Bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1     Grond en bodem
1.2   Humus. 2
1.3      Bodemprofiel
1.4      Bodemwater
1.5      Bodemstructuur
1.6      Drainage
1.7      pH
1.8      EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1     Zandgrond
2.2      Kleigrond
2.3      Veengrond
2.4      Zavelgrond
2.5      Lössgrond
3     Flora en fauna
4      Bodemverontreiniging
4.1       Oorzaken
4.2       Stoffen en risico’s

Inleiding
Elk organisme heeft een leefmilieu nodig. Meestal bestaat deze uit grond water en lucht.
In dit hoofdstuk verdiepen we ons in de milieufactor bodem.

1      Begrippen
Grind en bodem zij 2 nauw verwante begrippen. Bij grond gaat het over de afzonderlijke deeltjes. Bij bodem gaat het over een levensgemeenschap van levende en niet levende factoren.
Als je over de grond loopt realiseer je je niet dat zich onder de voeten een complete levensgemeenschap bevindt.Een schepje tuin- of bosgrond onder de microscope maakt duidelijk dat bodem meer is dan wat gronddeeltjes. Als je een verticale kuil graaft zie je een grote variatie in gelaagdheid.
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen een aantal van die begrippen gebruiken om het bodemmilieu te bespreken.

1.1   Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.

1.2   Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem.

1.3   Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.

Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
a      Maaiveld:
Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
b      Bouwvoor:
Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
c      Ondergrond:
Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podsolgronden.

 


1.4   Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is.

Zo onderscheiden we:
–       Hangwater:
Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–       Grondwater:
Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grondporiën met water gevuld zijn.
–       Capillair water:
Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.

Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.

1.5   Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.

We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6   Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.

1.7   pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.

Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.

1.8   EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Als deze in natuurgebieden komen beïnvloeden die het planten- en dierenleven.
Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Dit kun je bijvoorbeeld waarnemen langs wegen waar bij gladheid gestrooid is met zout.

Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.

1.9      Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex.

Het principe berust op elektrische lading. De klei- en humusdeeltjes hebben een negatieve lading. Deze houden positief geladen voedingsstoffen vast. Geladen voedingsdeeltjes heten ionen.

2     Grondsoorten
Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur. Deze eigenschappen beïnvloeden de flora en fauna.
Naast de natuurlijke grondsoorten kennen we grondmengsels en grondverbeteraars die door mensen zijn gemaakt. Deze worden vaak gebruikt in tuinen. Voorbeelden daarvan zijn tuinturf en turfmolm. 

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–       IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–       de loop van de rivierbeddingen;
–       erosie (verwering);
–       vervening.

De bekendste grondsoorten zijn kleigrond, zandgrond, veengrond, zavelgrond en loss.

2.1   Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit. Zand warmt in het voorjaar snel op en is goed doorlatend voor water en lucht.  Zandgrond droogt snel uit, bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast. De pH van zandgrond is altijd laag.

2.2   Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat. Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.
Kleigrond is voedselrijk en vochthoudend. Het is een zware grond die hard wordt bij droogte. Door de dichte structuur is er vaak een slechte waterafvoer en kan er een slechte ventilatie zijn. Dit leidt weer tot slechte plantengroei en weinig bodemleven. In het voorjaar komen kleigronden vaak slecht op temperatuur.
Hoe meer kalk erin zit hoe beter de structuur is.Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.

kienhout Wordt aangetroffen in oude veenlagen. Ideaal voor aquaria, tuinen en bloemwerk

2.3   Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.

2.4 Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.

2.5   Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3      Flora en fauna
Naast de levenloze bodemdeeltjes kom je in de grond dode materialen en levende planten en  dieren tegen. Je ziet er weinig van, maar de hoeveelheid en aantallen zijn erg groot.
Organismen hebben brandstoffen en bouwstoffen nodig. Omdat het in de grond donker is kan er geen fotosynthese plaatsvinden. Dit betekent dat alle organismen, zonder bovengrondse delen, zowel brandstoffen als bouwstoffen uit de grond moeten halen. Planten met bovengrondse bladeren nemen alleen bouwstoffen op uit de bodem.
Bodemorganismen komen aan energie door organisch materiaal te verteren. Daarvoor is zuurstof nodig. Dit verteren is een vorm van verkleinen en opruimen. Daarbij komen allerlei organische- en anorganische stoffen vrij. Deze stoffen vormen weer voedsel voor andere organismen. Op den duur blijft van het organisch materiaal alleen stabiele humus over. Dit kan niet verder meer verteerd worden.
De anorganische stoffen die bij de vertering vrijkomen worden voor een groot deel gebruikt als bouwstof. Hiervan profiteren alle organismen.
Het omzetten van organisch materiaal in anorganisch materiaal heet mineralisatie. Mineralisatie van organisch materiaal is een van de belangrijkste functies die het bodemleven voor de planten- groei  heeft.  Bij  de  mineralisatie  zet  het  bodemleven  organisch  materiaal  om  in  voor  de  plant  opneembare voedingsstoffen. Het omzetten van organisch materiaal in humus heet humificatie.

Samengevat kun je stellen dat het verteringsproces bestaat uit;

  • het verkleinen van onverteerd organisch materiaal;
  • het verteren/mineraliseren van organisch materiaal;
  • het omzetten van organisch materiaal in humusstoffen;
  • het mengen en verplaatsen van materiaal.

Actieve bodembewoners

Bodemorganismen zijn noodzakelijk om kringlopen in stand te houden. Naast mineralisatie en humificatie spelen bodemorganismen een rol bij:

  • het transport van micro-organismen;
  • de productie en onderhoud van bodemholtes en gangen;
  • het versterken van structuurstabiliteit dmv slijmstoffen;
  • de opslag van nutriënten in de biomassa in het organisme zelf.

De bodembewoners zijn globaal als volgt in te delen:

  • wormen: 12%;
  • bacteriën en straalschimmels: 40%;
  • schimmels en algen: 40%;
  • potwormen, mijten, springstaarten, aaltjes enzovoort: 3%;
  • mieren, slakken, pissebedden, larven, spinnen en mollen: 5%.

Regenwormen
Van alle bodemdieren behoren regenwormen tot de meest bekende. Ze dienen als voedsel voor veel andere organismen. Verder spelen ze een belangrijke rol bij de humificatie en mineralisatie. Regenwormen leven van organisch materiaal. Afstervend plantenmateriaal en eventueel mest wordt de bodem ingetrokken, opgegeten en verteerd. Micro-organismen die zelf weinig mobiel zijn worden door regenwormen versleept. De uitwerpselen en de slijmafscheiding van wormen bevatten vrijwel direct voor de plant opneembare stikstof. Wormen zijn in staat door verdichte grondlagen te graven. Ze maken deze lagen zo beschikbaar voor andere organismen en voor plantenwortels.

Overige organismen
Alhoewel de wormen goed zichtbaar aanwezig zijn in de grond vormen ze toch maar een beperkt deel van het totale bodemleven. Minder  zichtbaar  maar  niet  minder  belangrijk  zijn  de  activiteiten  van  kleinere  organismen  zoals  bacteriën, straalschimmels, schimmels, aaltjes, mijten en springstaarten. Een zeer groot aantal planten leeft in symbiose met wortelschimmels (Mycorrhiza). Een aantal soorten speelt een belangrijke rol bij de opname van water en fosfaat. Mijten en springstaarten hebben een regulerende invloed op schimmelgroei in de bodem. Ook zijn er springstaarten die bijdragen aan de vorming van stabiele humus. Roofmijten spelen een grote rol bij de beheersing van plaagvormende organismen.

Omstandigheden

De  activiteit  van  het  bodemleven  is  gebonden  aan  een  aantal  voorwaarden.  Je  moet  hierbij  denken  aan de vochtvoorziening, de aanwezigheid van zuurstof en de temperatuur. Al deze voorwaarden zijn niet voor alle organismen gelijk. Zo zijn humusvormende organismen als wormen en springstaarten actief bij een temperatuur vanaf 0 °C met een optimum bij + 35 °C. Onder zuurstofarme omstandigheden komt mineralisatie al op gang bij een temperatuur vanaf 0 °C, maar blijft op een veel lager niveau dan onder zuurstofrijke  omstandigheden  De  opbouw  van  humus  in  de  bodem  wordt  bepaald  door  het  verschil  tussen humificatie en mineralisatie.

4          Bodemverontreiniging
In de bodem en in het bodemwater komen van nature allerlei stoffen voor zoals stikstof en metalen als ijzer. Deze stoffen maken deel uit van een kringloop en zijn meestal biologisch afbreekbaar door micro-organismen, dieren en planten.
Ook zijn er onnatuurlijke stoffen in het milieu terecht gekomen. Deze door de mensen gemaakte, milieuvreemde stoffen zijn vaak niet of langzaam afbreekbaar en kunnen schadelijk zijn voor milieu of volksgezondheid.
Bodemverontreiniging is de term die wordt gebruikt wanneer er door toedoen van de mens stoffen of materialen in de bodem of het grondwater terecht zijn gekomen die schadelijk zijn voor het ecosysteem of de mens.

4.1      Oorzaken
Verontreiniging wordt voornamelijk veroorzaakt door:
– bodemvervuilende bedrijven;
– langdurige stedelijke bewoning;
– calamiteiten als morsen, lekkage van vaten en leidingen;
– storten van puin en afval als drugsafval;
– ophogingen en dempingen;
– opslag van verf en olie;
– lozingen.

Enkele voorbeelden van bodemvervuilende bedrijven zijn:
– chemische wasserettes;
– benzinestation;
– verffabrieken;
– gasfabrieken;
– metaalverwerkende industrie
– agrarische bedrijven;
– drukkerijen;
– stortplaatsen;
– havens.

Vooral werkwijzen uit het verleden hebben veel schade aangebracht die nu moet worden opgelost.
Vaak zijn het illegale lozingen die ernstige schade aanrichten.

Langdurige stedelijke bewoning heeft gezorgd voor verontreiniging van de bodem op een aantal manieren: ophogingen met puin, storten van afval,  storten van verontreinigd baggerslib, slechte bouwmaterialen en stedelijke bedrijvigheid. 

4.2      Stoffen en risico’s
Omdat bodemverontreiniging erg vervelend is als de grond bebouwd is wordt bouwgrond altijd onderzocht. Bij onderzoek naar verontreiniging (bodemonderzoek) worden standaard een aantal stoffen onderzocht in grond en in het grondwater. Ook wordt gekeken naar de hoeveelheid organische stof in de bodem en naar de zuurgraad van de bodem (pH). Deze factoren beïnvloeden het gedrag van de verontreiniging in de bodem.

Bij een bodemonderzoek wordt gekeken naar de volgende groepen van stoffen;

– zware metalen;
– minerale olie;
– Aromaten.

In het grondwater wordt gekeken naar;
– zware metalen;
– vluchtige aromatische koolwaterstoffen;
– naftaleen;
– koolwaterstoffen;
– minerale olie

Naast deze stoffen kan ook de aanwezigheid van asbest problemen opleveren.

Zware metalen
In het algemeen lossen zware metalen slecht op in water. Hierdoor zijn ze  redelijk immobiel. Zware metalen hechten goed aan klei- en humusdeeltjes. Een lage zuurgraad van de bodem verhoogt de oplosbaarheid.
Voorbeelden van zware metalen zijn lood, zink, koper, arseen, chroom, cadmium en kwik.
Een aantal zware metalen kunnen worden opgenomen door planten. Mensen kunnen er ziek van worden.

Minerale olie
Olie is lichter dan water en blijft als een laag drijven op het grondwater. Een deel van de stoffen in de minerale olie lost op en verspreidt zich zo. Minerale olie is dus vaak een mobiele verontreiniging.
Voorbeelden van minerale olie zijn benzine, diesel en huishoudbrandolie. De verontreinigingen ontstaan door lekkage van olietanks, morsingen en lozingen. De risico’s van verontreiniging door minerale olie ontstaan met name als er contact is met de huid en bij het inademen van de vluchtige stoffen in de minerale olie. Minerale olie wordt in natuurlijke situaties door micro-organismen afgebroken.

Aromaten
Aromaten zijn, net als minerale oliën, koolwaterstofreeksen, maar dan met een aromatische ring.

De belangrijkste verontreinigende aromaten zijn:
– Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK);
– Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK);
– De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL).

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) als naftaleen ontstaan als koolwaterstoffen (bijvoorbeeld barbecue-kooltjes) niet helemaal verbranden. Ze zijn slecht oplosbaar, binden goed aan organische stof in de bodem en zijn in de meeste gevallen een immobiele verontreiniging. Van een aantal PAK’s is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn.

Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK) komen voor in olie, brandstoffen en oplosmiddelen. Ze zijn in het algemeen erg vluchtig. Bij vluchtige stoffen zit het risico vaak bij inademing en soms kunnen de stoffen doordringen in de waterleidingbuizen en zo het drinkwater verontreinigen.
De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL) zijn zwaarder dan water en zakken in de bodem. Een deel van de stoffen lost op in het grondwater en zal zich zo verspreiden (mobiele verontreiniging). Ook zijn deze stoffen erg vluchtig (risico op inademing).

De belangrijkste stoffen zijn:

stof omschrijving eigenschappen
* Benzeen:
.
wordt gebruikt in benzine, rubber en gas Matig oplosbaar, vluchtig en ontvlambaar, uiterst giftig.
* Ethylbenzeen: wordt gevonden bij olieraffinaderijen, organische chemische industrie en wordt gebruikt als oplosmiddel. Matig vluchtig, vormt een drijflaag op het grondwater.
* Tolueen: zit in aardolie, wordt gebruikt als vervanging van benzeen in verf, benzine, parfum en oplosmiddelen. Slecht oplosbaar en zeer vluchtig.
* Xyleen: komt voor in aardolie, benzine en verf. Niet oplosbaar, wel vluchtig.
* Oplosmiddelen: zoals tetrachlooretheen (per) en trichlooretheen (tri). Ze breken op natuurlijke wijze af tot vinylchloride en dat is erg giftig.
 * Cyanide

 

Cyanide is een anorganische stof en komt voor in verschillende vormen die verschillen in mate van giftigheid. In bodemvocht, grondwater en bodemlucht kan vrij cyanide voorkomen. Vrij cyanide is de meest giftige vorm. Cyanide verontreiniging wordt vooral aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen en is te herkennen aan een blauwe kleur in de bodem.
* Pesticiden
.
Pesticiden zijn chemische bestrijdingsmiddelen. Ze zijn in het algemeen slecht oplosbaar in water en moeilijk afbreekbaar
Pesticiden (bijvoorbeeld DDT, Lindan en PCB’s) zijn wèl goed oplosbaar in vet. Dit heeft opstapeling in de voedselketen tot gevolg.
*MTBE
Methyl-tert-Butyl Ether (MTBE)
Wordt sinds 1988 in Nederland aan benzine toegevoegd als vervanger voor lood. Op deze manier wordt de schadelijke uitstoot van lood verminderd omdat met MTBE de verbranding meer volledig is. MBTE blijkt echter naast giftig ook erg mobiel en niet afbreekbaar te zijn.
*Asbest

 

Asbest is een verzamelnaam voor een aantal vezelachtige minerale stoffen (silicaten), die zijn opgebouwd uit zeer fijne vezels. Asbest is op te delen in witte asbest en blauwe en bruine asbest.

 

Witte asbest komt het meest voor en is het minst schadelijk is voor de gezondheid.

Blauwe en bruine asbest bestaat uit  scherpe vezels en het materiaal lost niet op in de longen. De witte asbestvezels zijn rafeliger en kunnen wel oplossen in de longen.

 

4.3     Risico’s

Het gedrag van verontreinigende stoffen wordt bepaald door de volgende eigenschappen:
– oplosbaarheid en mobiliteit;
– binding aan bodemdeeltjes;
– vluchtigheid.

De risco’s kun je verdelen in:
– risico’s voor de mens (gezondheid);
– ecologische risico’s;
– gevaar voor verspreiding.

Risico’s voor de mens
Gevaar voor de gezondheid is een belangrijk punt van aandacht. Mensen kunnen op verschillende manieren in aanraking komen met de verontreinigende stoffen en daar klachten van ondervinden.

Sommige verontreinigende stoffen worden opgenomen door planten. Dat kan via de wortels maar ook via de bladeren (bijvoorbeeld luchtverontreiniging). Het eten van gewassen die verontreinigen hebben opgenomen kan gevaarlijk voor de mens zijn (bij het eten van grote hoeveelheden van deze planten). Mensen in stedelijke gebieden wordt vaak geadviseerd geen groenten uit eigen tuin te eten.

Immobiele verontreiniging, zoals zware metalen als lood, komen vaak voor in de bovengrond. Bij deze verontreinigingen is vooral het contact met de verontreinigde grond een risico. Voorbeelden hiervan zijn contact met de bodem tijdens tuinieren of kinderen die in de tuin spelen (stoppen vaak grond in hun mond).

Tot slot zijn er nog de vluchtige stoffen. Vluchtige stoffen zijn stoffen die gemakkelijk gasvormig worden. Ze lossen niet op in water maar in lucht en zijn op die manier dus ook mobiel. Deze stoffen kunnen uitdampen uit de bodem en zo in kelders, souterrains of woonkamers terecht komen. Ze kunnen dan worden ingeademd. Ook kunnen sommige stoffen doordringen door bepaalde materialen en zo in de waterleiding terecht komen.

Ecologische risico’s
Verontreinigingen kunnen ecosystemen aantasten doordat planten en dieren de verontreinigingen opnemen en doodgaan. Tevens kunnen verontreinigende stoffen kringloopfuncties verstoren. Ook kan natuurlijke afbraak van verontreinigende stoffen zorgen voor giftigere stoffen.

Gevaar voor verspreiding
Als een stof goed oplost in het water, zal deze zich makkelijk verspreiden door de bodem. Men spreekt dan van mobiele verontreiniging. De verontreiniging kan dan in het grond- en oppervlaktewater terecht komen. De situatie kan onbeheersbaar worden.

 

Waterplanten

Inleiding
Planten die in het water groeien als moerasplant of onder water in een vijver hebben eigen kenmerken voor de groei en vorm. We onderscheiden globaal:

  • Planten die ondergedoken in het water groeien.
  • Planten die op het water drijven.
  • Planten die in het water op de bodem wortelen, maar boven water groeien.
  • Moerasplanten.
  • Oeverplanten op een vochtige grond.

Kenmerken van waterplanten
Waterplanten groeien niet allemaal op dezelfde plaats aan of in het water. Zo groeit een waterlelie in het water en een lis juist aan de rand van het water.
Ook de groeivorm verschilt sterk. Een waterlelie groeit met zijn hartvormige bladeren plat op het water, terwijl de lis met zijn lange smalle bladeren hoog boven het water uitsteekt. Zo heeft elke plant zijn eigen kenmerken. 

Standplaats
Bij de waterplanten maken we onderscheid tussen oeverplanten, moerasplanten en de echte waterplanten. En bij de echte waterplanten onderscheiden we ondergedoken waterplanten (de zuurstofplanten) en de drijvende planten.

Elke groep heeft zijn eigen functies.
Iedere plant heeft zijn eigen standplaats.

De  oeverplanten  zorgen  voor  een  natuurlijke  overgang  tussen  de  waterwereld  en  het  land.  Ze  bieden  een schuilplaats en nestgelegenheid aan allerlei dieren.

De  moerasplanten  zuiveren  het  water  doordat  ze  het  overschot  aan  voedingsstoffen  opnemen.  Daarnaast vinden vissen en andere waterdieren een schuilplaats en nestgelegenheid tussen de stengels en de bladeren.

De ondergedoken waterplanten nemen net als de moerasplanten het overschot aan voedingsstoffen op uit het water. Verder produceren ze zuurstof die voor de vissen en andere waterdieren erg belangrijk is. Bovendien kunnen dieren tussen de planten schuilen of eieren afzetten.

De drijvende waterplanten bedekken het wateroppervlak, waardoor er minder licht op de bodem kan komen. Daardoor zal de zon het water minder sterk verwarmen. Verder bieden de bladeren een schuilplaats aan alle dieren in en op het water.

Groeivormen
De ondergedoken en drijvende waterplanten en de moerasplanten hebben verschillende groeivormen.
De  zuurstofplanten  groeien  snel  breeduit.  De  bladeren  blijven  meestal  onder  water  en  de  bloemen  steken boven water uit.
De drijvende waterplanten daarentegen drijven (zoals de naam al aangeeft) op het water. Hun bladeren liggen plat op het water en de wortels bevinden zich in de bovenste waterlaag. Ook de bladeren van de breeduit groeiende waterlelie drijven op het water, maar de wortels wortelen in de vijvergrond.
De moerasplanten groeien in allerlei vormen. Je kunt zowel smal opgaande als breeduit groeiende planten tegenkomen. Sommige soorten woekeren erg. Ook de hoogte van de moerasplanten kan sterk variëren.

Sierwaarde
Voor het samenstellen van een goede vijverbeplanting is het belangrijk dat je de sierwaarden van de verschillende waterplanten kent. Deze sierwaarden kunnen erg verschillend zijn.

Een plant kan zijn sierwaarde ontlenen aan:

  • de groeivorm;
    • het blad;
  • de bloem;
  • de bloeitijd;
  • de geur;
  • de vruchten;
  • of zelfs verschillende soorten insecten, die de plant aantrekt.

Waterplanten: plantdiepten en toepassingen
De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachtspunten.
waterplanten planten video

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.

Water en planten

1        Functies van water
Afhankelijk van de lichamelijke inspanningen en de omgevingstemperatuur kunnen mensen en dieren maar enkele dagen zonder water. De meeste planten kunnen ook maar een korte tijd zonder water. Er zijn natuurlijk uitzonderingen zoals cactussen.
Planten hebben water nodig voor alle levensprocessen.

De functies van water in de plant zijn:

  • productie van suikers door fotosynthese;
  • transport van voedingsstoffen door de plant;
  • temperatuurregeling;
  • celspanning.

Productie van suikers door fotosynthese
In  het  bladgroen  vindt  fotosynthese  plaats.  Water  en  koolzuurgas  worden  met  behulp  van  licht  omgezet  in suikers en zuurstof. Deze suikers gebruikt de plant vooral voor de groeiprocessen. Zonder water is fotosynthese onmogelijk en is er dus geen groei.

Transport van voedingsstoffen door de plant
Samen met het water zuigt de plant bouwstoffen op. Ook het transport van andere stoffen in de plant gebeurt door water
Er is een constante aan- en afvoer van water. Het water zit overal in de plant. De opgeloste voeding wordt dus door de gehele plant getransporteerd.

Temperatuurregeling
Van het opgenomen water wordt ongeveer 98 procent door de bladeren verdampt. Doordat het verdampen van water warmte kost koelt de plant, bij het verdampen van water, af. Je kunt dit vergelijken met transpireren van mensen.

Door het openen en sluiten van de huidmondjes kunnen planten de verdamping regelen. Dit openen en sluiten gebeurt onder invloed van licht, temperatuur en vochtigheid.

Celspanning
Water zorgt voor spanning op de celwand zoals lucht zorgt voor spanning in een fietsband. De kruidachtige onderdelen van de plant, zoals de bladeren, hebben hun stevigheid te danken aan de celspanning. Wanneer een plant onvoldoende water kan opnemen, gaan de kruidachtige delen slap hangen.

2         Hoeveel water heeft een plant nodig?
De meeste planten zuigen water op uit de bodem. De zuigkracht die daarvoor nodig is wordt veroorzaakt door de verdamping van de bladeren. Door het doorgeven van water van de ene cel naar de andere cel ontstaan er drukverschillen tussen de cellen. Op deze manier wordt het water doorgegeven. Dit heet worteldruk.Niet alle planten verlangen even veel water.

We onderscheiden:
–      hydrofyten.
Deze verlangen veel water bijvoorbeeld Parapluplanten.
–      mesofyten.
Dit zijn de planten waarbij we meestal zeggen dat ze een normale hoeveelheid water nodig hebben.
–      xerofyten. Deze hebben weinig water nodig bijvoorbeeld vetplanten

Als verkoper in een bloemenwinkel krijg je vaak vragen over de verzorging van een plant. Je moet de klant kunnen vertellen hoeveel water de plant nodig heeft. Het is onmogelijk om dat voor iedere plant uit je hoofd weten. Het is dus handig als je inzicht hebt of de waterbehoefte snel op kunt zoeken. Dan kun je een goed advies geven. Schrijf de verzorgingseisen voor de klant op, bijvoorbeeld op een bloemenkaartje. De klant zal dit zeker erg prettig vinden.
Je kunt de waterbehoefte van planten vaak zien aan de bouw. Ook kun je ze opzoeken in boeken en tijdschriften.

Om inzicht te krijgen volgen hier een aantal algemene adviezen:

  • Bij een hoge temperatuur en bij droge lucht hebben planten extra veel water nodig
  • Bloeiende planten hebben meer water nodig dan dezelfde niet bloeiende planten
  • Planten met dunne- en met grote bladeren hebben extra veel water nodig
  • Planten met luchtwortels verlangen veel water
  • Vetplanten, planten met behaarde bladeren en planten met een vetlaag op de bladeren hebben weinig water nodig
  • Houtachtige planten regelmatig dompelen
  • Tijdens de rustperiode hebben planten minder water nodig dan tijdens de groeiperiode

–        De verdamping van planten kun je verminderen door de luchtvochtigheid te verhogen