichting van de werkplek goed is. Vergeet de kisten niet waar je de planten die verpot zijn in kunt zetten. Dat geldt ook voor karren om de gevulde kisten op te zetten.
Hieronder zie je een geschikte opstelling bij handmatig oppotten.

Werkwijze
Zet de pot in het kistje en pak tegelijkertijd met je andere hand een lege pot . Vul grond bij.
Maak met de vinger van de ene hand een gaatje in het midden van de gevulde pot. Pak met de andere hand tegelijkertijd de plant en plaats die in een gaatje.
Schep met gesloten vingers grond in de pot.
Druk in één beweging grond en plant aan met de duimen. (Zorg dat de plant in het midden blijft staan.)
Zo als altijd geldt: Werk netjes en ruim na afloop op.

 

 

 

 

 

Licht en warmte

Inhoud

1 Licht en warmte
2 Lichthoeveelheid
2.1 Lichtmeting
2.2 Invalshoek van het licht
2.3 Daglengte
2.4 Weersinvloeden
3     Standplaats
4     Kunstlicht
5     Licht gebruiken in de winkel
5.1 Sfeer
5.2   Licht in presentaties
6     Energieverbruik en kosten
7     Wanneer verlichting?

Inleiding
Alles draait om energie. Zonder energie is er geen leven.  Omdat alle energie, direct of indirect van het zonlicht komt kun je daarom stellen dat licht de enige bron van leven is.
Organismen met bladgroen zijn in staat om lichtenergie rechtstreeks te gebruiken als energiebron. Bij de fotosynthese binden ze deze energie in koolhydraten (suikers en vetten.) De overige organismen moeten energie opnemen via de voeding. In feiten is dit de energie die door de groen organismen is gebonden.

Fotosynthese

Je kunt ook zeggen dat groene planten altijd licht nodig hebben. Ze kunnen geen brandstoffen opnemen via de voeding.  Andere  organismen kunnen ook zonder licht leven.

1 Licht en warmte
Onze leefomgeving zit vol met straling. Straling is een vorm van energie met een bepaalde golflengte. Zo kennen we bijv. radiogolven, licht, warmte en röntgen. Straling kent vele bronnen. Een daarvan is de zon.

Niet alle golflengten kunnen door de mens waargenomen worden; Slechts een klein deel hiervan is zichtbaar licht. De straling van dit licht is onder te verdelen in verschillende golflengten en met een bepaalde hoeveelheid energie.
Licht is opgebouwd uit diverse kleuren. Wanneer we daglicht breken zien we de kleuren rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Infrarood en ultra violet vallen buiten het zichtbare licht maar worden wel door de zon uitgezonden.

Violet en blauw hebben een veel grotere hoeveelheid energie dan rood. (meer energie wordt veroorzaakt door een kleinere golflengte) Dat wil zeggen dat blauw licht een betere groeikracht levert dan rood licht. In Nederland zie je de verschillen in straling terug in de natuur. In het voorjaar bereiken ons meer violet en blauwe stralingen dan rode dus ook meer energie. Mede hierdoor gaan planten in het voorjaar hun wortels ontwikkelen en groeien. In de nazomer zien we praktisch geen groei meer.
Je kunt dit aan je eigen lichaam ook waarnemen, in het voorjaar en begin van de zomer word je sneller bruin dan in het najaar. Verbranding wordt veroorzaakt door het ultra violette licht.

De golflengte van lichtstralen is kleiner dan de golflengte van warmtestralen. Als licht op een voorwerp valt gaat er energie verloren en worden er lichtstralen omgezet in warmtestralen. Je merkt  deze omzetting van licht in warmte als je achter glas staat. Glas laat gemakkelijker  licht door dan warmte. Hierdoor is het in een kas altijd warmer dan buiten.

 


2 Lichthoeveelheid
De eenheid van  lichtsterkte is lux of lumen per m2. De lichtsterkte wordt gemeten met een luxmeter.
’s Zomers is het lichter dan in de winter. Hierdoor zullen planten in de zomer harder groeien dan in de winter.  Oorzaken daarvoor zijn de invalshoek van het licht en de daglengte. Ook wordt de lichtsterkte be‹nvloed door weersinvloeden en de standplaats van een plant.

digitale luxmeter

2.1 Lichtmeting
Met onze ogen kunnen wij waarnemen of het een donkere dag is of een heldere. Kleine verschillen kunnen we  echter niet waarnemen . Dit komt doordat onze ogen zich, zonder dat wij dit ervaren, door middel van de pupil aanpassen aan de hoeveelheid licht .
Om de lichtwaarde in een ruimte nauwkeurig vast te stellen heb je meetapparatuur nodig. De eenheid voor lichthoeveelheid is lux (lumen per m2). De lichthoeveelheid wordt gemeten met een luxmeter. Elke luxmeter is anders. Vaak werken ze digitaal. Je kunt er lichtsterkten mee meten tot 200.000 lux. Aan het apparaat zit een snoertje met een fotocel (oog). Dit “oog” richt je horizontaal naar het te meten punt. Ook zijn er apps beschikbaar op de mobiele telefoon.
Een luxmeter kun je instellen op kleine of op grote lichthoeveelheden. Om te voorkomen dat de meter doorslaat en stuk gaat begin je altijd bij de hoogste schaal. In deze stand kun je de lichtsterkte inschatten en bepalen of je een of meerdere schalen omlaag kan. Sommige meters werken met een kapje. Dit moet je gebruiken bij grote lichtsterkten.

2.2 Invalshoek van het licht

Bij een lage zonnestand (winter) is de weg van de zonnestralen door de dampkring lang. Er treedt dan meer energieverlies op dan bij een hoge zonnestand. Met andere woorden: De energieke blauwe straling verandert in minder energieke rode straling. Bij een lage zonnestand moet de lichtbundel over een grotere oppervlakte worden verdeeld dan bij een hoge zonnestand. In de zomer bij zon hebben we een lichtsterkte van ongeveer 10.000 lux.

 

 

 

2.3 Daglengte
’s Zomers is het licht niet alleen sterker maar is het aantal uren licht veel groter. Samen heeft dit tot gevolg dat er ’s zomers ongeveer 10 keer zoveel licht is dan ’s winters.

 

 

 

 

 

 

2.4 Weersinvloeden

 

 

 

 

 

 

 

Bij helder weer wordt licht onderschept door de dampkring. Luchtvervuiling speelt hierbij een belangrijke rol. Bij bewolking wordt veel licht teruggekaatst of door de wolken opgenomen. Hierdoor kan de bewolking oplossen. Bij een volledig bewolkte hemel wordt slechts 20% van het zonlicht door gelaten. Verder zorgen bewolking, luchtvervuiling, vliegtuigstrepen  en schaduw  voor verstrooiing van het licht. Het licht verandert dan van richting en verliest daardoor aan energie.

3     Standplaats
De zon komt op in het oosten, staat ’s middags in het zuiden en gaat ’s avonds in  het westen onder.  Als daarin meeneemt dat de zon om 12 uur ’s middags (wintertijd) op zijn hoogst staat weet je dat planten die op het zuiden staan het meeste licht krijgen. Het noorden is het minst licht. Kamerplanten staan vaak voor het raam. Dat is niet voor niets. Alhoewel glas licht tegenhoudt is het dicht bij het raam aanmerkelijk lichter dan een eindje van het raam vandaan.

In de natuurkunde zegt men: De lichthoeveelheid is omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand. Dit wil zeggen:
Als de afstand 2 keer zo groot wordt,  wordt de lichthoeveelheid 4 keer zo klein .

4     Kunstlicht

Elke  lichtbron heeft een specifiek kleurenspectrum. Deze kun je zichtbaar maken met een prisma. Je kent dat van de regenboog.
Planten hebben voor hun energievoorziening een aantal van deze kleuren nodig. Soms wil je deze kleuren kunstmatig toedienen. Denk aan een kwekerij in de winterperiode en aan kamerplanten op een donkere plaats. Omdat het toedienen van kunstlicht veel energie kost, heeft de industrie lampen ontwikkeld met enkel die kleuren die de plant nodig heeft. Bekend zijn het oranje en paarse licht dat je vaak in kasgebieden ziet. Door het gebruik van speciale plantenlampen wordt geen energie verspild aan kleuren die voor de plantengroei geen waarde hebben.

LED-lamp

De ontwikkeling gaat snel.  Lang heeft men gebruik gemaakt van lampentypen als gloeilamp, halogeenlamp, fluoricentielamp , hoge drukkwiklamp, gasontladingslamp(TL), lage druk natriumlamp, spaarlamp en hoge druk natriumlamp. Al deze lampen zijn geschikt voor het gestelde doel maar hebben als nadeel dat ze veel energie gebruiken en een relatief korte levensduur hebben.  Om die reden kom je ze nog maar weinig tegen. Ze zijn vervangen door energiezuinige LED-lampen die de nadelen van de oudere lamptypes niet hebben.

5     Licht gebruiken in de winkel
De beroemde Italiaanse regisseur Federico Fellini filmde het liefst in de studio. Toen hem ooit in een interview werd gevraagd naar het waarom, antwoordde hij: ‘Ik kan buiten niet vragen of de zon een eindje naar links kan.’ Voor film is licht en belichting essentieel, maar ook in presentaties kan licht een belangrijke rol spelen.
Je weet al dat licht noodzakelijk is voor het onderscheiden van kleuren. Maar je kunt nog meer doen met licht.

5.1 Sfeer
De sfeer in de winkel bepaal je grotendeels door toepassing van kunstlicht. Zonlicht is weliswaar natuurlijker licht, maar het is niet constant. De zon draait ten opzichte van de winkel. En bovendien is er de ene dag meer bewolking dan de andere. Met licht maak je artikelen zichtbaar en met behulp van gericht licht, de zogenaamde accentverlichting, kan de attentiewaarde van bepaalde artikelen worden verhoogd. Door met licht en schaduw- plekken te werken kun je de klant de winkel in leiden. Bij een goede winkelpresentatie zijn inrichting en verlichting op elkaar afgestemd.

De binnenverlichting kan globaal worden ingedeeld in drie soorten:
–     Basisverlichting:
heeft een algemeen karakter en zorgt voor een gelijkmatige verlichting van de winkelruimte. Meestal is deze aan het plafond bevestigd. buis-verlichting wordt het meest gebruikt.
–     Accentverlichting:
wordt gebruikt voor het aanlichten van objecten zoals een bloemenhoek, aardewerkgroepen of displays. Het vestigt de aandacht van de consument op een artikel of een groep. Hiervoor kunnen ver- schillende lichttypen worden gebruikt:
–   Gericht licht wordt gestuurd, maar heeft geen sterke afbakening. Een voordeel hiervan is dat er geen abrupte overgangen ontstaan tussen lichte en donkere plekken
–     Gebundeld licht wordt gebruikt bij artikelen waarop men nadrukkelijk de aandacht wil vestigen. Het licht straalt in een begrensde bundel op het object. Vaak wordt hier een kopspiegellamp voor gebruikt.
–     Etalageverlichting:
de eerste indruk die potentiële klanten van een winkel krijgen, is de etalage. De verlichting moet passen bij de sfeer en het imago van de winkel. In de etalage dient het niveau wat hoger te liggen. Hierdoor wordt het spiegeleffect verminderd.

5.2   Licht in presentaties
Als je licht gaat gebruiken in een presentatie, zijn er diverse zaken waar je op moet letten.
–     Zoals je misschien weet, heeft elk soort verlichting een bepaalde uitstraling.
Zorg dat die past bij je winkel. Als slager zou je bijvoorbeeld kiezen voor een heldere koele kleur tl-verlichting. In een kledingzaak werken lampen die een warme kleur uitstralen beter. Voor een bloemenzaak is het moeilijk een algemeen advies te geven. Koel licht wijst op goede zorg voor de bloemen, warm licht geeft een meer huiselijke sfeer.
–     Besteed zorg aan de verlichting en kies niet voor de gemakkelijkste oplossing. Het resultaat is anders vaak een ‘dertien-in-een-dozijn’-opstelling. Originaliteit in je verlichting geeft een indruk van je creativiteit. Speel met de  hoeveelheid  licht,  overvloedig  of  juist  spaarzaam,  en  laat  het  van onverwachte  kanten  komen. Voorbeelden zijn voetlicht waarbij het licht van onder naar boven schijnt of tegenlicht waarbij de lamp het artikel van de achterkant belicht.
–     Zorg dat je verlichting niet hinderlijk is voor de klanten. Niets is zo vervelend als fel licht in je gezicht of een knipperende tl-buis.
–     Zorg dat je de verlichting eenvoudig kunt veranderen. Een railsysteem waarop je spotjes kunt verplaatsen, is erg gemakkelijk.

6     Energieverbruik en kosten
Ondanks de opkomst van energiezuinige lampen blijft verlichting een belangrijk deel uitmaken van het elektriciteitsgebruik.  Het energieverbruik af van het elektrisch vermogen van de installatie en het aantal branduren. Hoe meer je deze kunt beperken, hoe sterker het energieverbruik daalt. Dat betekent minder kosten. Het verlichtingsniveau moet daarom niet hoger zijn dan noodzakelijk is. Gebruik naast energiezuinige lampen ook efficiënte armaturen. Schakelklokjes en schemerschakelaars zorgen ervoor dat verlichting tijdig uitschakelt en overbodige branduren worden voorkomen.

7     Wanneer verlichting?
In het dagelijks leven ben je zuinig met energie en heb je een lamp alleen aan als je zonder niet kunt zien. Maar in een winkel gelden andere ‘wetten’. De verlichting is niet alleen bedoeld om beter te kunnen zien, maar ook om op te vallen. Een goed verlichte etalage heeft stopkracht. Mensen zullen er minder snel aan voorbij lopen dan ze bij een niet- of slecht verlichte etalage doen.
Daarom moet er in ieder geval verlichting in de etalage zijn:
–     vanaf de schemering tot ’s avonds laat;
–     overdag bij somber weer;
–     overdag in diepe portieken of onder zonneschermen;
–     overdag bij helder weer, als er sprake is van hinderlijke schittering of spiegeling van ruiten.

Kuipplanten

Inleiding
Kuipplanten zijn in het Nederlands klimaat die planten die niet winterhard zijn. Om ze toch te kunnen houden zetten we ze vaak in potten of kuipen. Vroeger zijn zo de oranjerieën ontstaan. Dit zijn ruimten die erg licht zijn en vorstvrij zodat de planten in de winter naar binnen konden. Vandaar ook nog het naamgebruik oranjerieplanten. De naam oranjerie heeft ook alles te maken met het feit dat vroeger de sinasappelboompjes erg populair waren. Een fraaie oranjerie is te zien in de hortus in Leiden. Er zijn tegenwoordig vele soorten kuipplanten te koop. Ook kunt u zelf stekken meenemen van uw vakantie en daar een kuipplanten van opkweken. Veel soorten kuipplanten zijn houtige gewassen.

Tibouchina

Toepassing
Kuipplanten zijn goede gasten op het terras. Maar ook ingegraven in de tuin vormen ze een fraaie aanvulling in de zomer. Verder zijn kuipplanten ideaal als balkonplant.

Verzorging
Kuipplanten vereisen intensieve verzorging. In het najaar voordat de nachtvorsten beginnen gaan de planten naar binnen. Planten in pot zijn gevoeliger voor vorst dan planten in de volle grond.

Aandachtspunten betreffende het overwinteren:
– Het is belangrijk dat je de planten niet te snel naar binnen haalt. Laat ze stilaan wennen aan lagere temperaturen, zodat ze een weerstand kunnen opbouwen en gewend raken aan de koudere omstandigheden.
– Bescherm echter steeds alle planten tegen de koude noorden- en oostenwind. Een oleander bijvoorbeeld kan een aantal graden vorst verdragen maar zal zeker en vast schade oplopen op een tochtige of niet-beschutte standplaats, waar hij blootgesteld staat aan deze droge, koude winden. Vooral bladhoudende planten zullen schade oplopen omdat ze water blijven verdampen langs de bladeren.
– Bescherm de planten de laatste dagen voor het binnenhalen tegen regen. Het is niet denkbeeldig dat een te natte wortelkluit in de winterperiode aanleiding geeft tot rotte wortels. Teveel vocht zal de planten ook blijven stimuleren om te groeien. Dit is uiteraard niet de bedoeling in een rustperiode.
– Geef de planten een opknapbeurt: uitgebloeide bloemen, dode takken, verdroogde en afgestorven bladeren weghalen. Planten uitdunnen en een voorlopige snoei geven. De definitieve snoei volgt in het voorjaar.
– Geef vanaf september ook geen meststof meer. De temperatuur daalt (vooral ’s nachts) en het licht vermindert (de dagen worden korter), hierdoor zal de groei verminderen. Extra meststof (en vooral de stikstof daarin) zou hen opnieuw stimuleren om te gaan groeien. De jonge scheuten die dan nog gemaakt worden kunnen niet voldoende meer afharden en zullen dus makkelijker invriezen of schade oplopen. Als je nog meststof geeft, neem dan een aangepaste meststof met veel fosfor en kali. Deze elementen geven de planten bescherming tegen winterse omstandigheden.
– Controleer of de planten niet aangetast zijn door insecten of schimmels. Zo ja , behandel ze dan meteen met aangepaste middelen voor ze de winterberging ingaan.

Hoe ziet de winterberging eruit ?
Of het nu om een garage, kelder, oranjerie of serre gaat, een winterberging moet aan een aantal eisen voldoen. Een lichte vorstvrije ruimte met minimum temperaturen die liggen tussen +5°C en +10°C (afhankelijk van de soort plant). Een woonkamer is dus uit den boze: te warm en te droge lucht.
Belangrijk is dat de temperaturen gedurende de rustperiode vrij constant zijn. Daarom goed isoleren zowel tegen koude als tegen warmte.
Op een zonnige winterse dag kan de temperatuur in een serre hoog oplopen. De warmte zal de planten stimuleren om scheuten te gaan aanmaken. Meestal lange zwakke scheuten, die toch moeten worden weggesnoeid .
Zorg dat in de ruimte een goede ventilatie mogelijk is: dit voorkomt schimmels. Vocht en warmte zijn namelijk de ideale kweekbasis voor schimmels en bacteriën.
Planten als Agapanthus, granaatappel (Punica granatum), canna’s en Brugmansia (datura’s) zijn tevreden met minder licht. Ook de Fuchsia kan op een donkere plek overwinterd worden.
Een vrij algemene regel: een bladhoudende plant heeft licht nodig, bladverliezende struiken minder.

Er zijn tegenwoordig kwekers die de planten voor u kunnen overwinteren. Veel tuincentra kunnen dit regelen.

Brugmansia

Bij strenge vorst kan het mogelijk zijn dat het niet lukt om de overwinteringplaats vorstvrij te houden. Je kunt de plant dan extra beschermen met bijvoorbeeld:
– noppenfolie
– vliesdoek
– stro
– jute

De belangrijkste verzorgingsregels:
– De kuipplanten tijdens de overwintering vrij matig water geven. Laat de planten niet uitdrogen maar wees steeds voorzichtig. De planten hebben maar weinig vocht nodig omdat ze ook weinig vocht verdampen. Natte potgrond geeft aanleiding tot rottende wortels. Vooral bij deze planten die in potten zitten.
– Vooral te mijden is vocht in combinatie met weinig licht.
– Planten in rust hebben geen voeding nodig. Je moet ze dus ook niet verpotten voor ze naar binnengaan.
– Planten regelmatig blijven controleren op aantastingen door ziektes of insecten.
– De temperatuur steeds onder controle houden.
– Regelmatig de ruimte luchten. Zeker bij hogere temperaturen. De planten mogen gerust ook eens naar buiten gehaald worden als de temperaturen dit toelaten.
– Vanaf februari/maart In het voorjaar begin mei kunnen de planten weer naar buiten toe. Laat ze wennen aan het licht, begin in de schaduw. Eventueel verpot u ze eind april, voeg wat klei door de aarde zodat deze veel vocht vasthoudt. Geeft ook gelijk een snoeibeurt. Pas ook eventueel wat wortelsnoei toe. Controleer of de afvoergaten onder in de pot niet verstopt zitten, leg er wat oude potscherven overheen.

Veel kuipplanten willen graag een zonnige standplaats, ze zullen dan extra rijk bloeien. U moet vaak wel 2 x per dag water geven. Ook moet regelmatig voeding worden toegediend. Vanaf eind augustus minder voeding geven en uiteindelijk stoppen. Tussentijds oude bloemen weghalen en te lange takken terugsnoeien geeft meer bloei. Nog een tip, zet uw hoge planten vast met enkele metalen pennen, dit voorkomt omwaaien.

Nerium oleander

 

Opgelet:
De oleander is wel een uitzondering op de regel wat water geven betreft. Deze mag wel regelmatig water krijgen en zeker niet laten uitdrogen.

 

 

 

 

Sortiment

Enkele soorten

Botanische naam

Nederlandse naam

Abutilon

Aeonium

Agapanthus

afrikaanse lelie

Agave

Anisodentea

Kuipmalva

Argyranthemum

Struikmargriet

Asclepias

Bougainvillea

Brugmansia

Doornappel

Callistemon

Cestrum

Citrus

sinaasappels

Datura

Dipladenia

Eucalyptus

Fuchsia

bellenplant

Heliotropium

Hibiscus

Chinese roos

Lantana camara

Laurus nobilus

laurier

Lavatera

Leonotus

Megabota.

Myrtus

Nerium Oleander

Olea

olijf

Passiflora

 passiebloem

Pentas

Plumbago

Punica

Solanum

Tibouchina urvilleana

Opm. kuipplant van het jaar 2001

Thunbergia

Verbena

Inleiding
De variatie in een tuin wordt voor een groot deel bepaald door de vorm en groeiplaats van de gebruikte planten. Een groep planten die daarin een belangrijke rol speelt is de groep van klim- en leiplanten. Deze planten kunnen plaatsen bereiken waar andere planten niet komen.

Toepassingsmogelijkheden
Planten worden om diverse redenen in klim en leivormen gekweekt.
Voorbeelden zijn:
De hoogtewerking
Als ze voldoende steun hebben kunnen ze erg hoog klimmen. Sommige, van nature niet klimmende, heesters laten zich, met enige ondersteuning, in de hoogte leiden.
De breedtewerking
Klimplanten zijn in staat om grote oppervlakten te bekleden. Hiervoor zijn ze in staat om lelijke elementen te verstoppen.
Bloemsierkunst
Voor de bloemsierkunst zijn vele soorten aantrekkelijk. Dit kan zijn vanwege de elegante kale ranken. Soms ook vanwege bloemen of bloeiwijzen of vruchten.
– Afscheiding
Klim- en leiplanten kunnen als levende haag gebruikt worden. Tegenwoordig zie je vaak klimop in plantenpakken met betonijzer als haag. Leibomen kunnen een haag op hoogte vormen.
Zon- en windscherm
Leiplanten werden oorspronkelijk op het zuiden geplaatst om de zon tegen te houden of op het Noorden en Oosten om de wind tegen te houden. Deze functies zijn vervangen door decoratieve functies.
Zon vangen
Vooral fruitsoorten die veel zon nodig hebben om te rijpen worden als klim- en leivorm gekweekt om afrijpen te bevorderen. Tegenwoordig past men dit vooral toe in de hobbytuin omdat het erg veel arbeid kost. Ook kom je leifruit vaak tegen in oude kloostertuinen.

Steunmaterialen
Je kunt klim- en leiplanten ondersteunen met bestaande elementen of met speciaal aangebrachte steunmaterialen.  Voorbeelden van steunmaterialen zijn: muren, schuttingen, palen, pergola`s, draad, gaas, betonijzer, latwerken, hekwerken, schuurtjes en muren.

Variatie
Het zijn vooral planten die van nature in het bos of aan de bosrand voorkomen. Meestal zijn het snelle groeiers. Er zijn grote verschillen.
Zo zijn er;
– bloeiende, geurende, besdragende, vruchtdragende en groenblijvende klimmers;
– zon of schaduwplanten;
– planten voor de droge of vochtige grond.
Erg mooi kan het zijn om diverse heesters door elkaar te gebruik

Verschillen tussen klim- en leiplanten
Klimplanten zijn planten die ondersteuning nodig hebben om omhoog te groeien omdat de stengels niet stevig genoeg zijn om de plant zelfstandig te dragen. Als er geen ondersteuning is zullen klimplanten een kruipende groeivorm aannemen totdat ze ondersteuning hebben gevonden.
Leiplanten hebben soepele takken. Daardoor laten ze zich gemakkelijk in de vorm brengen die wij willen. Op de kwekerij worden ze vaak gesteund met bamboestokken. Zo worden ze ook verkocht in het tuincentrum. Dit geldt voor horizontale parasolvormen en verticale vormen.

Klimwijzen
Er zijn verschillende methoden waarmee klimplanten zich een weg omhoog banen:
Kruipen
Deze manier van klimmen komt voor bij planten als marmaladestruik en Solanum crispum.
Haakvormige stekels
Er zijn ook klimplanten die door middel van haakvormige stekels omhoog klimmen zoals bij Bougainvillea en de klimmende vormen van rozen.
Hechtwortels
Klimplanten met hechtwortels kunnen zelfs in de steen van een muur binnendringen.
Klimop, klimhortensia en trompetklimmer klimmen door middel van hechtwortels.
Slingeren
Planten die klimmen door zich rond de steun te slingeren zijn hop, de klimmende soorten uit het geslacht Ipomoea en blauweregen. De richting waarin deze planten slingeren, links- of rechtsoom, is specifiek voor de soort.
Stengelranken
Ampelopsis, Vitis met als bekendste soort de druif en de meeste soorten passiebloemen hechten zich met behulp van stengelranken.
Bladranken
Klokwinde, Lathyrus en Mutisia klimmen met bladranken.
Windende bladstelen
De klimmende soorten uit het geslacht Clematis, Rhodochiton en Tropaeolum klimmen door middel van windende bladstelen.
Hechtvoetjes
Wilde wingerd en Tetrastigma klimmen door middel van hechtvoetjes.

Zelfhechtende klimplanten zoeken zelf hun weg en hoeven dus geen steun. Slingerplanten daarentegen vragen wel om een steunvorm van gaas, een pergola of iets dergelijks. Rankenplanten hebben ook een steunvorm nodig. Een boom of heester of een metalen constructie, een gaas- of een dradenvorm voldoet goed. Boomwurger, Celastris scandens, kan een boom zoals gezegd verstikken.

Planttips
Bij de aanplanting van klim- en leiplanten is het belangrijk (net zoals bij andere planten) om de juiste grondvoorbereidingen te maken, d.w.z. een voldoende groot plantgat met toevoeging van plantcompost dat men ondermengt met de eigen grond.
Voor de meeste klimplanten wordt een plantafstand van 1 per lopende meter gehanteerd. Bij klimop wordt een gemiddelde genomen van 5 per lopende meter.
Klimmers op 40 cm afstand van de muur planten, dichterbij is de aarde te droog.
Leibomen plant men minimaal 1,50 m van het huis i.v.m. het opdrogen van de muur.
Planten net zo diep in de grond zetten als in de pot of bij de kweker. Behalve clematis die nog 15 cm dieper geplant wordt. Bij clematis de wortels beschaduwen met andere planten aan hun voet.
Blauweregen niet om regenpijpen winden, die worden na verloop van tijd stuk geknepen.
Leibomen, bijvoorbeeld leifruit, worden best 3 à 5 m uit elkaar gezet. Dit naargelang de afstand die beplant moet worden. In het midden tussen de bomen komt er telkens een paal te staan.
LET OP: Na de laatste boom komt er nog een paal op 1,5 à 2m. Hierna wordt het latwerk (of spandraad) bevestigd aan de palen.

De hoogte waarop je begint te leiden kies je zelf. Bijvoorbeeld:
– 1,80m: Hierdoor belet je inkijk (vb. van de buren). Je kijkt eigenlijk op de kroon van de boom waardoor het zicht beperkt wordt.
– 2m à 2,20m: Je hebt nog doorkijk. Op deze manier zit je niet ingesloten. (minder privacy)

Verzorging van klimplanten
De verzorging van klimplanten beperkt zich tot wat snoei- en steunwerk.
We houden hierbij rekening met het volgende:

* Er zijn soorten die in de lente of zelfs tot in de zomer bloeien. Ze doen dit aan het oude hout dat het jaar ervoor is gevormd. Snoei ze dus na de bloei.
* Er zijn soorten die aan het jonge hout van dit jaar bloeien. Snoei ze in februari of maart.
* Er zijn soorten die speciaal voor hun fraaie blad in de tuin staan. Snoei ze in februari of maart.
* Bladhoudende soorten snoeit u in de winter of in het voorjaar.
* Bladverliezende soorten snoeit u in de winter.
* Snoei altijd de dode takken weg.
* Snoei planten die te groot worden flink in of snoei ze elk jaar.
* Snoei groene ranken die aan bonte soorten komen altijd weg.
* Houd bij het aanbrengen van steunmaterialen rekening met de natuurlijke groei- en steunwijze. De groeirichting van links- of rechtsom windende klimmers, altijd respecteren.Het leiden van de takken gebeurt om de 40 à 50 cm, deze worden aangebonden met binddraad. Je kan al naargelang (3), 4 of 5 niveaus maken.

Verzorging van leiplanten
Leiplanten zijn meer eisend dan klimplanten.
Enkel de takken de je nodig hebt en die zich het dichtst bij het latwerk (draad) bevinden worden gebruikt om te leiden. Alle andere takken worden weggesnoeid.
Soms kan het zijn dat er op een bepaald niveau geen enkele tak voldoet om te leiden. Maak dan gewoon met een mes een slipje in het hout. Zo wordt de sapstroom onderbroken en stapelt de voeding zich plaatselijk op. Op deze manier wordt de aanmaak van knoppen (en takken) beïnvloed.

Enkele praktische tips voor het gebruik:
Klimop is een goede basis voor klimroos en clematis, die met kleur en bloei het immer groene blad aanvullen. Blauweregen harmonieert met druif.

Sortiment

leilinde

Leibomen:

  •  Tilia europaea ‘Pallida’ (leilinde)
  •  Platanus x acerifolia (plataan)
  • Carpinus betulus (haagbeuk)

Klimmers met blad-, tak- of hechtranken

  • Passiebloem (Passiflora)
  • Clematis
  • Druif (Vitis)
  • Wilde wingerd (Parthenocissus)  

Klimmers met hechtwortels

  • Klimopvormen (Hedera)
  • Trompetklimmer (Campsis)
  • Klimhortensia (Hydrangea anomala subsp. Petiolaris)
Blauwe regen

Slingerende klimmers (links- of rechtsom windend)

  • Boomwurger (Celastrus)
  • Bruidssluier (Fallopia aubertii), groeit snel enorm wild uit
  • Hop (Humulus)
  • Blauweregen (Wisteria)
  • Kamperfoelie (Lonicera)
  • Duitse pijp (Aristolochia durior)

Niet winterharde klimmers (kuipplanten)

  • Sterjasmijn (Trachelospermum jasminoides), witte bloemschermen, sterk geurend
  • Solanum crispum
  • Oxypetalum, blauw
  • Paederia

Vruchtdragende klimmers

  • Kiwi
  • druif
  • Japanse wijnbes (Rubus phoenicolasius)
  • braam
moerbei

 Klimmers die ondersteuning vragen

  • Vuurdoorn (Pyracantha)
  • Japanse sierkwee (Chaenomeles)
  • Rotsmispel (Cotoneaster)
  • Marokkaanse brem (Argyrocytisus)
  • Moerbei (Morus)
  • Leipeer (Pyrus)

Groen blijvende klimplanten
Groen blijvende klimplanten tegen een gaashek of open lattenscherm kunnen een goed alternatief zijn voor te brede hagen. Ze bieden het hele jaar privacy op een klein oppervlak.

 

Bronnen

Bouman klimplanten
Hoogeveen (sortiment)
Baaij Hoveniers
De Wilde
Marechal
Hofmeester/klimplanten
Groenkalender

 

 

 

Kamerplanten

Inleiding
Kamerplanten groeien onder onnatuurlijke omstandigheden. Voor een deel zijn ze daarop geselecteerd. Desondanks vereist het verzorgen veel ervaring en inzicht.
Om die reden is deze beschrijving opgedeeld in 2 delen:
Deel 1: De basis
Deel 2 Verdieping
De opbouw is voor een groot deel concentrisch. Dit betekent dat  dat de behandelde thema’s uit deel 1 in deel 2 in een uitgebreidere versie terugkomen.

Inhoud Deel 1 Inhoud Deel 2
1 Groeifactoren 1 Groeifactoren
1.1 licht 1.1 Licht
1.2 water 1.2 Water
1.3 voedsel 1.3 Voedsel
1.4 temperatuur 1.4 Temperatuur
1.5 bodem 1.5 Bodem
2 Vermeerdering 2 Problemen in huis
2.1 zaaien 2.1 Het wortelvolume is te klein
2.2 stekken 2.2 De lucht is te droog
2.3 scheuren 2.3 De lichthoeveelheid is te klein
2.4 uitlopers en broedplantjes 2.4 Te veel zon
3 Oppotten en verpotten 2.5 Slechte bodem
2.6 De temperatuur is niet optimaal
3 Relatie tussen bouw en verzorgingseisen

Deel 1 De basis

Inleiding
Als je het nuchter bekijkt is het vreemd dat mensen over de hele wereld bloemen en planten vandaan halen om deze vervolgens in huis te zetten. Dit verschijnsel heeft waarschijnlijk te maken met het vervreemden van de natuur. Doordat mensen niet meer in de natuur leven halen ze de natuur naar zich toe.

Planten groeien van nature op plaatsen waar ze zich het beste thuis voelen. Zijn de omstandigheden niet optimaal dan zullen ze op den duur verdrongen worden door andere planten of afsterven. Soms geldt dat planten zich onder extreme omstandigheden kunnen handhaven doordat andere planten onder die omstandigheden niet kunnen overleven. De concurrentie is dan weg. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor cactussen in de hitte van de woestijn en orchideeën onder voedsel arme omstandigheden.
Bloemen en planten behoren tot het kernassortiment van bloemenwinkels en tuincentra. Doordat het producten zijn die niet in huis horen of zelfs niet in ons klimaat horen zijn het zorgenkindjes; zorgenkindjes die we met veel moeite zo lang mogelijk mooi willen houden. Voor dit mooi houden is vakkennis nodig.

In dit hoofdstuk gaan we ons verdiepen in de groei en verzorging van kamerplanten. Dit doen we aan de hand van de groeifactoren. Daarnaast zullen we een aantal manieren van vermeerdering bekijken en zullen we ingaan op het oppotten en verpotten van kamerplanten.

1     Groeifactoren
Planten leven in een bepaalde omgeving: een bepaald milieu. De omstandigheden in dit milieu noemen we milieufactoren. De belangrijkste zijn:
–     licht
–     water
–     voedsel
–     temperatuur
–     bodem
Deze milieufactoren kunnen per situatie erg verschillend zijn.
Van nature kiezen planten voor een standplaats die past bij hun leefwijze en bouw. Je kunt ook zeggen: Planten passen zich aan aan een bepaald milieu. Ze kunnen zich hierdoor op een bepaalde plaats handhaven. Soms is het zo dat een plant op een bepaalde plaats kan groeien omdat andere planten  het op die plaats niet volhouden. Hierdoor hebben ze geen concurrentie.
Als we planten cultiveren moeten we proberen om de natuurlijke omstandigheden zo goed mogelijk na te bootsen.

We gaan nu de belangrijkste groeifactoren bekijken.

1.1   licht
Licht is een vorm van energie. Zonder energie is er geen leven mogelijk.
Uit de biologie weten we dat planten in staat zijn om lichtenergie zo vast te leggen dat deze door alle levende wezens gebruikt kan worden. Dit vastleggen van Zonne-energie heeft fotosynthese of koolstofassimilatie.
Daarnaast hebben planten o.a. licht nodig voor allerlei scheikundige omzettingen in de plant, voor het bepalen van de groeirichting en om aan de hand van de daglengte te bepalen welk seizoen het is.

Fotosynthese en ademhaling
Fotosynthese kun je het beste begrijpen als je uitgaat van onze ademhaling. Het is namelijk het omgekeerde.
Om in leven te blijven moeten we eten en ademhalen. Een gedeelte van het voedsel (o.a. de suiker) reageert scheikundig met  de ingeademde zuurstof. Hierbij ontstaan energie (arbeidsvermogen en warmte), waterdamp en koolzuurgas. Dit heet langzame verbranding ofwel dissimilatie.

Schematisch kun je dit als volgt aangeven:

suiker  +  zuurstof               energie  +  koolzuurgas  +  water(damp)

Ademhaling kom je bij alle levende wezens tegen. Dus ook bij planten. Het gaat dag en nacht door. Om ervoor te zorgen dat de suiker en de zuurstof niet op raken vindt er in de plant, naast verbranding, fotosynthese plaats. Hierbij worden de koolzuurgas en het water weer samengevoegd tot suiker en zuurstof. De energie die daarvoor nodig is wordt door de zon geleverd. Dit heet fotosynthese.

Schematisch ziet dit er als volgt uit:

koolzuurgas  +  water  +  zonlicht                 suiker  +  zuurstof

Deze fotosynthese vindt plaats in de bladgroenkorrels.

Als planten te weinig licht krijgen zullen ze er snel slechter uit gaan zien. Om licht te zoeken zullen ze gaan rekken en scheef gaan groeien. Ze verliezen hun stevigheid, verkleuren en stoten bladeren af.

Daglengte

Bij veel planten beïnvloedt de daglengte het moment waarop ze gaan bloeien. Dit noemen we fotoperiodiciteit.  (foto is licht  en periodiciteit is periode).
Zo kennen we:
– Korte dagplanten
– Lange dagplanten
– Daglichtneutrale planten.

Korte dagplanten leggen bloemknoppen aan bij lange nachten. Voorbeelden zijn de kerstster en de chrysant.
Lange dagplanten leggen bloemknoppen aan bij korte nachten. Dit geldt bijvoorbeeld voor Pachystachys.Bij daglicht neutrale planten wordt het bloeitijdstip niet bepaald door de daglengte. Hier spelen factoren als temperatuur en droogte vaak een rol bij de bloemaanleg. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Clivia.

1.2 water
Als Iemand advies vraagt over het verzorgen van een plant krijgt hij vaak een antwoordt dat betrekking heeft op water.
Water heeft veel functies. Bijvoorbeeld:
– fotosynthese en andere scheikundige reacties
– opbouw van de plant
– voedseltransport
– koeling
Bij de fotosynthese wordt uit koolzuurgas en water suiker en zuurstof gemaakt. Ook voor ander omzettingen in de plant is water nodig.

Niet alle planten verlangen even veel water.
We onderscheiden:
–     hydrofyten
Deze verlangen veel water bijvoorbeeld Parapluplanten.
–     mesofyten.
Dit zijn de planten waarbij we meestal zeggen dat ze een normale hoeveelheid water nodig hebben.
–     xerofyten. Deze hebben weinig water nodig bijvoorbeeld vetplanten.
De meeste planten zuigen water op uit de bodem. De zuigkracht die daarvoor nodig is wordt veroorzaakt door de verdamping van de bladeren. Door het doorgeven van water van de ene cel naar de andere cel ontstaan er drukverschillen tussen de cellen. Op deze manier wordt het water doorgegeven. Dit heet worteldruk.

Samen met het water zuigt de plant bouwstoffen op. Ook het transport van andere stoffen in de plant gebeurt door water.
Een andere belangrijke functie van water is afkoeling.
Doordat het verdampen van water warmte kost koelt de plant, bij het verdampen van water, af. Je kunt dit vergelijken met transpireren van mensen.
Door het openen en sluiten van de huidmondjes kunnen planten de verdamping regelen. Dit openen en sluiten gebeurt onder invloed van licht, temperatuur en vochtigheid.

Hier volgen een aantal algemene adviezen over de waterbehoefte van een plant:
– Bij een hoge temperatuur en bij droge lucht hebben planten extra veel water nodig
– Bloeiende planten hebben meer water nodig dan dezelfde niet bloeiende planten
– Planten met dunne- en met grote bladeren hebben extra veel water nodig
– Planten met luchtwortels verlangen veel water
– Vetplanten, planten met behaarde bladeren en planten met een vetlaag op de bladeren hebben weinig water nodig
– Houtachtige planten regelmatig dompelen
– Tijdens de rustperiode hebben planten minder water nodig dan tijdens de groeiperiode
–     De verdamping van planten kun je verminderen door de luchtvochtigheid te verhogen.

1.3   voedsel
Een groene plant kan zelf brandstoffen maken. Bouwstoffen moet ze in de meeste gevallen opnemen uit de bodem.
Bouwstoffen kun je beschouwen als bouwstenen. Ze worden opgenomen om er het plantenlichaam mee op te bouwen. Het zijn scheikundige elementen.
We kunnen ze in de volgende 3 groepen verdelen:
–     Hoofdelementen. Deze heeft de plant in grote hoeveelheden nodig. Het zijn Stikstof (N), Fosfor (P) en Kalium (K)
–     Spoor-elementen Deze heeft de plant in kleine hoeveelheden nodig.  Ze zijn echter onmisbaar en worden daarom wel vergeleken met vitaminen. De belangrijkste zijn Magnesium (Mg), IJzer (Fe), Mangaan (Mn), Borium (B), Zink (Zn), Mangaan (Mn), Kalk (Ca) en Koper (Cu)
–     Nevenelementen. Dit zijn de elementen die eventueel gemist kunnen worden. Ze worden wel opgenomen. Voorbeelden zijn Natrium (Na), Chloor (Cl) en Silicium (Si).

In het volgende schema kun je zien waarvoor de plant de diverse hoofdelementen gebruikt:

Element gebruik
Stikstof

Fosfor

Kalium

eiwitvorming en groei

wortelontwikkeling

stevigheid

Magnesium en ijzer zijn vooral nodig voor de vorming van bladgroen. Bij gebrek aan deze elementen kan bladverkleuring ontstaan.
Kamerplanten staan in het algemeen in een klein potje of plantenbak. De hoeveelheid voedsel waarover ze kunnen beschikken is daardoor beperkt. Om deze reden moeten we regelmatig bijmesten. Bij kamerplanten gebruiken we daarvoor voedingszouten (kunstmest).
Plantenvoedsel bevat altijd hoofdelementen. Daarnaast zijn er vaak sporenelementen aan toegevoegd. Het meest bekend is PoKoN. De drie hoofdletters duiden op de 3 hoofdelementen.
In het algemeen kun je stellen dat planten in het groeiseizoen om de week of om de 2 weken bijgemest moeten worden. In de rustperiode hoef je in het algemeen geen plantenvoeding toe te dienen.
Als je de percentages van de voedingsstoffen, die in kunstmest zitten, optelt kom je niet aan 100%. Dit komt doordat er vulstoffen inzitten. Deze stoffen worden ook wel ballaststoffen of ballastzouten genoemd. Als je vaak bijmest kunnen deze stoffen zich in de bodem ophopen. Vaak kun je dat zien aan de witte uitslag op potten en potgrond. De zoutcontratie druk je uit in EC-waarde (micro Siemens). Naar mate de grond zouter wordt krijgen planten steeds meer moeite met water opnemen. Het overtollige zout kun je uitspoelen door de planten regelmatig te dompelen. Vaak is deze zoutophoping een van de redenen om planten te verpotten.

1.4   temperatuur
De temperatuur is een milieufactor die erg bepalend is voor de plantengroei in een bepaalde streek. Uit ervaring weten we dat een aantal kamerplanten in ons klimaat winter en zomer buiten kunnen blijven staan. Dit geldt bijvoorbeeld voor klimop. Andere planten zoals kerststerren zullen beneden 15 graden afsterven. Omdat kamerplanten uit diverse streken komen is het van belang om te weten welke temperatuur erbij hoort.

Bij elke plant onderscheiden we:
–     een minimum temperaturen.
Dit is de laagste temperaturen die de betreffende plant verdraagt.
–     een optimum temperaturen.
Dit zijn de ideale temperatuur voor de betreffende plant.
–     een maximum temperaturen.
Dat is de hoogste temperaturen die de betreffende plant verdraagt.
In veel gevallen is het onmogelijk om de omgevingstemperatuur aan te passen aan de wensen van de plant. Hierdoor zie je planten vaak achteruit gaan zonder dat je er iets aan kunt doen. Ook komt het voor dat je kamerplanten niet in bloei kunt krijgen doordat de kamertemperatuur te hoog of te laag is.
Bij een hoger temperatuur daalt de relatieve luchtvochtigheid. Hierdoor neemt de verdamping van de plant toe

1.5   bodem
Planten eten geen grond. Ze hebben de bodem nodig voor:
–     verankering
–     het leveren van water, zuurstof en voedsel
Ook voor de bodem geldt dat elke plant zijn eigen eisen stelt. Deze eisen hebben met name betrekking op structuur, vochthoudend vermogen, voedingstoestand, organisch stof gehalte en zuurgraad.

Omdat de diverse planten verschillende eisen stellen worden er grondmengsels samengesteld. Deze noemt men potgronden.
Men onderscheidt:
– universele potgrond
– speciale potgronden
Universele potgronden hebben een “gemiddelde” samenstelling. Voor de meeste planten zijn ze bruikbaar. Het zijn mengsels van veenproducten, zand en meststoffen. Speciale potgronden worden gemaakt door de samenstelling aan te passen aan de behoefte van de plant.
Voorbeelden zijn:
– Azaleagrond. Deze bevat extra klei en heeft een lage zuurgraad
– Varengrond. Hieraan is extra organisch materiaal aan toegevoegd
– Cactusgrond. Deze bevat extra zand
– Bromeliagrond. Hieraan is extra veel turf toegevoegd
– Zaaigrond. Hierin zitten weinig voedingsstoffen.
Elk merk kent zijn eigen producten. Vaak kom je op verpakkingen de letters RHP tegen. Deze staan voor Regeling Handelspotgronden Proefstations.  Bedrijven die deze potgronden samenstellen worden geadviseerd door proefstations.  De kwaliteit en samenstelling wordt regelmatig gecontroleerd. Je kunt dit keurmerk beschouwen als een soort garantiebewijs.

Grond is altijd een beetje zuur. Voor de pH betekent dit dat deze tussen de 5,5 en de 6 ligt.  Heide achtige planten houden van een wat lagere pH.

2     Vermeerdering
Het vermeerderen van kamerplanten gebeurt voornamelijk kunstmatig. Omdat het nogal eens voorkomt dat klanten ernaar vragen zullen we de belangrijkste manieren behandelen.

Als we planten vermeerderen door zaad noemen we dat geslachtelijk (generatief).
Als we bij de vermeerdering uitgaan van een stukje plant noemen we dat ongeslachtelijk (vegetatief)  Er zijn vele manieren van ongeslachtelijke vermeerdering. Voorbeelden van ongeslachtelijke vermeerdering bij kamerplanten zijn stekken, scheuren, uitlopers, broedplantjes en sporen.

2.1   zaaien
Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt in de bloem. Het komt bijna nooit voor dat kamerplanten in de huiskamer zaden vormen. Van een aantal kamerplanten zijn, in de particuliere handel, zaden te koop.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

2.2   stekken
Bij het stekken van planten gebruik je een stukje van een plant om een nieuwe plant te krijgen. gestekte plantendelen kunnen alleen uitlopen als er knoppen opzitten. Normaal geldt dat voor de stengel. Er zijn echter ook planten waarbij andere organen knoppen bevatten. In die gevallen kun je voor de vermeerdering ook andere plantendelen gebruiken. Omdat je uitgaat van 1 moederplant is het een vorm van ongeslachtelijke vermeerdering.

In de meeste gevallen gebruik je bij het stekken een stukje stengel met een of meerdere blaadjes. We maken dan onderscheid in kopstek en tussenstek. Ook komt het voor dat men enkel een stukje stengel gebruikt. Je spreekt dan over stengelstek.
Bij sommige plantensoorten maakt men gebruik van andere organen. We hebben dan te maken met bladstek en wortelstek.

kop- en tussenstek
Men spreekt over kopstek wanneer je voor de vermeerdering een stukje stengel met bladeren en een eindknop gebruikt. De onderste bladeren worden verwijderd. Bij tussenstekken heb je geen eindknoppen. Als een tussenstek slechts een knop, en dus ook een knoop, bevat spreek je over oogstek. Oog is een ander woord voor knop. In het laatste geval kun je geen blad verwijderen. Kop- en tussenstekken kom je bijvoorbeeld tegen bij Fuchsia en Pelargonium.

Stekken worden recht afgesneden zodat de wond zo klein mogelijk is. Na het snijden worden zo snel mogelijk weggestoken in stekgrond. Dit kan in bloempotjes  of in bakjes. De stekken komen tot het onderste blaadje in de grond  Ze worden goed aangedrukt. Vetplanten laat men na het snijden eerst drogen. Om het bewortelen te versnellen kun je gebruik maken van stekpoeder. Om het uitdogen te voorkomen worden stekken in veel gevallen onder plastic folie geplaatst.

Bladstek

Als bladeren knoppen bevatten kun je deze in veel gevallen stekken. Dit geldt bijvoorbeeld voor Saintpaulia, Peperomia, Begonia, Sansevieria en veel cactussen.

Als bladeren niet te groot zijn en ze hebben een duidelijke bladsteel dan wordt de bladsteel tot aan de bladschijf in de stekgrond gestoken. De jonge plantjes ontstaan dan bij de bladsteel. Bij sommige planten gebruikt men stukjes blad om te steken. Dit geldt bijvoorbeeld voor bladbegonia en Sansevieria.

2.3   scheuren
Scheuren of delen is een methode die je kunt toepassen bij planten die met meerdere stengels uit de grond komen. De plant wordt dan in twee of meerdere stukken opgedeeld. Ook planten die uit zichzelf jonge planten naast de oude plant vormen worden gescheurd bijvoorbeeld Clivia en diverse bromelia’s.

Bij harde wortels moet je vaak gebruik maken van een mesje. Als je de stukken apart oppot heb je meerder planten gekregen. Deze methode kun je bijvoorbeeld toepassen bij Asparagus en Sansevieria. Het duurt erg lang voordat je op deze wijze veel nakomelingen hebt.

 

 

 

2.4   uitlopers en broedplantjes

Bepaalde planten vormen zelf nieuwe planten. Deze hangen dan aan de moederplant zoals bij de Chlorophytum en de Saxifraga. Dit heet uitlopers.

Bij andere planten zitten de jonge plantjes  op andere organen als bladeren. Dit komt bijvoorbeeld voor bij Tolmia en Kalanchoe. en heet broedplantjes. Uitlopers en broedplantjes kun je rechtstreeks oppotten.

sporen
Een belangrijke groep kamerplanten, de varens, vormt sporen. Het zijn stoffijne deeltjes die zich vaak in hoopjes onder het blad bevinden. Bladeren met rijpe sporen kun je verzamelen, in papier gedraaid drogen, fijn wrijven en daarna als zaad uitstrooien.

 

3     Oppotten en verpotten
Als je een pas vermeerderde plant voor de eerste keer in een bloempot zet heet dit oppotten. Verplaats je de plant van de ene pot in de andere dan heet dit verpotten of overpotten.  In de plaats van een pot kun je natuurlijk ook een andere container gebruiken.
Oppotten is noodzakelijk om een plant bruikbaar te maken voor gebruik in huis.
Redenen om te verpotten zijn:
– plant is te groot geworden
– potgrond is verzilt, verzuurd en uitgeput
– potgrond neemt geen water meer op (is irreversibel geworden door uitdroging)

We kunnen kiezen tussen kunststof bloempotten of aardewerk potten. De potmaat wordt uitgedrukt in cm en heeft betrekking om de grootste doorsnede. Bij kunststof potten staat de maat afgedrukt op de onderkant van de bloempot.

Bij het verpotten kiezen we meestal een pot die 2 maten groter is dan de oorspronkelijke pot. Het is van belang om voor het verpotten de oude wortelkluit goed schoon te maken. Oude potgrond moet zoveel mogelijk verwijderd worden. Ook moet je de overbodige wortels weghalen. Als de plant slecht uit de oude pot gaat werkt het vaak om de plant op zijn kop te houden en met de potrand op de tafelrand te tikken.

Men kiest een potgrond die past bij de plant. Als er geen speciale grond beschikbaar is kies je voor universele potgrond.

De werkwijze bij het oppotten en verpotten is afhankelijk van de grootte van de wortelkluit. Hierachter zijn 3 manieren getekend.

Als de plant in de pot staat moet je de nieuwe potgrond goed tegen de oude kluit drukken. Er moet een gietrand overblijven.

==========================================

Deel 1 De Verdieping

Inleiding
Planten horen buiten; niet in huis.
Toen onze voorouders nog in en van de natuur leefden kwam niemand op het idee om planten in huis te halen. Het naar binnen halen van planten is pas ontstaan toen de mensen van de natuur vervreemden.
Op dit moment heeft bijna iedereen wel enkele kamerplanten.
Planten die in het algemeen uit een totaal andere streek komen. Vaak hebben kwekers eraan gesleuteld om ze aan te passen aan de, voor de plant, slechte omstandigheden in huis. Ondanks deze aandacht en zorg blijven het zorgenkindjes.

We gaan dieper in op:
– Groeifactoren
– Problemen die in huis ontstaan
– Relatie tussen bouw en verzorgingseisen

1     Groeifactoren
In dit eerste hoofdstuk gaan we kijken naar de groeifactoren van een plant.
Om te kunnen groeien hebben planten licht, water, voedsel, warmte en een bodem nodig. De groeifactoren samen vormen het leefmilieu.

1.1   Licht
Planten gebruiken licht voor de fotosynthese. De daarbij gemaakte suiker kan verbranden en zorgt voor de energievoorziening. Planten die van nature op lichtarme plaatsen groeien verdragen in het algemeen weinig licht. Planten die van nature op lichtrijke plaatsen groeien verlangen d.e.t. veel licht.
In onze streken komt de zon in het oosten op en verplaatst deze zich via het zuiden naar het westen. Dit betekent dat planten op het noorden weinig licht, op het oosten en westen matig licht en op het zuiden veel licht krijgen.
Er zijn weinig planten die direct zonlicht verdragen.

1.2   Water
Water bevindt zich in de bodem en in de lucht.
Bodemwater is nodig voor de opbouw van de plant, voor het oplossen van voedsel, voor de fotosynthese en de verdamping. Verdamping is nodig om opgelost voedsel op te zuigen en om af te koelen.
De waterhoeveelheid in de lucht bepaalt de luchtvochtigheid en daarmee de mate van verdamping.

1.3   Voedsel
Voedsel is nodig voor het opbouwen van het plantenlichaam. Voedingsstoffen bevinden zich in de bodem en worden, opgelost in het bodemwater, met de wortels op gezogen.
Planten die hard groeien zullen meer voedsel nodig hebben dan langzaamgroeiende planten.

1.4   Temperatuur
Temperatuur bepaalt de activiteit van een plant. Als de temperatuur hoog is gaan alle levensverrichtingen sneller. Daarnaast neemt de verdamping toe als het warmer wordt.

1.5   Bodem
Planten eten geen grond. Dit wil zeggen dat ze de grond alleen nodig hebben om zich te verankeren en om water, voedsel en lucht vast te houden. Bij watercultures wordt grond vaak vervangen door kleikorrels.

Omdat kamerplanten over weinig grond en wortels beschikken stellen ze hoge eisen aan de bodemstructuur en samenstelling. Door de grote herkomstverschillen bestaan er, vooral op dit punt, grote verschillen in de eisen die de plantensoorten stellen.

2     Problemen in huis
Als planten in huis staan proberen we de natuurlijke omstandigheden van de plant zo goed mogelijk na te bootsen.
Dit doen we door;
– planten te kiezen die het milieu in huis verdragen
– planten zo goed mogelijk te verzorgen.
In het algemeen kunnen we de problemen die planten in huis tegenkomen als volgt samenvatten;

2.1   Het wortelvolume is te klein
Hierdoor kunnen de wortels de verdamping door de bladeren niet bijhouden en heeft de plant problemen met het opnemen van voedsel en water.

2.2   De lucht is te droog
De verdamping is daardoor groter dan op de natuurlijke groeiplaats.

2.3   De lichthoeveelheid is te klein
De plant krijgt daardoor problemen met de energievoorziening.

2.4   Te veel zon
Bladeren die daar niet tegen kunnen zullen verbranden.

2.5   Slechte bodem
De kleine bodemmassa waarover de plant beschikt gaat snel in kwaliteit achteruit. Door zuurstofgebrek en verzilting kunnen de wortels hun werk niet goed doen. Hierdoor ontstaat o.a. voedselgebrek.

2.6   De temperatuur is niet optimaal
Elke plant kent een optimum temperatuur waarbij ze het beste groeit. Daarnaast geldt voor veel planten dat ze een groei- en een rustperiode kennen waarin ze verschillende eisen stellen aan de temperatuur. In de huiskamer kunnen we de temperatuur niet aanpassen aan de planten.

Als het leefmilieu niet goed is zal de plant slecht groeien, verkleuren, ziek worden en sterven.

3     Relatie tussen bouw en verzorgingseisen
In de praktijk wordt je vaak geconfronteerd met de verzorgingseisen van planten. Bijvoorbeeld;

  1. Een plant vertoont groeistoornissen.
  2. Je hebt een of meerdere planten nodig voor een bepaalde standplaats in huis.
  3. Van een plant moet je weten waar je hem kunt plaatsen en hoe je hem moet verzorgen.

In de biologie geldt;  “Alles is overal: de natuur selecteert.”

Dit wil zeggen dat planten en dieren zich alleen kunnen handhaven als ze aangepast zijn aan de heersende milieuomstandigheden. Aan het uiterlijk van cultuurplanten kun je deze aanpassingen vaak zien. Op deze wijze geeft de plant informatie over zijn herkomst en natuurlijke groeiplaats.
Het verzorgen van planten kun je beschouwen als het zo goed mogelijk nabootsen van de natuurlijke omstandigheden.
In plantenboeken en folders staat bij elke kamerplant informatie over de natuurlijke groeiplaats (streek en standplaats).
Daarnaast geeft men meestal informatie over water, licht, zon, temperatuur, gevoeligheid voor ziektes, rustperiodes en bodemgesteldheid.
Bij het voorbereiden  van een interieurbeplanting zoek je planten bij elkaar die in de gegeven omstandigheden het beste voldoen.
Met behulp van boeken en schema’s kun je dan tot een beplantingsplan komen. Dit naslaan van boeken is erg tijdrovend en onpraktisch. Het gebeurt dan ook alleen maar in twijfelgevallen. In de praktijk oriënteert men zich op de omstandigheden en zoekt men zonder naslagwerk de planten bij elkaar.
We gaan nu, aan de hand van een aantal uiterlijke kenmerken van planten, verklaringen zoeken voor de verzorgingseisen. Op deze manier voorkom je het vaak moeten naslaan van boeken of het van buiten leren van allerlei verzorgingsregels per plant.

Het volgende schema geeft een beknopt overzicht van een aantal uiterlijke kenmerken van planten en de betekenis daarvan voor de verzorging.

KENMERK

 

 FUNCTIES EN GEVOLG(EN)  BETEKENIS VOOR DE VERZORGING
 

blad bedekt met glanzende waslaag

 kleine verdamping  weinig water nodig

verdraagt een lage luchtvochtigheid

verdraagt zonlicht

 

behaard blad

waterdamp blijft tussen de haartjes hangen waardoor de plant weinig verdampt  weinig water nodig

niet sproeien of afsponsen

verdraagt zonlicht en een lage luchtvochtigheid

 

vlezige stengels en bladeren

 plant bezit een grote watervoorraad

kleine verdamping

 niet vaak watergeven verdraagt zonlicht

verdraagt een lage luchtvochtigheid

 

bladeren zijn veranderd in stekels

door de beperkte oppervlakte zijn er weinig huidmondjes en zal de plant weinig verdampen  weinig water nodig

plant verdraagt zon

verdraagt een lage luchtvochtigheid

 

dun blad

 grote verdamping  veel water nodig

verdraagt weinig zon

 

bont blad

 weinig bladgroen voor de fotosynthese  meer licht nodig dan groene soortgenoten
 

bloeiende plant

plant steekt veel energie in de

voortplanting

  veel licht, water en voedsel nodig
 

grote bladeren

veel verdamping  veel water nodig
 

plant met

luchtwortels

plant groeit van nature in het moeras. Wortels krijgen zuurstof via luchtwortels.  veel water nodig
 

plant staat in stenen bloempot

poreuze pot verdampt water  plant heeft meer water nodig dan

dezelfde plant in kunststof pot

 

bladeren vormen een trechter

water loopt van nature naar het hart van de plant en komt niet op de bodem  in de koker gieten

wortelkluit drooghouden

 

plant heeft een knol

Na het afsterven van het bovengrondse gedeelte kan de knol overwinteren  niet op de knol gieten

knol in droog medium overhouden en vervolgens   opnieuw oppotten

 

houtachtige plant

heeft van nature een groter wortelstelsel dan in de pot  af en toe in water dopen en potkluit wekelijks dompelen

 

Zintuigen

Voorbeeldproefjes en opdrachten

Er worden een aantal genummerde opstellingen gemaakt.
De kinderen lopen hier, zo mogelijk met begeleider, langs en voeren de opdrachten uit.

suggestie:
Voeg aan elke opstelling een opdracht toe.
Laat de antwoorden invullen op een verzamelformulier met puntentelling.
Na de laatste opdracht vult de begeleider, met behulp van een antwoordmodel, de scores in.
Gebruik de scores om iets extra’s te doen.

1 Wat voel je?
Werkwijze:
– Voorzie de deelnemer van een blinddoek;
– Desoriënteer hem;
– Breng hem naar een boom en laat hem eraan voelen;
– Desoriënteer hem opnieuw;
– Laat aanwijzen aan welke boom hij heeft gevoeld.
Benodigdheden:
– blinddoek;
– bomen met duidelijke schors;
– nummers om aan de bomen te hangen met info op de achterkant (voor de
begeleiders)

Andere suggesties bij voelen:
warm, koud en lauw water.
voeldozen

2 Wat zie je?
Benodigdheden:
– microscoop met mensenhaar;
– binoculair met beestjes en planten;
– loeppotjes met beestjes en planten;
– raadfoto’s zoals eenvoudige afbeeldingen van dieren voor kleine kinderen, objecten
macro-opnames, detailfoto’s en gezichtsbedrog bijv. met lijnen
Antwoorden op de achterkant vermelden

Andere suggesties bij kijken:
spiegel, lepel, verrekijker, telescoop, kijkbuis

3 Wat ruik je?
Benodigdheden:
– geurdoosjes met bekende geuren:
vies, lekker, sterk enz. bijvoorbeeld azijn, kamille, citroen, sinaasappel, knoflook,
ui, deodorant.
antwoord onder op de potjes schrijven  

4 Wat proef je?
Benodigdheden:
– diverse heldere vloeistoffen in ondoorzichtige, afgedekte bekertjes met een rietje:
zout, zoet, bitter, zuur;
– neusklem;
– blinddoek.

5 Wat hoor je?
– Vraag om stilte;
– Laat het kind een natuurgeluid noemen dat hij hoort.

aalschover

6 Wat is dit?
Toon een aantal detailfoto’s en laat raden wat dit is.

 

 

 

7 Gezichtbedrog

Maak het verschil tussen kijken en zien duidelijk met een aantal voorbeelden van gezichtsbedrog. Deze zijn op internet te vinden.

 

 

 


Andere suggesties bij horen:
– laat een natuurgeluid geluidsopname horen via een koptelefoon en vraag om herkenning.
– Laat een boodschap aan elkaar doorgeven.
Vergelijk het eindresultaat met boodschap.

 

Suggestie ter afsluiting
6 opdracht over zintuigen

De deelnemers krijgen 10 bordjes die ze bij de bijbehorende opstellingen moeten leggen: 2 bordjes per opstelling

A kijken
B ruiken
C proeven
D Voelen
E  Luisteren

F ogen
G neus
H tong
I huid
J oren

 

 

 

 

Hydrocultuur en andere watersystemen

Inhoud
Inleiding
1 Hydrocultuur
1.1 Voordelen
1.2 Benodigdheden
1.2.1 De buitenpot
1.2.2 De binnenpot
1.2.3 De watermeter
1.2.4 De kleikorrels
1.2.5 De voedingsstof
1.2.6 Vulbuis
1.3 Verzorging
1.3.1 Water geven
1.3.2 Voeding
1.3.3 Doorspoelen
1.3.4 Verpotten
1.3.5 Snoeien
1.4 Vermenigvuldiging
1.4.1 Stekken op water
1.4.2 Uitwassen
1.5 Welke Planten
2 Semi-hydrocultuur
2.1  Het principe
2.2  Verzorgen
2.4 Voor- en nadelen
3 Seramis
3.1 Benodigheden
3.1.1 Kleikorrels
3.1.2 Sierpot
3.1.3 Vochtigheidsmeter
3.1.4 Plantenvoeding
3.2 Voordelen
3.3  Werkwijze

Inleiding

Planten hebben om te groeien geen grond nodig. De bodem dient enkel om de plant te verankeren en voor het vasthouden van voedsel, lucht en water. Omdat grond een aantal nadelen heeft is men op zoek gegaan naar vervangers om de grond geheel of gedeelte  te vervangen. Uit deze zoektocht zijn hydrocultuur, semi-hydrocultuur en seramis-cultuur ontstaan.

1          Hydrocultuur
Hydrocultuur is de techniek die gebruikt wordt om planten te laten groeien op met voedingsstof verrijkt water. Er wordt geen gebruik gemaakt van potgrond. In plaats daarvan gebruikt men kleikorrels. Hydrocultuur wordt in Nederland voornamelijk toegepast in grote kantoren, vanwege het weinige onderhoud, droge airco lucht en het vaak weinig aanwezige licht. Maar hydrocultuur leent ook zich uitstekend voor kamerplanten.

 

 

 

 

 

 

Doorsnede van een bak met hydrocultuur.Bij een plant kunnen de korrels om de kweekpot achterwegen gelaten worden. De watermeter kan zich in de kweekpot bevinden. Vaak is de watermeter een combinatie van vulbuis en watermeter.

1.1      Voordelen
Voordelen van hydrocultuur ten opzichte van gewone potcultuur zijn:
– De watermeter geeft exact aan wanneer U water moet geven. U geeft nooit te veel en nooit te weinig water.
– Het gebruik van gebakken kleikorrels sluit de kans op schimmels, meeldauw of andere bedreigende plantenziekten uit.            Gebakken kleikorrels zijn een steriel medium waarop zich vrijwel geen ziekten en schimmels kunnen ontwikkelen.
– De poreuze korrels zorgen voor een goede verspreiding van het vocht en een constante vochtigheid van het medium.
– Verschillende planten kunnen in een plantenbak gezet worden.
In normale aarde zouden verschillende planten verschillende verzorgingsbehoeften hebben.
Echter in hydrocultuur neemt iedere plant zelf zoveel water en voeding op als hij zelf nodig heeft.
– Constante luchtvochtigheid. Er zal meer water verdampen naarmate de lucht droger is.
– Weinig onderhoud en betere groei
– Mogelijkheid voor bedrijven om een onderhoudsabonnement af te sluiten.

1.2      Benodigdheden
Uitgaande van een plant in een sierpot heeft u, behalve de plant zelf, nodig:
– een buitenpot
– een binnenpot
– een watermeter
– gebakken kleikorrels
– voedingsstof

Voor een plantenbak komt daar nog een vulbuis bij. Meestal is dit een eenheid met de watermeter. De sierpot wordt in dat geval natuurlijk vervangen door een plantenbak.

 

 

 


1.2.1   De buitenpot

In principe is elke pot of bak geschikt mits deze waterdicht is. Dit betekent dat aardewerk potten niet altijd bruikbaar zijn. Vaak gebruikt men kunststof. De buitenpot wordt vaak gekozen op zijn sierwaarde.

 


1.2.2   De binnenpot
De binnenpot is meestal een dunne plastic kweekpot met een voorziening voor een watermetertje. In deze binnenpot bevinden zich de gebakken kleikorrels, waarin de plant wortelt. De poreuze korrels helpen het vocht gelijkmatig te verspreiden. Aan de bovenrand van de plastic binnenpot is vaak een openingetje waarin van onderuit een watermeter kan worden gestoken.

1.2.3   De watermeter
Om te kijken hoeveel water er zich in de pot bevindt, maakt u gebruik van de watermeter. Als er geen water op de bodem van de pot staat, staat de bovenkant van het rode peilstokje op <Min>. Naarmate er zich meer water in de buitenpot bevindt, des te hoger zal het rode peilstokje zich bevinden. Het maximaal toegestane niveau wordt aangegeven door het streepje <Max>. Het streepje <Opt> geeft het optimale waterniveau aan. Vul bij het watergeven bij tot dit niveau. Incidenteel, bijvoorbeeld als u 2 weken op vakantie gaat, kunt u water bijvullen tot het rode peilstokje het <Max> niveau bereikt heeft. Belangrijk: Laat altijd het waterniveau altijd tot onder het <Min> niveau zakken voordat u water bijvult. Kantel desnoods voor de zekerheid de pot op z’n kant om te kijken of de watermeter nog omhoogkomt.

1.2.4   De kleikorrels

De korreltjes die bij hydrocultuur gebruikt worden om de plant te laten wortelen zijn doorgaans ronde,  poreuze gebakken kleikorrels met een diameter variërend van 3 -6 mm. Deze  baksteenrood gekleurde klei korreltjes zijn poreus van structuur en kunnen dus goed water  vasthouden. Ze verspreiden ook het water van de bodem gelijkmatig over de gehele pot. Gewoon of wit grind is ongeschikt om als hydrocultuur korrels te gebruiken vanwege het feit dat het grind kalk loslaat en grind niet poreus is. Een te hoog kalk gehalte hard water kan zelfs een bedreiging vormen zijn voor de gezondheid van de plant.
De rode kleikorrels zijn volledig recyclebaar. Met andere woorden ze gaan eeuwig mee. Wanneer u kleikorrels wilt hergebruiken voor een volgende hydrocultuur plant, dient u ze eerst goed te spoelen en daarna te desinfecteren in een hete lucht oven of anders een koekenpan
1.2.5   De voedingsstof
De meest voorkomende vorm van hydrocultuur voedingsstof wordt in kleine potjes met een maatbekertje van 25 mI (grootte van een medicijn potje) verkocht en heeft het aanzien van kleine goud-gekleurde pareltjes. Daarnaast wordt vaak voeding in vloeibare vorm gebruikt. De vaste voedingsstof wordt om de 3 a 4 maanden gedoseerd toegediend op de bodem van de buitenpot of bovenop de kleikorrels. De plant draagt dan zelf zorg voor de juiste hoeveelheid voedingsstoffen die hij nodig heeft. Deze pareltjes hebben een dun schilletje met daar binnenin de voedingstoffen voor de plant. Naarmate de plant behoefte heeft aan voeding, scheidt de plant een zuur uit, die het omhulsel van het pareltje doet oplossen. Zo komen er voedingstoffen in het water terecht, zodat die door de plant kunnen worden opgenomen. In tegenstelling tot voeding in vaste vorm”, wordt voeding in vloeibare vorm bij iedere gietbeurt toegediend. Voor wat betreft de samenstelling van de vloeibare voeding is er geen verschil met de voeding in vaste vorm. De voedingsstof bevat onder andere Stikstof (N, 15%), Fosfaat (P205, 6%), Kaliumoxide (K20, 13%) en sporenelementen. Zonder de benodigde voedingsstoffen zal een hydrocultuur plant niet meteen doodgaan, maar slechts stoppen met groeien. Water is echter wel degelijk van levensbelang.  De Voeding is onbeperkt houdbaar, maar zullen in de loop van tijd iets in volume afnemen door vocht dat langzaam verdampt. Hierbij gaat echter niets van de voedzame werking van de voedingsstof verloren. Er is ook hydrocultuur voeding te koo in de vorm” van tabletten, gevuld met pareltjes. Deze gevulde tabletten bevatten dezelfde stoffen als de losse voeding, maar kan alleen onderin de pot worden geplaatst.

1.2.6   Vulbuis

Voor plantenbakken gebruikt men eveneens in hydrokorrels opgepotte planten. Ook de bak wordt opgevuld met korrels. Voor het bijvullen van water plaats men op de bodem van de bak een vulbuis. In de meeste gevallen bevindt zich daarin ook de watermeter.

1.3      Verzorging
Belangrijk zijn water geven, voeding, doorspoelen, verpotten.

1.3.1   Water geven
Normaal gesproken vult U het water aan totdat de bovenkant van het rode peilstokje van de watermeter <Opt> of <Max> aangeeft. Belangrijk: Vul pas water bij als het water niveau is gedaald tot het <Min> niveau. Bedrijven beschikken over een pompje om het resterende water te verwijderen. De bedoeling is dat er zich geen laagje water meer in de pot of bak bevindt. Als de pot naar voren wordt gekanteld en het watermetertje stijgt, dan is er nog water in de pot aanwezig en moet worden gewacht met water geven totdat het water volledig is verbruikt. Op deze manier voorkomt U dat oud water voor een lange periode in de pot blijft staan en oud wordt. Voor het water geven gebruikt U uitsluitend gekookt water van kamertemperatuur (zeker geen koud water uit de kraan).

1.3.2   Voeding


Hydrocultuur voeding in de vorm van de bruine pareltjes wordt om de 3 á 4 maanden gedoseerd toegediend. Om de groei te remmen kiest men er wel voor om dit om de 6 maanden te doen. Bij plantenbakken kunnen de pareltjes, via de vulbuis, direct op de bodem van de bak (in het water) worden toegediend. Bij potten strooit men de pareltjes op de kleikorrels, waarna men die met water begiet. De voedingsstof lost niet op in water, maar zakt naar de bodem van de buitenpot. De meeste voeding wordt verkocht in potjes met een maatbekertje en een duidelijke instructie. Gebruik voor planten onder de 50cm elke 3 a 4 maanden een hoeveelheid van 25 ml per plant. Grotere planten krijgen elke keer een dosis van 50 ml voedingsstof. In het geval van vloeibare voeding wordt hanteert men de dosis die op de verpakking staat aangegeven.

1.3.3   Doorspoelen
In principe hoeft U nooit het water te verversen. U laat immers steeds al het aanwezig water verdampen voordat U water bijvult. U ververst dus het water elke keer U als water bijvult. Pas bij verschijnselen van luis is het aan te raden om de binnenpot onder een lauwwarme kraan goed door te spoelen. Dan wordt bovendien al het kleibezinksel en uitgewerkte voedingsstof resten worden dan uit de korrels en van de wortels gespoeld. Het is daarvoor niet nodig om de plant uit de binnenpot te halen. Maak ook de buitenpot met zeep goed schoon en vergeet geen nieuwe voedingsstof toe te dienen. Vul tenslotte het water aan tot net onder het <Opt> niveau.

1.3.4   Verpotten
Een hydrocultuur plant moet, net als een plant in aarde, periodiek verpot worden. Doe dit pas als er veel wortels onderuit de binnen pot beginnen te groeien. Meestal zal dit na ongeveer twee groei seizoenen zijn. Vaak wordt daarbij de binnen pot niet verwijderd, maar in zijn geheel in een nieuwe, grotere binnenpot geplaatst. In een ideale situatie zit er enkele millimeters ruimte tussen de onderkant van de binnenpot en de bodem van de buitenpot. Zo kunnen de wortels naar buiten groeien als de plant aan verpotting toe is. Leg dus een dun laagje kleikorrels op de bodem van de buitenpot, om dit mogelijk te maken.

1.3.5   Snoeien
Hydroplanten groeien erg snel. Om de vorm te behouden moet men regelmatig snoeien. In onderhoudscontracten is dit snoeien opgenomen. Door het beperken van de bemesting kan de groei geremd worden.

1.4      Vermenigvuldiging
Hydroplanten hebben waterwortels. Deze zijn dunner dan grondwortels. Er zijn 2 manieren om hydroplanten te krijgen: stekken op water en uitspoelen.

1.4.1   Stekken op water
Dit gebeurt meestal door particulieren. Stekken worden in een flesje water aan de wortel gebracht. Als de stekken geworteld zijn worden ze opgepot naar hydrocultuur.  Vul eerst 1/3 van de binnenpot (meestal 3 of 4 cm) met kleikorrels en zet daarop de gewortelde stek. Vul daarna aan met kleikorrels tot aan de rand van de binnenpot.

1.4.2   Uitwassen

Deze methode geeft de mogelijkheid om met grote planten te starten en wordt daarom toegepast bij bedrijfsmatig kweken. Maak de plant een dag van te voren goed nat om de structuur van de aarden kluit los te maken en de plant een goede start te geven. Verwijder voorzichtig ALLE(!) aarde van de kluit (overgebleven aarden resten trekken gaan schimmelen). Dit gaat het makkelijkst onder een stromende kraan met lauw warm water. Gespoelde kluiten die niet volledig schoon te maken zijn, kunnen een dag langer in water los worden geweekt. Vul de binnenpot voor een derde met kleikorrels, zet de gespoelde plant in de pot en vul verder aan met kleikorrels. Bij het overzetten de voet van de plant weer even hoog in de korrels zetten als hij zich in de aarde bevond. Zet de pot op water zonder voedsel. Om de verdamping te verminderen gebruikt men waternevel of folie. Voeg pas voeding toe als de plant de schok van de overzetting naar hydrocultuur achter de rug heeft. Dit duurt zo’n vier tot zes weken. Daarna Zal de plant het groeiproces weer hervatten.

1.5      Welke Planten
Er is een zeer grote verscheidenheid aan planten die op hydrocultuur kunnen groeien, maar vooral de Ficus benjamina, Yucca, Dracaena, Philondendron en Spathiphyllum staan bekend als planten die floreren op hydrocultuur. Een vuistregel is dat als stekjes van een plant wortelschieten in een glaasje water, de plant als hydrocultuur plant kan worden gehouden.

2          Semi-hydrocultuur

Inleiding
Voor het opzetten en onderhouden van hydrocultuur is vakkennis nodig. Mede hierdoor zijn hydroplanten aanmerkelijk duurder dan grond-planten. Bij semi-hydrocultuur maakt men gebruik van normale grondplanten, potgrond en hydrokorrels.

2.1      Het principe
Bij semi-hydrocultuur ofwel combinatiecultuur, komen de planten normaal in de grond te staan. Het principe bij deze methode is dat er, onder in de plantenbak,  hydrokorrels met een waterreserve aanwezig zijn. Een mat scheidt de grond en de korrels van elkaar. De planten kunnen met hun wortels doorgroeien tot in het waterreservoir zelf. Voor deze combinatiecultuur moet de bak ook voorzien zijn, of voorzien worden van een watermeter, welke het waterniveau aangeeft.

2.2         Verzorgen
De algemene verzorging als standplaats, licht, temperatuur e.d. hangt ook hier weer samen met de natuurlijke herkomst van de plant. Wat het water geven betreft is dit gelijk aan hydrocultuur, alleen dient men wanneer het reservoir leeg is, ongeveer een week te wachten met het bijvullen. In deze “rustweek” kan de bodem weer voldoende zuurstof tot zich nemen. Daarna het reservoir weer volledig vullen. Ook geven we de voeding soms bovenop de grond, opgelost in water. Als de voeding via het waterreservoir wordt gegeven, dan moeten we hydrocultuurvoeding gebruiken.

2.3      Voordelen
Semi-hydrocultuur heeft t.o.v. hydrocultuur en grondcultuur de volgende voordelen:
a) minder grondgebruik en daardoor minder snel verzilting dan bij grondteelt;
b) teveel water geven is uitgesloten
c) weinig onderhoud, minder arbeid en daardoor lagere kosten;
d) groter sortiment beschikbaar dan bij hydrocultuur;
e) goede levenskansen voor de plant door een goed wortelmilieu;
f) goedkoper in aanschaf dan hydrocultuur.

2.4      voor- en nadelen
Nadelen van een combinatiecultuur:
a) het gebruik van grond;
b) door water geven van de grond, ontstaat altijd van onder af verzilting van de bovenlaag:
c) in een later stadium is bijplanten moeilijk.

Voordelen:
a) geen speciale planten nodig, dus goedkoop;
b) geschikt voor alle planten;

3          Seramis

Inleiding
Seramis is een systeem waarbij de watervoorraad is opgeslagen in kleikorrels die zich om de grondkluit bevinden. Het water wordt opgeslagen in de korrels en niet als watervoorraad op de bodem, zoals bij vergelijkbare systemen. Daardoor kunnen de wortels altijd over voldoende zuurstof beschikken.
(De volgende informatie komt uit de gratis tipgids van Seramis.)

3.1         Benodigheden
Voor seramis kun je normale grondplanten gebruiken. Daarnaast heb je kleikorrels sierpot, een vochtigheidsmeter en plantenvoeding nodig.
3.1.1   Kleikorrels
Seramis is een verzorgingssysteem voor planten waarbij de grondkluit in kleikorrels staat.  Seramis-kleikorrels zijn kleiner dan normale hydrokorrels. Ze hebben een bijzonder groot poriënvolume (80%).  Hierdoor absorberen ze meer dan hun eigen gewicht aan water: 30 liter kleikorrels wegen 12 kg en absorberen iets meer dan 12 liter water.

3.1.2    Sierpot
De beste resultaten behaal je met een waterdichte pot. Potten die buiten staan moeten echter een drainageopening bevatten. Deze mag niet in de bodem zitten, wel in de zijkant zo’n 3 cm van de bodem.

3.1.3   Vochtigheidsmeter

Een speciale maar eenvoudige vochtigheidsmeter laat zien wanneer je water moet geven. Hij meet de vochtigheid in de kluit. Rood is water geven, blauw is voldoende water. Laat de meter volledig rood kleuren voordat je giet.

3.1.4    Plantenvoeding
De speciale Seramis minerale voedingsstoffen zorgen ervoor dat er geen zouten of suikers in de kleikorrels achterblijven, waardoor ze verstopt kunnen raken. Je hebt voedingsstoffen voor groene en bloeiende planten.

3.2     Voordelen
Vergeleken met grondcultuur en hydrocultuur heeft Seramis de volgende voordelen:
a) 3 x minder vaak gieten (gemiddeld om de 25 dager);
b) Nooit meer te veel of te weinig water. De planten halen water en voeding uit de korrels naargelang hun behoeften. Plantencombinaties zijn dus geen probleem;
c) Altijd voldoende zuurstof in het substraat. Als de korrels vol zitten met water bevat het substraat nog steeds 50% lucht;
d) De korrels kunnen jarenlang gebruikt en hergebruikt worden;
e) Schoon om mee te werken;
f) Hygiënisch;
g) Onbeperkte plantenkeuze;
h) Bruikbaar voor binnen en buiten;
i) Weinig verzorgingshandelingen als verpotten. Verpotten gaat erg gemakkelijk;

3.3     Werkwijze
Bij het op Seramis zetten van grondplanten gaat men als volgt te werk:
a) Giet een laag kleikorrels onderaan in de pot;
b) Neem de plant uit de oude pot, schud eventueel de losse aarde eraf (niet afspoelen!) en zet de kluit in het midden van de pot;
c) Vul verder aan met kleikorrels. Zorg ervoor dat de bovenkant van de kluit helemaal is afgedekt met kleikorrels, liefst enkele centimeters dik. Bij een grotere plant mag dat wat meer zijn. Pas de hoogte van de laag kleikorrels onderaan in de pot aan indien de wortelkluit te hoog of te laag komt;
d) Steek de vochtigheidsmeter tot aan de onderste rand in de kluit. Geef de gepaste voedingsstoffen: de fles met groene dop voor groene planten, de fles met rode dop voor bloeiende planten;
e) Geef water. In een waterdichte pot is dit 1/4 van het volume van de pot. Na het water geven slaat de meter maar geleidelijk aan om naar blauw. Gebeurt dit niet terwijl bet substraat toch vochtig is, dan kan het zijn dat de meter onvoldoende raakvlak beeft met bet substraat. Trek de meter er heel voorzichtig uit en stop hem op een andere plaats in de kluit. De vochtigheidsmeter gebruikt een papieren viltje. Dit zal na ongeveer een jaar niet meer functioneren. Dit betekent dat je de meter best jaarlijks vervangt.
===================================================

 

BRONNEN

Mekelenkamp   
Aspasia

Hydro Huisman  
Lesbrief interieurbeplanting

Alocasia
Artiplant
Rondgroen
Plantenwacht
Ambius
Bedrijfsgroen

 

Hagen

Inleiding
Hagen zijn belangrijke elementen in een tuin. Je kunt hagen maken van verschillende soorten planten, zoals bomen (haagbeuk, beuk), struiken (buxus, liguster, meidoorn, veldesdoorn) en coniferen (Chamaecyparis en Taxus). Ook combinaties zijn mogelijk.

 Planttijd en plaats
De planttijd hangt af van de plant:
Bladverliezende soorten plant je van oktober tot april (de rustperiode).
Bladhoudende soorten en coniferen plant je van augustus tot oktober en van april tot eind mei.De plaats van de haag die je gaat planten, zet je uit volgens de tekening. Hierbij heb je piketpaaltjes en een plantlijn nodig. Houd altijd rekening met de toekomstige breedte van de haag. 

Wel of geen plantsleuf?
Je kunt een haag planten zonder plantsleuf en met een plantsleuf. De methode zonder plantsleuf pas je toe als je een haag aanlegt van grote heesters. Meestal maak je echter een plantsleuf. Je graaft de plantsleuf naast de strak gespannen plantlijn. De sleuf moet zo groot zijn dat de wortels van de planten er ruim in passen en de planten net zo diep staan als in de kwekerij.

Het planten
De plantafstand hangt af van de plant:
– loofhoutgewassen drie tot vier per meter;
– coniferen vijf per twee meter.

Verdeel de planten langs de plantsleuf. Zet de eerste plant in de sleuf tegen de rechte kant. Schep losse grond op de wortels, zodat de plant niet verschuift. Herhaal deze handeling voor de overige planten. Vul de sleuf vervolgens met grond. Zet de planten recht en trap de grond aan. 

Hagen knippen
Een  haag  is  een  rij  struiken.  Je  hebt  strakke  hagen  en  losgroeiende  hagen.  Een  strakke  haag  is  in  model geknipt. Bijvoorbeeld recht als een muur of in de vorm van een bol of een dier. Ligusters en haagbeuken zijn hiervoor geschikt.
Een losgroeiende haag wordt niet in model geknipt. Hij houdt zijn eigen, natuurlijke vorm en bloeit daardoor uitbundiger.

Een strakke haag moet je regelmatig knippen om hem vol en in model te houden. Een strakke haag knip je meestal een keer voor de zomer en een keer voor de winter. Piramide-vormig knippen verbetert de belichting en daarmee de groei en kleur.

Het knippen van een strakke haag doe je als volgt.
– Knip de zijkanten. Kijk waar de haag het smalst is. Haal daar met de heggenschaar een heel klein stukje af.
– Knip de rest van de haag zo dat de hele haag zo breed wordt als het smalste stuk. Zorg ervoor dat de haag onderaan breder is dan bovenaan. Zo krijgt de onderkant ook voldoende zon.
– Knip de bovenkant van de haag recht. Gebruik, indien mogelijk, de ramen of goot van een gebouw dat achter de haag staat als ‘meetlijn’. Doe af en toe een stap achteruit om je werk te controleren.
– Ruim het snoeihout op. Hark de twijgen bij elkaar met de bladhark en voer ze af met een kruiwagen.

Bij het knippen van een losgroeiende haag gebruik je een snoeischaar voor de dunne takken en een takkenschaar voor de dikke takken.

 

Groenblijvende heesters

Inleiding

Bladhoudende heesters geven het hele jaar door privacy en zijn geschikt om elementen die men wil verstoppen uit het oog te onttrekken. Ook bieden ze heel het jaar een schuilplaats voor dieren in de tuin.

Als andere planten kaal zijn vallen ze het meest op. Met hun vaste, duidelijke vormen geven ze de tuin een gezicht.  Ze vormen het geraamte van de tuin maar worden ook wel als saai betiteld. Dit komt doordat ze er winter en zomer ongeveer hetzelfde uitzien.
Het is een productgroep waarvan de verkoop ook tijdens de winter redelijk doorloopt.

Sierwaarde
Vaak hebben bladhoudende planten diverse elementen in zich die ze aantrekkelijk maken. Belangrijk zijn plantvorm, blad, bloemen en vruchten.

Plantvorm
Bladhoudende heesters worden vaak aangeplant om hun sierlijke vorm. Deze wordt bijvoorbeeld bepaald door de afmeting. Veel bladhoudende heesters kunnen goed tegen snoeien en kunnen daardoor in allerlei vormen gegoten worden. Dit maakt ze geschikt als haagplant. Een groenblijvende haag is veel natuurlijker dan een schutting. Voor een hoge haag wordt b.v. Laurierkers of een Hulst gebruikt. Buxus is heel goed voor een laag haagje maar er zijn nog veel meer soorten voor hagen tot 1 meter.
In de onderhoudsvriendelijke tuin, kun je niet buiten de groenblijvende bodembedekker. Heel laag blijven de Pachysandra, Vinca en de Hederea. Iets hoger worden, Cotoneaster en Lonicera p. ‘Mossgreen’.

– Variatie in blad
Groenblijvende soorten zijn goed winterhard.  Er zijn veel soorten met een mooie bladkleuren. Van veel heesters kent men meerdere variëteiten die allemaal in bladkleur variëren. Ook komt het voor dat de bladkleur per seizoen wisselt bijvoorbeeld bij de Photinia.

Bloeiende groenblijvers
Onder de groenblijvende heesters zitten veel fraaie bloeiers, zoals b.v. Rhododendron en Mahonia. De bekende Skimmia ontleent zijn sierwaarde aan de bloemknoppen, die de hele winter mooi rood zitten te wachten op

Bes-dragende heesters
Dan zijn er nog diverse groenblijvers met een rijke bes-dracht, waarvan de Hulst misschien wel de bekendste maar zeker niet de enige is.

Standplaats

Veel groenblijvende heesters stammen uit vochtige streken, dichtbij kusten of in berggebieden. Dit betekent dat de grond vruchtbaar, waterhoudend maar niet drassig moet zijn.
Doordat tijdens de winter de verdamping doorgaat en de waterafname afneemt kunnen enkele soorten slecht tegen koude, droge oosten wind. Deze planten verlangen een beschutte standplaats. Sommige soorten moet je tijdens de winter beschermen.

Maatvoering
Op het label van plantgoed staat de maat aangegeven. Bijvoorbeeld 25/30
Bij kruipende planten betekent dit dat de diameter van de grootste plant 30cm bedraagt en de diameter van de kleinste plant 25cm bedraagt. Bij opgaande heesters betekent dit dat de hoogste plant 30cm en de laagste plant 25cm is.

Verzorging
Als tuincentrummedewerker heb je te maken met de verzorging in de winkel en het adviseren van klanten over de verzorging in de tuin.

Verzorging in het tuincentrum
Tegenwoordig worden de meeste heesters afgeleverd in potten. Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld planten die ingegaasd zijn en planten met vrije wortels.  Vaak zijn deze gebundeld tot bossen.
Heesters worden weggezet op de koude afdeling van het tuincentrum. Vaak is dat buiten. Om de verkoop bij slecht weer te bevorderen zie je steeds meer bedrijven die voor deze productgroep een koude kas gebruiken.
Voordat er nieuwe planten weggezet kunnen worden is het in het algemeen nodig om de oude planten in te boeten en op te knappen.
Potten worden weggezet op tafels of op bedden op de grond. Om onkruidgroei te beperken wordt, als ondergrond, anti worteldoek gebruikt. Grote potten worden wel ingekuild. Om het omvallen te voorkomen zijn allerlei steunmaterialen in gebruik. Deze worden vaak geleverd door de leverancier van planten. Ook worden allerlei houtsystemen gebruikt. Hierbij is het de kunst om het netjes te houden.
Etiketteren gebeurt veelal met labels die aan de planten hangen. Daarnaast zie je veel vormen van informatiekaarten, etiketten en stickers.
In het algemeen is de omloopsnelheid dusdanig groot dat de verzorging zich beperkt tot gieten en netjes houden van de verkoopvakken. Buiten het seizoen houdt men de voorraad zo beperkt mogelijk. Tuincentra waar de buitenafdeling de hoofdzaak van het bedrijf uitmaakt gaan vaak verder. Deze hebben altijd een gevulde verkoopafdeling en zullen meer aandacht besteden aan het verzorgen. Hier kom je extra handelingen tegen als bemesten, rondsteken, steunen, verplaatsen, snoeien enz.

– Verzorging in de tuin
De meeste planten worden tegenwoordig in containers verkocht. Hierdoor is het voor de consument mogelijk om het hele jaar te planten en treedt er geen groeistagnatie op na het planten. De beste planttijd blijft de periode september tot in april. Dan is de kans op verdroging namelijk het kleinst.
In het algemeen plant men zo als de plant gestaan heeft. Een uitzondering hierop vormen haagplanten als liguster. Deze worden, in ver band met de dichtheid onderin,  met de onderste vertakking onder de grond geplant
Na het planten moeten de heesters, voldoende vochtig worden gehouden. Gebrek aan water komt tot uiting door het bruin worden van de lage takken, die uiteindelijk afsterven. Als vuistregel kan men aanhouden dat water geven nodig is zodra de grond er droog begint uit te zien.
Geef als bemesting vooral veel organische stoffen als bladaarde, tuinturf, potgrond e.d. Ook mulchen (een bodembedekkende laag aanbrengen) met afgemaaid gras is onder groenblijvende heesters uitstekend.
Planten in kuipen, potten en bakken kunnen ook ondervoed raken. Dit blijkt meestal uit een langzamere groei en kleinere, vaak blekere, geelgroene bladeren. Geef deze planten van het voorjaar tot de nazomer elke maand vloeibare of vaste kunstmest, opgelost in water.
Snoeien doet men vooral in de zomerperiode. Dan herstelt de plant zich snel en valt het snoeiwerk niet zo op.
Hagen met grote bladeren, als Laurierkers, snoeit men vaak met een snoeischaar omdat er dan geen bladbeschadiging optreedt. Bladbeschadiging geeft bruinverkleuring. Andere hagen knipt men met een heggenschaar.
Hagen knipt men een beetje taps. Dat wil zeggen dat men de bovenkant smaller maakt dan de basis. Hierdoor krijgt de hele plant evenveel licht en zal de hele haag groen blijven.
Groenblijvende heesters die te hoog of kaal geworden zijn verdragen het goed als je ze diep terugsnoeit. Ze zullen dan opnieuw uitlopen.

Sortiment

Wetenschappelijke naam: Nederlandse naam:
Aucuba japonica ‘Variegata’ Broodboom
Berberis julianae Zuurbes
Berberis (x) stenophylla ‘Handsworth’ Zuurbes
Berberis verruculosa Randpalm
Cotoneaster suecicus (dammeri) Dwergmispel
Elaeagnus pungens ‘Maculata’ Olijfwilg
Euonymus fortunei ‘Emerald Gaiety’
Hebe ochracea
Hedera helix ‘Arborescens’ Struikklimop
Ilex aquifolium ‘J.C. van Tol’   Van Tol hulst
Ilex crenata ‘Convexa’ Japanse hulst
Lavandula angustifolia   Lavendel
Ligustrum ovalifolium   Liguster
Ligustrum vulgare ‘Lodense’
Lonicera nitida ‘Elegant’ Kamperfoelie
Mahonia aquifolium   Mahoniestruik
Mahonia x media ‘Charity’ Mahoniestruik
Osmanthus x burkwoodii
Osmanthus heterophyllus Schijnhulst
Photinia x fraseri ‘Red Robin’
Prunus laurocerasus ‘Rotundifolia’   Laurierkers
Prunus laurocerasus ‘Otto Luyken’ Laurierkers
Rosmarinus officinalis Rozemarijn
Skimmia japonica ‘Rubella’  
Viburnum davidii
Viburnum rhytidophyllum  

BRONNEN

Boma boomkwekerij
Plantengids
Adviesplaats
Vijveridee
Vormingscentrum Belgie

 

 

tuingereedschap

Inleiding
Werken in de tuin is in de meeste gevallen een hobby. Daarvoor is gereedschap nodig. De prijs- en kwaliteitsverschillen daarvan zijn erg groot. Hoe groter je tuin en hoe vaker je een bepaald stuk gereedschap nodig hebt, hoe meer belang je aan de kwaliteit moet hechten en hoe meer geld je er normalerwijs zult aan uitgeven. Goedkoop is dikwijls snel onbruikbaar. Gesmeed gereedschap is veel duurder dan uit plaat vervaardigd materiaal.

Basisuitrusting
Het valt voor een beginner niet meer uit maken wat basisgereedschap is en wat later als aanvulling aangekocht kan worden. In volgend lijstje vind je het minimum aan gereedschap dat nodig is om de belangrijkste werkzaamheden in de moestuin aan te kunnen.

  • Spade.
  • Spitvork.
  • Riek met 4 tanden.
  • Brede hak (18 – 20 cm)
  • Smalle hark (10 – 12 cm)
  • Tuinhark (10 – 14 tanden)
  • Tuinkoord.
  • Zak- en snoeimes
  • Plantschopje.
  • Pootstok.
  • Krabber.
  • Gieter met fijne broes.
  • Kruiwagen.
  • Heggeschaar
  • Takkenschaar
  • Snoeischaar
  • Cultivator
  • Grasschaar
  • GrasmaaierDit lijkt een hele waslijst, maar als we al deze gereedschappen eens van nabij bekijken, dan zal het nut van elk gereedschap onmiddellijk blijken en dit in een volgend artikel.
    We zullen er enkele bespreken.

Stelen
Handgereedschappen zijn er in soorten en maten.
Voor veel handgereedschap geldt dat ze een steel nodig hebben. Goede stelen zijn gemaakt van essenhout (taai, elastisch en glad) of wilgenhout (taai, veerkrachtig en licht, maar erg zacht en dus niet duurzaam). Vooral aan de draadrichting van het hout moet aandacht worden geschonken.
Bij hobbygereedschap zie je vaak dat de steel gemakkelijk te wisselen is. Je hebt dan maar een steel nodig. Dit spaart opslagruimte en maakt het gereedschap goedkoper. Nadelen zijn dat het omwisselen extra tijd kost en dat je te maken hebt met zwakke verbindingspunten.

Panschoppen of batsen en steekschoppen
Een panschop heeft een platte ronde snede en enigszins afgeronde hoeken. De zijkanten zijn naar achteren verlopend iets opgebogen. De achterzijde is eveneens licht opgebogen en verloopt naar boven in een bus of dul, waarin de steel zit.
De stand van de dul ten opzichte van het blad kan variëren.

 

Uit de combinatie van de panschop met een rechte dul en een licht gebogen steel ontstaat een steekschop, waarbij de steel en de snede van het blad in één lijn liggen. Door deze stand is de bats geschikt voor graven en spitten. Moet je zand opscheppen of grond verspreiden over het terrein, bijvoorbeeld bij grof egaliseren, dan is een schop met een opgebogen dul met een kromme steel geschikt.

Spaden of steekschoppen

spade

Bij het graven van sleuven voor kabels, waarbij wortels moeten worden doorgestoken, of bij het werken in zwaardere grond wordt de spade gebruikt, die ook wel steekschop wordt genoemd. Spaden hebben een in dwarsrichting iets gebogen blad, dat bij de snede wat breder is dan bij de steel. Het staal is meestal van betere kwaliteit dan het staal dat voor panschoppen wordt gebruikt. Spaden zijn zwaarder en ook duurder.

De beste spaden hebben aangesmede veren, die aan de voor- en achterkant over de steel lopen en die met klinknagels ertussen wordt vastgezet. Bij de goedkopere soorten is de bevestiging van de steel met klinknagels op het blad vastgezet. Deze spaden zijn ongeschikt voor zwaar werk, omdat de klinknagels los gaan zitten als ze op wortels stoten. Hierdoor wordt de schop waardeloos.

 

 

Schoffels
Schoffels worden voornamelijk gebruikt voor het bestrijden van onkruid.
Een goede schoffel is gesmeed uit één stuk metaal, is voorzien van een lange hals en heeft een gesloten dul. De steel is ongeveer 1,70 meter lang en voorzien van een schuine hilt. Wanneer het einde van de steel tegen de schouder rust, moet het schoffelblad plat op de grond liggen. Op zware gronden gebruikt men vaak een hak. Hiermee kun je plaatselijk onkruid weghakken.

Harken
Harken kunnen op twee manieren worden ingedeeld.
In de eerste plaats naar het aantal tanden: acht, tien, twaalf, veertien en zestien. Het aantal tanden geeft tevens de werkbreedte aan.
De tweede indeling is gebaseerd op  de  vorm  van  de  tanden.  Harken  met  gebogen  tanden  zijn  geschikt  voor  het  bij  elkaar  harken  van  niet gewenste kruiden en afval en voor het onderwerken van zaad. Harken met rechte tanden worden gebruikt voor het egaliseren van de grond. Een goede hark is gesmeed uit één stuk en heeft een essenhouten steel van 1,70 meter lang.
Andere harken zijn de blad- en spiraalhark. Deze wordt gebruikt voor het bij elkaar harken van tuinafval als onkruid, gemaaid gras en blad.

Riek of vork
Een normale riek wordt mestriek of mestvork genoemd. Als de tanden gebogen zijn spreekt men over een haakse riek.

Een riek is onmisbaar voor het opladen van plantenresten en compost. Vooral na het bij elkaar harken van bijvoorbeeld organisch afval is het erg handig om er met een riek in te prikken en het vervolgens te verwijderen. De grond blijft dan achter.

Verder wordt de riek veel gebruik voor het uit de grond halen van (wortel)onkruiden, planten, bollen en knollen. Organische meststoffen worden door de hobbytuinder eveneens uitgespreid met een riek.
Ook voor rieken geldt dat het aantal tanden kan wisselen. Meestal zijn ze 2 tot 5 tands.

Een andere riek is de spitriek. Deze heeft platte tanden en wordt gebruikt voor het omspitten van zware grond bijvoorbeeld tussen de planten.

Cultivator

Een hand cultivator wordt gebruikt om de grond tussen planten los te maken. Hierdoor wordt onkruid bestreden, wordt de gaasuitwisseling bevorderd en droogt de grond minder snel uit.

 

Klein gereedschap
Particulieren maken veel gebruik van klein gereedschap als plantschepjes, 3 tandharkjes, handschoffels, poothout e.d. Ook hiervoor geldt dat er een groot verschil is in kwaliteit.

Overig gereedschap
Als je rondkijkt op de afdeling gereedschap  van bijv. een tuincentrumdan zul je zien dat er naast het standaard gereedschap erg veel hulpmiddelen zijn om het werk in de tuin zo aangenaam mogelijk te maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een kantensteker voor het gazon en de diverse scharen. Hieronder zijn een aantal voorbeelden afgebeeld.
Steeds vaker zie je dat er van handgereedschap automatische toepassingen komen.

Opbergen en onderhoud van gereedschap
Het is erg vervelend om, elke keer als je in de tuin gaat werken, naar het gereedschap te moeten zoeken. Daarom zijn er diverse ophangsystemen in de handel die het aantrekkelijk maken om alles overzichtelijk op te bergen. Door het elke keer op een overzichtelijke plaats op te bergen, voorkom je veel ergernis over een niet te vinden bats of hark. Verder draagt goed opbergen bij aan veiligheid.

Tuingereedschap moet goed onderhouden worden. Dat geldt vooral voor gesmeed gereedschap, als je wil dat het lang meegaat. Om goed met het gereedschap te kunnen werken, is onderhoud noodzakelijk.
Het gereedschap moet regelmatig worden geslepen. De meeste werktuigen worden aan een kant geslepen.
Voor het slijpen kun je gebruikmaken van verschillende slijpinstrumenten. Bij gebruik van een slijpmachine moet verbranding (blauwe plekken) van het metaal worden voorkomen. Verbranding heeft snelle slijtage of omkrullen van het snijvlak tot gevolg, omdat het metaal als het ware zijn hardheid verliest.
Het meeste gereedschap komt in contact met vochtige grond of vochtige plantendelen, het kan dus makkelijk roesten. Daarom moet tuingereedschap op een droge plaats opgeborgen worden. Als het materiaal voor een lange tijd wordt weggezet (bv.’s winters), is het nodig al het gebruikte materiaal schoon te maken met een oud borsteltje, zodat alle grond en plantenresten verdwenen zijn. Daarna vet je het gereedschap best in met vet of motorolie. Je hoeft de schoongemaakte metalen delen maar heel lichtjes in te strijken met bijvoorbeeld een oude verfkwast. Olie is ook als spuitbus te koop.
Een andere methode is een kist vullen met een mengsel van zand en gebruikte motorolie. Elke keer je het gereedschap gebruikt hebt, steek je het in de kist. Het zand reinigt het gereedschap en tezelfdertijd wordt het geolied.
Houten stelen kun je, voordat je ze gaat gebruiken, in de olie zetten; dit oliën moet later nog eens worden herhaald. Je kunt houten stelen beter niet lakken. Verder moeten stelen worden gecontroleerd op splinters en eventuele breuken.
Zijn er tijdens je werkzaamheden bepaalde stukken gereedschap beschadigd of gebroken, dan zorg je ervoor dat deze worden hersteld voordat je ze opbergt. Daarom zal een goede gereedschapsberging voorzien zijn van een kleine werkbank met het nodige herstelgereedschap en herstelmateriaal.