Ecologie

Ecologie_reader basiscursus

Ecologie biotische en abiotische factoren

Ecologie agrarische kringlopen

Ecologie oefening termen

Ecologie Voedselweb in eikenbos (cursus)

Ecologie Wie eet wie in het voedselweb (cursus)

Ecologie Betekenis vogelfiguurtjes (cursus)

Ecologie_presentatie

Ecologie presentatie 00

Ecologie inleiding presentatie 01

Ecologie presentatie 02

Ecologie voedselketens presentatie

Ecologie voedselweb van zoet water

Ecologie in de praktijk

Ecologie_voorbeelden

Ecologie_veldwerk opdrachten

Ecologie populatie uitleg

Ecologie voedselnet_weiland

Invasieve-waterplanten-veldgids-oktober-2016

Invasieve-exoten-eindrapportage-lesmateriaal-juli-2015

Symbiose tussen bomen en schimmels

 

Duurzaamheid

Informatie:

Natuurbeelden werkblad

Definities duurzame ontwikkeling

Duurzaamheid_hersteller_van_de_natuur

Voedsel en duurzaamheid

Klimaat_inspiratiegids duurzaam lokaal beleidsplan

Inspiratiemiddag Lezing en workshops samenvatting duurzaam leven

Grafieken temperatuur, neerslag en waterstanden

Duurzaamheid stroomleveranciers

Toon uw groene tuin

Regenwater in de tuin

Milieutechnologie

Duurzaamheid NGC midden Limburg

Duurzaamheid eutrofiering presentatie

Duurzaamheid afval presentatie

Duurzame ontwikkeling definities

Duurzaamheidsdag Presentatie IVN 10 oktober 2015

Systeemdenken en het bos

Systeemdenken en het bos uitwerkingen

Systeemdenken_NGC_ML

Definities duurzame ontwikkeling

Voedsel en duurzaamheid.

Onderzoek_duurzaamheid_stroomleveranciers2017

Verslag inspiratiemiddag Lezing en workshops samenvatting Jan Juffermans

Week-Zonder-Vlees-magazine-Editie-2019

Verslag Regiotour Duurzame Aarde

Geen vlees redenen

 

 

 

  
Duurzaamheid de mondiale grutto     
   
 

 

Bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1     Grond en bodem
1.2   Humus. 2
1.3      Bodemprofiel
1.4      Bodemwater
1.5      Bodemstructuur
1.6      Drainage
1.7      pH
1.8      EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1     Zandgrond
2.2      Kleigrond
2.3      Veengrond
2.4      Zavelgrond
2.5      Lössgrond
3     Flora en fauna
4      Bodemverontreiniging
4.1       Oorzaken
4.2       Stoffen en risico’s

Inleiding
Elk organisme heeft een leefmilieu nodig. Meestal bestaat deze uit grond water en lucht.
In dit hoofdstuk verdiepen we ons in de milieufactor bodem.

1      Begrippen
Grind en bodem zij 2 nauw verwante begrippen. Bij grond gaat het over de afzonderlijke deeltjes. Bij bodem gaat het over een levensgemeenschap van levende en niet levende factoren.
Als je over de grond loopt realiseer je je niet dat zich onder de voeten een complete levensgemeenschap bevindt.Een schepje tuin- of bosgrond onder de microscope maakt duidelijk dat bodem meer is dan wat gronddeeltjes. Als je een verticale kuil graaft zie je een grote variatie in gelaagdheid.
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen een aantal van die begrippen gebruiken om het bodemmilieu te bespreken.

1.1   Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.

1.2   Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem.

1.3   Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.

Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
a      Maaiveld:
Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
b      Bouwvoor:
Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
c      Ondergrond:
Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podsolgronden.

 


1.4   Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is.

Zo onderscheiden we:
–       Hangwater:
Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–       Grondwater:
Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grondporiën met water gevuld zijn.
–       Capillair water:
Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.

Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.

1.5   Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.

We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6   Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.

1.7   pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.

Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.

1.8   EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Als deze in natuurgebieden komen beïnvloeden die het planten- en dierenleven.
Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Dit kun je bijvoorbeeld waarnemen langs wegen waar bij gladheid gestrooid is met zout.

Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.

1.9      Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex.

Het principe berust op elektrische lading. De klei- en humusdeeltjes hebben een negatieve lading. Deze houden positief geladen voedingsstoffen vast. Geladen voedingsdeeltjes heten ionen.

2     Grondsoorten
Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur. Deze eigenschappen beïnvloeden de flora en fauna.
Naast de natuurlijke grondsoorten kennen we grondmengsels en grondverbeteraars die door mensen zijn gemaakt. Deze worden vaak gebruikt in tuinen. Voorbeelden daarvan zijn tuinturf en turfmolm. 

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–       IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–       de loop van de rivierbeddingen;
–       erosie (verwering);
–       vervening.

De bekendste grondsoorten zijn kleigrond, zandgrond, veengrond, zavelgrond en loss.

2.1   Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit. Zand warmt in het voorjaar snel op en is goed doorlatend voor water en lucht.  Zandgrond droogt snel uit, bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast. De pH van zandgrond is altijd laag.

2.2   Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat. Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.
Kleigrond is voedselrijk en vochthoudend. Het is een zware grond die hard wordt bij droogte. Door de dichte structuur is er vaak een slechte waterafvoer en kan er een slechte ventilatie zijn. Dit leidt weer tot slechte plantengroei en weinig bodemleven. In het voorjaar komen kleigronden vaak slecht op temperatuur.
Hoe meer kalk erin zit hoe beter de structuur is.Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.

kienhout Wordt aangetroffen in oude veenlagen. Ideaal voor aquaria, tuinen en bloemwerk

2.3   Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.

2.4 Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.

2.5   Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3      Flora en fauna
Naast de levenloze bodemdeeltjes kom je in de grond dode materialen en levende planten en  dieren tegen. Je ziet er weinig van, maar de hoeveelheid en aantallen zijn erg groot.
Organismen hebben brandstoffen en bouwstoffen nodig. Omdat het in de grond donker is kan er geen fotosynthese plaatsvinden. Dit betekent dat alle organismen, zonder bovengrondse delen, zowel brandstoffen als bouwstoffen uit de grond moeten halen. Planten met bovengrondse bladeren nemen alleen bouwstoffen op uit de bodem.
Bodemorganismen komen aan energie door organisch materiaal te verteren. Daarvoor is zuurstof nodig. Dit verteren is een vorm van verkleinen en opruimen. Daarbij komen allerlei organische- en anorganische stoffen vrij. Deze stoffen vormen weer voedsel voor andere organismen. Op den duur blijft van het organisch materiaal alleen stabiele humus over. Dit kan niet verder meer verteerd worden.
De anorganische stoffen die bij de vertering vrijkomen worden voor een groot deel gebruikt als bouwstof. Hiervan profiteren alle organismen.
Het omzetten van organisch materiaal in anorganisch materiaal heet mineralisatie. Mineralisatie van organisch materiaal is een van de belangrijkste functies die het bodemleven voor de planten- groei  heeft.  Bij  de  mineralisatie  zet  het  bodemleven  organisch  materiaal  om  in  voor  de  plant  opneembare voedingsstoffen. Het omzetten van organisch materiaal in humus heet humificatie.

Samengevat kun je stellen dat het verteringsproces bestaat uit;

  • het verkleinen van onverteerd organisch materiaal;
  • het verteren/mineraliseren van organisch materiaal;
  • het omzetten van organisch materiaal in humusstoffen;
  • het mengen en verplaatsen van materiaal.

Actieve bodembewoners

Bodemorganismen zijn noodzakelijk om kringlopen in stand te houden. Naast mineralisatie en humificatie spelen bodemorganismen een rol bij:

  • het transport van micro-organismen;
  • de productie en onderhoud van bodemholtes en gangen;
  • het versterken van structuurstabiliteit dmv slijmstoffen;
  • de opslag van nutriënten in de biomassa in het organisme zelf.

De bodembewoners zijn globaal als volgt in te delen:

  • wormen: 12%;
  • bacteriën en straalschimmels: 40%;
  • schimmels en algen: 40%;
  • potwormen, mijten, springstaarten, aaltjes enzovoort: 3%;
  • mieren, slakken, pissebedden, larven, spinnen en mollen: 5%.

Regenwormen
Van alle bodemdieren behoren regenwormen tot de meest bekende. Ze dienen als voedsel voor veel andere organismen. Verder spelen ze een belangrijke rol bij de humificatie en mineralisatie. Regenwormen leven van organisch materiaal. Afstervend plantenmateriaal en eventueel mest wordt de bodem ingetrokken, opgegeten en verteerd. Micro-organismen die zelf weinig mobiel zijn worden door regenwormen versleept. De uitwerpselen en de slijmafscheiding van wormen bevatten vrijwel direct voor de plant opneembare stikstof. Wormen zijn in staat door verdichte grondlagen te graven. Ze maken deze lagen zo beschikbaar voor andere organismen en voor plantenwortels.

Overige organismen
Alhoewel de wormen goed zichtbaar aanwezig zijn in de grond vormen ze toch maar een beperkt deel van het totale bodemleven. Minder  zichtbaar  maar  niet  minder  belangrijk  zijn  de  activiteiten  van  kleinere  organismen  zoals  bacteriën, straalschimmels, schimmels, aaltjes, mijten en springstaarten. Een zeer groot aantal planten leeft in symbiose met wortelschimmels (Mycorrhiza). Een aantal soorten speelt een belangrijke rol bij de opname van water en fosfaat. Mijten en springstaarten hebben een regulerende invloed op schimmelgroei in de bodem. Ook zijn er springstaarten die bijdragen aan de vorming van stabiele humus. Roofmijten spelen een grote rol bij de beheersing van plaagvormende organismen.

Omstandigheden

De  activiteit  van  het  bodemleven  is  gebonden  aan  een  aantal  voorwaarden.  Je  moet  hierbij  denken  aan de vochtvoorziening, de aanwezigheid van zuurstof en de temperatuur. Al deze voorwaarden zijn niet voor alle organismen gelijk. Zo zijn humusvormende organismen als wormen en springstaarten actief bij een temperatuur vanaf 0 °C met een optimum bij + 35 °C. Onder zuurstofarme omstandigheden komt mineralisatie al op gang bij een temperatuur vanaf 0 °C, maar blijft op een veel lager niveau dan onder zuurstofrijke  omstandigheden  De  opbouw  van  humus  in  de  bodem  wordt  bepaald  door  het  verschil  tussen humificatie en mineralisatie.

4          Bodemverontreiniging
In de bodem en in het bodemwater komen van nature allerlei stoffen voor zoals stikstof en metalen als ijzer. Deze stoffen maken deel uit van een kringloop en zijn meestal biologisch afbreekbaar door micro-organismen, dieren en planten.
Ook zijn er onnatuurlijke stoffen in het milieu terecht gekomen. Deze door de mensen gemaakte, milieuvreemde stoffen zijn vaak niet of langzaam afbreekbaar en kunnen schadelijk zijn voor milieu of volksgezondheid.
Bodemverontreiniging is de term die wordt gebruikt wanneer er door toedoen van de mens stoffen of materialen in de bodem of het grondwater terecht zijn gekomen die schadelijk zijn voor het ecosysteem of de mens.

4.1      Oorzaken
Verontreiniging wordt voornamelijk veroorzaakt door:
– bodemvervuilende bedrijven;
– langdurige stedelijke bewoning;
– calamiteiten als morsen, lekkage van vaten en leidingen;
– storten van puin en afval als drugsafval;
– ophogingen en dempingen;
– opslag van verf en olie;
– lozingen.

Enkele voorbeelden van bodemvervuilende bedrijven zijn:
– chemische wasserettes;
– benzinestation;
– verffabrieken;
– gasfabrieken;
– metaalverwerkende industrie
– agrarische bedrijven;
– drukkerijen;
– stortplaatsen;
– havens.

Vooral werkwijzen uit het verleden hebben veel schade aangebracht die nu moet worden opgelost.
Vaak zijn het illegale lozingen die ernstige schade aanrichten.

Langdurige stedelijke bewoning heeft gezorgd voor verontreiniging van de bodem op een aantal manieren: ophogingen met puin, storten van afval,  storten van verontreinigd baggerslib, slechte bouwmaterialen en stedelijke bedrijvigheid. 

4.2      Stoffen en risico’s
Omdat bodemverontreiniging erg vervelend is als de grond bebouwd is wordt bouwgrond altijd onderzocht. Bij onderzoek naar verontreiniging (bodemonderzoek) worden standaard een aantal stoffen onderzocht in grond en in het grondwater. Ook wordt gekeken naar de hoeveelheid organische stof in de bodem en naar de zuurgraad van de bodem (pH). Deze factoren beïnvloeden het gedrag van de verontreiniging in de bodem.

Bij een bodemonderzoek wordt gekeken naar de volgende groepen van stoffen;

– zware metalen;
– minerale olie;
– Aromaten.

In het grondwater wordt gekeken naar;
– zware metalen;
– vluchtige aromatische koolwaterstoffen;
– naftaleen;
– koolwaterstoffen;
– minerale olie

Naast deze stoffen kan ook de aanwezigheid van asbest problemen opleveren.

Zware metalen
In het algemeen lossen zware metalen slecht op in water. Hierdoor zijn ze  redelijk immobiel. Zware metalen hechten goed aan klei- en humusdeeltjes. Een lage zuurgraad van de bodem verhoogt de oplosbaarheid.
Voorbeelden van zware metalen zijn lood, zink, koper, arseen, chroom, cadmium en kwik.
Een aantal zware metalen kunnen worden opgenomen door planten. Mensen kunnen er ziek van worden.

Minerale olie
Olie is lichter dan water en blijft als een laag drijven op het grondwater. Een deel van de stoffen in de minerale olie lost op en verspreidt zich zo. Minerale olie is dus vaak een mobiele verontreiniging.
Voorbeelden van minerale olie zijn benzine, diesel en huishoudbrandolie. De verontreinigingen ontstaan door lekkage van olietanks, morsingen en lozingen. De risico’s van verontreiniging door minerale olie ontstaan met name als er contact is met de huid en bij het inademen van de vluchtige stoffen in de minerale olie. Minerale olie wordt in natuurlijke situaties door micro-organismen afgebroken.

Aromaten
Aromaten zijn, net als minerale oliën, koolwaterstofreeksen, maar dan met een aromatische ring.

De belangrijkste verontreinigende aromaten zijn:
– Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK);
– Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK);
– De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL).

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) als naftaleen ontstaan als koolwaterstoffen (bijvoorbeeld barbecue-kooltjes) niet helemaal verbranden. Ze zijn slecht oplosbaar, binden goed aan organische stof in de bodem en zijn in de meeste gevallen een immobiele verontreiniging. Van een aantal PAK’s is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn.

Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK) komen voor in olie, brandstoffen en oplosmiddelen. Ze zijn in het algemeen erg vluchtig. Bij vluchtige stoffen zit het risico vaak bij inademing en soms kunnen de stoffen doordringen in de waterleidingbuizen en zo het drinkwater verontreinigen.
De vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL) zijn zwaarder dan water en zakken in de bodem. Een deel van de stoffen lost op in het grondwater en zal zich zo verspreiden (mobiele verontreiniging). Ook zijn deze stoffen erg vluchtig (risico op inademing).

De belangrijkste stoffen zijn:

stof omschrijving eigenschappen
* Benzeen:
.
wordt gebruikt in benzine, rubber en gas Matig oplosbaar, vluchtig en ontvlambaar, uiterst giftig.
* Ethylbenzeen: wordt gevonden bij olieraffinaderijen, organische chemische industrie en wordt gebruikt als oplosmiddel. Matig vluchtig, vormt een drijflaag op het grondwater.
* Tolueen: zit in aardolie, wordt gebruikt als vervanging van benzeen in verf, benzine, parfum en oplosmiddelen. Slecht oplosbaar en zeer vluchtig.
* Xyleen: komt voor in aardolie, benzine en verf. Niet oplosbaar, wel vluchtig.
* Oplosmiddelen: zoals tetrachlooretheen (per) en trichlooretheen (tri). Ze breken op natuurlijke wijze af tot vinylchloride en dat is erg giftig.
 * Cyanide

 

Cyanide is een anorganische stof en komt voor in verschillende vormen die verschillen in mate van giftigheid. In bodemvocht, grondwater en bodemlucht kan vrij cyanide voorkomen. Vrij cyanide is de meest giftige vorm. Cyanide verontreiniging wordt vooral aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen en is te herkennen aan een blauwe kleur in de bodem.
* Pesticiden
.
Pesticiden zijn chemische bestrijdingsmiddelen. Ze zijn in het algemeen slecht oplosbaar in water en moeilijk afbreekbaar
Pesticiden (bijvoorbeeld DDT, Lindan en PCB’s) zijn wèl goed oplosbaar in vet. Dit heeft opstapeling in de voedselketen tot gevolg.
*MTBE
Methyl-tert-Butyl Ether (MTBE)
Wordt sinds 1988 in Nederland aan benzine toegevoegd als vervanger voor lood. Op deze manier wordt de schadelijke uitstoot van lood verminderd omdat met MTBE de verbranding meer volledig is. MBTE blijkt echter naast giftig ook erg mobiel en niet afbreekbaar te zijn.
*Asbest

 

Asbest is een verzamelnaam voor een aantal vezelachtige minerale stoffen (silicaten), die zijn opgebouwd uit zeer fijne vezels. Asbest is op te delen in witte asbest en blauwe en bruine asbest.

 

Witte asbest komt het meest voor en is het minst schadelijk is voor de gezondheid.

Blauwe en bruine asbest bestaat uit  scherpe vezels en het materiaal lost niet op in de longen. De witte asbestvezels zijn rafeliger en kunnen wel oplossen in de longen.

 

4.3     Risico’s

Het gedrag van verontreinigende stoffen wordt bepaald door de volgende eigenschappen:
– oplosbaarheid en mobiliteit;
– binding aan bodemdeeltjes;
– vluchtigheid.

De risco’s kun je verdelen in:
– risico’s voor de mens (gezondheid);
– ecologische risico’s;
– gevaar voor verspreiding.

Risico’s voor de mens
Gevaar voor de gezondheid is een belangrijk punt van aandacht. Mensen kunnen op verschillende manieren in aanraking komen met de verontreinigende stoffen en daar klachten van ondervinden.

Sommige verontreinigende stoffen worden opgenomen door planten. Dat kan via de wortels maar ook via de bladeren (bijvoorbeeld luchtverontreiniging). Het eten van gewassen die verontreinigen hebben opgenomen kan gevaarlijk voor de mens zijn (bij het eten van grote hoeveelheden van deze planten). Mensen in stedelijke gebieden wordt vaak geadviseerd geen groenten uit eigen tuin te eten.

Immobiele verontreiniging, zoals zware metalen als lood, komen vaak voor in de bovengrond. Bij deze verontreinigingen is vooral het contact met de verontreinigde grond een risico. Voorbeelden hiervan zijn contact met de bodem tijdens tuinieren of kinderen die in de tuin spelen (stoppen vaak grond in hun mond).

Tot slot zijn er nog de vluchtige stoffen. Vluchtige stoffen zijn stoffen die gemakkelijk gasvormig worden. Ze lossen niet op in water maar in lucht en zijn op die manier dus ook mobiel. Deze stoffen kunnen uitdampen uit de bodem en zo in kelders, souterrains of woonkamers terecht komen. Ze kunnen dan worden ingeademd. Ook kunnen sommige stoffen doordringen door bepaalde materialen en zo in de waterleiding terecht komen.

Ecologische risico’s
Verontreinigingen kunnen ecosystemen aantasten doordat planten en dieren de verontreinigingen opnemen en doodgaan. Tevens kunnen verontreinigende stoffen kringloopfuncties verstoren. Ook kan natuurlijke afbraak van verontreinigende stoffen zorgen voor giftigere stoffen.

Gevaar voor verspreiding
Als een stof goed oplost in het water, zal deze zich makkelijk verspreiden door de bodem. Men spreekt dan van mobiele verontreiniging. De verontreiniging kan dan in het grond- en oppervlaktewater terecht komen. De situatie kan onbeheersbaar worden.

 

Verduurzamen van hout

Inleiding
De levensduur van Europees tuinhout is beperkt. Toch kun je het langer als tuinhout gebruiken door het te verduurzamen. Verduurzamen van hout is een methode waarbij je het hout meestal inwendig behandelt zodat het bestand is tegen allerlei vormen van aantasting.

1 Aantasting en bederf
Er zijn vier verschillende factoren waardoor aantasting kan optreden:

  • vocht;
  • schimmels en insecten;
  • zuurstof;
  • (hoge) temperatuur.

2 Verduurzamen
Hout kun je niet zomaar verduurzamen. Eerst moet je het hout:

  • drogen;
  • ontdoen van bast- en schorsresten;
  • alle houtverbindingen en boorgaten aanbrengen, zodat deze bewerkingen de verduurzaming niet (gedeel- telijk) ongedaan maken.

Om hout te verduurzamen kun je kiezen voor verschillende methoden.
Je kunt onder andere kiezen voor:

  • de Vacuümdrukmethode;
  • de Bespuit- of bestrijkmethode;
  • Drenken;
  • Dompelen.

2.1 Vacuümdrukmethode
Bij de Vacuümdrukmethode plaats je het hout in een grote metalen cilinder (tot vierentwintig meter lang en twee meter breed) waar je de lucht uit haalt (vacuüm). Zo’n cilinder heet een autoclaaf. Wanneer het vacuüm bereikt is, giet je het verduurzamingsmiddel in de autoclaaf en voer je de druk op tot ongeveer tien atmosfeer.
Zo pers je het verduurzamingsmiddel in het hout. Na afloop trek je de autoclaaf weer vacuüm om al het over- tollige middel terug in de voorraadtank te laten stromen. De tijd dat het hout in de autoclaaf ligt, is afhankelijk van de houtsoort. Deze manier van verduurzamen is verreweg de duurste, maar geeft ook het allerbeste effect. Vrijwel alle bedrijven passen deze methode toe. Als je het hout na het impregneren geforceerd droogt, zorg je er voor dat het middel ‘op zijn plaats blijft’.

2.2 Bespuit- of bestrijkmethode
Bij de Bespuit- of bestrijkmethode bespuit of bestrijk je het hout met het verduurzamingsmiddel. Dit kan de klant zelf doen maar is een minder goede methode. Met deze methode kun je namelijk scheuren en naden  niet  verduurzamen,  omdat  je  ze  niet  of  onvoldoende  met  het  middel  kunt  bewerken.  Omdat  deze scheuren en naden niet verduurzaamd zijn, kunnen hier gemakkelijk micro-organismen, schimmels en insecten naar binnen. Bedrijven gebruiken deze methode niet.
De Bespuit- of bestrijkmethode lijkt op verven of lakken. Dit zijn echter geen verduurzamingsmethodes.

Je kunt hout behandelen met:
a) Dit is speciale beits voor onderhoud van verduurzaamd hout (hout dat is behandeld);
b) Dit is speciale verfbeits die het hout beschermt tegen weersinvloeden en het bovendien een andere kleur geeft
c) Deze gaat het vergrijzen van teakhouten meubelen en andere hardhoutproducten tegen
d) verf

Met tuinbeits, tuindecoratiebeits en teakolie houdt het hout zijn natuurlijke uitstraling. Met verf kan het  hout  elke  gewenste  kleur  krijgen  maar  de  structuur  van  het  materiaal  wordt onzichtbaar

2.3 Drenken
Bij de methode Drenken dompel je het te verduurzamen hout onder in een bak met verduurzamingsmiddel. Hierbij geldt de vuistregel dat voor iedere centimeter dat het hout dik is, het hout 24 uur ondergedompeld moet blijven met een maximum van zeven dagen. De kern van het hout zul je met deze methode nooit bereiken. De methode Drenken geeft niet zo’n diepe indringing als de vacuümdrukmethode. Bij een dwarsdoorsnede zul je dan ook zien dat het middel lang niet helemaal is ingedrongen.

2.4  Dompelen
De methode Dompelen is een makkelijke methode. Bij deze methode dompel je het te verduurzamen hout in een bak. De dompeltijd varieert tussen de tien en twintig minuten. Doordringing naar de diepere houtdelen is niet mogelijk.

2 Verduurzamingsmiddelen

Het impregneren of verduurzamen van hout gebeurt met chemische middelen. Deze middelen bestrijden de schimmels die houtrot veroorzaken. De chemische middelen moeten lang werken om de schimmels tegen te houden. Het zijn dan ook middelen die langzaam afbreken. Ze zijn daarom milieubelastend.
Welke middelen je mag gebruiken bepaalt het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB). Dit college  is  aangesteld  door  de  overheid  en  toetst  de  bestrijdingsmiddelen  op  hun  toelaatbaarheid.  Punten waarmee het college rekening houdt zijn milieu en volksgezondheid.
Het CTB test zowel nieuwe als reeds eerder toegelaten middelen. De eisen die de overheid stelt, veranderen immers en worden steeds zwaarder. Naast de overheid stellen ook de milieubeweging en de consumentenbond steeds hogere eisen.
Sinds januari 2000 zijn de toelatingsregels weer verzwaard en heeft het CTB een aantal middelen verboden. De verduurzamingsmiddelen mogen nu geen koper, chroom en arseen meer bevatten en ze mogen niet meer gebruikt worden voor de verduurzaming van hout dat bestemd is voor de consument en dat in contact kan komen met de grond, het grondwater of het oppervlaktewater. Handel in en import van verduurzaamd hout is echter nog steeds toegestaan. Ook mogen de impregneerbedrijven doorgaan met het produceren van verduurzaamd hout voor de buitenlandse markt, dus voor de export. Mogelijk worden de regels nog aangescherpt.

De verduurzamingsmiddelen die het CTB sinds januari 2000 heeft verboden, zijn:
Wolmanzouten.
Dit zijn mengsels van koper- en chroomverbindingen aangevuld met arseen, borium, fluor of zink. De wol- manzouten geven het hout de groen-blauwe kleur. Deze middelen bevatten zware metalen en zijn schadelijk voor het milieu.
Creosootolie.
Dit is een destillaat uit steenkoolteer; een middel dat nog maar weinig werd toegepast en al eerder is verboden door het CTB. Met creosootolie verduurzaamd hout heeft een bruine kleur, is vettig en ruikt rokerig.
Carbolineum.
Dit middel lijkt op creosootolie en werd net zoals creosootolie al eerder verboden door het CTB. Bij behan- delingen met carbolineum wordt alleen de oppervlakte bewerkt. Een voordeel van het gebruik van carbolineum is dat droogtescheuren en naden bij deze methoden ook goed worden verduurzaamd.

3 Milieuproblemen (impregneren)
Verduurzamingmiddelen kunnen uitlogen in het milieu. Uitloging is het proces waarbij stoffen uit het hout ontsnappen en terechtkomen in de lucht, het water of de bodem. Deze stoffen zoals arseen, koper en broom zijn slecht afbreekbaar en schadelijk voor bodem- en waterorganismen. De mate van uitlogen van deze stoffen is afhankelijk van hoe goed het verduurzamen is gebeurd.
Het afval van verduurzaamd hout kun je niet zo maar afvoeren. Het storten van dit afval is niet mogelijk door het  proces  van  uitloging van  gevaarlijke  stoffen.  Ook  kun  je  het  afval  niet  zonder  meer  verbranden,  omdat daarbij schadelijke stoffen kunnen vrijkomen. Het is vanwege deze schade aan bodem- en waterleven en de bedreiging  van  de  gezondheid  van  mens  en  dier  dat  de  milieubeweging  en  de  consumentenbond  al  jaren pleiten voor een totaal verbod op verduurzamingsmiddelen.

4 Zonder chemicaliën
Het  is  ook  mogelijk  hout  te  verduurzamen  zonder  het  gebruik  van  chemicaliën  Voorbeelden  van  dergelijke methoden zijn:

  • de Stellac-methode;
  • de PLATO-methode;
  • de Perdure-methode.

4.1 Stellac-methode
Bij de Stellac-methode maak je het hout duurzaam door stoffen die van nature in het hout zitten op een of andere manier te laten reageren op warmte. De duurzaamheid van Stellac-hout is te vergelijken met Bangkirai en Azobé (duurzaamheidklasse 1 en 2). De Stellac-methode is genoemd naar het Finse bedrijf Stellac Oy dat de methode heeft ontwikkeld.
4.2 PLATO-methode
De PLATO-methode is weer heel anders. PLATO staat voor het Providing Lasting Advanced Timber Option- proces. Vertaald betekent dit zoveel als voorzien in een blijvend goed soort hout. In het PLATO-proces wordt hout in een waterige oplossing onder hoge temperatuur en druk verdicht waardoor de hardheid en duurzaamheid van het hout worden vergroot. De PLATO-methode duurt vier tot zes uur, afhankelijk van het soort hout. Daarna start het drogen dat enkele dagen kan duren. Na de eerste verhitting vindt een tweede verhitting plaats. Het hout wordt ongevoelig voor schimmels en insecten. Net als hardhout valt met de PLATO-methode behandeld hout onder de duurzaamheidklasse 1 en 2. Het effect van het PLATO-proces op het milieu lijkt gunstig ten opzichte van andere verduurzamingmethoden. Je gebruikt bij deze methode geen schadelijke chemicaliën. Daarnaast is de totale hoeveelheid energie die je met deze methode verbruikt vergelijkbaar met het energie- verbruik van andere methoden. De productiekosten van het PLATO-hout zijn relatief hoog.
4.3 Perdure-methode
Dan bestaat er ook nog de Perdure-methode. Het Perdure-hout is gemaakt van massief hout of houtvezels. Deze grondstof ondergaat een hittebehandeling waarbij het hout vaster van structuur wordt. Het product neemt door de behandeling minder vocht op. De vorm wordt vaster: krimpen en uitzetten zijn daardoor tot een minimum teruggebracht.

5  Tropisch Hardhout
Tropisch hardhout komt van langzaam gegroeide bomen en is daardoor hard en minder gevoelig voor bederf. In dit langzaam groeien schuilt het probleem dat vervanging van bomen lang duurt. Hierdoor worden tropische bossen bedreigd.

Het tropische regenwoud vervult een aantal functies:

  • Bescherming tegen bodemerosie (bij hevige regen spoelen anders hele bodemgedeelten weg).
  • Opslag van  erfelijk  materiaal  (hierdoor  is  het  mogelijk  meer  gewassen  te  kruizen  en  is  er  meer  erfelijk materiaal).
  • Opslag van geneeskundige planten;
  • Herbergen van soms nog onbekende dier- en plantensoorten.
  • Leefgebied voor mensen die daar al jaren leven.
  • Economische waarde (het hout brengt geld op waar weer andere producten mee kunnen worden gekocht).

Het oorspronkelijk regenwoud, waar de mens geen invloed op heeft gehad, heeft een natuurlijk evenwicht. De plantengroei (de binding van koolstof) enerzijds en de vertering/verrotting (productie van koolstof) anderzijds vormen een evenwicht.
Het verdwijnen van de tropische bossen heeft een aantal oorzaken. De bevolkingsaanwas is groot. Mensen moeten kunnen wonen en eten. Het gevolg hiervan is uitbreiding van bestaande steden en het vestigen van nieuwe. Dit heeft weer tot gevolg dat er een toename is van de vraag naar landbouwgronden (vaak zwerfland- bouw). Daarnaast ontwikkelt de industrie zich. Voor al deze activiteiten is hout nodig, als bouwmateriaal en als brandstof. Daarbij is het landelijk inkomen vaak heel laag. De verkoop van hout is nodig om de aankoop van andere goederen te bekostigen.

International Tropical Timber Organization (ITTO)
Het verdwijnen van de regenwouden is vooral te wijten aan:

  • de stedenbouw;
  • industrie en infrastructuur;
  • de zwerflandbouw;
  • de aanleg van plantages voor bijvoorbeeld koffie en thee.

Zwerflandbouw  wordt  door  de  arme  bevolking  uitgevoerd  om  in  leven  te  blijven.  Slechts  weinig  hout  wordt gekapt voor de verkoop; het is grotendeels voor eigen gebruik. Denk maar eens aan Nederland dat vroeger een land met water en bos was. Door de bevolkingsgroei ontstaat verstedelijking. De bossen worden gekapt om plaats te maken voor de mens. De omvang van de export van tropisch hardhout is maar een fractie van de totale houtkap. Waar wel naar moet worden gestreefd, is om in goed overleg met de betreffende landen te komen tot een verantwoord bosbeheer. Dit betekent niet alleen bos kappen, maar ook de beplanting instand- houden.

Speciaal daarvoor is de International Tropical Timber Organization (ITTO) opgericht. In deze organisatie zijn producerende landen en consumerende landen vertegenwoordigd. Het doel van de organisatie is om het tropisch regenwoud niet verder te laten slinken. Duurzaam bosbeheer speelt hierbij een belangrijke rol.

6 Vervangers van tropisch hardhout
Een andere manier om het probleem van de regenwouden op te lossen is het zoeken naar mogelijke vervangers van tropisch hardhout. Er zijn genoeg houtsoorten met dezelfde natuurlijke duurzaamheid. Robinia gaat van nature net zo lang mee als tropisch hout, klasse 1 of 2, maar op dit moment is het nog niet mogelijk Robinia te leveren met voldoende lengte en dikte. Bovendien zijn er in het verleden weinig Robiniabomen aangeplant voor de houtproductie. De bomen zijn pas na ongeveer veertig jaar volgroeid en geschikt om te worden verzaagd. Op dit moment worden de bestaande soorten geselecteerd op groeisnelheid om zo in kortere tijd meer volgroeide bomen te krijgen. Maar het duurt nog enkele jaren voordat dit effect heeft.

Tuinmeubilair

Inleiding
Het is nog niet zo lang geleden dat onze grootouders bij mooi weer de keukenstoelen oppakten en buiten gingen zitten. Meestal waren er buiten geen speciale voorzieningen en ging men met de meegebrachte stoel aan de deur zitten. Ook, vaak zelfgemaakte, tuinbankje was in die tijd populair.
De tuin was in die tijd om in te werken en om nuttige producten te kweken.

Tegenwoordig is het normaal om in de tuin werken én te wonen. Het exterieur is een verlengstuk van het interieur. De tuin wordt steeds meer beleefd als het verlengde van de woonkamer. Tuin- en balkonbezitters zoeken naar smaakvol meubilair dat decoratief en comfortabel is. De keuze is enorm. Er zijn passende modellen voor elke tuin. Tuincentra spelen daarop in waardoor tuinmeubilair een van de grootste productgroepen in de branche is. Bij de meeste tuincentra is er een afwisseling met kerstproducten.

1 Koopmotieven en verkoopargumenten
Waarom toont een klant interesses in de afdeling tuinmeubilair en hoe kun je, als verkoper, de klant zover krijgen dat hij tot kopen komt en tevreden naar huis gaat?  Deze vraag is erg voor de hand liggend, gemakkelijk te stellen maar moeilijk te beantwoorden.
Het kopen van tuinmeubilair is geen kleinigheid. Het is een investering die je in het algemeen maar een paar keer in je leven doet. Het is een gezinsbeslissing waarover goed wordt nagedacht. Hiervan moet je je als verkoper goed bewust zijn bij het aandragen van koopargumenten.

Overwegingen die een rol spelen bij de keuzes zijn bijvoorbeeld:
– de beschikbare ruimte op het terras en in de tuin
– de opslagmogelijkheden
– het beschikbare budget
– de smaak
– de stijl van de tuin en het hui
– het binneninterieur
– de duurzaamheid van de meubel
– de toestand van het huidige meubilair
– veranderde trends

Wanneer je je als verkoper inleeft in de koopmotieven van de klant kun je een beeld vormen van de argumenten die nodig zijn om de klant tevreden te stellen. Dit geldt bij veel producten maar is bij tuinmeubilair essentieel.

Voorbeelden van verkoopargumenten zijn:
– weerbestendigheid ook in de winter
– onderhoudsvriendelijk
– multifunctioneel.

De ene keer schuif je de stoel aan tafel, de andere keer is het een heerlijke stoel om in te zonnen.
– in meerdere kleuren leverbaar
– demontabel, inklapbaar, stapelbaar
– prijs- kwaliteitsverhouding
– garantie en service

Vaak zie je dat een klant begint met een oriënterend bezoek. Deze klant zal pas beslissen nadat hij goed heeft nagedacht of thuis heeft overlegd. Bij zo’n klant is het van belang om niet opdringerig te zijn. Je loopt het gevaar dat hij, bij een opdringerige verkoper, weggaat en niet meer terugkomt.

2 Sortiment
Bij tuinmeubilair denk je op de eerste plaats aan tafels en stoelen. Dit zijn ook de meest aangeschafte meubelstukken.
Daarnaast kun je denken aan bijvoorbeeld:
– ligbedden
– schommelbanken
– hangmatten
– parasols
– kussens
– bijzettafeltjes
– krukken
– banken
– picknicktafels

Nauw verwant aan tuinmeubilair zijn barbecues, terraskeukens, partytenten, prieeltje, kinderspeelgoed, tuindecoraties  en diverse tuinornamenten. 

3 Materialen
De eerste tuinmeubels waren gemaakt uit hout. Ze waren zwaar en massief en vroegen veel onderhoud. Tegenwoordig zijn er talloze materialen die vaak gecombineerd zijn toegepast.
De belangrijkste materialen waaruit tuinmeubilair gemaakt is zijn:
– kunststof
– hout
– aluminium
– roestvrij staal
– vlechtwerk
– geplastificeerd ijzer
– gelakt en geplastificeerd ijzer

3.1 Kunststof
Onderhoudsvrij, gebruiksvriendelijk, duurzaam, goedkoop en een enorme keus in kleuren en modellen hebben kunststof enorm populair gemaakt. Er is een grote keus aan accessoires die gebruikt kunnen worden om sets samen te stellen, geheel naar de  smaak van de klant. Met de komst van nieuwe technieken om andere materialen te verduurzamen begint de belangstelling voor kunststof wat af te nemen. Vaak zie je dat kunststof wordt aangeschaft als aanvulling om ander meubilair.

3.2 Hout
Hout is terug van weg geweest. Door het toepassen van duurzame houtsoorten en goede veerduurzaamheidsmiddelen begint men het product opnieuw te waarderen. Het FSC-keurmerk heeft het negatieve imago van hardhout voor een deel weggenomen.
Hout oogt natuurlijk en degelijk. Het kan gemakkelijk overschilderd worden, hetgeen in veel gevallen voor de duurzaamheid niet meer nodig is.

Hout is in het algemeen zwaar en massief. Hierdoor is het moeilijk hanteerbaar en op te bergen. Fabrikanten proberen dit op te lossen met wieltjes en door de ontwerpen stapelbaar en inklapbaar te maken.

3.3 Aluminium
Aluminium tuinmeubelen zijn zeer onderhoudsvriendelijk, licht en sterk. Het is een metaal dat zichzelf tegen oxidatie beschermt. De collectie groeit bijzonder snel. Aluminium wordt veel gebruikt in combinatie met andere materialen. Het nadeel van enkel aluminium is de stabiliteit.

3.4 Roestvrij staal
Dit product is meegelift met de ontwikkeling van keukens. Bij de aanschaf van een buitenkeuken  zie je dan ook vaak dat men kiest voor roestvrij staal zitmeubilair. Het is een mooi product. RVS is goed te combineren met materialen als  hardsteen, graniet, hardhout en kunststof. Roestvrij staal kan zo gemaakt worden dat het onverslijtbaar is. In verhouding tot andere materialen is het erg duur.

 

 

3.5 Vlechtwerk
Vlechtwerk heeft een nostalgische uitstraling. Dit betekent dat het doet denken aan de riet- en rotan stoelen van vroeger. Voor buitenmeubels gebruikt men kunststof. Dit nostalgische product is niet van echt (riet) te onderscheiden. Het is een product voor de liefhebber dat je meer tegenkomt in speciaalzaken dan in tuincentra.

4 Onderhoud
Mensen hebben steeds minder tijd. Hun vrije tijd besteden ze liever niet aan schoonmaken, schilderen en ander onderhoudswerk. Hierdoor is de onderhoudsbehoefte van tuinmeubilair een factor geworden waaraan fabrikanten veel aandacht hebben besteed.

Schoonhouden valt niet te voorkomen. Om dit zo gemakkelijk mogelijk te maken zijn er voor elk materiaal aangepaste producten ontworpen. Vaak  is schoonmaken daardoor een kwestie geworden van sprayen en afvegen. Na de winter kun je eventueel grondig schoonmaken met de hoge drukslang of normale tuinslang. Ook een eenvoudig sopje met spons kan erg effectief zijn.
Tuinmeubilair is onderhoudsvrij of onderhoudsarm. Dit betekent dat er weinig of geen reparatie en schilderwerk meer voorkomt.

 

 

 

Het meeste werk heeft men met hout. Voor dit natuurproduct geldt dat het regelmatig moet worden nagespannen. Bij hout kun je vaak kiezen. Als je bij teak niets doet zal het verbleken. De een zal dit ervaren als decoratief terwijl een ander zich eraan stoort. Sommige houtsoorten moeten regelmatig behandeld worden om ze te verduurzamen.

Hardhout
Meubelen zijn vaak lang onderweg. Zelfs als een meubel in de fabriek met olie is behandeld, wordt een extra oliebehandeling aanbevolen voordat het meubel in gebruik wordt genomen. Harthouten meubelen dienen 2-3 maal per seizoen met olie behandeld te worden. Geadviseerd wordt om dit ook te doen voordat ze naar de winterstalling gaan. Bij de eerste oliebehandeling, onmiddellijk na het uitpakken en in elkaar zetten van het meubel, hoeft het hout niet te worden gereinigd. Voor de daaropvolgende oliebehandelingen is het echter belangrijk dat het meubel grondig met houtreiniger wordt schoongemaakt. Volg de aanwijzingen op de verpakking. Het hout moet helemaal droog zijn voordat het met olie behandeld wordt.

Teak
Teak vereist geen oliebehandeling. Als het meubel in de fabriek niet behandeld is, zal het geleidelijk aan een witachtige schijn krijgen. Als de klant  niet van deze natuurlijke kleur houdt, kan hij het meubel op dezelfde manier behandelen als hardhout. Na een eerste oliebehandeling is verdere oliebehandeling in de toekomst vereist.

Aantasting door schimmel
Zelfs als houten meubelen regelmatig met olie worden behandeld, kunnen deze worden aangetast door schimmels. Soms zijn deze onschuldig en kunnen ze gemakkelijk verwijderd worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor meeldauw.
In andere gevallen leidt dat er dikwijls toe dat sommige delen van een meubel donker worden en in incidentele gevallen bijna zwart.

a) Reinig het meubel grondig met houtreiniger. Volg de aanwijzingen op de verpakking. Mocht dat de eerste keer niet helpen, kan de procedure worden herhaald.
b) Als het meubel nog steeds donker is kunnen de aangetaste plaatsen behandeld worden met de chlooroplossing. Wel grondig naspoelen met water.
c) Als de chloorbehandeling niet het beoogde effect heeft, resteert er alleen nog schuurpapier en hard werken. Polijst de aangetaste gedeelten totdat er fris hout tevoorschijn komt. Dit kan variëren.

De meubelen moeten altijd met olie worden nabehandeld.

5 Winteropslag
Onderhoudvrij meubilair kan in veel gevallen winter en zomer buiten staan. Vaak zal daar, in verband met de vervuiling, niet voor gekozen worden. Voor kunststof meubelen zijn beschermhoezen in de handel. Deze kunnen binnen en buiten gebruikt worden.
Voor hout is het altijd goed om dit tijdens de winter te beschermen tegen weersinvloeden. Doordat het een natuurlijk product is blijft het werken, ook nadat het bewerkt is. Hierdoor kunnen barstjes ontstaan en de meubelen kunnen kromtrekken in verband met spanningen in het hout.
Houten tuinmeubelen mogen nooit in een droge en warme ruimte worden geplaatst. Een garage of een carport daarentegen is de perfecte opbergplek. Daar staan de meubelen droog en is er toch enige ventilatie. Tocht en wind is niet erg.
Dek de meubelen nooit af met plastic of iets dergelijks, dat kan rotting of schimmel veroorzaken. Een oude deken beschermt het hout tegen vervuiling zonder dat de vochtigheid oploopt.

==========================================

 

BRONNEN
Fonteyn
Tuintotaal 
Azalp 
Werpsterhoeke

Tuinhout

Inleiding
Praktisch elk tuincentra verkoop tuinhout. Door het grote assortiment en de vele toepassingen is het een van de meest veelzijdige producten uit het assortiment.
Hout is ook een moeilijk product. Dit geldt zowel voor de presentatie in de winkel als voor het geven van advies over productkeuze, houdbaarheid, bevestiging enz.

Toepassingen
Omdat hout een natuurlijk product is past het perfect in de tuin. Wel moet je extra aandacht besteden aan het verlengen van de levensduur. Deze is zonder maatregelen, afhankelijk van de houtsoort, beperkt.
Voorbeelden van toepassingen zijn tuinmeubilair, vlonders, afscheidingen, pergola’s, plantenbakken, bielzen, tuinhuizen en prielen.

Houtsoorten
Globaal kun je hout verdelen in inlands hout en buitenlands hout. Buitenlands hout komt vaak uit tropische landen, soms uit Scandinavische landen.
In het algemeen zijn inlandse houtsoorten sneller gegroeid dan tropische soorten. Dit verklaart dat tropisch hout duurzamer is dan inlands hout.  De naam hardhout suggereert een bepaalde hardheid. In werkelijkheid slaat het op loofhout.
Tropisch hardhout heeft een goede kwaliteit maar er kleven veel bezwaren aan.
Het belangrijkste bezwaar is het verdwijnen van het tropisch oerwoud waardoor de adsorptie van koolzuurgas en de productie van z uurstof afnemen. Ook heeft het gevolgen voor de biodiversiteit, bodemerosie en klimaatverandering.

De meeste tuincentra verkopen alleen FSC gecertificeerd hout. FSC staat voor verantwoord beheer en behoud van bossen. FSC heeft regels opgesteld voor goed bosbeheer. In bossen waar die regels worden toegepast, wordt zorgvuldig gekapt, met respect voor mensen, planten en dieren.

Een andere manier om het probleem van de regenwouden op te lossen is het zoeken naar mogelijke vervangers van tropisch hardhout. Er zijn genoeg houtsoorten met dezelfde natuurlijke duurzaamheid. Robinia gaat van nature net zo lang mee als tropisch hout, klasse 1 of 2, maar op dit moment is het nog niet mogelijk Robinia te leveren met voldoende lengte en dikte. Bovendien zijn er in het verleden weinig Robiniabomen aangeplant voor de houtproductie. De bomen zijn pas na ongeveer veertig jaar volgroeid en geschikt om te worden verzaagd. Op dit moment worden de bestaande soorten geselecteerd op groeisnelheid om zo in kortere tijd meer volgroeide bomen te krijgen. Maar het duurt nog enkele jaren voordat dit effect heeft.

Robbina houten tegel
Robina boom

 

 

 

 

 

 

Presenteren
Tuinhoutproducten worden meestal buiten gepresenteerd. Ze nemen over het algemeen veel plaats in beslag. Dat levert in de winkel vaak problemen op. Je kunt niet altijd alles uitstallen wat je hebt. Maar hout heeft ook andere kenmerken die het moeilijk maken om het te presenteren. Denk  daarbij aan de afmetingen, de kwetsbaarheid en de houdbaarheid.

Onderhoud en bescherming
Hout is een natuurproduct: het heeft geleefd en blijft werken. Dat betekent dat er met hout allerlei dingen kunnen gebeuren die je niet wilt. Hout kan verkleuren, het kan gaan rotten en door uitdroging kan het scheuren of krom trekken. Bovendien kan er uitslag ontstaan. Om dat alles te voorkomen wordt hout verduurzaamd. Vaak gebeurt dit door de fabrikant. In de winkel wordt het hout dan verduurzaamd behandeld. Klanten kunnen  hout verduurzamen met verfproducten.

Verduurzamen van hout
De levensduur van Europees tuinhout is beperkt. Dit komt vooral door de zachtheid waardoor het snel wordt aangetast onder invloed van vocht, schimmels, insecten, zuurstof en temperatuur. Toch kun je het langer als tuinhout gebruiken door het te verduurzamen. Verduurzamen van hout is een methode waarbij je het hout inwendig of uitwendig behandelt zodat het bestand is tegen allerlei vormen van aantasting.

Het meeste tuinhout dat in tuincentra verkocht wordt is reeds verduurzaamd. Dit is gebeurd door de vacuümdruk methode, bespuiten, bestrijken, drenken of dompelen.
Bestrijken kan door de klant gebeuren. Hierbij wordt het hout bestreken met een verduurzamingsmiddel. Deze middelen worden in tuincentra verkocht. Bestrijken is een minder goede methode omdat je namelijk scheuren en naden  niet  of onvoldoende bereikt.  Omdat  deze scheuren en naden niet verduurzaamd zijn, kunnen hier gemakkelijk micro-organismen, schimmels en insecten naar binnen.

Bestrijken, verven of lakken is daardoor geen echte verduurzamingsmethodes.

Voor het bestrijken kun je gebruik maken van:
a) Dit is speciale beits voor onderhoud van verduurzaamd hout (hout dat is behandeld);
b) Dit is speciale verfbeits die het hout beschermt tegen weersinvloeden en het bovendien een andere kleur geeft;
c) Deze gaat het vergrijzen van teakhouten meubelen en andere hardhoutproducten tegen;
d) verf

Met tuinbeits, tuindecoratiebeits en teakolie houdt het hout zijn natuurlijke uitstraling. Met verf kan het  hout  elke  gewenste  kleur  krijgen  maar  de  structuur  van  het  materiaal  wordt onzichtbaar 

Bevestigingsmogelijkheden
Bij het verkopen van hout dien je de klant te wijzen op de diverse bevestigingsmogelijkheden en de hulpmaterialen die daarvoor nodig zijn.
De klant moet daarbij goed weten wat hij wil en hoe hij iets wil. Er zijn namelijk zeer veel mogelijkheden om houten delen aan elkaar te bevestigen.

Koppelstukken voor bevestiging van tuinschermen

Het is afhankelijk van de gebruikseisen die aan de verbinding worden gesteld welke oplossing de beste is.

Bovendien vragen allerlei toepassingen van tuinhout om specifieke bevestigingsmethoden. Voor schuttingpanelen zijn er speciale verbindingselementen. Verder kun je voor de bevestiging van palen kiezen uit:

  • hoekprofielen met schroefdraad;
  • paalhouders met pin;
  • paalhouders met ankerplaat voor een stevige ondergrond;
  • betonankers.

Verder is er allerlei hang- en sluitwerk voor het hangen en sluiten van deuren en poorten.

hang- en sluitwerk

 

BRONNEN:
Hillhout
Houtinfo
fsc
Houtsoorten 1
Houtsoorten 2