Productverzorging

Aardewerk  Nomenclatuur
Bladverliezende heesters Plantengroepen
Bol- en knolgewassen Plantenvoeding
Bomen en struiken Plantenziekten
Coniferen Schoonhouden
Dieren en dierbenodigdheden Snijbloemen
Droogmaterialen Snoeien
Een- en tweejarigen Tuinhout
Eetbare tuin Tuinmeubels
Fruit Tuinverharding
Gazons Tuinverlichting
Gereedschap Uitplanten van diverse plantengroepen
Glas en kristal Vaste planten
Groenblijvende Heesters Verduurzamen van hout
Grond en bodem Vermeerdering ongeslachtelijk
Hagen Vermeerdering geslachtelijk
Heidetuinen Verwerken van producten
Hout Verzorging kamerplanten
Hydrocultuur Vijver aanleggen
Kaarsen Vijverpompen en filters
Kamerplanten Vijverwater
Kleur Waterdieren
Klim- en leiplanten Water en plant
Kuipplanten Waterplanten
Kunstplanten
Licht en kleur
Licht en warmte
Meststoffen

Vermeerdering geslachtelijk

Inhoud

Geslachtelijke vermeerdering
Inleiding
1     Zaaitijdstip
2      Wat is zaad, wat heeft het nodig?
3     De 4 basisbehoeften
4      Voor- en nadelen van zaaien
5      Manieren van zaaien
6      Zaaimethoden
6.1       Breedwerpig zaaien
6.2       Zaaien op rij
6.3       Dibbelen
7      Grond zaaiklaar maken
8      Zaaien op rijen in de volle grond met de hand
9      Breedwerpig zaaien in een zaaibakje
10        Zaadsoorten
11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

Inleiding
Om een soort in stand te houden dient dit zich te vermeerderen.  Als je bij de vermeerdering te maken hebt met 2 geslachten spreek je over geslachtelijke- ofwel vegetatieve vermeerdering.
Bij planten heb je dan te maken met zaad. Het uitstrooien van zaden heet zaaien. Zaaien wordt bij veel cultuurgewassen toegepast. Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt in de bloem.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

 

1     Zaaitijdstip
De beste tijd om te zaaien is tussen januari en juli. We moeten hier wel een onderscheid maken tussen éénjarigen en vaste planten.

Immers, de eerste groep zaaien we vroeger, zij moeten de tijd krijgen om tot een volle bloeiende plant uit te groeien en vervolgens zaad af te geven voor de herfst.

Met de zaden van vaste planten hebben we minder haast omdat die meestal toch pas het jaar erna bloeien, en dit geldt tegelijk ook voor de tweejarigen.

 

     Wat is zaad, wat heeft het nodig?
Een zaadje is te vergelijken met een embryo in een ei. Het heeft de juiste voorwaarden nodig om uit te komen want zelfs zo´n klein nietig zaadje heeft een soort overlevingsdrang, ze willen wel uitkomen maar soms zijn de omstandigheden niet goed genoeg om na het uitkomen te overleven en daarom lijkt het hun beter om nog wat door te slapen en te wachten tot de omstandigheden verbeteren.

Zeg daarom niet: ik heb slechte zaden gekregen, iets wat ik mensen wel vaker hoor zeggen, nee, er is niet aan de juiste voorwaarden voldaan voor dat zaadje om uit te komen.

 

Er zijn 4 basisbehoeften waaraan moet worden voldaan voor een zaadje voordat het wil/kan uitkomen. Dit zijn achtereenvolgens water, zuurstof, licht en temperatuur.
 

Het is de kunst om per zaadsoort de juiste balans te vinden tussen deze 4 sleutels om het kiemmechanisme van het zaad te ontsluiten. De samenwerking tussen deze 4 zaken brengt een chemisch proces op gang wat leidt tot de kieming van de plant.

En deze balans is per plantensoort verschillend en dat maakt het soms zo moeilijk

Raak nu niet direct in paniek, het overgrote deel van de planten kiemt toch wel bij een temperatuur tussen 15 en 20 graden, als ze voldoende water hebben, niet te nat staan en niet te diep onder de grond verscholen zijn.

Je kunt de meeste zaden dan ook beter te weinig bedekken dan teveel.

3     De 4 basisbehoeften
Water: Iedereen weet dat je water nodig hebt om zaad te laten ontkiemen. De kieming start als het water de zaadhuid binnendringt. Het zaad neemt het water op, zet zich uit en de zaadhuid begint te barsten, het plantje ontrolt zich zodat de wortel de grond ingaat en de stengel naar boven.

Zuurstof: Zaden hebben dit nodig voor de chemische processen tijdens het kiemen. Daarom is een luchtige, goed doorlatende grond van belang. Als u bv. op zware klei zaait blijft het water daarop staan en neemt het de plaats in van de lucht. Er zal dan ook sneller schimmel optreden die uw zaden zal belagen.

Licht: Een zaadje zou het verschil kennen tussen donker en licht. Voor een klein zaadje kan een paar centimeter onder de grond hetzelfde zijn als een paar meter. Het is gewoon helemaal donker, daarom mogen kleine zaden nooit te diep onder de grond gezaaid worden, niet of nauwelijks bedekken is de boodschap. Het schijnt dat zonminnende planten gevoelig zijn voor de hoeveelheid rood in het licht, en ze ontkiemen dan ook niet als het te donker is, wat hun betreft is het niet het goede moment in het jaar om uit te komen.

Zaden in de volle zon plaatsen is zeker ook niet goed, ze kunnen dan verbranden.

Temperatuur: Elk chemisch proces heeft een bepaald temperatuur nodig om door te kunnen gaan. Als een zaadje het te warm of te koud heeft zal het niet ontkiemen en sommige zaden hebben bepaalde grenzen waarboven of waaronder ze er niet over zullen denken om te ontkiemen.

In het algemeen kun je zeggen dat warmte ontkieming bevordert maar teveel warmte remt het af. Dit is logisch als je bedenkt dat het zaadje moet weten dat het lente is en nog geen zomer.

Bij het bewaren van zaad kan ook nogal eens wat mis gaan, als u zaden krijgt en u bent niet van plan ze direct te zaaien dan is het het beste om ze in de ijskast te bewaren, de zakjes in een afgesloten plastic bakje. De meeste zaden behouden hun levensvatbare eigenschappen gedurende twee jaar op kamertemperatuur, maar een koude bewaring is toch beter voor ze, het zou zelfs de levensduur van de zaden verlengen. Bewaar uw zaden NOOIT in de serre, de warmte en de vochtigheid zijn dodelijk voor uw zaden, ze hebben dan maar een levensverwachting van zes weken ipv. twee tot drie jaar.

 

4    Voor- en nadelen van zaaien
In de plantenteelt zijn er twee manieren om planten te vermeerderen, namelijk

  1. a) geslachtelijk (zaaien)
  2. b) ongeslachtelijk.

Vergelijk je beide manieren met elkaar, dan heeft zaaien de volgende voor- en nadelen

Voordelen van zaaien

  • Je hebt na zaaien vrij snel een groot aantal nieuwe planten.
  • De kans op het overbrengen van virusziekten is kleiner.

Nadelen van zaaien

  • Het is niet altijd eenvoudig om zaden te winnen.
  • Het duurt langer voordat er een kant-en-klare plant is die de markt op kan.
  • Omdat het zaad afkomstig is van een moederplant en van een vaderplant, heeft die ook twee verschillende groepen van eigenschappen. De nieuwe planten die uit het zaad ontstaan, kunnen daardoor sterk afwijken van de ouderplanten. Ze kunnen beter of slechter zijn.
Een tuincentrum verkoopt veel verschillende soorten zaadjes van planten.

5  Manieren van zaaien
Zaaien kan op vele manieren. Die manieren hebben voor- en nadelen 

Ter plaatse of niet ter plaatse
In de landbouw worden de gewassen ter plaatse gezaaid. Ook gazons worden vaak ter plaatse gezaaid.
Ter plaatse wil zeggen dat je zaait op de plaats waar de planten kunnen blijven groeien tot ze oogstbaar zijn. Ter plaatse zaaien kan breedwerpig of in rijen gebeuren.

In de tuinbouw zaait men meestal niet ter plaatse. Niet ter plaatse zaaien wil zeggen dat de plantjes na een lange of korte periode verplaatst worden. Dit gebeurt onder andere met de meeste groenten, een- en tweejarige planten.
Bij het niet ter plaatse zaaien zaait eerst in speciale zaaibakken of in zaaitrays. Een zaaitray is een voorgevormde plastic plaat waar zaadjes machinaal in kleine kluitjes aarde worden gezaaid. Na het ontkiemen zet men de plantjes met het inmiddels doorgewortelde kluitje in een pot. Het grote voordeel van deze methode (vergeleken met verspenen) is dat je de wortels niet beschadigt. Hierdoor krijg je een snelle doorgroei.

 

 

6  Zaaimethoden
Zaaien gebeurt op drie manieren:
– breedwerpig;
– zaaien op rij;
– precisiezaai;
– dibbelen.

breedwerpig zaaien

6.1      Breedwerpig zaaien
Bij breedwerpig zaaien strooi je het zaad over het gehele perceel. Eerst maak je de grond fijn en los. Daarna verdeel je het zaad zo regelmatig mogelijk over het perceel. Breedwerpig zaaien is mogelijk met kleinere zaden. Het moet erg gelijkmatig gebeuren.
Na het zaaien moet je soms lichtjes met een hark over het perceel gaan. Hierna bedek je de zaden met een dun laagje aarde. Vervolgens rol je de grond, zodat de zaden goed in contact komen met de vochtige grond. De zaden ontkiemen kriskras over het perceel verspreid. Het is dan ook moeilijk om op een later moment het onkruid tussen de planten te verwijderen.
Breedwerpig zaaien gebeurt bijvoorbeeld bij gras en spinazie.

 

op rijen zaaien

6.2      Zaaien op rij
In de praktijk worden bijna alle gewassen op rij gezaaid. Denk maar aan wortels, maïs en granen. Eerst trek je in de grond kleine geultjes. De diepte van de geultjes is afhankelijk van de grootte van de zaden: hoe groter de zaden, hoe dieper de geultjes. Als hulpmiddel bij het zaaien gebruik je bijvoorbeeld een schoffel. Grootschalig gebeurt het met een zaaimachine. Na het zaaien maak je het geultje dicht en druk je de grond zachtjes aan.
Let erop dat de onderlinge rijenafstand groot genoeg is. Je moet het onkruid mechanisch kunnen bestrijden, bijvoorbeeld met een schoffel of hak.

 

 

6.3  Dibbelen
Dibbelen is het zaaien op hoopjes. Dit past men vaak toe bij groenten in de moestuin. Voorbeelden zijn erwten en bonen.

7  Grond zaaiklaar maken

Als je in de tuin gaat zaaien, moet je ook eerst de grond bewerken. Je gaat eerst spitten en dan harken. Tijdens het harken maak je de grond vlak. Dat heet egaliseren.
Werkwijze:
1   Spit de grond om.
2   Let tijdens het spitten op je houding. Voorkom rugklachten!
3   Na het spitten maak je de kluiten klein. Dat doe je met de rug van de hark.
4   Pak de hark vast zoals in de figuur.

Met de hark worden de kluiten kapotgeslagen.

 5   Sla met de rug van de hark de kluiten kapot.
6   Als alle kluiten klein zijn, ga je egaliseren. Dat doe je ook met de hark.
7   Blijf de hark op dezelfde manier vasthouden.
8   Waar bergjes liggen, hark je de grond weg naar de dalen.
9   Blijf dit doen totdat de grond zo vlak is als een biljartlaken!
10 Als je klaar bent, maak je het gereedschap schoon en ruim je alles netjes op.

 

 

 

 

 

 

8  Zaaien op rijen in de volle grond met de hand

Als je thuis in je tuin wil gaan zaaien, heb je niet direct een zaaimachine bij de hand. Je kunt ook met hele eenvoudige materialen in de volle grond zaaien.

 

 

 

Benodigdheden
– hark
– schoffel
– riek
– spade
– gieter met broes
– pakje zaadnaamkaartjes

Werkwijze
1   Maak het zaaibed gereed:
–   maak de grond onkruidvrij door te spitten;
–   hark de grond gelijk vlak.
2   Maak over de lengte van het zaaibed sleuven van twee centimeter diep. Om rechte sleuven te krijgen kun je gebruik maken van een lange stok of van een pootlijn die je uitzet. De afstand tussen de sleuven is afhankelijk van het soort planten (zie daarvoor de beschrijving op het pakje zaad).
3   Zaai het zaad in de sleuven; leg grote zaden op de juiste afstand uit elkaar; strooi kleine zaden dun in de geul uit.
4   Maak de sleuven dicht met de achterkant van de hark en druk deze licht aan met een plankje.
5   Vul de naamkaartjes in en steek de ingevulde naamkaartjes in de grond.
6   Geef bij droge grond water met een gieter met een fijne broes.

9  Breedwerpig zaaien in een zaaibakje

Kweken in zaaibakken

Zaadjes kun je opkweken in zaaibakjes. Een zaaibakje moet schoon zijn en het liefst ontsmet. In het bakje doe je in zaaigrond. De bovenste zandlaag moet je zeven. Die laag moet goed vlak zijn, zodat er bij het water geven geen plassen ontstaan.
Als je de zaadjes gezaaid hebt, dek je ze af met een klein laagje zaaigrond. Gebruik niet meer dan dat het zaad dik is. Hele kleine zaden en zaden die licht nodig hebben om te kiemen, hoef je niet af te dekken. Zorg er altijd voor dat de zaaibak voldoende vochtig is. Als laatste dek je de zaaikist af met een glasplaat of plastic tot dat de zaden gekiemd zijn. Dit is om het uitdrogen te voorkomen.
Je moet altijd ongeveer 1 cm onder de rand van het zaaikistje blijven. Als de zaden dan uitkomen, staan ze niet gelijk tegen het glas of het plastic aan.

 

Stappenplan voor een zaaikist
– Kistje schoonmaken
– Zaaigrond zeven (fijne grond)
– Kist voor drievierde vullen met grond
– Randen licht aandrukken
– Afvullen met gezeefde grond
– Grond vlak maken

Zaaien
– Klein laagje grond erover doen (net zo dik als zaad zelf is)
– Licht aandrukken
– Water geven indien nodig
– Wegzetten en afdekken met glasplaat of plastic
– Werkplek schoonmaken en het gebruikte gereedschap schoon opruimen

10 Zaadsoorten

Begonia’s worden gekweekt uit erg duur begoniazaad!

Er zijn duizenden zaadsoorten. Die zaadjes verschillen in grootte, kleur vorm et cetera. Ze verschillen ook in prijs! Sommige zaadjes zijn zo duur, dat ze tot de duurste producten op aarde behoren. Een voorbeeld is begoniazaad. Duizend zaadjes is ongeveer 1/16 gram. Stel je eens voor hoe klein die zaadjes zijn: heel, heel erg klein! Een hoeveelheid van 1/16 gram kost ongeveer 15 euro. Een gram begoniazaad kost dus 16 x 15 euro = 900 euro. En een kilo dus 1000 keer zoveel: 900.000 euro! Daar heb je dan ook wel 16.000.000 planten voor. Als je het bedrag omrekent naar een bedrag per plantje, valt het dus wel mee.

Er zijn andere zaden die veel groter zijn, bijvoorbeeld het afrikanenzaad (Tagetes). Duizend van die zaadjes wegen ongeveer 5 gram. Duizend zaadjes van zonnebloemen wegen nog veel zwaarder: 100 gram. Zo zie je, dat de grootte van zaden erg verschillend kan zijn.

 

 

11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

 

Stel u eerst de volgende vragen: is het zaad leefbaar, slaapt het, is het het goede seizoen, moet de zaadhuid doorbroken worden, is het zaad te koud, te warm, te nat, te droog?

U heeft aan alle voorwaarden voldaan, alles volgens het boekje, de juiste temperatuur, goede grond, genoeg licht, niet in de volle zon, goed bewaard en toch komen uw zaden niet uit.

Misschien zijn de zaden te oud en hebben ze geen levenskracht meer. Dit zal u waarschijnlijk niet gebeuren als u zaad krijgt van grote erkende zaadhuizen maar het is mogelijk als u het uit een onbekende bron krijgt. Toch zal dit niet vaak gebeuren.

Het is waarschijnlijker dat het zaad nog steeds slaapt en dat er verschillende stappen genomen moeten worden om het uit deze slaap te halen.

De zaadhuid is te hard en moet doorbroken worden: dit geldt voor bv. Lathyrus en Lupinen. We weken deze zaden 24h in lauw water en zaaien ze daarna. Een andere mogelijkheid is om een stukje van de zaadhuid af te schrapen, u moet hier wel oppassen dat u het ´oog´ niet raakt, een puntje aan de zijkant van het zaad.

Het zaad is een vorst- of koudekiemer: veel zaden hebben een soort rem op hun ontkieming die opgeheven moet worden, en dit gebeurt door middel van kou. Koudekiemers zaait u in vochtige tuinturf, geef ze dan een paar dagen de tijd om het vocht op te nemen en stel ze dan bloot aan kou, zet de bakjes (of plastic zakjes) in de ijskast en laat ze daar 3 tot 6 weken instaan. Als er kiemplantjes verschijnen is het uiteraard tijd om ze eruit te halen.

Vorstkiemers zaait u best in het najaar en laat ze in de winter buiten staan, let er dan wel op dat de zaden niet uit de bakjes kunnen wegspoelen door de regen of dat muizen het niet als wintervoedsel gaan gebruiken, bescherm uw bakken. Haal ze in februari weer binnen en geef ze een hogere temperatuur, als ze beginnen te kiemen behandeld u ze verder als gewone zaailingen. Zelf heb ik het ook al aangedurfd om een paar bakjes in de diepvries te zetten voor een week om daarna de bevroren bakjes op hun gemak te laten ontdooien en ze dan wat meer warmte te geven. Voor verschillende soorten is mij dit gelukt maar niet allemaal. Ik zou er dus geen algemene regel van willen maken.

 

Plantenziekten

Gewasbescherming

Inleiding
Planten kunnen worden aangetast door ongedierte, schimmels en andere externe- en interne oorzaken.  Altijd geldt: Voorkomen is beter dan genezen.
Helaas is het niet altijd te voorkomen dat er infecties of aantastingen optreden. Als deze zogenaamde schadebeelden eenmaal zijn opgetreden, kunnen ze vaak met succes worden behandeld met een, vaak milieuvriendelijke methode.

1 milieu
Onze leefomgeving is een systeem dat door elke schakel in stand wordt gehouden. Verstoring hiervan veroorzaakt vaak meer schade dan voordeel. Daarom moet je bij elke ingreep kiezen voor een methode die zo weinig mogelijk invloed heeft op het ecosysteem. Met andere woorden: Ga zo veel mogelijk biologisch te werk.

Milieuvriendelijke methoden van gewasbescherming zijn bijvoorbeeld:

  • het krachtig afspoelen van de plant;
  • het handmatig verwijderen van het ongedierte.

2  Oorzaken
Eten en gegeten worden hoort bij de natuur. Mensen zijn er echter niet blij mee als hun cultuurplanten worden aangetast door organismen of verslechteren door andere uitwendige omstandigheden.

We beginnen met het  zoeken naar ziektenbeelden een hun veroorzakers. Vervolgens gaan we de ziekten ordenen en verdiepen we ons in het voorkomen en in de bestrijding ervan.

Organismen die andere levende wezens aantasten heten parasieten. Bij plantenziekten hebben we vrij vaak met parasitisme te maken. Daarnaast komen we beschadigingen tegen met andere oorzaken.
Om ziekten en beschadigingen te voorkomen en zo nodig te bestrijden moeten we weten tot welke groep de betreffende aantasting behoort.

spintmijten

We kunnen de oorzaken van plantenziekten in de volgende groepen verdelen:
A  Dierlijke parasieten.
Dit zijn bijvoorbeeld insecten (bladluis, dopluis, wolluis, motluis of witte vlieg, trips, rupsen), spinnetjes(spint), slakken, zoogdieren en wormen (aaltjes).

B  Plantaardige parasieten.
Hiertoe behoren de schimmels en bacteriën. Ze veroorzaken ziekten als meeldauw, roetdauw, roest, smeul en bacterierot.

 

bladvlekkenziekte (virusziekte)

C  Virussen.
Dit zijn eiwitten die zich in de cellen van andere organismen bevinden en zo de levensfuncties verstoren. Virussen leiden in het algemeen tot een afwijkende groei. Het meest bekend is mozaïek; een vorm van bladverkleuring.

D Ongunstige omstandigheden.
Hiertoe behoren temperatuur, voeding(gebreksziekten), water, licht, bodem (zout, structuur, pH, ec), tocht, menselijk handelen e.d. Deze groep van ziekten wordt fysiogeen genoemd.

 

3 Voorkomen en bestrijden
Plantenziekten kom je in de hele keten van kweker tot en met consument tegen. Elke schakel zal zich inzetten om schade te voorkomen en desnoods te bestrijden.

3.1  Voorkomen
Bij het voorkomen van schade kun je bijvoorbeeld denken aan:

  • Gezond uitgangsmateriaal. Kwekers gaan vaak uit van gekeurd moedermateriaal. Virusvrij uitgangsmateriaal verkrijgt men door weefselkweek. Hierbij neemt men, voor de vermeerdering, cellen uit het groeipunt van een plant. Deze worden in een laboratorium opgekweekt.
  • Goede omstandigheden en verzorging. Denk aan water, luchtvochtigheid, temperatuur, tocht, potgrond, bemesting, verplaatsen en verpotten.
  • Aangetaste planten isoleren i.v.m. besmetting.
  • Preventief bestrijden. Dit wil zeggen van te voren middelen toedienen om ervoor te zorgen dat ziekteverwekkers zich niet kunnen ontwikkelen.

3.2 Bestrijden
Als een plant is aangetast kan men proberen om de ziekte te bestrijden. Dit kan op de volgende manieren: biologisch, mechanisch, chemisch en geïntegreerd.

Aziatisch lieveheersbeestje eet luizen
Roofwants bezig met het leegzuigen  van een rups

 

 

 

 

 

3.2.1   Biologisch
Bij deze methode zet men natuurlijke vijanden uit om de parasiet te bestrijden. Als er geen parasieten meer zijn sterft de roofvijand. Nadeel in de sierteelt is dat de consument geen planten wil waar beestjes opzitten.

Het spuiten met zelf samengestelde producten als brandnetelgier en  aftreksels van nicotine, paardenstaart  en rabarberblad zou je biologisch kunnen noemen.

3.2.2   Mechanisch
Dit wil zeggen dat men de parasieten bestrijdt met de hand of met gereedschap. Denk aan het vangen van muizen en rupsen. Ook het bestrijden van dopluizen met spiritus en groene zeep en het wegspuiten van spint met koud water zou je mechanisch kunnen noemen. In het algemeen is het een arbeidsintensieve methode.

3.2.3   Chemisch
Bestrijdingsmiddelen kunnen ook chemisch zijn. Chemische middelen mogen alleen in de handel worden gebracht als ze door de overheid zijn goedgekeurd. Tijdens deze keuringsonderzoeken wordt gekeken welke effecten ze hebben op mens, dier en milieu. Bij dat onderzoek wordt ook bepaald welke waarschuwingen op de verpakking moet staan. Wordt het middel goedgekeurd, dan krijgt het een toelatingsnummer.

– Verschillen in werking
Bij chemische bestrijdingsmiddelen maken we onderscheid tussen een breedwerkend middel en een selectief werkend middel.
Een breedwerkend middel is zo samengesteld dat ze een groot aantal verschillende schadeverwekkers doodt.
Een selectief werkend middel daarentegen is alleen werkzaam tegen een klein aantal en soms maar één schadelijke soort.

Selectief werkende middelen worden in de volgende groepen verdeeld:

  • insecticiden tegen insecten
  • fungiciden tegen schimmels
  • acariciden tegen spint (mijten)
  • oviciden tegen eieren van insecten en spint
  • nemataciden ten aaltjes (bodemwormpjes)
  • mollusciden tegen slakken
  • herbiciden tegen onkruiden.

Chemische middelen kunnen ook worden onderscheiden in de manier waarop ze werken.
Bij contactwerkende middelen komt de bestrijding direct in contact met de schadeverwekker.
Een systemisch werkend middel daarentegen wordt opgenomen in de sapstroom van de plant. Schadeverwekkers komen ermee in aanraking als ze het plantensap opzuigen.

– Gebruiksvormen van bestrijdingsmiddelen
Bestrijdingsmiddelen zijn in verschillende gebruiksvormen in de handel:

  • vloeistoffen;
  • spuitpoeders . Deze moeten worden opgelost in water en vervolgens gespoten;
  • aerosols , ofwel spuitbussen. Bij deze middelen is het bestrijdingsmiddel al opgelost en dus kant klaar voor gebruik. Nadeel van sommige spuitbussen is dat sommige drijfgassen die zorgen voor voldoende druk in de bus, slecht zijn voor de ozonlaag;
  • diverse andere vormen. Daaronder vallen bijvoorbeeld de korrelvorm en gedrenkt karton. In deze laatste vorm wordt het kartonnetje in de potkluit gestoken. Het drenkmiddel lost op in de vochtige grond en wordt vervolgens door de plant opgenomen. Het is dus een systemisch middel voor alle zuigende insecten. 

– Verpakking
Elk bestrijdingsmiddel dat in de handel is, heeft een merknaam en een codenaam . Een merknaam is natuurlijk de fabrikant , maar de codenaam geeft aan wat de werkzame stof is van het middel. Daarom kunnen van verschillende fabrikanten wel de producten dezelfde codenamen hebben.

Ook geeft elk middel aan hoe giftig het is. We onderscheiden:

  • middelen zonder een giftigheidsymbool . Voor deze middelen geldt geen wettige voorschriften voor het presenteren in de verkoopruimte.
  • middelen met een Andreaskruis . Deze mogen wel in de verkoopruimte worden bewaard, maar dan wel in een afgesloten ruimte.
  • middelen met een doodshoofd . Deze middelen mogen niet in de verkoopruimte worden bewaard. Veelal zijn deze middelen verboden voor kleinverbruik.

– Veiligheid
Soms zijn chemische bestrijdingsmiddelen zo gevaarlijk voor mens en milieu dat ze alleen mogen  worden toegediend door mensen met een spuitlicentie.

Aandachtspunten zijn:

  • Lees eerst de gebruiksaanwijzing; aerosol
  • Hou je aan de voorgeschreven dosering;
  • Meng geen producten;
  • Gebruik het middel niet binnenshuis;
  • Werk met handschoenen;
  • Spuit van de wind af;
  • Laat de planten buitenshuis opdrogen;
  • Berg producten veilig op;
  • Voeg verpakkingsmateriaal bij het chemisch afval.

– Immuniteit of resistentie
Als je vaak hetzelfde bestrijdingsmiddel gebruikt kunnen parasieten er ongevoelig voor worden. Dat komt doordat elke keer een paar sterke exemplaren overblijven. De planten zich dan voort. Men spreekt dan over resistentie.

3.2.4   Geïntegreerd
Geïntegreerde bestrijding wil zeggen dat men uit het rijtje biologisch, mechanisch en chemisch 2 of meer methodes combineert.

 

Plantenvoeding

INHOUD
1     Samenstelling van de plant
2     Voeding van de plant
2.1   Verbranding en Fotosynthese
2.2   Wortelvoeding
2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
2.2.3 Nevenelementen
3     Bemesting
3.1   Moet er bemest worden?
3.2   Wanneer moet er bemest worden?
3.3   Wat moet er bemest worden?
3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?

Inleiding
Planten hebben voedsel nodig. Als dit kunstmatig wordt toegediend spreken we over bemesting. De laatste jaren zijn de fabrikanten van meststoffen zich steeds meer op de particuliere consument gaan richten. Hierdoor is de variatie in het aanbod van meststoffen gigantisch toegenomen. Dit geldt voor het aantal merken, het aantal soorten per merk en de verpakkingseenheden.
Planten vragen vaak advies over het bemesten van planten. Om deze reden gaan wij de hoofdzaken met betrekking tot plantenvoeding en bemesting behandelen.

1 Samenstelling van de plant
Om erachter te komen welke voedingselementen een plant nodig heeft kun je uitzoeken welke stoffen er in het plantenlichaam zitten. Het volgende schema geeft aan welke stoffen je in een plant tegenkomt:

De verhouding waarin deze stoffen voorkomen, en dus nodig zijn,  is voor elke plant verschillend. Dit is de reden waarom er zoveel verschillende meststoffen in de handel zijn.

Opname van stoffen uit de lucht en uit de bodem

2 Voeding van de plant
Uit de biologie is bekend dat je de voedingsstoffen kunt indelen in

  1. a) brandstoffen Dit zijn koolhydraten en vetten.
  2. b) bouwstoffen. Dit zijn bijvoorbeeld water en eiwitten.

De grondstoffen voor het maken van deze stoffen neemt de plant op uit de omgeving. Omdat dit via de bladeren en via de wortels gebeurt spreken we over:
a) bladvoeding, fotosynthese ofwel koolstof assimilatie (en verbranding ofwel dissimilatie)
b) wortelvoeding

2.1   Verbranding en Fotosynthese
Planten hebben energie nodig voor alle levensprocessen. Deze energie komt vrij bij het verbranden van koolhydraten in de cellen. Hiervoor is zuurstof nodig. Naast zuurstof ontstaan er bij de verbranding koolzuurgas en waterdamp dit ademt de plant uit. Omdat de plant altijd energie nodig heeft vindt verbranding ofwel dissimilatie dag en nacht plaats in alle cellen van de plant. Het opnemen van zuurstof zou je als voeding kunnen beschouwen.

De koolhydraten (suikers) die nodig zijn voor de verbranding worden door groene planten gemaakt in de bladgroenkorrels. Dit proces heet fotosynthese of koolstofassimilatie. Als grondstoffen gebruikt de plant hiervoor koolzuurgas en water. Als afval ontstaat zuurstof. Het water wordt opgenomen uit de grond en het koolzuurgas wordt opgenomen uit de lucht. De koolhydraten gaan naar alle cellen en de zuurstof wordt uitgeademd. Het samenvoegen van koolzuurgas en water tot koolhydraten kost energie. Deze wordt geleverd door de zon. Fotosynthese vindt dus alleen plaats bij voldoende licht in cellen met bladgroen. De bladgroenkorrels kun je als het ware beschouwen als suikerfabriek.

Als je de verbranding vergelijkt met de fotosynthese zul je opmerken dat ze elkaars omgekeerde zijn. De stoffen die voor de verbranding nodig zijn worden bij de fotosynthese gemaakt. Het draait hierbij om het vastleggen van zonne-energie. De energie die de plant zelf niet gebruikt komt ten goede van andere organismen.

Sterk vereenvoudigd kun je deze 2 processen als volgt weergeven:

Verbranding

 

Fotosynthese

Fotosynthese en verbranding zijn de basis voor het leven op aarde. In het kader van bemesten kunnen wij, als particulieren, er weinig mee. Bedrijven werken met koolzuurgasbemesting en belichting.

In de wortelademhaling ligt wel het belang van een luchtig bodemmengsel.

 

 

 

 

 

2.2   Wortelvoeding

Bouwstoffen en elementen voor het maken van bouwstoffen worden door de plantenwortels opgenomen uit de bodem. De voor de plant noodzakelijke elementen kun je in de volgende groepen verdelen:

–     macro-elementen ofwel hoofdelementen;
–     micro-elementen ofwel spoorelementen;
–     nevenelementen.

2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
Macro-elementen zijn elementen waarvan de plant in verhouding grote hoeveelheden opneemt. Dit zijn: koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O), stikstof (N), fosfor (P), Kalium (K), zwavel (S), Calcium of kalk (Ca) en magnesium Mg).

Koolstof
Dit element haalt de plant uit de lucht. Bij de fotosynthese wordt dit element vastgelegd in organische stof.

Waterstof en zuurstof
Deze elementen worden uit het water uit de grond verkregen. Ook deze elementen maken deel uit van de organische stoffen.

Stikstof
Stikstof is nodig voor de vorming van eiwitten en bladgroen. Bij stikstofgebrek zal de plant slecht groeien en verkleuren. Stikstofovermaat geeft extra groei. Hierdoor krijg je in veel gevallen een langgerekte, slappe plant.

Fosfor
Planten hebben fosfor nodig voor de vorming van veel eiwitten, de wortelontwikkeling en de vorming van vruchten en zaden. Bij fosforgebrek zien we vaak bladverkleuring

Kalium
Kalium speelt een belangrijke rol bij de stevigheid van bladeren en stengels. Hierdoor zijn planten met voldoende kalium minder gevoelig voor bijvoorbeeld ziekten en klimaat. Daarnaast helpt dit element bij de vorming en het vervoer van koolhydraten en heeft het een positieve invloed op de kwaliteit van vruchten. Bij kaliumgebrek wordt het oudere blad donker en dof. Langs de rand van het blad treedt verdroging op.

zwavel
Dit element komt voor in eiwitten. Het speelt een rol bij de waterhuishouding van de plant. Zwavelgebrek komt praktisch nooit voor.

Calcium of kalk
Dit element speelt een rol bij de opbouw van celwanden en het neutraliseren van zuren in de plant. Bij kalkgebrek krijgen planten Gebrek komt praktisch nooit voor. Kalkbemesting wordt toegepast om de bodem te verbeteren.

Magnesium
Magnesium is een belangrijk bestanddeel van bladgroen. Bij magnesiumgebrek krijg je bladvergeling tussen de nerven en langs de randen. Later verkleurt dit naar bruin. Rond de nerven blijven de bladeren groen. Magnesiumgebrek komt veel voor op zandgronden en bij kalium-overmaat

2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
Hiertoe behoren de elementen die planten in zeer kleine hoeveelheden opnemen. Ze zijn wel onmisbaar. Tot deze groep behoren: ijzer (Fe), silicium of kiezel (Si), mangaan (Mn), borium (B),  zink (Zn), molybdeen (Mo), koper (Cu), Kobalt (Co) en soms jodium (I) en aluminium (Al)

IJzer
IJzer is nodig voor de vorming van bladgroen. Bij ijzergebrek worden de bladeren geel tot wit met scherp afgetekende groene nerven.  Het komt vooral voor op basische grond.

Silicium of kiezel
Dit element komt voor in celwanden.

Mangaan
Mangaan speelt een rol bij de fotosynthese en eiwitstofwisseling. Mangaangebrek is te herkennen aan op lichte vlekken tussen de bladnerven.  De nerven blijven groen.  Het blad is vaak dun. Mangaangebrek wordt vaak veroorzaakt door kalkovermaat en een slechte bodemstructuur.

Borium
Dit element speelt een rol bij de celdeling en waterhuishouding in de plant. Bij boriumgebrek kunnen jonge knoppen afsterven.

Zink
Zink is nodig voor het vormen van groeistoffen. Zinkgebrek geeft groeiremming.

Molybdeen, koper, kobalt, jodium en aluminium
Deze elementen spelen een rol bij allerlei chemische omzettingen. Molybdeen-, kobalt-  en kopergebrek geven misvorming en verkleuring. Jodium- en aluminiumgebrek komen praktisch nooit voor.

2.2.3 Nevenelementen

Hiertoe behoren elementen als Chloor (Cl) en Natrium (Na). Ze zijn niet noodzakelijk voor de groei maar worden wel opgenomen als ze aanwezig zijn.

3     Bemesting
Elke plant heeft zijn eigen voorkeur. Bij het analyseren van planten kun je deze voorkeur vaststellen. Door het onderzoeken van de grond kun je vervolgens vaststellen of er  stoffen bijgegeven moeten worden. Het aan de bodem, het medium of de plant toedienen van stoffen met plantenvoedende bestanddelen heet bemesten.  Daarnaast  bemest men in veel gevallen om de bodem positief te beïnvloeden.

Mensen met een tuin zullen zich, als het om bemesten gaat, de volgende vragen stellen:
a) Moet er bemest worden?
b) Wanneer moet er bemest worden?
c) Wat moet er bemest worden?
d) Hoe moet de meststof worden toegediend

3.1   Moet er bemest worden?
In de natuur heb je te maken met een successie. Dit wil zeggen dat de vegetatie na een periode van verandering in een eindstadium terechtkomt. Je kunt dit zien op braakliggend land. Eerst groeien er zandbindende planten, daarna krijg je een periode waarin  de vegetatie steeds ruwer wordt. Als je niets doet krijg je als eindstadium meestal bos. De tussenstadia worden sub climaxstadia genoemd. Het eindstadium heet climax stadium.
In de natuur zie je dus een aanpassing van de plantengroei aan de omstandigheden. Als het voedsel en de lichthoeveelheid  voor de ene plant opraakt komt er een andere plant voor in de plaats.
In tuinen heb je te maken met cultuur.  Dit is het omgekeerde van natuur. We passen de omstandigheden aan en willen de vegetatie behouden. Dit betekent dat bepaalde stoffen opraken en dus bijgevuld moeten worden. Het opraken moet je voor zijn om te voorkomen dat er gebreksziekten ontstaan.

3.2   Wanneer moet er bemest worden?
Elke tuingrond heeft een voorgeschiedenis, meestal als cultuurgrond. Dit betekent dat de samenstelling nooit ideaal is voor de planten die we er gaan neerzetten. Bij het aanleggen van een tuin past men daarom vaak een basisbemesting toe. Hiervoor gebruikt men vaak organische meststoffen. Hierin zit van alles wat. Daarna is het verstandig om elk jaar bij te bemesten.

Het tijdstip van bemesten is afhankelijk van de oplosbaarheid van de meststoffen en de omstandigheden. Als je oplosbare meststoffen te vroeg toedient kunnen ze uitspoelen en ben je ze kwijt. Goed oplosbare meststoffen geeft men daarom in het groeiseizoen, slecht oplosbare meststoffen enkele maanden voor het groeiseizoen. Organische meststoffen geven we ongeveer 1 maand voor het groeiseizoen. Bij gebrekverschijnselen kun je spuiten met voedingsstoffen op het moment waarop de afwijking zichtbaar is.
Vaak kun je niet bemesten omdat het te veel regent of juist te weinig regent. ook kun je beter niet mesten bij heet weer.

3.3   Wat moet er bemest worden?
We bemesten meestal om de planten te voeden en om de grond te verbeteren.

Voeding
Het volgende schema geeft aan welke voedingsstoffen er bijbemest moeten worden:

Van alle planten is de samenstelling bekend. Deze samenstelling geeft, samen met de kennis over de natuurlijke groeiplaats, informatie over de eisen die de plant aan de groeiomgeving stelt. Deze kennis wordt weer gebruikt om meststoffen samen te stellen.
Om precies te bepalen wat er gegeven moet worden laten bedrijven regelmatig de bodemsamenstelling onderzoeken. Aan de hand hiervan wordt er een bemestingsadvies gegeven. Voor particulieren is dit ook mogelijk maar meestal niet zinvol.
Wilde planten geven vaak een indicatie over de samenstelling van de grond. Zo wijst brandnetel op de aanwezigheid van stikstof en klein hoefblad op kalk. Varens en mossen zijn indicatoren voor zure grond.

Grondverbetering
Soms bemest men om de bodemstructuur en de zuurgraad (pH) te verbeteren.
Eenvoudig gesteld gebruikt men voor structuurverbetering op zandgrond organische stof en op kleigrond kalk. De pH kun je verhogen met basische stoffen als kalk en verlagen met zure kunstmeststoffen en veenproducten. Voor het meten van de pH zijn eenvoudige setjes te koop.

Meststoffen
In het volgende schema kun je zien in welke vorm planten voedingsstoffen opnemen.

Deze stoffen kunnen via meststoffen worden toegediend. (Soms ontstaan ze na chemische reacties in de bodem) Er zijn zeer veel verschillende meststoffen in de handel. In grote lijnen kun je ze verdelen in organische meststoffen en anorganische meststoffen (kunstmeststoffen). Als derde groep zou je nog de milieuvriendelijke producten kunnen toevoegen.

Organische meststoffen
Organische meststoffen zijn dierlijke en plantaardige afvalstoffen die we aan de bodem toedienen. Sommigen bevatten veel voedsel en zijn waardevol als plantenvoeding; anderen bevatten weinig voedingsstoffen en worden daarom vooral gebruikt voor bodemverbetering. Het is moeilijk om organische meststoffen op maat toe te dienen.

Het volgende schema geeft een overzicht.

Anorganische meststoffen
Anorganische meststoffen worden meestal kunstmeststoffen genoemd. het zijn zouten die in de fabriek worden gemaakt. We verdelen ze in:
– enkelvoudige meststoffen
– samengestelde meststoffen

samengestelde meststof

Enkelvoudige meststoffen bevatten een voedingselement. Samengestelde meststoffen  bevatten meerdere voedingselementen. De meeste specifieke meststoffen zijn samengestelde meststoffen. Dit geldt dus ook voor POKON.

 

 

 

SAMENSTELLING VAN ENKELVOUDIGE KUNSTMESTSTOFFEN
In de volgende schema’s  kom je de belangrijkste kunstmeststoffen tegen. Het voert te ver op in te gaan op de gebruiksaanwijzing.  Deze staat in het algemeen op een gebruiksvriendelijke manier op de verpakking.

Naam van de meststof Gehalte Snel/lang-zaam wer-kend CI-
gehalte
Werking Andere

bestanddelen

Stikstofmeststoffen

 

Bloedmeel
Chilisalpeter
Kalisalpeter
Kalkammonsalpeter
Kalksalpeter
Ureum
Zwavelzure ammoniak

% N

13,5
16
13
26
15,5
46
20,5

 

 

vrij snel

snel

snel

langzaam
snel

vrij langzaam

langzaam

 

 

 

alk.30

alk.15

zuur
alk.12

zuur 45
zuur 60

 

 

 

25% Na
45% K

Fosfaatmeststoffen

Beendermeel

Tripelsuperfosfaat
Superfosfaat
Thomasslakkenmeel

% P205

 

30-35
40-45

20(19) snel
14-17

 

 

langzaam

snel

snel

langzaam

 

 

 

 

                          alk.30-40

 
Kalimeststoffen


Kalikiezelkalk
Kalisalpeter
Kalizout 40%
Kalizout 60%
Patentkali
Zwavelzure kali

% K20

 

10
46
40
60
30
48

   

 

 

 

50
50

 

 

alk. 35

 alk. 15

 

 

 

13% N (snel)
13% Na

 

10-Mgo

Kalkmeststoffen

 

Landbouwpoeder-kalk

Koolzure landbouwkalk

Kalkmergel

Kalikiezelkalk

 

Magnesia-kalkmeststoffen

Magnesiapoederkalk

Koolzure magnesiakalk

Magnesia kiezel kalk

Schuimaarde

%MgO

 

 

 

 

 

 

 

3-5
4-19
4-5
1,2

fijnheid zeef 0.25
80
100
60
100
 

80
100
60
100

  z.b.w

 

alk.60

alk.53
alk.40
alk.35

 

 

alk.60
alk.35-55
alk.45
alk.20-25

10% K2O

 

 

 

 

 

 

 

0,5%N, 1% P2O5

Magnesiameststoffen

Bitterzout
Kieseriet

% MgO
15-24
25-27
Kopermeststoffen

Koperslakkenbloem
Kopersulfaat

% Cu
0,7-1,7
25
Diversen

Borax

Zinksulfaat

Magnesiumsulfaat

 

10% B

20% Zn

 

SAMENSTELLING VAN SAMENGESTELDE KUNSTMESTSTOFFEN

 

We noteren de code  N+P+K+Mg+……..
De gehalten worden genoteerd als N+P2O+K2O+MgO

Veel gebruikt worden:

NPK   12+10+18
NPK   14+14+14
NPK   7+14+28
Kencica    0+8+15+5
Kencica    0+8+10+5
Mas         22+0+0+7
Fas         20+20+0
Kalisalpeter     14+0+45

3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?
Meststoffen, vooral kunstmeststoffen,  worden in diverse vormen geleverd. Vaak is de vormgeving dusdanig dat het toedienen erg gemakkelijk is. Op de gebruiksaanwijzing staat precies aangegeven hoe en hoeveel je moet toedienen. Vaak is er zelfs een maatbeker bijgevoegd.

Organische stoffen worden vaak verspreid en vervolgens ondergebracht.

Anorganische stoffen kun je:
–     breedwerpig strooien
–     opgelost gieten bijv. kamerplantenvoedsel
– mengen door de (pot)grond bijv. osmocote

Osmocote is een meststof die omgeven is door een kalklaagje en daardoor langzaam vrijkomt.
–     voedingsstaafjes in de potgrond.
–     spuiten met een voedingsoplossing.

 

 

Grond en bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1       Grond en bodem
1.2       Humus
1.3       Bodemprofiel
1.4       Bodemwater
1.5       Bodemstructuur
1.6       Drainage
1.7       pH
1.8       EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1       Zandgrond
2.2       Kleigrond
2.3       Veengrond
2.4       Zavelgrond
2.5       Lössgrond
3      Grondmengsels
4      Grondverbeteraars
4.1       Turfstrooisel
4.2       Tuinturf
4.3       turfmolm
4.4       Perlite
4.5       sphagnum
4.6       compost
4.7       bosgrond
4.8       hydrokorrels
4.9       steenwol

Inleiding
De meeste cultuurplanten staan met hun wortels in een medium. Meestal is dat grond. Deze grond zorgt voor verankering en levert voedsel, water en zuurstof.
Bloemenwinkels en tuincentra hebben veel met grond te maken. Ze verkopen grondmengsels en moeten regelmatig adviseren. Om deze reden gaan we in dit hoofdstuk in op veel gebruikte begrippen en zullen we de belangrijkste grondsoorten, grondmengsels en grondverbeteraars behandelen.

1   Begrippen
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen alleen die begrippen behandelen waarmee we binnen ons vak te maken kunnen krijgen.

1.1    Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.
1.2  Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem. Zandgrond is voor de absorptie van voedingsstoffen afhankelijk van humus.
1.3 Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.
Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
–           Maaiveld: Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
–           Bouwvoor: Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
–           Ondergrond: Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podzolgronden.
1.4 Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is. Zo onderscheiden we:
–  Hangwater: Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–  Grondwater: Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grond poriën met water gevuld zijn.
– Capillair water: Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.
Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.
1.5 Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.
We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6  Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.
1.7 pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.
Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.


1.8      EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.
1.9  Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex. Het principe berust op elektrische lading.

2 Grondsoorten

Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur.

Globaal kun je de grondsoorten in de volgende 3 groepen verdelen:
-zandgrond
– kleigrond
-veengrond
– zavelgrond
– Loss

 

Via de website van Wageningen University Research is veel informatie beschikbaar over de bodem van Nederland.

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–          IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–          de loop van de rivierbeddingen;
–          erosie (verwering);
–          vervening.
2.1         Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft zandgrond de volgende voordelen;
–          Zand warmt in het voorjaar snel op
–          Gemakkelijk te bewerken
–          Goed doorlatend voor water en lucht
Nadelen van zandgrond zijn;
–          droogt snel uit
–          bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast
–          lage pH

De vochthoudendheid van deze grondsoort kun je verbeteren met organische stof. Zandgrond wordt na de winter bewerkt en bemest.
2.2 Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat.
Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft kleigrond de volgende voordelen;
–           voedselrijk
–           vochthoudend
Nadelen van kleigrond zijn:
–           het is een zware, moeilijk te bewerken grondsoort
–           planten wortelen er moeilijk in
–           hij wordt hard bij droogte
–           dichte structuur en slechte waterafvoer
–           gebrek aan bodemleven
–           weinig zuurstof
–           komt in het voorjaar slecht op temperatuur

Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.
2.3 Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.
2.4         Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.
2.5         Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3          Grondmengsels
In tegenstelling tot grondsoorten worden grondmengsels kunstmatig gemaakt. Ze worden aangepast aan de behoefte van een of meerdere plantensoorten. Grondmengsels worden meestal onder de naam potgrond verkocht.
Als je rondkijkt in het tuincentrum of surft op internet zul je ontdekken dat het aantal soorten potgrondsoorten gigantisch groot is.  Elke fabrikant heeft een eigen assortiment.
De basis voor potgrond wordt gevormd door tuinturf of turfmolm, zand, klei en meststoffen. Goede potgronden bevatten ongeveer 30% lucht, 40 – 50% water en 30 – 40% vaste bestanddelen.
Voorbeelden van potgrondsoorten zijn universele potgrond, zaaigrond, stekgrond,  vijveraarde, tuinaarde, rozengrond, buxusgrond, tuinaarde,  bonsaigrond, cactusgrond, varengrond, anthuriumgrond, orchideeëngrond, tuinaarde, osmocote potgrond, geraniumgrond  en palmengrond.
Grondmengsels voor particulieren worden meestal in zakken verkocht en soms los. De inhoud van plastic zakken is bijvoorbeeld 5, 10, 25 of 50 ltr.

Goede potgronden bevatten een RHP-keurmerk.  RHP staat voor Regeling Handels Potgronden, De stichting RHP in Naaldwijk controleert de samenstelling van potgrond en kijkt of de grondstoffen en het eindproduct aan de strenge kwaliteitseisen voldoen.

4 Grondverbeteraars
Grondverbeteraars worden gebruikt om de eigenschappen van grondsoorten en grondmengsels te veranderen. Ze hebben vooral invloed op het organische stof gehalte, de structuur, de doorlatendheid,  het vochthoudend vermogen, de zuurgraad en de vruchtbaarheid. In veel gevallen worden ook potgronden gebruikt als grondverbeteraars. Hetzelfde geldt voor bepaalde meststoffen. Voorbeelden van grondverbeteraars zijn turfstrooisel, tuinturf, turfmolm, perlite, sphagnum, compost, bosgrond, kleikorrels en steenwol. De meeste van deze producten zijn in de bloemenwinkel, de bouwmarkt en het tuincentrum te koop.
4.1 Turfstrooisel
Turfstrooisel ofwel Bolsterveen is nog weinig verteerd veen. Het is lichtbruin van kleur, humusrijk en voedselarm.  Dit medium kan 10 keer zijn eigen gewicht in water opnemen en bevat dan nog zo’n 40% lucht. Het wordt gebruikt in potgrondmengsels en als stekmedium. De pH is laag.
4.2 Tuinturf
Tuinturf ofwel doorvroren zwartveen is afkomstig van oude veenlagen. Door het vochtige veen aan vorst bloot te stellen valt het uit elkaar en wordt het vochthoudend. Tuinturf is  reeds in een ver gevorderd stadium van vertering en daardoor donkerbruin van kleur. Dit betekent dat de verdere vertering langzaam verloopt hetgeen gunstig is voor de werkingsduur.
De vochtdoorlatendheid is groter dan van turfstrooisel. Tuinturf is een belangrijke grondstof voor potgronden en wordt veel gebruikt in borders om de pH te verlagen, het organische stof gehalte te verhogen, het vochthoudend vermogen te verhogen  en de grond af te dekken.  Het is geen meststof.
4.3 turfmolm
Als zwartveen uitdroogt wordt het  turf en neemt het geen water meer op. Op deze manier ontstaat turfmolm. Het is een vezelig product dat gebruikt wordt om grondmengsels luchtiger te maken.
4.4 Perlite
Perlite is een witte, poreuze vulkanische korrel met een doorsnede van 1-4 mm. Doordat het product steriel, vochthoudend en luchtig is wordt het veel gebruikt  als stekmedium en verbeteraar van potgronden.

4.5 sphagnum
Sphagnum is de wetenschappelijke naam voor veenmos. Het kan zeer veel water opnemen en wordt gebruikt  voor het maken van grondmengsels voor vochtminnende planten. Door milieuvervuiling is sphagnum vaak erg zout en onbruikbaar voor planten.
4.6 compost
Als organisch afval onder de juiste omstandigheden wordt bewaard ontstaat compost. Zo kent men bijvoorbeeld GFT-compost, compost van tuinafval en champost. De samenstelling is erg verschillend.
Compost is vooral geschikt om het organisch stof gehalte van de grond te verhogen. Champost kan een erg hoge EC hebben. Zelf gemaakte compost bevat vaak onkruid.

 

4.7         bosgrond
Organische materialen die zijn oorsprong hebben in het bos worden bosgrond genoemd. Hieronder vallen bladgrond, dennennaaldengrond, boomschors e.d.
Bosgrond wordt gebruikt voor planten als varens, orchideeën en Anthuriums. Meestal verwerkt men ze in potgronden. In Nederland is het in veel gevallen verboden om de humeuze ondergrond uit bossen te exploiteren.
4.8 hydrokorrels en seramis
Voor watercultures en het ontwateren van potcultures maakt men gebruik van geëxpandeerde kleikorrels. Ze bevatten geen voedsel, zijn luchtig, vochthoudend en steriel.
4.9         steenwol
In kassen gebruikt men voor het kweken en vermeerderen van planten vaak kunstmatig vervaardigde substraten. Steenwol is daarvan het meest bekende. Het bestaat uit gesmolten puinsteen waaraan diverse stoffen zijn toegevoegd. Steenwol is daardoor luchtig, waterhoudend, stevig en steriel.

BRONNEN
Workshop Levende bodem
Regenwormenkaart
Atlas natuurlijk kapitaal

tuingereedschap

Inleiding
Werken in de tuin is in de meeste gevallen een hobby. Daarvoor is gereedschap nodig. De prijs- en kwaliteitsverschillen daarvan zijn erg groot. Hoe groter je tuin en hoe vaker je een bepaald stuk gereedschap nodig hebt, hoe meer belang je aan de kwaliteit moet hechten en hoe meer geld je er normalerwijs zult aan uitgeven. Goedkoop is dikwijls snel onbruikbaar. Gesmeed gereedschap is veel duurder dan uit plaat vervaardigd materiaal.

Basisuitrusting
Het valt voor een beginner niet meer uit maken wat basisgereedschap is en wat later als aanvulling aangekocht kan worden. In volgend lijstje vind je het minimum aan gereedschap dat nodig is om de belangrijkste werkzaamheden in de moestuin aan te kunnen.

  • Spade.
  • Spitvork.
  • Riek met 4 tanden.
  • Brede hak (18 – 20 cm)
  • Smalle hark (10 – 12 cm)
  • Tuinhark (10 – 14 tanden)
  • Tuinkoord.
  • Zak- en snoeimes
  • Plantschopje.
  • Pootstok.
  • Krabber.
  • Gieter met fijne broes.
  • Kruiwagen.
  • Heggeschaar
  • Takkenschaar
  • Snoeischaar
  • Cultivator
  • Grasschaar
  • GrasmaaierDit lijkt een hele waslijst, maar als we al deze gereedschappen eens van nabij bekijken, dan zal het nut van elk gereedschap onmiddellijk blijken en dit in een volgend artikel.
    We zullen er enkele bespreken.

Stelen
Handgereedschappen zijn er in soorten en maten.
Voor veel handgereedschap geldt dat ze een steel nodig hebben. Goede stelen zijn gemaakt van essenhout (taai, elastisch en glad) of wilgenhout (taai, veerkrachtig en licht, maar erg zacht en dus niet duurzaam). Vooral aan de draadrichting van het hout moet aandacht worden geschonken.
Bij hobbygereedschap zie je vaak dat de steel gemakkelijk te wisselen is. Je hebt dan maar een steel nodig. Dit spaart opslagruimte en maakt het gereedschap goedkoper. Nadelen zijn dat het omwisselen extra tijd kost en dat je te maken hebt met zwakke verbindingspunten.

Panschoppen of batsen en steekschoppen
Een panschop heeft een platte ronde snede en enigszins afgeronde hoeken. De zijkanten zijn naar achteren verlopend iets opgebogen. De achterzijde is eveneens licht opgebogen en verloopt naar boven in een bus of dul, waarin de steel zit.
De stand van de dul ten opzichte van het blad kan variëren.

 

Uit de combinatie van de panschop met een rechte dul en een licht gebogen steel ontstaat een steekschop, waarbij de steel en de snede van het blad in één lijn liggen. Door deze stand is de bats geschikt voor graven en spitten. Moet je zand opscheppen of grond verspreiden over het terrein, bijvoorbeeld bij grof egaliseren, dan is een schop met een opgebogen dul met een kromme steel geschikt.

Spaden of steekschoppen

spade

Bij het graven van sleuven voor kabels, waarbij wortels moeten worden doorgestoken, of bij het werken in zwaardere grond wordt de spade gebruikt, die ook wel steekschop wordt genoemd. Spaden hebben een in dwarsrichting iets gebogen blad, dat bij de snede wat breder is dan bij de steel. Het staal is meestal van betere kwaliteit dan het staal dat voor panschoppen wordt gebruikt. Spaden zijn zwaarder en ook duurder.

De beste spaden hebben aangesmede veren, die aan de voor- en achterkant over de steel lopen en die met klinknagels ertussen wordt vastgezet. Bij de goedkopere soorten is de bevestiging van de steel met klinknagels op het blad vastgezet. Deze spaden zijn ongeschikt voor zwaar werk, omdat de klinknagels los gaan zitten als ze op wortels stoten. Hierdoor wordt de schop waardeloos.

 

 

Schoffels
Schoffels worden voornamelijk gebruikt voor het bestrijden van onkruid.
Een goede schoffel is gesmeed uit één stuk metaal, is voorzien van een lange hals en heeft een gesloten dul. De steel is ongeveer 1,70 meter lang en voorzien van een schuine hilt. Wanneer het einde van de steel tegen de schouder rust, moet het schoffelblad plat op de grond liggen. Op zware gronden gebruikt men vaak een hak. Hiermee kun je plaatselijk onkruid weghakken.

Harken
Harken kunnen op twee manieren worden ingedeeld.
In de eerste plaats naar het aantal tanden: acht, tien, twaalf, veertien en zestien. Het aantal tanden geeft tevens de werkbreedte aan.
De tweede indeling is gebaseerd op  de  vorm  van  de  tanden.  Harken  met  gebogen  tanden  zijn  geschikt  voor  het  bij  elkaar  harken  van  niet gewenste kruiden en afval en voor het onderwerken van zaad. Harken met rechte tanden worden gebruikt voor het egaliseren van de grond. Een goede hark is gesmeed uit één stuk en heeft een essenhouten steel van 1,70 meter lang.
Andere harken zijn de blad- en spiraalhark. Deze wordt gebruikt voor het bij elkaar harken van tuinafval als onkruid, gemaaid gras en blad.

Riek of vork
Een normale riek wordt mestriek of mestvork genoemd. Als de tanden gebogen zijn spreekt men over een haakse riek.

Een riek is onmisbaar voor het opladen van plantenresten en compost. Vooral na het bij elkaar harken van bijvoorbeeld organisch afval is het erg handig om er met een riek in te prikken en het vervolgens te verwijderen. De grond blijft dan achter.

Verder wordt de riek veel gebruik voor het uit de grond halen van (wortel)onkruiden, planten, bollen en knollen. Organische meststoffen worden door de hobbytuinder eveneens uitgespreid met een riek.
Ook voor rieken geldt dat het aantal tanden kan wisselen. Meestal zijn ze 2 tot 5 tands.

Een andere riek is de spitriek. Deze heeft platte tanden en wordt gebruikt voor het omspitten van zware grond bijvoorbeeld tussen de planten.

Cultivator

Een hand cultivator wordt gebruikt om de grond tussen planten los te maken. Hierdoor wordt onkruid bestreden, wordt de gaasuitwisseling bevorderd en droogt de grond minder snel uit.

 

Klein gereedschap
Particulieren maken veel gebruik van klein gereedschap als plantschepjes, 3 tandharkjes, handschoffels, poothout e.d. Ook hiervoor geldt dat er een groot verschil is in kwaliteit.

Overig gereedschap
Als je rondkijkt op de afdeling gereedschap  van bijv. een tuincentrumdan zul je zien dat er naast het standaard gereedschap erg veel hulpmiddelen zijn om het werk in de tuin zo aangenaam mogelijk te maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een kantensteker voor het gazon en de diverse scharen. Hieronder zijn een aantal voorbeelden afgebeeld.
Steeds vaker zie je dat er van handgereedschap automatische toepassingen komen.

Opbergen en onderhoud van gereedschap
Het is erg vervelend om, elke keer als je in de tuin gaat werken, naar het gereedschap te moeten zoeken. Daarom zijn er diverse ophangsystemen in de handel die het aantrekkelijk maken om alles overzichtelijk op te bergen. Door het elke keer op een overzichtelijke plaats op te bergen, voorkom je veel ergernis over een niet te vinden bats of hark. Verder draagt goed opbergen bij aan veiligheid.

Tuingereedschap moet goed onderhouden worden. Dat geldt vooral voor gesmeed gereedschap, als je wil dat het lang meegaat. Om goed met het gereedschap te kunnen werken, is onderhoud noodzakelijk.
Het gereedschap moet regelmatig worden geslepen. De meeste werktuigen worden aan een kant geslepen.
Voor het slijpen kun je gebruikmaken van verschillende slijpinstrumenten. Bij gebruik van een slijpmachine moet verbranding (blauwe plekken) van het metaal worden voorkomen. Verbranding heeft snelle slijtage of omkrullen van het snijvlak tot gevolg, omdat het metaal als het ware zijn hardheid verliest.
Het meeste gereedschap komt in contact met vochtige grond of vochtige plantendelen, het kan dus makkelijk roesten. Daarom moet tuingereedschap op een droge plaats opgeborgen worden. Als het materiaal voor een lange tijd wordt weggezet (bv.’s winters), is het nodig al het gebruikte materiaal schoon te maken met een oud borsteltje, zodat alle grond en plantenresten verdwenen zijn. Daarna vet je het gereedschap best in met vet of motorolie. Je hoeft de schoongemaakte metalen delen maar heel lichtjes in te strijken met bijvoorbeeld een oude verfkwast. Olie is ook als spuitbus te koop.
Een andere methode is een kist vullen met een mengsel van zand en gebruikte motorolie. Elke keer je het gereedschap gebruikt hebt, steek je het in de kist. Het zand reinigt het gereedschap en tezelfdertijd wordt het geolied.
Houten stelen kun je, voordat je ze gaat gebruiken, in de olie zetten; dit oliën moet later nog eens worden herhaald. Je kunt houten stelen beter niet lakken. Verder moeten stelen worden gecontroleerd op splinters en eventuele breuken.
Zijn er tijdens je werkzaamheden bepaalde stukken gereedschap beschadigd of gebroken, dan zorg je ervoor dat deze worden hersteld voordat je ze opbergt. Daarom zal een goede gereedschapsberging voorzien zijn van een kleine werkbank met het nodige herstelgereedschap en herstelmateriaal.

 

 

Eetbare tuin

Bij eetbare producten kun je denken groenten en fruit uit de moestuin, maar ook aan wilde planten en producten uit voedselbossen. Het zelf kweken van eetbare producten kent veel aspecten. Zo is het bijvoorbeeld gezond, leuk, milieuvriendelijk en ontspannend. Mede onder invloed van de milieubeweging besteden de media en scholen steeds meer aandacht aan het zelf kweken van eetbare producten. Mensen kweken voedsel in hun achtertuin en in volkstuincomplexen. Op kleine schaal kan het zelfs op het balkon.

Kopen of zelf kweken?
Steeds minder mensen beschikken over een moestuin bij hun huis. Het is daardoor vanzelfsprekend geworden om voedsel te kopen. Oorzaken daarvoor zijn:
– Door verstedelijking zijn de tuinen steeds kleiner geworden of hebben mensen geen tuin meer.
– Tuinen worden ingericht als siertuin.
– Mensen zijn druk en kiezen voor een onderhoudsarme siertuin.
– We leven in een welvaartsmaatschappij waarin alles te koop is.
– Mensen zijn vervreemd van het buitenleven.

Als je zelf gekweekte producten vergelijkt met gekocht producten dan hebben beiden voor- en nadelen.
Hieronder staan een aantal criteria die je met elkaar zou kunnen vergelijken.

Gekochte producten Zelf gekweekte producten
sortiment groot, jaarrond beperkt, seizoensgebonden
kwaliteit goed, homogeen variabel
verwervingstijd kort lang
bereidingstijd kort lang
energiebehoefte groot klein
verpakkingsmateriaal veel geen
toevoegingen en residu wisselend geen
smaak wisselend goed

Permacultuur
Permacultuur is een duurzame vorm van van kweken waarbij regelmatig wordt afgeweken van traditionele werkwijzen. Complexe ecosystemen in de natuur dienen hierbij als voorbeeld.

1 Wilde planten
De natuur biedt veel eetbare planten. Helaas is veel kennis hierover verloren gegaan.
Bekend is dat vooral jonge plantjes voedselrijk, gezond en geneeskrachtig zijn. Daarom is het vroege voorjaar erg geschikt om plantjes uit de natuur te consumeren. Je kunt ze aan diverse gerechten toevoegen of verwerken
Voorbeelden van gezonde wilde planten zijn: zevenblad, brandnetel, paarse dove netel, speenkruid, hondsdraf, winterpostelein, veldkers, kleefkruid, paardenbloem, weegbree, look zonder look, zuring, vogelmuur, daslook en madeliefje.
Herboristen zijn mensen die zich verdiept hebben in de waarde van wilde planten voor onze voeding en gezondheid.

2 Kiemgroente ( kersgroente, microgroente of spruitgroente)
De eigenschap dat jonge plantjes smaakvol en gezond zijn wordt toegepast bij het gebruik van kiemgroenten.
Kiemgroenten bevatten veel vitaminen, zijn erg smaakvol en kun je enkele dagen na het zaaien al oogsten. Ze worden kleinschalig gekweekt op schalen in kweekbakjes. Dit kan het hele jaar door.

De bekendste soort is tuinkers. Andere soorten zijn broccolikersfenegriekkersrode koolkers, rucolakers, radijskers, mosterdkers en Chinese bieslookkers. Ook de kiemen van sommige bloemen zoals de zonnebloem kunnen geconsumeerd worden. Kiemgroenten bevatten veel vitaminenen mineralen. Ook bevatten de kiemplantjes veel anti-oxidanten. Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen kiemgroenten en spruitgroenten, waarbij kiemgroente in het licht wordt geteeld, in tegenstelling tot spruitgroente, zoals taugé en alfalfa, die door teelt in de duisternis wit blijft. Kiemgroenten zijn culinair interessant door de veelal krachtige kruidige smaak.

3 Groenten en kruiden

Inleiding
Er is veel veranderd in het leefpatroon van mensen. Zo heeft het kweken van groenten en kruiden de laatste 50 jaar een totaal nieuwe functie gekregen. In het verleden kweekten men deze producten, in de achtertuin, om in de behoeften aan verse producten te kunnen voorzien. Met de opkomst van de supermarkten is deze noodzaak verdwenen. De tuinen zijn kleiner geworden en voornamelijk ingericht als siertuin. Het kweken van groente en kruiden is een hobby geworden die in veel gevallen verbannen is naar de volkstuin ergens buitenaf.

Zaaizaad en pootgoed
Bij het kweken van groenten en kruiden kun je als uitgangsmateriaal zaden, planten of bollen gebruiken.
Tuincentra maken het voor de doorsnee hobbykweker steeds gemakkelijker om aan deze producten te komen. Elk tuincentra heeft wel een of meer rekken staan met zaaizaad en pootgoed. Ook hebben ze altijd wel een voorraad staan aan voor gekweekte planten.
Het sortiment is gigantisch. Dit geldt voor de breedte en de diepte. Omdat de volkstuider in het algemeen erg milieubewust is verkopen tuincentra milieuvriendelijk gekweekte producten. Deze zijn voorzien een keurmerk.

Zaaien
Tussen hobbykwekers heerst meestal een informele competitie om zo vroeg mogelijk de beste producten te oogsten. Deze wedstrijd wordt versterkt door de volkstuincomplexen waarbinnen volkstuinen zich vaak bevinden.
Veel hobbykwekers beschikken over een verwarmde of onverwarmde hobby-kas om plantgoed of eindproducten op te kweken.
In boeken en op internet kom je diverse zaaikalenders tegen. Deze geven veel informatie en leveren ideeën op voor je productkeuze.

zaaikalender

Groenten zijn vaak seizoensgevoelig zijn. Daarom zul je in het voorjaar vaak voor andere rassen moeten kiezen dan in het najaar. Kies je verkeerd dan zal het gewas zich anders ontwikkelen dan gewenst is. Veel gewassen zullen bijvoorbeeld ongewenst gaan bloeien en zaad vormen in plaats van uitgroeien tot een oogstbaar product. Bonen zullen aangetast worden door kiemschimmels als de bodemtemperatuur te laag is. Daarom kun je niet zaaien voor half mei. Het is verstandig om, bij onzekerheid, eerst de gebruiksaanwijzing te lezen.
Kenmerkend voor volkstuinders is dat ze erg vindingrijk zijn in het bedenken van zaaimethoden.  Er wordt gezaaid in de volle grond maar ook in allerlei bakjes, kistjes en potjes. Soms wordt er tussendoor meerdere malen verspeend. Op deze wijze opgekweekte planten worden later uitgeplant. Tussen volkstuinkwekers zie je vaak een levendige ruilhandel in zelf opgekweekt plantmateriaal.
Bij het ter plaatsen zaaien wordt er op rijen of bedjes gezaaid.

Pillenzaad is omgeven door een laagje kalk waardoor het gemakkelijk is om de zaden voldoende ver uit elkaar te zaaien. Ook kom je zaai matjes tegen.

Planten en poten
Als je bollen, knollen of planten in de grond zet spreek je over planten en poten. Het kan daarbij gaan om, door de volkstuinder zelf opgekweekt plant- en pootgoed of om kant en klaar gekochte  plantmaterialen. Het sortiment is groot. Planten worden aangeboden in perkluiten, multi-platen, los of in poten. Naast traditionele producten als aardappels, uien, koolsoorten, sla, prei, komkommers, tomaten, selderij, bieslook en peterselie is het sortiment de laatste jaren uitgebreid met minder voor de hand liggende producten als artisjok, broccoli en andere groenten en kruiden.

Plantmateriaal wordt  verpakt of los verkocht. Soms is de informatie die via de verpakking wordt verstrekt beperkt. Dat kan vragen opleveren over  zaken als  planttijden, plantdieptes, plantmethoden en plantafstanden. Informatie hierover kun je  opzoeken op internet, in zaadgidsen en op zaadzakjes. In veel gevallen kom je erg ver met logisch nadenken. Als je weet hoe het eindproduct eruit ziet kun je in het algemeen inschatten wat de plantafstand is.
Wat de planttijd betreft kun je ervan uitgaan dat deze correspondeert met het moment waarop het plantgoed wordt aangeboden.
Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat deze overeenkomt met de vorige situatie. Zo ko

mt bij perskluiten de bovenkant van de kluit gelijk met de bovenkant van het plantbed. Bollen en knollen komen zo diep onder de grond als de bol of knol dik is.

Kruiden worden vaak opgekweekt in plantbakken of bloempotten. Deze zijn ook geschikt voor en balkon.
Er bestaan  schema’s met overzichten van plantafstanden en planttijden.

Hulpmiddelen
Voor het planten en poten kun je in het algemeen gebruik maken van het algemene tuingereedschap. Met een schop, spa, hark, schoffel en stuk touw aan twee stokjes kom je een heel eind. Daarnaast zijn er speciale pootlijnen en pootstokken in de handel.
De tuinlijn gebruik je als tijdelijke markering van de rij bij het maken van plantgaten.
Voor het maken van de plantgaten of sleuven kun je gebruik maken van een schoffel, een spa, een poothout of gewoon de bovenkant van de schoppensteel. Soms kun je gewoon je handen gebruiken.
Plantgaten of zaaisleuven kun je dichtmaken met je handen,  voeten of met een hark.
De rij afstanden kun je uitmeten met een maatstokje of gewoon met je voeten.
Om zaaibedden te beschermen tegen vogels kan er gebruik gemaakt worden van een tuinnet.  Dit kun je op hoogte aanbrengen met gebogen elektriciteitsbuizen en vastzetten met stenen.
Om wildvraat tegen te gaan worden volkstuinen omheind met gaas. Deze omheining moet minimaal 1 m hoog zijn. Om konijnen te weren moet het gaas ongeveer 20 cm ingegraven worden.
Tot half mei kan er nachtvorst optreden. Met bloempotjes kun je planten tegen vorst beschermen.
Een aantal gewassen moeten gesteund worden.
Stokbonen worden gesteund met palen, draad en touw of met bonenstaken.
Voor het steunen van doperwten en peulen wordt rijshout of gaas gebruikt.
Tomaten worden gesteund met stokken of een systeem van stokken, draden en touw. Dit kan buiten of in de kas. Komkommers worden voornamelijk in de kas gekweekt. Deze worden dan gesteund met draad en touw.

Verzorging
Als er gezaaid wordt in een bakje of potje gebruikt men speciale zaaigrond. Deze is voedselarm. Zaad heeft namelijk de eerste periode geen voedsel nodig en voedselarme grond heeft weinig last van bodemziektes. Zaad wordt afgedekt met een dun laagje scherp zand. Deze wordt aangeklopt en voorzichtig besproeid met water.
Om uitdrogen van de zaaigrond te voorkomen kun je deze, na het gieten, afdekken met een glasplaat. Er moet natuurlijk wel een luchtlaag overblijven tussen de grondlaag en de glasplaat.  Om te voorkomen dat condensdruppels op de zaaigrond vallen moet de glasplaat dagelijks gedraaid worden. Bij bloempotten gebruikt men ook wel plastic zakjes. De meeste zaden zijn donkerkiemers.  Deze worden afgedekt met papier.
Als er niet wordt afgedekt zul je zo nodig voorzichtig moeten sproeien. Als je een gieter met broes gebruikt zul je buiten het zaaibed moeten beginnen en buiten het zaaibed moeten ophouden met gieten. Als je dit niet doet zullen de dikke druppels kuiltjes veroorzaken.
Als de kiemplantjes zichtbaar zijn moet de glasplaat of het zakje verwijderd worden.
Als de plantjes elkaar gaan hinderen kun ze ruimer gezet worden. Dit heet verspenen.

Buiten zaait men vaak op regels. Na het zaaien kun je de rijen licht aandrukken met een schoffel of met de achterkant van de schoppensteel. Zo blijf je de rijen zien.
Verder geldt voor zaailingen en uitgeplante producten dat  het  een kwestie is van onkruidbestrijding en zo nodig gieten.

Tomaten en komkommers moet je dieven. Dit is het wegnemen van zijscheuten om de planten beheersbaar te houden en om ervoor te zorgen dat er voldoende water en voedsel naar de vruchten gaat.

Ziekte vrij houden is best moeilijk. In de moestuin heb je vooral last van meeldauw, Phytophtora, rupsen, luizen, spint en witte vlieg. Vraag je op de eerste plaats af of bestrijden nodig is. Een paar gaatjes in het koolblad is helemaal niet erg.

Streef altijd naar een milieuvriendelijke bestrijding. Vooral bij eetbare producten is het niet verstandig om giftige middelen te gebruiken. Als mechanisch bestrijden niet lukt beschikken tuincentra over milieuvriendelijke bestrijdingsmiddelen.

Veel volkstuinders werken met wisselteelten. Aardappels mag je maar een keer per 3 jaar op dezelfde grond zetten. Kruiden hebben weinig last van ziekten. In combinatie met groenten kunnen ze de groenten zelfs ziektevrij houden.

Oogsten
Oogsten is het verzamelen van producten. Meestal om te consumeren of te bewaren

Een paar voorbeelden:

Aardappels worden uit de grond gehaald met een riek  en kunnen op een vorstvrije plaats bewaard worden. Als je ze spruitvrij houdt kunnen ze, afhankelijk van het ras, de hele winter bewaard worden. Het spruitvrij houden kan met de handen of met speciaal poeder.

Uien worden uit de grond gehaald als het loof afgestorven is. Het afgestorven loof kan gebruikt worden om de bollen te bossen en gebost te drogen.

Bonen worden verdeeld in stok- en stambonen.
Bonen kunnen op diverse manieren geoogst worden. Meestal worden de onrijpe bonen met schil geoogst en geconsumeerd. Invriezen kan erg goed. Een andere manier van gebruik is het onrijp oogsten van de wat dikkere bonen. De zaden moet je dan uit de vrucht halen. Ze zijn niet houdbaar en moeten daarom ingevroren worden. Een derde manier is het rijp oogsten van bonen. Na het verwijderen van de vruchthuid kunnen de zaden gedroogd bewaard worden.

Erwten worden verdeeld in doperwten en peulen. Bij doperwten consumeert men de zaden; bij peulen de jonge vruchten.

Sluitkoolsoorten en koolrabi zijn lang houdbaar terwijl bijvoorbeeld
spruitkool, bloemkool en broccoli slecht houdbaar zijn.

Rabarber is een vreemd product. Hiervan oogst men de bladsteel.

Kruiden kun je vers consumeren moor ook  invriezen en drogen.

Voorbeelden
Groenten Aardappel 1
aardappel 2 
Artisjok
Asperge
Aubergine 1
Aubergine 2 
Augurk
Bloemkool 1
Bloemkool 2
Boerenkool – krulkool
Bonen (Phaseolus vulgaris)
Broccoli
Chinese kool
Courgette 1
Courgette 2
Kool
Komkommer
Koolrabi
Paprika en pepers
Peulvruchten
Prei
Rabarber
Radijs
Rode biet
Rode kool
Schorseneer
Sla
Spinazie
Spruitkool
Tomaat
Tuinboon
Ui
Venkel
Witlof
Wortel
Kruiden Basilicum
Bieslook
Bonenkruid
Citroenmelisse
Dille
Dragon
Hysop
Kervel
Komkommerkruid
Knoflook
Laurier
Lavas of maggikruid
Peterselie
Rozemarijn
Salie
Selderij
Tijm

 

Voedselbossen
Een voedselbos is een door mensen gecreeëerde plantengemeenschap met  bomen en struiken met een extreem hoog aantal eetbare soorten. In voedselbossen wordt landbouw met natuur gecombineerd voor een duurzame voedselproductie. Voor de belichting is het van belang dat er in lagen wordt geteeld. Een voedselbos is volledig zelfvoorzienend en klimaatbestendig.
Een klein bos wordt Tiny Forest genoemd.

Fruit
Fruit is de verzamelnaam voor eetbare vruchten. Ze worden meestal rauw gegeten en smaken zoet of zuur. Sommige vruchten worden ook tot de groenten gerekend, zoals tomaat, paprika, aubergine en komkommer.

Indeling
In ons land worden maar enkele fruitsoorten gekweekt die je op diverse manieren kunt ordenen.
Bijvoorbeeld:
= Zacht fruit, zoals bessen, aardbeien, frambozen, bessen en druiven.
= Steenvruchten, zoals kersen, pruimen, perziken
= Pitfruit, zoals appels en peren.

Planten
Wortelgoed kun je planten als er geen blad aan zit en het niet vriest. Het voorjaar en het najaar zijn het meest geschikt.
Bepaal de plantafstand door vooruit te kijken. Volwassen planten kunnen elkaar beter niet raken.
Om een (fruit)boompje of struik te planten, graaf je een ruim plantgat en maak de grond rondom goed los. Zorg er ook voor dat je de boom niet dieper plant dan hij bij de kweker stond.
Steun de boom met lage paaltjes.

Appel
Appelbomen houden van volle zon en losse en rijke grond.
Houd de boomspiegel onkruidvrij.  Geef in de herfst kalk en in het voorjaar organische mest.
Een jonge boom snoei je de eerste 5 jaar best elke winter. Knip de hoofdtakken met één derde terug en de zijtakken tot op 2 of 3 knoppen. Takken die elkaar kruisen, te dicht groeien of schuren, haal je helemaal weg.

Peer
Perenbomen zijn ijzersterk en overleven probleemloos onze winters, maar ze houden niet van natte voeten of een harde bodem. Plant ze op humusrijke, goed bemeste, neutrale grond. Hoe meer zon, hoe meer peren.
Hou bij jonge bomen de boomspiegel onkruidvrij. Strooi in het voorjaar organische mest.
Snoei de eerste 5 jaar, bij voorkeur in maart. Knip de hoofdtakken met één derde terug en de zijtakken tot op 2 of 3 knoppen.

Pruim
Pruimen groeien het best op rijke grond zoals klei en leem maar hebben een hekel aan natte voeten in de winter. Geef ze geen plek in volle (noorden)wind, daar kwijnen hun vroege lentebloesems weg. Hoe meer zon, des te zoeter. De meeste pruimen zijn zelfbestuivend maar met twee bomen in je tuin is de oogst beduidend groter.
Pruimenbomen hebben graag elk jaar een flinke portie organische mest, in april of mei. Soms nestelen zich larven van de pruimenmot in rijpe vruchten; je kunt de motten vangen een met biologische val.
Pruimen snoei je in de lente of de zomer, tussen half april en eind september.

Kers
Kersen geef je een plek in volle zon. Een kersenboom kan perfect in de siertuin: met z’n vroege lentebloesems, mooie bolvorm en geeloranje herfstkleur is hij meer dan decoratief. Plant hem niet op een natte plek. Van oude rassen plant je er best twee, voor de bestuiving; moderne kersen zelfbestuivend.
Geef niet te veel of zelfs helemaal geen mest. Kersen moeten amper gesnoeid worden.

Aardbei
Aardbeien vormen na de oogst uitlopers. Die kunnen er in de nazomer worden afgehaald om uit te planten. Het werkt goed om naast elkaar overjarige en eenjarige planten aan te houden.
Globaal kun je ze indelen in door-dragers en eenmaal dragende rassen.
Aardbeien geven de voorkeur aan een zonnige goed ontwaterde standplaats met voldoende ventilatie.  Om schimmelziektes te voorkomen is het goed om bij nat weer de grond rond de planten af te dekken met stro.
De grond moet vruchtbaar en humusrijk zijn

Druif
Door klimaatverandering is het kweken van druiven vereenvoudigd. Je kunt ze gebruiken als leiplant of steunen met palen met draad.
Om bloeden te voorkomen moet je voor de lente snoeien.  Je laat daarbij enkel de dikke hoofdtakken staan. De zijscheuten die hieruit groeien, kun je nu aanbinden.
Lees hier hoe je druiven in de zomer snoeit.

Bessen
Bessen rekent men tot het klein-fruit. Het meest bekend zijn aalbessen, rode bessen, witte bessen, blauwe bessen en zwarte bessen.
Rode bes
Deze soort houdt van lichte, humusrijke grond die wat kalk mag bevatten.
Alle rassen zijn zelfbestuivend.
Ze bloeien in april-mei. De oogsttijd van de trossen rode bessen valt in juni-juli en verschilt per ras.
De struiken moeten goed worden gesnoeid. Ze dragen vrucht aan korte zijtakjes aan de twijgen en takken, het zogenaamde vruchthout.

Zwarte bes
Dit is een duidelijk andere soort dan de witte en de rode aalbes. De zwarte bes groeit graag in wat zwaardere grond. De struiken bloeien in april-mei en geven forse trossen donker gekleurde vruchten aan het een- en tweejarige hout. De struiken moeten anders worden gesnoeid dan de rode en witte bes. Oudere takken worden ieder jaar weggenomen.
Kruisbessen
Kruisbessen groeien graag in voedzame, humusrijke grond. Ze mogen wat koeler staan en verdragen lichte schaduw. Kies zoveel mogelijk rassen die niet of weinig gevoelig zijn voor meeldauw (de grote plaag bij kruisbessen). Er zijn rassen met groene (witte) en rode vruchten. Des of Blueberry)
Deze soort houdt van zure grond. Het zijn struiken met een schitterende herfstkleur.
De planten vormen bosbes-achtige bessen, maar wel drie keer zo groot als die van onze inheemse bosbes. De struiken kunnen bij sommige rassen wel twee meter hoog worden. De bloei valt in mei-juni; de oogst oogst in juli-augustus-september.
Het zijn zelfbestuivers.
Rode bosbes/Vossenbes
Deze bosbesachtige plant is inheems in Noordwest-Europa en groeit in zure grond. De struikjes zijn wintergroen. De rode bessen zitten van september tot november aan de planten. De vrij onopvallende bloei valt in mei. De bessen worden wel tot jam en gelei verwerkt.
Bramen
Bramen groeien goed in iedere normale tuingrond. Er zijn doornloze en sterk gestekelde rassen. De takken en twijgen moeten worden geleid. De bloei valt van mei-juni tot juli-augustus. Ook de oogsttijden van de vruchten variëren. ‘Black Satin’ is een vroege bloeier die van juli tot oktober vruchten geeft. De opbrengst is heel behoorlijk. ‘Himalaya’ groeit zeer sterk en geeft ook van juli tot september lekkere vruchten. Van de stekelloze ‘Thornless Evergreen’ kunnen vanaf augustus grote vruchten worden geplukt. ‘Thornfree’ is een laat ras (oogstbaar in september-oktober) waarvan de takken vrij breekbaar zijn.
Frambozen
Dit is een inheemse soort die al vele eeuwen wordt geteeld. De planten worden meestal tegen draden geleid waar de scheuten tegenaan worden gebonden. Ieder jaar verschijnen nieuwe vruchtdragende scheuten uit de grond. De oude scheuten worden jaarlijks weggesnoeid. De planten kunnen vanuit de wortels ver ‘weglopen’. De bloei van zomerframbozen valt in mei-juni, die van herfstframbozen in juli. Goede rassen zijn de vroege ‘Glen Clova’ (oogst in juli-augustus), de middentijdse ‘Jochems Roem’ (augustus-september) en de iets latere ‘Schönemann’ (eind augustus-september. Er zijn ook rassen met andere vruchtkleuren, zoals de gele ‘Fall Gold’ waarvan de grote vruchten in augustus oogstbaar zijn. Een goed herfstras is ‘Heritage’ (oogst in september-oktober), maar ook de herfstrassen ‘Zeva Herbsternte’ en ‘Baron de Wavre’ worden veel geteeld.

==========================================================

BRONNEN

Groenteninfo 1
Hobbytuinders

Groenten en kruiden
Groenten op zijn best
Groenten info 2
De moestuin
Teeltschema
Hofmeesters
SZ-zaden
Tuinkriebels
Zaaien en planten
De vrolijke tuinier
Tuinadvies.nl