Heide-tuinen

Inleiding
Een tuin met overwegend zuur minnende planten als heidesoorten, hebe en azalea noemt men een heidetuin.
Het hebben van een heidetuin is trendgevoelig. Op het ene moment is het in de mode terwijl het enkele jaren later als oubollig kan worden gezien. Wanneer gedacht wordt aan het aanleggen van een heidetuin, zijn er om te beginnen enkele punten waar we rekening mee moeten houden.

Sierwaarde
Of je een heidetuin mooi vindt is erg persoonlijk. Heidetuinen wordt vaak aangelegd omdat ze het hele jaar kleur vertonen. Het sortiment aan heideplanten is dusdanig groot dat het mogelijk is om elk seizoen bloeiende heide in de tuin te hebben. Daarnaast is heide bladhoudend met grote verschillen in bladkleur. Na de bloei kunnen groepjes met gele, donkergroene en lichtgroene struikjes een mooi contrast vormen met de bloeiende soorten.

Zuurgraad

Heidesoorten en hun familie (Ericaceae), houden van zure grond. Dit is grond met een lage pH. Voorbeelden van gronden met een hoge zuurgraad zijn veengronden. Deze gronden hebben van nature een lage pH en zijn daardoor erg geschikt voor het aanleggen van een heidetuin.
Kalkrijke grond zoals kleigrond, heeft een hoge pH. Op deze grond zullen de plantensoorten die tot de Ericaceae familie behoren zich niet thuis voelen.
Je kunt gronden zuurder maken door tuinturf door de bovengrond te werken. Een flinke lading koemest maakt de grond ook enigszins zuur. Toch is het af te raden om op zware kleigrond of andere kalkrijke grond een heidetuin aan te leggen. De beplanting zal moeite hebben om er te groeien en op den duur een treurig tafereel te zien geven.

Onderhoud
Het onderhoud van een heidetuin is nogal arbeidsintensief. Dit in tegenstelling van wat meestal wordt gedacht. De heidestruikjes moeten namelijk na de bloei teruggeknipt worden. Dit is nodig om mooie jonge bloeirijke pollen te houden.
Als de heide niet gesnoeid wordt gaan de takken verhouten.
De jonge scheuten groeien over de grond in en door elkaar en na enkele jaren is er alleen een warboel van halfdode door elkaar gegroeide takken te zien. Het gevolg is dat er nieuwe heide aangeplant moet worden.
Bij goed en regelmatig snoeien, gaan de planten jarenlang mee en blijven ze goed in model.

Aanvullende beplanting
De basis van een heidetuin zijn dop- en struikheide. Als we een heidetuin willen hebben, moet de aanvullende beplanting bij het geheel passen.
Alle Ericaceae soorten zijn geschikt als aanvullende beplanting. Enkele soorten zijn o.a. Rhododendron, Pieris, Azalea en Skimmia. Voor de hogere beplanting zijn conifeersoorten geschikt. De brem, jeneverbes en berkenboom groeien van nature in de heidegebieden die in ons land aanwezig zijn. Als aanvulling tussen de heesters kunnen grassoorten gebruikt worden.
Vaste plantensoorten laten zich moeilijk combineren in een heidetuin. Enkele vaste planten geschikt voor de heidetuin zijn; Nepeta, Prunella en Verbascum.

Bijmaterialen
Bij een heidetuin horen natuurlijke materialen. Een pad van boomschors zal mooi passen in een heidetuin, evenals een tuinafscheiding van ruwe planken. Een kleine glooiing kan een leuk effect geven, vooral in combinatie met een vennetje. Grote verhogingen in een kleine tuin zijn af te raden, dit komt onnatuurlijk over, tenzij er van nature een groot hoogteverschil is.

 

Eetbare tuin

Bij eetbare producten kun je denken groenten en fruit uit de moestuin, maar ook aan wilde planten en producten uit voedselbossen. Het zelf kweken van eetbare producten kent veel aspecten. Zo is het bijvoorbeeld gezond, leuk, milieuvriendelijk en ontspannend. Mede onder invloed van de milieubeweging besteden de media en scholen steeds meer aandacht aan het zelf kweken van eetbare producten. Mensen kweken voedsel in hun achtertuin en in volkstuincomplexen. Op kleine schaal kan het zelfs op het balkon.

Kopen of zelf kweken?
Steeds minder mensen beschikken over een moestuin bij hun huis. Het is daardoor vanzelfsprekend geworden om voedsel te kopen. Oorzaken daarvoor zijn:
– Door verstedelijking zijn de tuinen steeds kleiner geworden of hebben mensen geen tuin meer.
– Tuinen worden ingericht als siertuin.
– Mensen zijn druk en kiezen voor een onderhoudsarme siertuin.
– We leven in een welvaartsmaatschappij waarin alles te koop is.
– Mensen zijn vervreemd van het buitenleven.

Als je zelf gekweekte producten vergelijkt met gekocht producten dan hebben beiden voor- en nadelen.
Hieronder staan een aantal criteria die je met elkaar zou kunnen vergelijken.

Gekochte producten Zelf gekweekte producten
sortiment groot, jaarrond beperkt, seizoensgebonden
kwaliteit goed, homogeen variabel
verwervingstijd kort lang
bereidingstijd kort lang
energiebehoefte groot klein
verpakkingsmateriaal veel geen
toevoegingen en residu wisselend geen
smaak wisselend goed

Permacultuur
Permacultuur is een duurzame vorm van van kweken waarbij regelmatig wordt afgeweken van traditionele werkwijzen. Complexe ecosystemen in de natuur dienen hierbij als voorbeeld.

1 Wilde planten
De natuur biedt veel eetbare planten. Helaas is veel kennis hierover verloren gegaan.
Bekend is dat vooral jonge plantjes voedselrijk, gezond en geneeskrachtig zijn. Daarom is het vroege voorjaar erg geschikt om plantjes uit de natuur te consumeren. Je kunt ze aan diverse gerechten toevoegen of verwerken
Voorbeelden van gezonde wilde planten zijn: zevenblad, brandnetel, paarse dove netel, speenkruid, hondsdraf, winterpostelein, veldkers, kleefkruid, paardenbloem, weegbree, look zonder look, zuring, vogelmuur, daslook en madeliefje.
Herboristen zijn mensen die zich verdiept hebben in de waarde van wilde planten voor onze voeding en gezondheid.

2 Kiemgroente ( kersgroente, microgroente of spruitgroente)
De eigenschap dat jonge plantjes smaakvol en gezond zijn wordt toegepast bij het gebruik van kiemgroenten.
Kiemgroenten bevatten veel vitaminen, zijn erg smaakvol en kun je enkele dagen na het zaaien al oogsten. Ze worden kleinschalig gekweekt op schalen in kweekbakjes. Dit kan het hele jaar door.

De bekendste soort is tuinkers. Andere soorten zijn broccolikersfenegriekkersrode koolkers, rucolakers, radijskers, mosterdkers en Chinese bieslookkers. Ook de kiemen van sommige bloemen zoals de zonnebloem kunnen geconsumeerd worden. Kiemgroenten bevatten veel vitaminenen mineralen. Ook bevatten de kiemplantjes veel anti-oxidanten. Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen kiemgroenten en spruitgroenten, waarbij kiemgroente in het licht wordt geteeld, in tegenstelling tot spruitgroente, zoals taugé en alfalfa, die door teelt in de duisternis wit blijft. Kiemgroenten zijn culinair interessant door de veelal krachtige kruidige smaak.

3 Groenten en kruiden

Inleiding
Er is veel veranderd in het leefpatroon van mensen. Zo heeft het kweken van groenten en kruiden de laatste 50 jaar een totaal nieuwe functie gekregen. In het verleden kweekten men deze producten, in de achtertuin, om in de behoeften aan verse producten te kunnen voorzien. Met de opkomst van de supermarkten is deze noodzaak verdwenen. De tuinen zijn kleiner geworden en voornamelijk ingericht als siertuin. Het kweken van groente en kruiden is een hobby geworden die in veel gevallen verbannen is naar de volkstuin ergens buitenaf.

Zaaizaad en pootgoed
Bij het kweken van groenten en kruiden kun je als uitgangsmateriaal zaden, planten of bollen gebruiken.
Tuincentra maken het voor de doorsnee hobbykweker steeds gemakkelijker om aan deze producten te komen. Elk tuincentra heeft wel een of meer rekken staan met zaaizaad en pootgoed. Ook hebben ze altijd wel een voorraad staan aan voor gekweekte planten.
Het sortiment is gigantisch. Dit geldt voor de breedte en de diepte. Omdat de volkstuider in het algemeen erg milieubewust is verkopen tuincentra milieuvriendelijk gekweekte producten. Deze zijn voorzien een keurmerk.

Zaaien
Tussen hobbykwekers heerst meestal een informele competitie om zo vroeg mogelijk de beste producten te oogsten. Deze wedstrijd wordt versterkt door de volkstuincomplexen waarbinnen volkstuinen zich vaak bevinden.
Veel hobbykwekers beschikken over een verwarmde of onverwarmde hobby-kas om plantgoed of eindproducten op te kweken.
In boeken en op internet kom je diverse zaaikalenders tegen. Deze geven veel informatie en leveren ideeën op voor je productkeuze.

zaaikalender

Groenten zijn vaak seizoensgevoelig zijn. Daarom zul je in het voorjaar vaak voor andere rassen moeten kiezen dan in het najaar. Kies je verkeerd dan zal het gewas zich anders ontwikkelen dan gewenst is. Veel gewassen zullen bijvoorbeeld ongewenst gaan bloeien en zaad vormen in plaats van uitgroeien tot een oogstbaar product. Bonen zullen aangetast worden door kiemschimmels als de bodemtemperatuur te laag is. Daarom kun je niet zaaien voor half mei. Het is verstandig om, bij onzekerheid, eerst de gebruiksaanwijzing te lezen.
Kenmerkend voor volkstuinders is dat ze erg vindingrijk zijn in het bedenken van zaaimethoden.  Er wordt gezaaid in de volle grond maar ook in allerlei bakjes, kistjes en potjes. Soms wordt er tussendoor meerdere malen verspeend. Op deze wijze opgekweekte planten worden later uitgeplant. Tussen volkstuinkwekers zie je vaak een levendige ruilhandel in zelf opgekweekt plantmateriaal.
Bij het ter plaatsen zaaien wordt er op rijen of bedjes gezaaid.

Pillenzaad is omgeven door een laagje kalk waardoor het gemakkelijk is om de zaden voldoende ver uit elkaar te zaaien. Ook kom je zaai matjes tegen.

Planten en poten
Als je bollen, knollen of planten in de grond zet spreek je over planten en poten. Het kan daarbij gaan om, door de volkstuinder zelf opgekweekt plant- en pootgoed of om kant en klaar gekochte  plantmaterialen. Het sortiment is groot. Planten worden aangeboden in perkluiten, multi-platen, los of in poten. Naast traditionele producten als aardappels, uien, koolsoorten, sla, prei, komkommers, tomaten, selderij, bieslook en peterselie is het sortiment de laatste jaren uitgebreid met minder voor de hand liggende producten als artisjok, broccoli en andere groenten en kruiden.

Plantmateriaal wordt  verpakt of los verkocht. Soms is de informatie die via de verpakking wordt verstrekt beperkt. Dat kan vragen opleveren over  zaken als  planttijden, plantdieptes, plantmethoden en plantafstanden. Informatie hierover kun je  opzoeken op internet, in zaadgidsen en op zaadzakjes. In veel gevallen kom je erg ver met logisch nadenken. Als je weet hoe het eindproduct eruit ziet kun je in het algemeen inschatten wat de plantafstand is.
Wat de planttijd betreft kun je ervan uitgaan dat deze correspondeert met het moment waarop het plantgoed wordt aangeboden.
Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat deze overeenkomt met de vorige situatie. Zo ko

mt bij perskluiten de bovenkant van de kluit gelijk met de bovenkant van het plantbed. Bollen en knollen komen zo diep onder de grond als de bol of knol dik is.

Kruiden worden vaak opgekweekt in plantbakken of bloempotten. Deze zijn ook geschikt voor en balkon.
Er bestaan  schema’s met overzichten van plantafstanden en planttijden.

Hulpmiddelen
Voor het planten en poten kun je in het algemeen gebruik maken van het algemene tuingereedschap. Met een schop, spa, hark, schoffel en stuk touw aan twee stokjes kom je een heel eind. Daarnaast zijn er speciale pootlijnen en pootstokken in de handel.
De tuinlijn gebruik je als tijdelijke markering van de rij bij het maken van plantgaten.
Voor het maken van de plantgaten of sleuven kun je gebruik maken van een schoffel, een spa, een poothout of gewoon de bovenkant van de schoppensteel. Soms kun je gewoon je handen gebruiken.
Plantgaten of zaaisleuven kun je dichtmaken met je handen,  voeten of met een hark.
De rij afstanden kun je uitmeten met een maatstokje of gewoon met je voeten.
Om zaaibedden te beschermen tegen vogels kan er gebruik gemaakt worden van een tuinnet.  Dit kun je op hoogte aanbrengen met gebogen elektriciteitsbuizen en vastzetten met stenen.
Om wildvraat tegen te gaan worden volkstuinen omheind met gaas. Deze omheining moet minimaal 1 m hoog zijn. Om konijnen te weren moet het gaas ongeveer 20 cm ingegraven worden.
Tot half mei kan er nachtvorst optreden. Met bloempotjes kun je planten tegen vorst beschermen.
Een aantal gewassen moeten gesteund worden.
Stokbonen worden gesteund met palen, draad en touw of met bonenstaken.
Voor het steunen van doperwten en peulen wordt rijshout of gaas gebruikt.
Tomaten worden gesteund met stokken of een systeem van stokken, draden en touw. Dit kan buiten of in de kas. Komkommers worden voornamelijk in de kas gekweekt. Deze worden dan gesteund met draad en touw.

Verzorging
Als er gezaaid wordt in een bakje of potje gebruikt men speciale zaaigrond. Deze is voedselarm. Zaad heeft namelijk de eerste periode geen voedsel nodig en voedselarme grond heeft weinig last van bodemziektes. Zaad wordt afgedekt met een dun laagje scherp zand. Deze wordt aangeklopt en voorzichtig besproeid met water.
Om uitdrogen van de zaaigrond te voorkomen kun je deze, na het gieten, afdekken met een glasplaat. Er moet natuurlijk wel een luchtlaag overblijven tussen de grondlaag en de glasplaat.  Om te voorkomen dat condensdruppels op de zaaigrond vallen moet de glasplaat dagelijks gedraaid worden. Bij bloempotten gebruikt men ook wel plastic zakjes. De meeste zaden zijn donkerkiemers.  Deze worden afgedekt met papier.
Als er niet wordt afgedekt zul je zo nodig voorzichtig moeten sproeien. Als je een gieter met broes gebruikt zul je buiten het zaaibed moeten beginnen en buiten het zaaibed moeten ophouden met gieten. Als je dit niet doet zullen de dikke druppels kuiltjes veroorzaken.
Als de kiemplantjes zichtbaar zijn moet de glasplaat of het zakje verwijderd worden.
Als de plantjes elkaar gaan hinderen kun ze ruimer gezet worden. Dit heet verspenen.

Buiten zaait men vaak op regels. Na het zaaien kun je de rijen licht aandrukken met een schoffel of met de achterkant van de schoppensteel. Zo blijf je de rijen zien.
Verder geldt voor zaailingen en uitgeplante producten dat  het  een kwestie is van onkruidbestrijding en zo nodig gieten.

Tomaten en komkommers moet je dieven. Dit is het wegnemen van zijscheuten om de planten beheersbaar te houden en om ervoor te zorgen dat er voldoende water en voedsel naar de vruchten gaat.

Ziekte vrij houden is best moeilijk. In de moestuin heb je vooral last van meeldauw, Phytophtora, rupsen, luizen, spint en witte vlieg. Vraag je op de eerste plaats af of bestrijden nodig is. Een paar gaatjes in het koolblad is helemaal niet erg.

Streef altijd naar een milieuvriendelijke bestrijding. Vooral bij eetbare producten is het niet verstandig om giftige middelen te gebruiken. Als mechanisch bestrijden niet lukt beschikken tuincentra over milieuvriendelijke bestrijdingsmiddelen.

Veel volkstuinders werken met wisselteelten. Aardappels mag je maar een keer per 3 jaar op dezelfde grond zetten. Kruiden hebben weinig last van ziekten. In combinatie met groenten kunnen ze de groenten zelfs ziektevrij houden.

Oogsten
Oogsten is het verzamelen van producten. Meestal om te consumeren of te bewaren

Een paar voorbeelden:

Aardappels worden uit de grond gehaald met een riek  en kunnen op een vorstvrije plaats bewaard worden. Als je ze spruitvrij houdt kunnen ze, afhankelijk van het ras, de hele winter bewaard worden. Het spruitvrij houden kan met de handen of met speciaal poeder.

Uien worden uit de grond gehaald als het loof afgestorven is. Het afgestorven loof kan gebruikt worden om de bollen te bossen en gebost te drogen.

Bonen worden verdeeld in stok- en stambonen.
Bonen kunnen op diverse manieren geoogst worden. Meestal worden de onrijpe bonen met schil geoogst en geconsumeerd. Invriezen kan erg goed. Een andere manier van gebruik is het onrijp oogsten van de wat dikkere bonen. De zaden moet je dan uit de vrucht halen. Ze zijn niet houdbaar en moeten daarom ingevroren worden. Een derde manier is het rijp oogsten van bonen. Na het verwijderen van de vruchthuid kunnen de zaden gedroogd bewaard worden.

Erwten worden verdeeld in doperwten en peulen. Bij doperwten consumeert men de zaden; bij peulen de jonge vruchten.

Sluitkoolsoorten en koolrabi zijn lang houdbaar terwijl bijvoorbeeld
spruitkool, bloemkool en broccoli slecht houdbaar zijn.

Rabarber is een vreemd product. Hiervan oogst men de bladsteel.

Kruiden kun je vers consumeren moor ook  invriezen en drogen.

Voorbeelden
Groenten Aardappel 1
aardappel 2 
Artisjok
Asperge
Aubergine 1
Aubergine 2 
Augurk
Bloemkool 1
Bloemkool 2
Boerenkool – krulkool
Bonen (Phaseolus vulgaris)
Broccoli
Chinese kool
Courgette 1
Courgette 2
Kool
Komkommer
Koolrabi
Paprika en pepers
Peulvruchten
Prei
Rabarber
Radijs
Rode biet
Rode kool
Schorseneer
Sla
Spinazie
Spruitkool
Tomaat
Tuinboon
Ui
Venkel
Witlof
Wortel
Kruiden Basilicum
Bieslook
Bonenkruid
Citroenmelisse
Dille
Dragon
Hysop
Kervel
Komkommerkruid
Knoflook
Laurier
Lavas of maggikruid
Peterselie
Rozemarijn
Salie
Selderij
Tijm

 

Voedselbossen
Een voedselbos is een door mensen gecreeëerde plantengemeenschap met  bomen en struiken met een extreem hoog aantal eetbare soorten. In voedselbossen wordt landbouw met natuur gecombineerd voor een duurzame voedselproductie. Voor de belichting is het van belang dat er in lagen wordt geteeld. Een voedselbos is volledig zelfvoorzienend en klimaatbestendig.
Een klein bos wordt Tiny Forest genoemd.

Fruit
Fruit is de verzamelnaam voor eetbare vruchten. Ze worden meestal rauw gegeten en smaken zoet of zuur. Sommige vruchten worden ook tot de groenten gerekend, zoals tomaat, paprika, aubergine en komkommer.

Indeling
In ons land worden maar enkele fruitsoorten gekweekt die je op diverse manieren kunt ordenen.
Bijvoorbeeld:
= Zacht fruit, zoals bessen, aardbeien, frambozen, bessen en druiven.
= Steenvruchten, zoals kersen, pruimen, perziken
= Pitfruit, zoals appels en peren.

Planten
Wortelgoed kun je planten als er geen blad aan zit en het niet vriest. Het voorjaar en het najaar zijn het meest geschikt.
Bepaal de plantafstand door vooruit te kijken. Volwassen planten kunnen elkaar beter niet raken.
Om een (fruit)boompje of struik te planten, graaf je een ruim plantgat en maak de grond rondom goed los. Zorg er ook voor dat je de boom niet dieper plant dan hij bij de kweker stond.
Steun de boom met lage paaltjes.

Appel
Appelbomen houden van volle zon en losse en rijke grond.
Houd de boomspiegel onkruidvrij.  Geef in de herfst kalk en in het voorjaar organische mest.
Een jonge boom snoei je de eerste 5 jaar best elke winter. Knip de hoofdtakken met één derde terug en de zijtakken tot op 2 of 3 knoppen. Takken die elkaar kruisen, te dicht groeien of schuren, haal je helemaal weg.

Peer
Perenbomen zijn ijzersterk en overleven probleemloos onze winters, maar ze houden niet van natte voeten of een harde bodem. Plant ze op humusrijke, goed bemeste, neutrale grond. Hoe meer zon, hoe meer peren.
Hou bij jonge bomen de boomspiegel onkruidvrij. Strooi in het voorjaar organische mest.
Snoei de eerste 5 jaar, bij voorkeur in maart. Knip de hoofdtakken met één derde terug en de zijtakken tot op 2 of 3 knoppen.

Pruim
Pruimen groeien het best op rijke grond zoals klei en leem maar hebben een hekel aan natte voeten in de winter. Geef ze geen plek in volle (noorden)wind, daar kwijnen hun vroege lentebloesems weg. Hoe meer zon, des te zoeter. De meeste pruimen zijn zelfbestuivend maar met twee bomen in je tuin is de oogst beduidend groter.
Pruimenbomen hebben graag elk jaar een flinke portie organische mest, in april of mei. Soms nestelen zich larven van de pruimenmot in rijpe vruchten; je kunt de motten vangen een met biologische val.
Pruimen snoei je in de lente of de zomer, tussen half april en eind september.

Kers
Kersen geef je een plek in volle zon. Een kersenboom kan perfect in de siertuin: met z’n vroege lentebloesems, mooie bolvorm en geeloranje herfstkleur is hij meer dan decoratief. Plant hem niet op een natte plek. Van oude rassen plant je er best twee, voor de bestuiving; moderne kersen zelfbestuivend.
Geef niet te veel of zelfs helemaal geen mest. Kersen moeten amper gesnoeid worden.

Aardbei
Aardbeien vormen na de oogst uitlopers. Die kunnen er in de nazomer worden afgehaald om uit te planten. Het werkt goed om naast elkaar overjarige en eenjarige planten aan te houden.
Globaal kun je ze indelen in door-dragers en eenmaal dragende rassen.
Aardbeien geven de voorkeur aan een zonnige goed ontwaterde standplaats met voldoende ventilatie.  Om schimmelziektes te voorkomen is het goed om bij nat weer de grond rond de planten af te dekken met stro.
De grond moet vruchtbaar en humusrijk zijn

Druif
Door klimaatverandering is het kweken van druiven vereenvoudigd. Je kunt ze gebruiken als leiplant of steunen met palen met draad.
Om bloeden te voorkomen moet je voor de lente snoeien.  Je laat daarbij enkel de dikke hoofdtakken staan. De zijscheuten die hieruit groeien, kun je nu aanbinden.
Lees hier hoe je druiven in de zomer snoeit.

Bessen
Bessen rekent men tot het klein-fruit. Het meest bekend zijn aalbessen, rode bessen, witte bessen, blauwe bessen en zwarte bessen.
Rode bes
Deze soort houdt van lichte, humusrijke grond die wat kalk mag bevatten.
Alle rassen zijn zelfbestuivend.
Ze bloeien in april-mei. De oogsttijd van de trossen rode bessen valt in juni-juli en verschilt per ras.
De struiken moeten goed worden gesnoeid. Ze dragen vrucht aan korte zijtakjes aan de twijgen en takken, het zogenaamde vruchthout.

Zwarte bes
Dit is een duidelijk andere soort dan de witte en de rode aalbes. De zwarte bes groeit graag in wat zwaardere grond. De struiken bloeien in april-mei en geven forse trossen donker gekleurde vruchten aan het een- en tweejarige hout. De struiken moeten anders worden gesnoeid dan de rode en witte bes. Oudere takken worden ieder jaar weggenomen.
Kruisbessen
Kruisbessen groeien graag in voedzame, humusrijke grond. Ze mogen wat koeler staan en verdragen lichte schaduw. Kies zoveel mogelijk rassen die niet of weinig gevoelig zijn voor meeldauw (de grote plaag bij kruisbessen). Er zijn rassen met groene (witte) en rode vruchten. Des of Blueberry)
Deze soort houdt van zure grond. Het zijn struiken met een schitterende herfstkleur.
De planten vormen bosbes-achtige bessen, maar wel drie keer zo groot als die van onze inheemse bosbes. De struiken kunnen bij sommige rassen wel twee meter hoog worden. De bloei valt in mei-juni; de oogst oogst in juli-augustus-september.
Het zijn zelfbestuivers.
Rode bosbes/Vossenbes
Deze bosbesachtige plant is inheems in Noordwest-Europa en groeit in zure grond. De struikjes zijn wintergroen. De rode bessen zitten van september tot november aan de planten. De vrij onopvallende bloei valt in mei. De bessen worden wel tot jam en gelei verwerkt.
Bramen
Bramen groeien goed in iedere normale tuingrond. Er zijn doornloze en sterk gestekelde rassen. De takken en twijgen moeten worden geleid. De bloei valt van mei-juni tot juli-augustus. Ook de oogsttijden van de vruchten variëren. ‘Black Satin’ is een vroege bloeier die van juli tot oktober vruchten geeft. De opbrengst is heel behoorlijk. ‘Himalaya’ groeit zeer sterk en geeft ook van juli tot september lekkere vruchten. Van de stekelloze ‘Thornless Evergreen’ kunnen vanaf augustus grote vruchten worden geplukt. ‘Thornfree’ is een laat ras (oogstbaar in september-oktober) waarvan de takken vrij breekbaar zijn.
Frambozen
Dit is een inheemse soort die al vele eeuwen wordt geteeld. De planten worden meestal tegen draden geleid waar de scheuten tegenaan worden gebonden. Ieder jaar verschijnen nieuwe vruchtdragende scheuten uit de grond. De oude scheuten worden jaarlijks weggesnoeid. De planten kunnen vanuit de wortels ver ‘weglopen’. De bloei van zomerframbozen valt in mei-juni, die van herfstframbozen in juli. Goede rassen zijn de vroege ‘Glen Clova’ (oogst in juli-augustus), de middentijdse ‘Jochems Roem’ (augustus-september) en de iets latere ‘Schönemann’ (eind augustus-september. Er zijn ook rassen met andere vruchtkleuren, zoals de gele ‘Fall Gold’ waarvan de grote vruchten in augustus oogstbaar zijn. Een goed herfstras is ‘Heritage’ (oogst in september-oktober), maar ook de herfstrassen ‘Zeva Herbsternte’ en ‘Baron de Wavre’ worden veel geteeld.

==========================================================

BRONNEN

Groenteninfo 1
Hobbytuinders

Groenten en kruiden
Groenten op zijn best
Groenten info 2
De moestuin
Teeltschema
Hofmeesters
SZ-zaden
Tuinkriebels
Zaaien en planten
De vrolijke tuinier
Tuinadvies.nl

Een- en tweejarige zomerbloeiers

Inleiding
Onder perkplanten of perkgoed verstaan we planten die bestemd zijn om een seizoen in de tuin of in een bloempot in de tuin te leven. Deze populaire groep planten wordt jaarlijks opnieuw geplant.
De meeste zijn eenjarig en worden elk voorjaar opnieuw gezaaid. Aan het einde van het seizoen vormen ze zaad en sterven af.
Naast eenjarig perkplanten kent men de groep 2 jarige perkplanten. Deze ontwikkelen zich in 2 verschillende jaren van zaad tot zaad. Bijvoorbeeld viooltjes worden in het najaar gezaaid, bloeien in het voorjaar en vormen daarna zaad.
Er zijn ook heel wat perkplanten die buiten niet overleven maar die men binnen kan overwinteren zoals knolbegonias en Pelargoniums.
Perkgoed wordt verkocht in een potje of met een kluitje. Vaak worden ze door de consument zelf gezaaid.

Gebruik
Perkplanten worden gebruikt in perken, bloembakken, terrassen, hanging baskets  enz. Een aantal soorten zijn erg geschikt om te drogen.

Het leuke van eenjarige perkplanten is dat het over het algemeen een groot deel van de zomer en ook in het begin van de herfst bloeien. Ze worden in de handel gedurende een groot deel van de zomer aangeboden. Daardoor zijn ze zeer geschikt om gaten in de beplanting van de tuin mee op te vullen. De hoofdaanvoer ligt in tussen begin mei en half juni.

Tweejarige perkplanten worden in de herfst en in het voorjaar aangeboden. Ze bloeien in het voorjaar. Veel tweejarigen worden gebruikt om de kale voorjaarstuin op te fleuren. Omdat ze vroeg bloeien hebben ze, net als bolbloemen, het imago om bij het voorjaar te horen. Al hoewel dit niet voor alle tweejarigen geldt zal de detailhandel dit imago alleen maar ondersteunen.  Na de bloei zal de ruimte van 2 jarige perkplanten ingenomen worden door eenjarigen en vaste planten.

Verzorging
Perkplanten houden van veel mest en mogen niet uitdrogen. Door het verwijderen van uitgebloeide bloemen zullen de meeste soorten blijven doorbloeien.
In de handel zijn gezaaide perkplanten en gestekte perkplanten te krijgen. Gestekte planten zijn in de meeste gevallen het duurst.

Zaaien
Zaad kun je kopen of zelf verzamelen.

– Binnen zaaien
Wanneer men de  eenjarige perkplanten vroeg in het seizoen nodig heeft moeten deze vroeg in het voorjaar gezaaid worden. Dit moet binnen gebeuren. Elk soort heeft zijn eigen zaaiperiode.
Tweejarige perkplanten worden in de nazomer en vroege herfst gezaaid.
Informatie hierover staat op de verpakking van het zaad.

Particulieren zaaien meestal in bloempotjes of bakjes met speciale zaaigrond of in een mengsel van potgrond en scherp zand. Zaaigrond is daardoor een ideaal product voor de nevenverkoop. Kwekers zaaien in potjes, kluitjes of zaaikistjes.

Fijn zaad kun je verdelen vanuit het zaaizakje of met een gevouwen papiertje. Om tot een goede verdeling te komen kan het gemengd worden met zand. Na het opkomen moeten de plantjes ruimer gezet worden. Dit heet verspenen. Vervolgens worden ze opgepot. Het op deze manier zaaien en opkweken is veel werk, maar het is wel voordelig en kan de hobbyist veel vreugde opleveren.

– Ter plaatse zaaien
Makkelijker is het om perkgoed op de uiteindelijke plaats te zaaien. Voor het zaaien dient de grond goed los en gelijk gemaakt te worden. De zaden worden gelijkmatig over de standplaats verspreid.  Wanneer de planten zijn opgekomen kan er uitgedund worden. De verwijderde plantjes kunnen op een andere plaats worden uitgezet.

Onkruiden dienen verwijderd te worden om te verhinderen dat deze planten het zaaigoed overwoekeren. Het kan moeilijk zijn om de gezaaide planten te onderscheiden van het onkruid. Ook kunnen vraatzuchtige slakken roet in het eten gooien.

In het begin worden de zaden goed vochtig gehouden en wordt er niet bemest. (Zaden bevatten zelf voedingsstoffen voor de eerste periode)

Uitplanten
Half mei is de meest gebruikelijke planttijd voor eenjarigen. Men spreekt over planten na de ijsheiligen.
Tweejarigen worden in het najaar of in het voorjaar geplant.
Er wordt een ruim plantgat gemaakt in losgemaakte en bemeste aarde. De plantjes gaan niet altijd even gemakkelijk uit de potjes. Er zijn een aantal manieren om ze er onbeschadigd uit te krijgen. Bijvoorbeeld:
– even met het potje in water weken;
– plastic potje voorzichtig kneden;
– plantje op zijn kop houden en met de potrand op de tafelrand kloppen.  Na het planten de grond rond de kluit goed aandrukken en de eerste weken dienen de plantjes ook goed vochtig gehouden te worden.

Voorbeelden
Eenjarige perkplanten:

1     Agerátum houstoniánum
2     Argyránthenum frutéscens
3     Begónia Semperflorens groep
4     Begónia Tuberhybrida groep
5     Fritillaria meleagris
6     Fúchia cultivars
7     Gazania cultivars
8     Impátiens walleriána cultivars
9     Lantána camára
10    Lobélia erinus cultivars
11    Lobulária marítima cultivars
12    Pelargónium Peltatum groep
13    Pelargónium Zonale groep
14    Petúnia cultivars
15    Sálvia spléndens
16    Senécio bícolor
17    Tagétes Erecta groep
18    Tagétes Patula groep
19    Verbéna cultivars
20    Zínnia élegans

Twee jarige perkplanten

1 Althea rosea
2 Campanula medium
3 Digitalis purpureus
4 Dipsacus sylvestris
5 Hesperis matronalis
6 Lunaria annua
7 Oenothera biennis
8 Onopordon acanthium
9 Primula vulgaris
10 Penstemon hybriden
11 Verbascum densiflorum
12 Viola tricolor

 

 

Puzzel:

Horizontaal
5. judaspenning, zilverpenning
7. anjer, duizendschoon
9. stokroos
11. madeliefje
12. sleutelbloem
13. ivoordistel
Verticaal
1. vingerhoedskruid
2. vergeet-mij-nietje
3. mariaklokjesbloem
4. lupine
6. viooltje
8. klaproos
10. muurbloem

 

Coniferen

Kenmerken

Algemeen
Letterlijk vertaald betekent conifeer ‘kegeldragende’.
De zaden van de coniferen zitten verpakt in de kegels, die vele vormen en grootten kunnen aannemen. Elke conifeer heeft zijn eigen kegelvorm. De Taxus heeft geen kegels. Deze draagt een soort bessen.
De bladvorm van coniferen is heel apart. De bladeren hebben de vorm van naalden of schubben. Deze blijven meerdere jaren aan  de  takken zitten.  Hierdoor zijn de meeste coniferen wintergroen. Er zijn ook coniferen die hun bladeren jaarlijks verliezen. Dit geldt voor de Larix en de Ginkgo.
Kenmerkend voor alle coniferen is de typische lucht die vrijkomt als de tak of de bladeren beschadigd worden. Deze geur wordt veroorzaakt door hars.
Coniferen behoren, in tegenstelling tot andere tuinplanten, tot de naaktzadige planten. Dit betekent dat de zaden niet in een zaaddoos of vrucht zitten.  Ze  liggen open en bloot tussen de schubben van de kegels..

Grootte
Je hebt ’m waarschijnlijk wel eens op een plaatje gezien: Sequoiadendron giganteum, de mammoetboom. Dat is de grootste conifeer ter wereld. Hij kan een hoogte bereiken van honderd meter en een doorsnede van tien meter. Die zul je wel niet zo snel in een tuin tegenkomen.

Coniferen kun je in 4 groepen verdelen:

Hoogte
Hoge coniferen

Middelhoge coniferen

Lage coniferen

Dwergconiferen

 

Meer dan 10 meter

Van 2 tot 10 meter

Van 1 tot 2 meter

Kleiner dan 1 meter

In het tuincentrum worden vaak kleine coniferen verkocht onder de noemer ‘ dwergconiferen’. Vaak is dat niet juist omdat veel van deze coniferen uitgroeien tot lage of zelfs middelhoge coniferen. Ze doen er weliswaar enige jaren over maar ze worden het wél. Meestal worden ze dan gerooid omdat men ze dan te groot vindt.

Groeivorm (habitus)
De mens heeft in de loop der jaren een groot aantal coniferenrassen gekweekt. Vandaar dat het assortiment tegenwoordig enorm groot is. Ze zijn er in allerlei hoogtes, groeivormen en kleuren. De meeste coniferen hebben een piramidale groeiwijze, maar er zijn ook bolvormen, zuilvormen, treurvormen en breed uitgroeiende vormen. En als een conifeer geënt wordt op een onderstam ontstaan er treurvormen en kleine bolvormige boompjes.

Coniferen heb je in allerlei vormen.

 

Een groot aantal coniferen kunnen ook als haag aangeplant worden. Ze worden dan één of tweemaal per jaar in vorm geknipt.

Sierwaarde
De meeste sierwaarde danken de coniferen aan het feit dat ze hun blaadjes behouden en daarmee ’s winters kleur geven aan de tuin. Verder ontlenen coniferen hun sierwaarde aan de groeivorm, de bloem of de kegel, de stam, of een combinatie hiervan.

Sierwaarde aan de groeivorm
Coniferen kunnen hun sierwaarde ontlenen aan hun groeivorm. In de figuur zie je voorbeelden hiervan. Op basis van de groeivorm worden ze op diverse manieren ingedeeld. Zo onderscheidt men: kegelvorm, piramidevorm, bolvorm, bodem bedekkende vorm en zuilvorm. Een andere indeling is opgaande vorm en liggende vorm.

Sierwaarde aan het blad
Coniferen  kennen  een  grote  verscheidenheid  aan  bladkleuren.  Er  zijn  lichtgroene,  donkergroene,  blauwe, grijsgroene en gele coniferen. Behalve de kleur is ook de textuur belangrijk. Kijk maar eens van een afstand naar coniferen. Je zult zien dat de ene plant grover lijkt dan de ander. Coniferen met kleine of smalle naalden komen veel fijner over dan die met brede naalden of schubben. We spreken dan van een fijne textuur. De meeste coniferen behouden ’s winters hun blad en daarmee ook hun kleur. Enkele soorten laten hun bladeren wél vallen, bijvoorbeeld de Lariks. De bladeren van de taxus zijn giftig. Ze kunnen dodelijk zijn voor paarden. Sommige tuincentra zamelen snoeihout van cactus in. Hieruit worden stoffen gehaald voor chemotherapie tegen kanker.

Sierwaarde aan de bloem of de kegels
De bloei van coniferen is over het algemeen erg onopvallend. De bloemen zijn meestal erg klein en geelgroen van kleur. Een uitzondering daarop vormt bijvoorbeeld Abies koreana, de Koreaanse den. Die draagt al op jonge  leeftijd  mooie  paars  gekleurde  kegels.  Ook  de  fraaie  roodgekleurde  vrouwelijke  bloemen  zijn  heel opvallend.             De kegels van Abies koreana zijn erg fraai. De taxus heeft fel rode bessen. De pitten zijn zeer giftig.

Sierwaarde aan de stam
Coniferen kunnen op latere leeftijd een mooie stam vormen, die opvalt door z’n kleur of z’n structuur. De stam kan  heel  ruw  worden  doordat  schors  openbreekt.  De  takken  van  jonge  coniferen  kunnen  tijdens  de  kweek makkelijk uitgebogen worden. Daardoor kunnen in een later stadium bonsais ontstaan.

Bloeitijd en kleur
De bloeitijd van coniferen is niet zo belangrijk. Alleen de soorten met gekleurde bloemen zijn wellicht belangrijk. Meestal zijn de bloemen erg klein en vallen alleen op doordat ze massaal aanwezig zijn. Veel coniferen produceren enorme hoeveelheden stuifmeel dat bij beweging vrijkomt. Dan komt er een wolk stuifmeel uit de plant. Vooral bij de Taxus is dit verschijnsel goed te zien. De kegels (zaaddozen) zijn veel belangrijker. Ze kunnen allerlei vormen aannemen, van een klein bolletje tot een grote kegel of zelfs bessen. ’s Zomers al hangen ze aan de conifeer, maar pas in het najaar verkleuren ze en worden beter zichtbaar. De kleur van de kegels en bessen varieert van paars tot groen en bruin.

Standplaats en grondsoort
Coniferen stellen eisen aan de standplaats. Coniferen met gekleurd blad bijvoorbeeld groeien het beste in de zon.  Andere  coniferen  kunnen  ook  in  de  schaduw  groeien.  Ook  de  grondsoort  is  heel  belangrijk.  Niet  alle soorten  kunnen  op  zware  grond  (kleigrond)  groeien.  De  meeste  geven  de  voorkeur  aan  losse,  humusrijke grond.

Toepassingen
Coniferen worden voor een aantal doeleinden aangeplant. In particuliere tuinen vooral om hun sierwaarde van de  bladkleur,  de  kegels  en  de  groeivorm.  Ze  worden  ook  gebruikt  om  een  dichte  haag  te  vormen,  die bescherming  biedt  tegen  inkijk  van  de  buren  en/of  de  wind.  Ook  voor  de  sier  worden  hagen  tegenwoordig aangeplant. Daarbij worden de meest ingewikkelde patronen gemaakt. Picea en Abies worden gebruikt als kerstboom.

Maatvoering en kwaliteit
In de handel wordt de maatvoering van coniferen als volgt geregeld:

  • Bij opgaande coniferen wordt de lengte van de conifeer aangegeven. Een schijncypres 80-100 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter.
  • Bij platgroeiende of breed uitgroeiende coniferen kan geen lengtemaat gegeven worden. Hierbij wordt de doorsnede van de conifeer aangegeven, bijvoorbeeld 20-30.

Bij coniferen in een pot (container) wordt bovendien de c van container aangegeven. Een schijncipres 80-100 c5 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter en is opgekweekt in een container van 5 liter. Bij coniferen die op stam zijn geënt, wordt de ent-hoogte aangegeven.

Met betrekking tot de kwaliteit zijn de volgende punten belangrijk:

Bovengronds:
-De stam moet recht zijn.
-De stam en de takken mogen niet beschadigd zijn.
-De takken moeten regelmatig over de stam verdeeld zijn.
-De conifeer moet ziektevrij zijn.

Ondergronds
-De wortels mogen niet beschadigd zijn.
-De kluit moet goed stevig zijn.
-Aan de kluit moet een gaaslap (‘broek’) geknoopt zijn.

Een conifeer planten
Coniferen worden altijd met een kluit geplant, anders gaan ze namelijk bijna altijd dood. Een uitzondering hierop vormt de Taxus. Die kun je tot een hoogte van 50 cm nog zonder kluit planten. Het is ook zaak om coniferen nauwkeurig te planten. Als je namelijk te diep plant gaat de conifeer ook dood. De volgende zaken zijn erg belangrijk bij het planten van coniferen:

  • planttijden;
  • grootte en diepte van het plantgat;
  • het verwijderen van de gaaslap;
  • het planten.

Het planten van een conifeer is niet zo moeilijk.

De beste tijd om coniferen te planten zijn de maanden augustus – september en april – mei. Dan is namelijk de bodemtemperatuur optimaal zodat de wortels meteen kunnen gaan groeien. Dat is belangrijk omdat een conifeer het hele jaar door water verdampt. Hij zou dus snel uitdrogen als de wortels niet actief zijn. Een conifeer in een pot (container) kun je het hele jaar door planten.

Het plantgat moet voldoende diep en groot zijn. De kluit moet er ruim in passen. Je moet de conifeer net zo diep  planten  als  deze  op  de  kwekerij  gestaan  heeft.  De  grond  moet  goed  luchtig  zijn.  Storende  lagen  en wateroverlast zijn slecht voor de groei. Bij het planten moet je de gaaslap losknopen of verwijderen. De knopen in de gaaslap kunnen namelijk groeiremmingen veroorzaken. Ook de nazorg is erg belangrijk. Watergebrek is

de voornaamste oorzaak van het doodgaan van coniferen na het planten. Adviseer de klant dus om goed water te geven tot enkele weken na het planten.

Het is niet eenvoudig om coniferen te verplanten. Afhankelijk van de groeisnelheid en de hoogte is het zelfs al na enkele jaren niet meer mogelijk. Dan kun je de klant het beste adviseren om een nieuw exemplaar te kopen.

Coniferen verzorgen
Coniferen hoeven bijna niet te worden verzorgd. Coniferen worden gesnoeid om mooi vol te blijven en niet te breed te worden. Als ze te hoog dreigen te worden kan men de kop eruit halen.

Snoeien van coniferen
Coniferen  kunnen  worden  onderverdeeld  in  naald-  en  schub-coniferen.

Naaldconiferen  worden  bijna  nooit gesnoeid. Uitzondering daarop is de taxus. Deze wordt vaak als haag aangeplant.Schubconiferen worden wel gesnoeid. Dit moet het liefst bij bewolkt weer gebeuren om verbranding te voorkomen. Als je een conifeer goed bekijkt, zul je zien dat de takken binnen in de plant kaal zijn of bruine schubben hebben.  Dat  wordt  veroorzaakt  door  het  gebrek  aan  licht.  Aan  de  uiteinden  van  de  takken  zie  je  groene schubben. Het nieuwe schot is lichter van kleur. Bij het knippen van coniferen moet je goed opletten dat je niet te diep knipt. Je moet nog groene schubben aan de plant laten zitten. Een conifeer kan niet meer uitschieten op het kale hout. Een uitzondering hierop is de taxus. Deze kan heel diep teruggeknipt worden.
De beste tijd om schubconiferen te snoeien is augustus. Haagconiferen kun je het best in mei, juni en/of in augustus knippen.
Bij snelle groeiers moet je vaak tweemaal per jaar knippen. Voor het snoeien van coniferen gebruik je meestal een heggenschaar. Een taxus loopt opnieuw uit als deze diep teruggeknipt is.

Bruinverkleuring en bladval
De bladeren van coniferen gaan gemiddeld 3 tot 5 jaar mee. Daarna vallen ze af. Hierdoor tref je onder coniferen altijd afgevallen bladeren aan. Door milieuvervuiling kunnen de bladeren eerder verslijten en afvallen. Hierdoor wordt de sierwaarde van de plant aangetast.
Door lichtgebrek zullen de takken binnen in de boom of struik meestal bruin verkleuren. Bruinverkleurde takken lopen niet meer uit als je erop terugsnoeit.
Een ander oorzaak voor bruinverkleuring is takluis. Hierdoor kunnen hele takken bruin verkleuren.Door bruin verkleuring worden coniferen brandgevoelig en daardoor kwetsbaar voor vandalisme. Om deze reden kan het op bepaalde plaatsen onverstandig zijn om coniferen langs de weg te planten.

SORTIMENT
============================================

  1. Abies balsamea ‘Nana’ dwergbalsemden
  2. Abies koreana koreaanse den
  3. Cedrus libani `Glauca Pendula’ treurceder
  4. Cryptomeria japonica `Cristata’ japanse cipres
  5. Chemaecyparis lawsonina schijncipres
  6. Chamaecyparis lawsoniana `Columnaris’ schijncipres
  7. Chamaecyparis lawsoniana `Lane’ schijncipres
  8. Chamaecyparis obtuse `Nava Gracilis’  dwergcipres
  9. Chamaecyparis pisifera `Filifera Aurea’  dwergcipres
  10. Juniperus communis `Compressa’ jeneverbes
  11. Juniperus squamata `Blue Carpet’ jeneverbes
  12. Juniperus media `Old Gold’ jeneverbes
  13. Larix kaempferi japanse lork
  14. Larix kaempferi ‘Bleu Dwarf’ bollarix
  15. Metasequoia glyptostroboides  Chinese moerascyprus
  16. Picea abies fijnspar/kerstspar
  17. Pirea abies ‘Nidiformis’ dwergspar
  18. Pinus mugo mughus grove den
  19. Taxus baccata `Fastigiata’ zuiltaxus
  20. Thuja occidentalis `Rheingold’  westerse levensboom
  21. Thuja orientalis oosterse levensboom
  22. Tsuga canadensis ‘Jeddeloh’       hemlockspar ===============================================

 

BRONNEN
=============================================

Jacobs plant
Wim Wagenaar
Coniferenvereniging
JH vd Pol
Bomengids
Groenkalender
Wikipedia
Eigen huis en tuin
Intratuin
Tuinadvies
Coniferennet
Tuinclub
Tuinkrant
Droomtuinen snoeitips
Boomkwekerij-frijns
Visserplant conifereninvollegrond
Veldsprong
Flevo-Ebbe
Bakker-hillegom
Bayer luizen
Test je kennis
Tuin.fan
Coniferen lesbrief Sluiter

 

 

Bomen en struiken

Inleiding

Bomen, struiken en klimplanten zijn houtachtige gewassen. Ze hebben een stam en takken van hout. Daardoor zijn ze steviger dan kruidachtige gewassen, zoals een brandnetel of een dahlia. Houtachtige gewassen worden vaak groter en ouder dan kruidachtige gewassen.
Bij volgroeide bomen beginnen de takken op enkele meters boven de grond uit de stam. Bij struiken beginnen de takken veel lager, bijna op de grond. Meestal zijn deze takken dunner dan de takken van bomen. Soms zijn ze ook minder houtachtig en dus veel buigzamer.
Bomen hebben een centrale hoofdstam of hoofdtak. Opvallend is als we naar de kroon van een boom kijken deze meestal een herkenbare hoofdtak en ook zijtakken heeft.
Veel loofbomen verliezen in het Nederlandse klimaat hun blad in het najaar en zijn in de winter dus kaal. Ook een kale boom heeft in de tuin of in een park een bepaalde esthetische kwaliteit. Soms ook is een fraaie bast een goede reden voor aanplant.
Sommige coniferen verliezen naalden in de winter terwijl andere groen blijven. Coniferen bezitten geen loofblad, maar naalden of schubben.

Indeling

Bij het indelen van bomen kun je diverse criteria hanteren.

Voorbeelden zijn:

A Indeling naar bladvorm:
– loofbomen
– naaldbomen

B Indeling naar gebruik:
– bosboom
– laanboom
– plantsoenboom of parkboo
– solitairboom
– straatboom voor brede straten
– straatboom voor smalle straten
– tuinboom

C Indeling naar groeiwijze
– snel groeiend
– langzaam groeiend
– bodembedekkend (bij coniferen
– geschikt als haag (vooral bij coniferen)

D Indeling naar de vorm van de kruin:
– zuilvormig
– piramidaal-ovaal
– rond
– breed
– overhangend

E Indeling naar groeihoogte:
– hoger dan 15 meter zijn bomen van de eerste grootte
– van 10 tot 15 meter zijn bomen van tweede grootte
– van 6 tot 10 meter zijn bomen van derde grootte
– van 1 tot 6 meter (vooral bij coniferen)

Toepassing
Bomen worden toegepast al naar de omstandigheden zoals de beschikbare ruimte. Ook is het belangrijk rekening te houden met het bestand zijn tegen zeewind, wind, droogte, vervuiling, grondsoort en dergelijke. Ook de bloei, vruchten, bladvorm en bladkleur zijn van belang bij de keuze.
Voor de bloemsierkunst zijn van vele boomsoorten takken met of zonder blad bruikbaar. Ook de bast is soms erg fraai. De bloeiwijze is ook soms geschikt, denk aan de kastanje en natuurlijk de vruchten van sommige soorten zoals plataan en kastanje.
Grote bomen kunnen in een kleine tuin met hun vele wortels soms veel water en voedsel uit de grond halen. Ook kan door de schaduw uw assortiment tuinplanten beperkt worden.

Geschikte standplaatsen
Niet elke boom of struik voelt zich lekker op dezelfde plek. De ene struik houdt van een open, zonnige plek, terwijl een andere soort weer graag op een natte, beschutte plaats groeit. Kortom: elke soort heeft zijn eigen favoriete standplaats.
Schaduwsoorten groeien het best als ze niet te veel licht krijgen. Bijvoorbeeld midden in een dichtbegroeid bos. In de felle zon zouden ze uitdrogen. De lichtsoorten hebben daar minder last van. Zij houden van felle zon en groeien door die zon sneller dan schaduwplanten.
Ook op het gebied van de bodem hebben planten voorkeuren. Er zijn planten die het goed doen op zandgrond of juist op klei. Dat heeft te maken met de voedingsstoffen die in de bodem zitten. Maar ook met de vochtigheid van de bodem. Veen is erg vochtig, zand juist erg droog. Planten groeien het snelst op hun favoriete bodem. Ook krijgen ze daar minder snel last van ziekten en plagen.

Verzorging
Voor de verzorging is vooral van belang om na te gaan of de boomsoort het zal doen in de omgeving waar u woont. Bij de meeste soorten is snoeien niet nodig, maar als in een beperkte tuin ze te groot worden is snoeien een goede oplossing. Het beste is jong te beginnen om het model mooi te houden. Zeewind is voor sommige bomen niet goed.
Als u takken van bomen in bloemwerk gebruikt, knip ze dan af en zet ze op water met daarin een heesterchrysal. Na enkele uren kunt u de takken in het bloemwerk gebruiken.

Houtachtige beplantingen
Overal waar je kijkt, zie je bomen en struiken. In het bos natuurlijk, maar ook rondom het schoolplein en in de straat waarin je woont. Soms zijn die struiken en bomen daar toevallig als zaadje terechtgekomen. Maar vaker nog zijn ze aangeplant door mensen. Omdat ze mooi zijn om naar te kijken bijvoorbeeld. Of om te voorkomen dat iedereen zomaar bij je naar binnen kan kijken! Beplantingstypen kunnen heel verschillende functies hebben.

Beplantingstypen
Je kunt houtachtige gewassen op verschillende manieren aanplanten. De manier waarop bomen of struiken bij elkaar staan, noem je het beplantingstype. In de volgende figuren staan de belangrijkste beplantingstypen.

Beplantingstypen met bomen:

Beplantingstypen met struiken:

Beplantingstypen met bomen en struiken

Bijzondere beplantingstypen:

Functies van beplantingstypen

Hoe je bomen of struiken aanplant, hangt af van de functie van de beplanting. Wil je de wind uit je tuin houden, dan plant je een coniferenhaag aan. Wil je een oude boerderij extra sfeer geven of een ongewenst uitzicht afschermen, dan plant je leibomen aan. Ook het aangeplante groen op het platteland heeft een functie. Vroeger werden knotwilgen bijvoorbeeld aangeplant om manden en bezems van de takken te maken. Een ander voorbeeld van een groenfunctie is veekering: rijen (doorn)struiken die weiden van elkaar scheiden. Soms worden er houtwallen gemaakt om het vee te keren

Veelvoorkomende beplantingstypen in woonwijken:

Als er groen wordt aangeplant, is dat vaak voor de dieren. Die vinden er beschutting en voedsel. Zo kunnen er bijvoorbeeld vogels nestelen en bunzingen een hol maken. Soms worden er kleine bosjes voor de dieren aangeplant, maar er worden ook stukken natuur aangelegd die grote natuurgebieden met elkaar verbinden. Dit noem je ecologische verbindingszones.

Bomen op een tuincentrum
Bomen worden ingekocht op de Nederlandse of buitenlandse markt. Doordat het klimaat steeds milder wordt gaan tuincentra steeds meer buitenlandse soorten verkopen. Soms halen ze deze zelf uit het buitenland. Vooral Italië is erg populair. Als maataanduiding hanteert men de omtrek van de stam op 1 m boven de wortelhals.
Bomen kunnen erg arbeidsintensief zijn. Vooral als ze niet snel verkocht worden. Vaak staan ze buiten, in containers op worteldoek. Ze moeten dan beschermd worden tegen omwaaien en beschadigen. Soms blijft een boom langer dan een jaar staan. Gedurende deze tijd moet de boom verzorgd en ingeboet worden. Ingekuilde bomen zijn het minst kwetsbaar maar leveren extra werk op bij het verkopen en verzorgen.

Bomen in de tuin
In het tuincentrum zul je vooral vragen krijgen over de standplaats, de grootte en het snoeien.
Bomen worden afgeleverd in containers of met (ingegaasde) kluit. De maat van containers wordt aangegeven met een C-maat. C80 betekent dat de container een inhoud heeft van 80 liter. Als bomen geplant worden komen ze even diep als ze op de kwekerij gestaan hebben. De eerst periode worden bomen gesteund met een boompaal. Deze beschermd de boom tegen harde wind. Hij wordt daarom meestal aan de westzijde geplaatst. Soms kan het nodig zijn om meerdere palen te plaatsen. Bomen worden aan de boompaal vastgezet met een boomband.
Door de containerteelt kun je bomen het hele jaar planten. Voor losse bomen geldt: Blad houdende heesters worden, in verband met de verdamping, in een koele periode geplant. Meestal in de winter bij vorstvrij weer. Bladverliezende heesters plant men van oktober tot april. Bomen met kruidachtige wortels plant men bij voorkeur in het voorjaar omdat beschadigde wortels kunnen bevriezen.

Bomen worden om de volgende redenen gesnoeid:
– Storende takken verwijderen
– Klein houden
– Vorm behoud
– Veiligheid

Het beste moment van snoeien is vaak de zomer. Wonden genezen dan snel en de boom groeit er snel over heen waardoor je er niets meer van ziet. Je mag maximaal 20% van de bladmassa verwijderen. Vaak wordt tijdens de winter gesnoeid, als het niet vriest. Mensen hebben dan veel tijd en je kunt goed zien wat je doet.
Vaak zie je dat takken niet tot aan de stam worden weggesnoeid. Er ontstaan dan z.g. kapstokken. Deze zien er lelijk uit.

kapstokken

Veel bomen verliezen voor de winter hun bladeren. Dit beschermt de plant tegen uitdrogen. De opname van water neemt door de dalende temperatuur namelijk af. Zou de verdamping niet afnemen dan zou de boom verdrogen. Bomen als beuk houden hun blad lang vast. Dit beschermt de bast tegen zonnebrand.

Omdat afgevallen blad er slordig uitziet wordt dit meestal opgeruimd. Voor de plant is het vaak beter om dit niet te doen. Blad beschermt de wortel en levert voedsel als het verteert. Voor het opruimen van afgevallen bladeren zijn bladblazers in de handel.

beste beschrijving van het begrip ‘standplaats’?

  • De plaats waar een boom of struik staat.
  • De plaats waar een boom of struik het best gedijt.
  • De samenstelling van de bodem op de plaats waar een boom of struik staat.

 

 

Bol- en knolgewassen

Bol- en knolgewassen

Bol- en knolgewassen kennen we vooral uit het voorjaar. Het zijn verdikte plantendelen die zich onder de grond bevinden. Veel bol- en knolbloemen worden als snijbloem gebruikt. Sommige bollen en knollen worden tot de groenten gerekend. De meesten zijn bekend door het gebruik in de tuin. Vooral de voorjaarsbloeiers zijn erg populair voor het opvullen van de vroege voorjaarstuin.

Bol of knol?
Het verschil tussen bollen en knollen is dat het reservevoedsel bij bollen opgeslagen wordt in de ondergrondse bladeren (de vlezige rokken of schubben) en bij knollen in de vlezige wortel (wortelknollen) of de stengel (stengelknollen).Bekende voorbeelden van bollen zijn tulpen en uien.
Voorbeelden van wortelknollen zijn speenkruid en dahlia.
De krokus en de aardappel zijn voorbeelden van stengelknollen.
Als je een bol doorsnijdt zul je zien dat deze uit losse blaadjes bestaat. Dit zijn de verdikte bladscheden ofwel rokken. Als je een knol doorsnijdt is deze massief. Bollen en knollen kunnen eenjarig of meerjarig zijn.

Wanneer bloeit wat?
Niet alle bolgewassen bloeien in het vroege voorjaar. Het is belangrijk dat je de bloeitijd kent, zodat je weet wanneer je ze moet planten.
Bloei- en planttijd van bol- en knolgewassen:

Bollen planten
Bol- en knolgewassen kun je verdelen in voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers.
Voorjaarsbloeiers bloeien in de periode van februari tot mei. Je moet ze voor de winter planten.
Zomerbloeiers bloeien in de zomer. Deze moet je na de vorst planten en voor de vorst weer rooien.
Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat de hoeveelheid grond boven de bol of knol gelijk is aan de hoogte van de bol of knol.
Wortelknollen als dahlia’s hebben geen knoppen. Ze kunnen alleen uitlopen als er een stukje stengel, met knoppen, aanzit. Het is daarom zinloos om wortelknollen zonder stengel te planten. Voor de diepte van deze knollen geldt dat ze zo ondiep komen dat de stengel na het planten net boven of net onder de grond zit.

Groei
We nemen de tulp als voorbeeld.

Voordat de plant boven de grond komt heeft zich al een heel proces afgespeeld. Uit het aanwezige reservevoedsel zijn onder de grond achtereenvolgens stengel, blad en bloem aangelegd. Dit proces is grotendeels gestuurd door de bodemtemperatuur. (Door dit na te bootsen kun je de bloeiperiode sturen. Dit nabootsen heet het prepareren) Deze gezamenlijk gevormde delen (de spruit) gaan zich langzaam strekken. Als de gunstige tijd voor de groei aanbreekt, is de plant klaar om in korte tijd bovengronds uit te lopen en tot bloei te komen. Dat gaat allemaal ten koste van het opgeslagen voedsel, zodat de vlezige rokken of de knol erg snel slinken.

In dezelfde tijd zijn nieuwe wortels gevormd die het voedsel opnemen uit de grond. Ook de groene bladeren beginnen hun werk te doen. Onder invloed van zonlicht worden van koolzuurgas uit de lucht en water uit de bodem brandstoffen gemaakt. Dit heet koolstofassimilatie ofwel  fotosynthese. Het zo gevormde voedsel (suikers) wordt voor een deel gebruikt voor de groei van de klisters (knoppen). Deze knoppen groeien weer uit tot nieuwe bollen. De rokken van de oude bol verdrogen. De vlezige rokken van de nieuwe bol worden voorzien van reservevoedsel.

Bij de tulp zal het volgende jaar één of meerdere nieuwe bollen op de plaats van de oude groeien. Dit noemen we eenjarige bollen.

Zo kennen we ook eenjarige stengelknollen (sneeuwklokje, krokus), meerderjarige bollen (hyacint, lelie)  en meerderjarige knollen (knolbegonia, cyclaam).
Jonge knollen worden kralen genoemd.
Wortelknollen zijn altijd meerderjarig (Dahlia)

Als je een aardappelknol vergelijkt met een dahliaknol zie je dat de aardappel een stengel is. Er zitten knoppen op: de pitten. Hieruit ontwikkelen zich zijstengels: de spruiten. Bij andere stengelknollen kun je ook de ringen van de stengelleden zien.
Op de wortelknollen van dahlia’s zitten geen knoppen. Ze kunnen alleen uitlopen als er een stukje stengel aanzit.

Blad niet weghalen
Het is belangrijk om bij de uitgebloeide bollen en knollen de bladeren niet af te knippen of te maaien, omdat het reservevoedsel dan niet voldoende opgeslagen kan worden. Je kunt het blad het beste helemaal laten afsterven

Overhouden
Voorjaarsbloeiende bol- en knolgewassen ontwikkelen zich tijdens de winter. Ze moeten dan in de grond zitten. Na het afsterven van het loof kunnen ze uit de grond gehaald worden. Ze moeten droog bewaard worden en mogen niet uitdrogen. Uitdrogen kun je voorkomen door ze in turfmolm of metselzand te bewaren. Ook moet je voorzichtig zijn voor vreterij door muizen. In de praktijk laat men ze vaak in de grond zitten.

Zomerbloeiende bollen en knollen moet je uit de grond halen en vorstvrij overwinteren. Ook voor deze planten geldt dat je ze moet beschermen tegen uitdrogen en vreterij.

Vermeerdering
We hebben gezien dat eenjarige bollen, als tulpenen narcissen, zichzelf vermeerderen door het vormen van klisters en dat eenjarige knollen, als krokussen en freesia’s zichzelf vermeerderen door kralen. Bij aardappels zwellen de ondergrondse stengels op tot nieuwe knollen.

Meerderjarige bollen doen dit niet automatisch via de bol. In de natuur zullen ze zich vermeerderen via zaad. Kwekers vermeerderen hyacinten bijvoorbeeld door het weghalen van de bolschijf. Dit heet hollen,  uithollen of kruisen als de bolschijf alleen maar beschadigd wordt. De klisters komen dan bloot te liggen. Na het wegleggen van de bol gaan de klisters zich ontwikkelen tot jonge bolletjes. Bij lelies halen de kwekers de rokken, met daaraan een of meerdere klisters uit elkaar. Dit heet schubben. De schubben worden als het ware uitgezaaid. De klisters groeien dan uit tot bolletjes.

Meerderjarige stengelknollen als knolbegonia en cyclaam, zou je kunnen delen maar dat levert erg weinig nakomelingen op. Kwekers vermeerderen deze planten door zaaien.

Wortelknollen als Dahlia’s kun je scheuren als er maar een stukje stengel aan blijft zitten om op uit te lopen. Dahlia’s kun je ook stekken.

Opmerking
Planten als Lelietje der Dalen en Canna hebben wortelstokken. Dit zijn verdikte ondergrondse stengels. Ze zijn daarom vergelijkbaar met stengelknollen.

 

Sortiment

  1. Allium giganteum Reuzenui
  2. Allium moly Sierui
  3. Allium oreophilum Sierui
  4. Anemone blanda             Anemoon
  5. Anemone nemorosa Bosanemoontje
  6. Begonia tuberhybrida Knolbegonia
  7. Canna cultivars Bloemriet
  8. Chionodoxa luciliae Sneeuwroem
  9. Colchicum autumnale Herfststijloos
  10. Crocus chrysanthus Botanische krokus
  11. Dahlia cultivars Dahlia
  12. Eranthis hyemalis Winterakoniet
  13. Fritillaria imperialis Keizerskroon
  14. Fritillaria meleagris Kievitseitje
  15. Galanthus nivalis Sneeuwklokje
  16. Hyacinthus cultivars Hyacint
  17. Lilium cultivars Lelie
  18. Muscari armeniacum Blauw Druifje
  19. Narcissus cultivars Narcis
  20. Scilla sibirica ‘Spring Beauty’ Sterhyacint
  21. Tulipa cultivars      Tulp

Bladverliezende heesters

Inleiding

We vinden het in onze streek normaal dat heesters in het najaar hun bladeren afstoten. Planten die dat niet doen zijn in de meeste gevallen uitheems.

Door het afstoten van bladeren beschermen planten zich tegen uitdroging in periodes dat de wateropname stagneert door lage bodemtemperaturen.

Sierwaarde
Bladverliezende heesters worden toegepast om hun bloemen, blad, vruchten en vorm.

– Bloemen
Binnen deze groep komen veel mooie bloemheesters voor. Door het hele jaar zijn er wel bladverliezende heesters die bloemen geven. In de winter beginnen heesters als; toverhazelaar en winterjasmijn. Veel  voorjaarsbloeiers hebben gele bloemen. Later in de zomer zorgen o.a. de Hortensia’s voor een bloemenzee in de tuin en voor een lange bloeitijd.
In de winter en in het voorjaar, als ze nog geen blad hebben, komen de bloemen extra goed tot hun recht. Als de bloemen ontstaan rondom de oude takken spreekt men over takbloeiers.

-Bladeren
Bladverliezende heesters veranderen elk seizoen. Dit maakt ze zo bloeiend. In het voorjaar heb je de ontluikende bladeren; tijdens de zomer de grote variatie in bladvormen, bladafmetingen en bladkleuren en in het najaar de herfstkleuren. Herfstkleuren ontstaan doordat planten alle bruikbare stoffen uit de bladeren zuigen.

– Vruchten
Veel heesters laten hun zaden met de wind meevoeren, andere struiken verpakken hun zaad in een vrucht die dient als voedsel voor dieren die op hun beurt zorgen voor de verspreiding van het zaad. Vruchten zien er vaak prachtig uit, trekken dieren aan en kunnen soms gebruikt worden als fruit.

– Vorm
Heesters kunnen prachtige vormen hebben. Deze kunnen, vooral als er geen bladeren aanzitten, heel bepalend zijn voor de wintertuin.
Sommige heesters hebben een aparte vorm, zoals de kronkelhazelaar en de maar ook de Euonymus japonicus ‘Alatus’. Ook zijn er heesters met een treurvorm en een zuilvorm. Afzonderlijke takken kunnen allerlei kleuren en vormen hebben die de heester tot een bijzondere plant maken.

Toepassing
Heesters worden toegepast al naar de omstandigheden zoals de beschikbare ruimte.
Ook is het belangrijk rekening te houden met het bestand zijn tegen zeewind, wind, vervuiling, grondsoort en dergelijke. Ook de bloei, vruchten en bladvorm en bladkleur zijn van belang bij de keuze. Belangrijk bij de toepassing van heesters in de tuin is ook de standplaats zoals schaduw, zon, nat, droog. Sommige heesters kruipen via de wortels verder door de tuin. Dit is van belang als u heesters aanplant en de ruimte voor uitgroei beperkt is.
Sommige heestersoorten zijn ideaal voor insecten, vlinders en vogels. Ze geven niet alleen voer, maar soms ook nestgelegenheid.
Voor de bloemsierkunst zijn vele heestersoorten geschikt en wel in verschillende stadia zoals kale takken, takken met bloemen of blad en takken met vruchten.
Enkele soorten heesters worden in de winter in bloei getrokken zoals: Forsythia, Syringa, Viburnum opulus, en Prunus triloba.

Verzorging in de winkel
We hebben hier te maken met een zeer grote en gevarieerde plantengroep.
Alle soorten worden in verschillende maten aangevoerd. Bij opgaande heesters geeft men de hoogte aan; bij bodembedekkende heesters de breedte. Omdat de planten binnen een partij nooit allemaal hetzelfde kunnen zijn vermeldt men altijd twee maten: de maat van de grootste- en de maat van de kleinste plant.
Zo ver het om inheemse planten gaat zijn ze in het algemeen probleemloos. Bijzondere soorten eisen vaak wat meer zorg. Tegenwoordig zie je veel import van grote bijzondere planten uit bijvoorbeeld Italië.
De meeste heesters worden afgeleverd in potten. Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld planten die ingegaasd zijn tot kluiten en planten met vrije wortels.  Vaak zijn deze gebundeld tot bossen. Een bijzonder groep vormt bosplantsoen. Dit zijn in het algemeen de wat eenvoudigere, goedkope planten die gebruikt worden op grote percelen, voor erfbeplantingen en langs wegen.
Heesters worden weggezet op de koude afdeling van het tuincentrum. Vaak is dat buiten. Om de verkoop bij slecht weer te bevorderen zie je steeds meer bedrijven die voor deze productgroep een koude kas gebruiken.

Voordat er nieuwe planten weggezet kunnen worden is het in het algemeen nodig om de oude planten in te boeten en op te knappen.
Potten worden weggezet op tafels of op bedden op de grond. Om onkruidgroei te beperken wordt, als ondergrond, anti worteldoek gebruikt. Grote potten worden wel ingekuild. Om het omvallen te voorkomen zijn allerlei steunmaterialen in gebruik. Deze worden vaak geleverd door de leverancier van planten. Ook worden allerlei houtsystemen gebruikt. Hierbij is het de kunst om het netjes te houden.
Bladverliezende heesters worden voornamelijk verkocht als er geen bladeren aanzitten. Dit maakt het herkennen moeilijk. Klanten kunnen zich moeilijk een beeld vormen. Voor het etiketteren betekent dit dat er extra zorg besteed moet worden aan de naamgeving en beeldvorming. Dit kan bijvoorbeeld door elke plant van een sticker of label te voorzien en daarnaast met weerbestendige informatieborden te werken. Deze worden door de leveranciers geleverd.
In het algemeen is de omloopsnelheid dusdanig groot dat de verzorging zich beperkt tot gieten en netjes houden van de verkoopvakken. Buiten het seizoen houdt men de voorraad zo beperkt mogelijk. Tuincentra waar de buitenafdeling de hoofdzaak van het bedrijf uitmaakt gaan vaak verder. Deze hebben altijd een gevulde verkoopafdeling en zullen meer aandacht besteden aan het verzorgen. Hier kom je extra handelingen tegen als bemesten, rondsteken, steunen, verplaatsen, snoeien enz.

Verzorging in de tuin
Als heesters op de juiste wijze zijn aangeplant behoeven ze niet zo veel onderhoud.

– Planten
Containerplanten kun je het hele jaar planten. Het beste is de periode november tot en met april. Bij droog weer moet je veel aandacht besteden aan het geven van voldoende water. Los plantgoed kun je alleen planten als er geen bladeren aanzitten. Dit is in de periode november tot en met april. Als plantdiepte houdt men de diepte aan die men op de kwekerij heeft aangehouden. Hagen worden vaak dieper geplant. De eerste zijtakken komen dan in de grond. Zo krijgt men een haag die vanaf de grond gesloten is.

Bij kluitplanten met een gaaslap moet de klant de lap verwijderen of losmaken. Als hij dit niet doet wordt de wortelontwikkeling afgeremd en zal de plant moeilijk aanslaan of verdrogen.

– snoeien
Als de sierwaarde alleen op de bladeren berust is snoeien erg eenvoudig. Heb je met bloei te maken dan loop je het risico dat de knoppen worden weggesnoeid.

Snoeien is vooral van belang omdat de struiken anders te groot of kaal van onderen worden. Als planten om deze reden worden  teruggesnoeid spreekt men over verjongingssnoei. We krijgen dan een verjongingsheester. Het is ook mogelijk om alleen de zwaarste takken weg te nemen. Als heesters door snoeien hun natuurlijke vorm verliezen spreken we over doorgaande heesters.

Geënte planten als rozen en kronkelhazelaar kunnen last hebben van wildopslag. Dit moet zo snel mogelijk verwijderd worden om concurrentie te voorkomen.
Planten die weinig wortels hebben bij het verplanten moeten bovengronds direct worden gesnoeid.  Laag snoeien dwingt de plant om jonge grondscheuten te maken.Om een strakke haag te krijgen en te behouden moet je minimaal twee keer per jaar snoeien. Dit doet men dan in mei en september. Knip nooit bij felle zon of bij vorst. Hagen snoeit men zo dat deze van boven naar beneden steeds breder worden. Hierdoor worden ze beter belicht.

Hout dat vorig jaar gevormd is noemt men twijgen; hout van dit jaar noemt men scheuten. Vroeg bloeiende struiken bloeien op oudere twijgen. Deze mag je pas snoeien na de bloei. Later bloeiende scheutbloeiers als vlinderstruik worden na de vorstperiode gesnoeid. Deze hebben dan nog voldoende tijd om bloemscheuten te vormen.  Voor de vorst snoeien heeft als nadeel dat de plant kan invriezen en het geeft een kaal winterbeeld.

– Bladruimen
Als blad lang genoeg blijft liggen verdwijnt het vanzelf. Over het nut van het ruimen van blad en de manier waarop zijn veel verschillende meningen in omloop.

Grofweg zijn er 3 redenen om het blad op te ruimen:

– Veiligheid
Tijdens het rottingsproces wordt blad zacht en glibberig. Op een verharde ondergrond kunnen mensen uitglijden.
– Bodemgesteldheid
Blad bevat veel organische stof. Het blad wordt verteerd door micro-organismen. Deze brengen de organische stof in de bodem en hebben voor het afbraakproces stikstof nodig. Gevolg is dat de bodem meer organisch stof gaat bevatten en minder stikstof. Het laten liggen van blad verschraalt hierdoor de ondergrond, maar verstikt ook aanwezige plantengroei. Voor gazons betekent dit afsterving.
– Het oog
Afgevallen blad hoort bij de natuur. In een kleine tuin kan het een negatieve uitstraling veroorzaken.

In het algemeen kun je ervan uitgaan dat afgevallen blad weinig schade veroorzaakt als dit in de plantenborder ligt. Desgewenst kun je het in het voorjaar licht onderwerken. Blad verhoogt het organisch stof gehalte en zal op den duur voedingsstoffen leveren. Op gazons moet het verwijderd worden.
Sommige soorten doen er lang over om te veteren. Dit geldt bijvoorbeeld voor kastanje- en notenblad. Eikenblad verzuurt de grond. Bij grote hoeveelheden kun je deze soorten composteren en na een jaar gebruiken als organische bemesting.

Sortiment

No Wetenschappelijke naam:  Nederlandse naam:  Kenmerken
1 Amelanchier lamarckii  Krentenboompje
2 Aralia elata Duivelswandelstok
3 Buddleja davidii
`Empire Blue’ 
Vlinderstruik
4 Callicarpa bodinieri `Profusion’  Schoonvrucht
5 Cornus alba `Sibirica’   Witte Kornoelje
6 Cornus mas  Gele kornoelje
7 Cornus stolonifera `Flaviramea’  Kornoelje
8 Corylopsis pauciflora  Schijnhazelaar
9 Corylus avellana   Hazelaar, Hazelnoot
10 Cotinus coggygria
`Royal Purple’ 
Pruikeboom
11 Euonymus alatus  Kardinaalshoed
12 Forsythia x intermedia `Spectabilis’  Chinees klokje
13 Hydrangea arborescens `Annabelle’  Hortensia
14 Hydrangea macrophylla `Bouquet Rose’  Hortensia
15 Hydrangea macrophylla `Mariesii Perfecta’  Hortensia
16 Kerria japonica  Ranonkelstruik
17 Magnolia stellata Stermagnolia
18 Magnolia soulangeana  Beverboom
19 Philadelphus coronarius Zoete Boerenjasmijn
20 Potentilla fruticosa `Abbotswood’  Ganzerik
21 Prunus triloba  Amandelboompje
22 Sambucus nigra Vlierbes
23 Spiraea japonica
`Anthony Waterer’ 
Spierstruik
24 Spiraea x vanhouttei  Spierstruik
25 Syringa vulgaris  Sering
26 Viburnum opulus `Roseum’  Sneeuwbal
27 Weigela `Bristol Ruby’  Weigelia

======================================================

BRONNEN 

Scarlet herkennen
Bosma boomkwekerij    
Wim Wagenaar

Dutchflowerlink
Neerlandstuin
Exchangeplant 
Jacobsplant

Vormingscentrum België
Online tuinieren
Steunpunt