Oppotten en verpotten

Inleiding
Plantjes kunnen gezaaid worden in kistjes of gestekt in een stekbakje. Als ze gaan groeien, worden die kistjes of bakjes echter al snel te klein. De plantjes worden dan alleen of met een aantal tegelijk in een potje gezet.

Je noemt dit oppotten.

Als je een pas vermeerderde plant voor de eerste keer in een bloempot zet heet dit oppotten. Verplaats je de plant van de ene pot in de andere dan heet dit verpotten of overpotten.

In de plaats van een pot kun je natuurlijk ook een andere container gebruiken.

 

Redenen
Door planten in potten te zetten blijven ze verplaatsbaar en het hele jaar verplantbaar. Dit laatste is van belang bij kamerplanten en tuinplanten.
Redenen om de planten in een later stadium te verpotten kunnen zijn:
– plant is te groot geworden
– potgrond is verzilt, verzuurd en uitgeput
– potgrond neemt geen water meer op (is irreversibel geworden door uitdroging)

Potten en andere containers
Wat wij bloempot noemen is in feiten een plantenpot. Omdat een bak een container wordt genoemd gebruikt men dit woord ook als verzamelnaam voor alles waarin je planten uitplant. Dus voor bloempotten, plantenbakken en allerlei decoratiematerialen. Meestal heeft men het bij containers over grote potten.

We kunnen kiezen tussen kunststof bloempotten of aardewerk potten. De potmaat wordt uitgedrukt in cm en heeft betrekking om de grootste doorsnede. Bij kunststof potten staat de maat afgedrukt op de onderkant van de bloempot.

Verpotten
Bij het verpotten kiezen we meestal een pot die 2 maten groter is dan de oorspronkelijke pot. Het is van belang om voor het verpotten de oude wortelkluit goed schoon te maken. Oude potgrond moet zoveel mogelijk verwijderd worden. Ook moet je de overbodige wortels weghalen.
Als de plant slecht uit de oude pot gaat werkt het vaak om de plant op zijn kop te houden en met de potrand op de tafelrand te tikken. Kunstof potten kun je open knippen.
Men kiest een potgrond die past bij de plant. Als er geen speciale grond beschikbaar is kies je voor universele potgrond.

 

De werkwijze bij het oppotten en verpotten is afhankelijk van de grootte van de wortelkluit.
Hier zijn 3 manieren getekend.

 

Als de plant in de pot staat moet je de nieuwe potgrond goed tegen de oude kluit drukken. Er moet een gietrand overblijven.

 

 

 

Werkplek inrichten
Oppotten gebeurt handmatig of machinaal. In verband met het werktempo en de veiligheid is het, vooral als je grote hoeveelheden oppot, van belang om een goede werkhouding aan te nemen. Daarvoor is het van belang dat de opstelling en inrichting van de werkplek goed is. Vergeet de kisten niet waar je de planten die verpot zijn in kunt zetten. Dat geldt ook voor karren om de gevulde kisten op te zetten.
Hieronder zie je een geschikte opstelling bij handmatig oppotten.

Werkwijze
Zet de pot in het kistje en pak tegelijkertijd met je andere hand een lege pot . Vul grond bij.
Maak met de vinger van de ene hand een gaatje in het midden van de gevulde pot. Pak met de andere hand tegelijkertijd de plant en plaats die in een gaatje.
Schep met gesloten vingers grond in de pot.
Druk in één beweging grond en plant aan met de duimen. (Zorg dat de plant in het midden blijft staan.)
Zo als altijd geldt: Werk netjes en ruim na afloop op.

 

 

 

 

 

Licht en warmte

Inhoud

1 Licht en warmte
2 Lichthoeveelheid
2.1 Lichtmeting
2.2 Invalshoek van het licht
2.3 Daglengte
2.4 Weersinvloeden
3     Standplaats
4     Kunstlicht
5     Licht gebruiken in de winkel
5.1 Sfeer
5.2   Licht in presentaties
6     Energieverbruik en kosten
7     Wanneer verlichting?

Inleiding
Alles draait om energie. Zonder energie is er geen leven.  Omdat alle energie, direct of indirect van het zonlicht komt kun je daarom stellen dat licht de enige bron van leven is.
Organismen met bladgroen zijn in staat om lichtenergie rechtstreeks te gebruiken als energiebron. Bij de fotosynthese binden ze deze energie in koolhydraten (suikers en vetten.) De overige organismen moeten energie opnemen via de voeding. In feiten is dit de energie die door de groen organismen is gebonden.

Fotosynthese

Je kunt ook zeggen dat groene planten altijd licht nodig hebben. Ze kunnen geen brandstoffen opnemen via de voeding.  Andere  organismen kunnen ook zonder licht leven.

1 Licht en warmte
Onze leefomgeving zit vol met straling. Straling is een vorm van energie met een bepaalde golflengte. Zo kennen we bijv. radiogolven, licht, warmte en röntgen. Straling kent vele bronnen. Een daarvan is de zon.

Niet alle golflengten kunnen door de mens waargenomen worden; Slechts een klein deel hiervan is zichtbaar licht. De straling van dit licht is onder te verdelen in verschillende golflengten en met een bepaalde hoeveelheid energie.
Licht is opgebouwd uit diverse kleuren. Wanneer we daglicht breken zien we de kleuren rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Infrarood en ultra violet vallen buiten het zichtbare licht maar worden wel door de zon uitgezonden.

Violet en blauw hebben een veel grotere hoeveelheid energie dan rood. (meer energie wordt veroorzaakt door een kleinere golflengte) Dat wil zeggen dat blauw licht een betere groeikracht levert dan rood licht. In Nederland zie je de verschillen in straling terug in de natuur. In het voorjaar bereiken ons meer violet en blauwe stralingen dan rode dus ook meer energie. Mede hierdoor gaan planten in het voorjaar hun wortels ontwikkelen en groeien. In de nazomer zien we praktisch geen groei meer.
Je kunt dit aan je eigen lichaam ook waarnemen, in het voorjaar en begin van de zomer word je sneller bruin dan in het najaar. Verbranding wordt veroorzaakt door het ultra violette licht.

De golflengte van lichtstralen is kleiner dan de golflengte van warmtestralen. Als licht op een voorwerp valt gaat er energie verloren en worden er lichtstralen omgezet in warmtestralen. Je merkt  deze omzetting van licht in warmte als je achter glas staat. Glas laat gemakkelijker  licht door dan warmte. Hierdoor is het in een kas altijd warmer dan buiten.

 


2 Lichthoeveelheid
De eenheid van  lichtsterkte is lux of lumen per m2. De lichtsterkte wordt gemeten met een luxmeter.
’s Zomers is het lichter dan in de winter. Hierdoor zullen planten in de zomer harder groeien dan in de winter.  Oorzaken daarvoor zijn de invalshoek van het licht en de daglengte. Ook wordt de lichtsterkte be‹nvloed door weersinvloeden en de standplaats van een plant.

digitale luxmeter

2.1 Lichtmeting
Met onze ogen kunnen wij waarnemen of het een donkere dag is of een heldere. Kleine verschillen kunnen we  echter niet waarnemen . Dit komt doordat onze ogen zich, zonder dat wij dit ervaren, door middel van de pupil aanpassen aan de hoeveelheid licht .
Om de lichtwaarde in een ruimte nauwkeurig vast te stellen heb je meetapparatuur nodig. De eenheid voor lichthoeveelheid is lux (lumen per m2). De lichthoeveelheid wordt gemeten met een luxmeter. Elke luxmeter is anders. Vaak werken ze digitaal. Je kunt er lichtsterkten mee meten tot 200.000 lux. Aan het apparaat zit een snoertje met een fotocel (oog). Dit “oog” richt je horizontaal naar het te meten punt. Ook zijn er apps beschikbaar op de mobiele telefoon.
Een luxmeter kun je instellen op kleine of op grote lichthoeveelheden. Om te voorkomen dat de meter doorslaat en stuk gaat begin je altijd bij de hoogste schaal. In deze stand kun je de lichtsterkte inschatten en bepalen of je een of meerdere schalen omlaag kan. Sommige meters werken met een kapje. Dit moet je gebruiken bij grote lichtsterkten.

2.2 Invalshoek van het licht

Bij een lage zonnestand (winter) is de weg van de zonnestralen door de dampkring lang. Er treedt dan meer energieverlies op dan bij een hoge zonnestand. Met andere woorden: De energieke blauwe straling verandert in minder energieke rode straling. Bij een lage zonnestand moet de lichtbundel over een grotere oppervlakte worden verdeeld dan bij een hoge zonnestand. In de zomer bij zon hebben we een lichtsterkte van ongeveer 10.000 lux.

 

 

 

2.3 Daglengte
’s Zomers is het licht niet alleen sterker maar is het aantal uren licht veel groter. Samen heeft dit tot gevolg dat er ’s zomers ongeveer 10 keer zoveel licht is dan ’s winters.

 

 

 

 

 

 

2.4 Weersinvloeden

 

 

 

 

 

 

 

Bij helder weer wordt licht onderschept door de dampkring. Luchtvervuiling speelt hierbij een belangrijke rol. Bij bewolking wordt veel licht teruggekaatst of door de wolken opgenomen. Hierdoor kan de bewolking oplossen. Bij een volledig bewolkte hemel wordt slechts 20% van het zonlicht door gelaten. Verder zorgen bewolking, luchtvervuiling, vliegtuigstrepen  en schaduw  voor verstrooiing van het licht. Het licht verandert dan van richting en verliest daardoor aan energie.

3     Standplaats
De zon komt op in het oosten, staat ’s middags in het zuiden en gaat ’s avonds in  het westen onder.  Als daarin meeneemt dat de zon om 12 uur ’s middags (wintertijd) op zijn hoogst staat weet je dat planten die op het zuiden staan het meeste licht krijgen. Het noorden is het minst licht. Kamerplanten staan vaak voor het raam. Dat is niet voor niets. Alhoewel glas licht tegenhoudt is het dicht bij het raam aanmerkelijk lichter dan een eindje van het raam vandaan.

In de natuurkunde zegt men: De lichthoeveelheid is omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand. Dit wil zeggen:
Als de afstand 2 keer zo groot wordt,  wordt de lichthoeveelheid 4 keer zo klein .

4     Kunstlicht

Elke  lichtbron heeft een specifiek kleurenspectrum. Deze kun je zichtbaar maken met een prisma. Je kent dat van de regenboog.
Planten hebben voor hun energievoorziening een aantal van deze kleuren nodig. Soms wil je deze kleuren kunstmatig toedienen. Denk aan een kwekerij in de winterperiode en aan kamerplanten op een donkere plaats. Omdat het toedienen van kunstlicht veel energie kost, heeft de industrie lampen ontwikkeld met enkel die kleuren die de plant nodig heeft. Bekend zijn het oranje en paarse licht dat je vaak in kasgebieden ziet. Door het gebruik van speciale plantenlampen wordt geen energie verspild aan kleuren die voor de plantengroei geen waarde hebben.

LED-lamp

De ontwikkeling gaat snel.  Lang heeft men gebruik gemaakt van lampentypen als gloeilamp, halogeenlamp, fluoricentielamp , hoge drukkwiklamp, gasontladingslamp(TL), lage druk natriumlamp, spaarlamp en hoge druk natriumlamp. Al deze lampen zijn geschikt voor het gestelde doel maar hebben als nadeel dat ze veel energie gebruiken en een relatief korte levensduur hebben.  Om die reden kom je ze nog maar weinig tegen. Ze zijn vervangen door energiezuinige LED-lampen die de nadelen van de oudere lamptypes niet hebben.

5     Licht gebruiken in de winkel
De beroemde Italiaanse regisseur Federico Fellini filmde het liefst in de studio. Toen hem ooit in een interview werd gevraagd naar het waarom, antwoordde hij: ‘Ik kan buiten niet vragen of de zon een eindje naar links kan.’ Voor film is licht en belichting essentieel, maar ook in presentaties kan licht een belangrijke rol spelen.
Je weet al dat licht noodzakelijk is voor het onderscheiden van kleuren. Maar je kunt nog meer doen met licht.

5.1 Sfeer
De sfeer in de winkel bepaal je grotendeels door toepassing van kunstlicht. Zonlicht is weliswaar natuurlijker licht, maar het is niet constant. De zon draait ten opzichte van de winkel. En bovendien is er de ene dag meer bewolking dan de andere. Met licht maak je artikelen zichtbaar en met behulp van gericht licht, de zogenaamde accentverlichting, kan de attentiewaarde van bepaalde artikelen worden verhoogd. Door met licht en schaduw- plekken te werken kun je de klant de winkel in leiden. Bij een goede winkelpresentatie zijn inrichting en verlichting op elkaar afgestemd.

De binnenverlichting kan globaal worden ingedeeld in drie soorten:
–     Basisverlichting:
heeft een algemeen karakter en zorgt voor een gelijkmatige verlichting van de winkelruimte. Meestal is deze aan het plafond bevestigd. buis-verlichting wordt het meest gebruikt.
–     Accentverlichting:
wordt gebruikt voor het aanlichten van objecten zoals een bloemenhoek, aardewerkgroepen of displays. Het vestigt de aandacht van de consument op een artikel of een groep. Hiervoor kunnen ver- schillende lichttypen worden gebruikt:
–   Gericht licht wordt gestuurd, maar heeft geen sterke afbakening. Een voordeel hiervan is dat er geen abrupte overgangen ontstaan tussen lichte en donkere plekken
–     Gebundeld licht wordt gebruikt bij artikelen waarop men nadrukkelijk de aandacht wil vestigen. Het licht straalt in een begrensde bundel op het object. Vaak wordt hier een kopspiegellamp voor gebruikt.
–     Etalageverlichting:
de eerste indruk die potentiële klanten van een winkel krijgen, is de etalage. De verlichting moet passen bij de sfeer en het imago van de winkel. In de etalage dient het niveau wat hoger te liggen. Hierdoor wordt het spiegeleffect verminderd.

5.2   Licht in presentaties
Als je licht gaat gebruiken in een presentatie, zijn er diverse zaken waar je op moet letten.
–     Zoals je misschien weet, heeft elk soort verlichting een bepaalde uitstraling.
Zorg dat die past bij je winkel. Als slager zou je bijvoorbeeld kiezen voor een heldere koele kleur tl-verlichting. In een kledingzaak werken lampen die een warme kleur uitstralen beter. Voor een bloemenzaak is het moeilijk een algemeen advies te geven. Koel licht wijst op goede zorg voor de bloemen, warm licht geeft een meer huiselijke sfeer.
–     Besteed zorg aan de verlichting en kies niet voor de gemakkelijkste oplossing. Het resultaat is anders vaak een ‘dertien-in-een-dozijn’-opstelling. Originaliteit in je verlichting geeft een indruk van je creativiteit. Speel met de  hoeveelheid  licht,  overvloedig  of  juist  spaarzaam,  en  laat  het  van onverwachte  kanten  komen. Voorbeelden zijn voetlicht waarbij het licht van onder naar boven schijnt of tegenlicht waarbij de lamp het artikel van de achterkant belicht.
–     Zorg dat je verlichting niet hinderlijk is voor de klanten. Niets is zo vervelend als fel licht in je gezicht of een knipperende tl-buis.
–     Zorg dat je de verlichting eenvoudig kunt veranderen. Een railsysteem waarop je spotjes kunt verplaatsen, is erg gemakkelijk.

6     Energieverbruik en kosten
Ondanks de opkomst van energiezuinige lampen blijft verlichting een belangrijk deel uitmaken van het elektriciteitsgebruik.  Het energieverbruik af van het elektrisch vermogen van de installatie en het aantal branduren. Hoe meer je deze kunt beperken, hoe sterker het energieverbruik daalt. Dat betekent minder kosten. Het verlichtingsniveau moet daarom niet hoger zijn dan noodzakelijk is. Gebruik naast energiezuinige lampen ook efficiënte armaturen. Schakelklokjes en schemerschakelaars zorgen ervoor dat verlichting tijdig uitschakelt en overbodige branduren worden voorkomen.

7     Wanneer verlichting?
In het dagelijks leven ben je zuinig met energie en heb je een lamp alleen aan als je zonder niet kunt zien. Maar in een winkel gelden andere ‘wetten’. De verlichting is niet alleen bedoeld om beter te kunnen zien, maar ook om op te vallen. Een goed verlichte etalage heeft stopkracht. Mensen zullen er minder snel aan voorbij lopen dan ze bij een niet- of slecht verlichte etalage doen.
Daarom moet er in ieder geval verlichting in de etalage zijn:
–     vanaf de schemering tot ’s avonds laat;
–     overdag bij somber weer;
–     overdag in diepe portieken of onder zonneschermen;
–     overdag bij helder weer, als er sprake is van hinderlijke schittering of spiegeling van ruiten.

Kuipplanten

Inleiding
Kuipplanten zijn in het Nederlands klimaat die planten die niet winterhard zijn. Om ze toch te kunnen houden zetten we ze vaak in potten of kuipen. Vroeger zijn zo de oranjerieën ontstaan. Dit zijn ruimten die erg licht zijn en vorstvrij zodat de planten in de winter naar binnen konden. Vandaar ook nog het naamgebruik oranjerieplanten. De naam oranjerie heeft ook alles te maken met het feit dat vroeger de sinasappelboompjes erg populair waren. Een fraaie oranjerie is te zien in de hortus in Leiden. Er zijn tegenwoordig vele soorten kuipplanten te koop. Ook kunt u zelf stekken meenemen van uw vakantie en daar een kuipplanten van opkweken. Veel soorten kuipplanten zijn houtige gewassen.

Tibouchina

Toepassing
Kuipplanten zijn goede gasten op het terras. Maar ook ingegraven in de tuin vormen ze een fraaie aanvulling in de zomer. Verder zijn kuipplanten ideaal als balkonplant.

Verzorging
Kuipplanten vereisen intensieve verzorging. In het najaar voordat de nachtvorsten beginnen gaan de planten naar binnen. Planten in pot zijn gevoeliger voor vorst dan planten in de volle grond.

Aandachtspunten betreffende het overwinteren:
– Het is belangrijk dat je de planten niet te snel naar binnen haalt. Laat ze stilaan wennen aan lagere temperaturen, zodat ze een weerstand kunnen opbouwen en gewend raken aan de koudere omstandigheden.
– Bescherm echter steeds alle planten tegen de koude noorden- en oostenwind. Een oleander bijvoorbeeld kan een aantal graden vorst verdragen maar zal zeker en vast schade oplopen op een tochtige of niet-beschutte standplaats, waar hij blootgesteld staat aan deze droge, koude winden. Vooral bladhoudende planten zullen schade oplopen omdat ze water blijven verdampen langs de bladeren.
– Bescherm de planten de laatste dagen voor het binnenhalen tegen regen. Het is niet denkbeeldig dat een te natte wortelkluit in de winterperiode aanleiding geeft tot rotte wortels. Teveel vocht zal de planten ook blijven stimuleren om te groeien. Dit is uiteraard niet de bedoeling in een rustperiode.
– Geef de planten een opknapbeurt: uitgebloeide bloemen, dode takken, verdroogde en afgestorven bladeren weghalen. Planten uitdunnen en een voorlopige snoei geven. De definitieve snoei volgt in het voorjaar.
– Geef vanaf september ook geen meststof meer. De temperatuur daalt (vooral ’s nachts) en het licht vermindert (de dagen worden korter), hierdoor zal de groei verminderen. Extra meststof (en vooral de stikstof daarin) zou hen opnieuw stimuleren om te gaan groeien. De jonge scheuten die dan nog gemaakt worden kunnen niet voldoende meer afharden en zullen dus makkelijker invriezen of schade oplopen. Als je nog meststof geeft, neem dan een aangepaste meststof met veel fosfor en kali. Deze elementen geven de planten bescherming tegen winterse omstandigheden.
– Controleer of de planten niet aangetast zijn door insecten of schimmels. Zo ja , behandel ze dan meteen met aangepaste middelen voor ze de winterberging ingaan.

Hoe ziet de winterberging eruit ?
Of het nu om een garage, kelder, oranjerie of serre gaat, een winterberging moet aan een aantal eisen voldoen. Een lichte vorstvrije ruimte met minimum temperaturen die liggen tussen +5°C en +10°C (afhankelijk van de soort plant). Een woonkamer is dus uit den boze: te warm en te droge lucht.
Belangrijk is dat de temperaturen gedurende de rustperiode vrij constant zijn. Daarom goed isoleren zowel tegen koude als tegen warmte.
Op een zonnige winterse dag kan de temperatuur in een serre hoog oplopen. De warmte zal de planten stimuleren om scheuten te gaan aanmaken. Meestal lange zwakke scheuten, die toch moeten worden weggesnoeid .
Zorg dat in de ruimte een goede ventilatie mogelijk is: dit voorkomt schimmels. Vocht en warmte zijn namelijk de ideale kweekbasis voor schimmels en bacteriën.
Planten als Agapanthus, granaatappel (Punica granatum), canna’s en Brugmansia (datura’s) zijn tevreden met minder licht. Ook de Fuchsia kan op een donkere plek overwinterd worden.
Een vrij algemene regel: een bladhoudende plant heeft licht nodig, bladverliezende struiken minder.

Er zijn tegenwoordig kwekers die de planten voor u kunnen overwinteren. Veel tuincentra kunnen dit regelen.

Brugmansia

Bij strenge vorst kan het mogelijk zijn dat het niet lukt om de overwinteringplaats vorstvrij te houden. Je kunt de plant dan extra beschermen met bijvoorbeeld:
– noppenfolie
– vliesdoek
– stro
– jute

De belangrijkste verzorgingsregels:
– De kuipplanten tijdens de overwintering vrij matig water geven. Laat de planten niet uitdrogen maar wees steeds voorzichtig. De planten hebben maar weinig vocht nodig omdat ze ook weinig vocht verdampen. Natte potgrond geeft aanleiding tot rottende wortels. Vooral bij deze planten die in potten zitten.
– Vooral te mijden is vocht in combinatie met weinig licht.
– Planten in rust hebben geen voeding nodig. Je moet ze dus ook niet verpotten voor ze naar binnengaan.
– Planten regelmatig blijven controleren op aantastingen door ziektes of insecten.
– De temperatuur steeds onder controle houden.
– Regelmatig de ruimte luchten. Zeker bij hogere temperaturen. De planten mogen gerust ook eens naar buiten gehaald worden als de temperaturen dit toelaten.
– Vanaf februari/maart In het voorjaar begin mei kunnen de planten weer naar buiten toe. Laat ze wennen aan het licht, begin in de schaduw. Eventueel verpot u ze eind april, voeg wat klei door de aarde zodat deze veel vocht vasthoudt. Geeft ook gelijk een snoeibeurt. Pas ook eventueel wat wortelsnoei toe. Controleer of de afvoergaten onder in de pot niet verstopt zitten, leg er wat oude potscherven overheen.

Veel kuipplanten willen graag een zonnige standplaats, ze zullen dan extra rijk bloeien. U moet vaak wel 2 x per dag water geven. Ook moet regelmatig voeding worden toegediend. Vanaf eind augustus minder voeding geven en uiteindelijk stoppen. Tussentijds oude bloemen weghalen en te lange takken terugsnoeien geeft meer bloei. Nog een tip, zet uw hoge planten vast met enkele metalen pennen, dit voorkomt omwaaien.

Nerium oleander

 

Opgelet:
De oleander is wel een uitzondering op de regel wat water geven betreft. Deze mag wel regelmatig water krijgen en zeker niet laten uitdrogen.

 

 

 

 

Sortiment

Enkele soorten

Botanische naam

Nederlandse naam

Abutilon

Aeonium

Agapanthus

afrikaanse lelie

Agave

Anisodentea

Kuipmalva

Argyranthemum

Struikmargriet

Asclepias

Bougainvillea

Brugmansia

Doornappel

Callistemon

Cestrum

Citrus

sinaasappels

Datura

Dipladenia

Eucalyptus

Fuchsia

bellenplant

Heliotropium

Hibiscus

Chinese roos

Lantana camara

Laurus nobilus

laurier

Lavatera

Leonotus

Megabota.

Myrtus

Nerium Oleander

Olea

olijf

Passiflora

 passiebloem

Pentas

Plumbago

Punica

Solanum

Tibouchina urvilleana

Opm. kuipplant van het jaar 2001

Thunbergia

Verbena

Inleiding
De variatie in een tuin wordt voor een groot deel bepaald door de vorm en groeiplaats van de gebruikte planten. Een groep planten die daarin een belangrijke rol speelt is de groep van klim- en leiplanten. Deze planten kunnen plaatsen bereiken waar andere planten niet komen.

Toepassingsmogelijkheden
Planten worden om diverse redenen in klim en leivormen gekweekt.
Voorbeelden zijn:
De hoogtewerking
Als ze voldoende steun hebben kunnen ze erg hoog klimmen. Sommige, van nature niet klimmende, heesters laten zich, met enige ondersteuning, in de hoogte leiden.
De breedtewerking
Klimplanten zijn in staat om grote oppervlakten te bekleden. Hiervoor zijn ze in staat om lelijke elementen te verstoppen.
Bloemsierkunst
Voor de bloemsierkunst zijn vele soorten aantrekkelijk. Dit kan zijn vanwege de elegante kale ranken. Soms ook vanwege bloemen of bloeiwijzen of vruchten.
– Afscheiding
Klim- en leiplanten kunnen als levende haag gebruikt worden. Tegenwoordig zie je vaak klimop in plantenpakken met betonijzer als haag. Leibomen kunnen een haag op hoogte vormen.
Zon- en windscherm
Leiplanten werden oorspronkelijk op het zuiden geplaatst om de zon tegen te houden of op het Noorden en Oosten om de wind tegen te houden. Deze functies zijn vervangen door decoratieve functies.
Zon vangen
Vooral fruitsoorten die veel zon nodig hebben om te rijpen worden als klim- en leivorm gekweekt om afrijpen te bevorderen. Tegenwoordig past men dit vooral toe in de hobbytuin omdat het erg veel arbeid kost. Ook kom je leifruit vaak tegen in oude kloostertuinen.

Steunmaterialen
Je kunt klim- en leiplanten ondersteunen met bestaande elementen of met speciaal aangebrachte steunmaterialen.  Voorbeelden van steunmaterialen zijn: muren, schuttingen, palen, pergola`s, draad, gaas, betonijzer, latwerken, hekwerken, schuurtjes en muren.

Variatie
Het zijn vooral planten die van nature in het bos of aan de bosrand voorkomen. Meestal zijn het snelle groeiers. Er zijn grote verschillen.
Zo zijn er;
– bloeiende, geurende, besdragende, vruchtdragende en groenblijvende klimmers;
– zon of schaduwplanten;
– planten voor de droge of vochtige grond.
Erg mooi kan het zijn om diverse heesters door elkaar te gebruik

Verschillen tussen klim- en leiplanten
Klimplanten zijn planten die ondersteuning nodig hebben om omhoog te groeien omdat de stengels niet stevig genoeg zijn om de plant zelfstandig te dragen. Als er geen ondersteuning is zullen klimplanten een kruipende groeivorm aannemen totdat ze ondersteuning hebben gevonden.
Leiplanten hebben soepele takken. Daardoor laten ze zich gemakkelijk in de vorm brengen die wij willen. Op de kwekerij worden ze vaak gesteund met bamboestokken. Zo worden ze ook verkocht in het tuincentrum. Dit geldt voor horizontale parasolvormen en verticale vormen.

Klimwijzen
Er zijn verschillende methoden waarmee klimplanten zich een weg omhoog banen:
Kruipen
Deze manier van klimmen komt voor bij planten als marmaladestruik en Solanum crispum.
Haakvormige stekels
Er zijn ook klimplanten die door middel van haakvormige stekels omhoog klimmen zoals bij Bougainvillea en de klimmende vormen van rozen.
Hechtwortels
Klimplanten met hechtwortels kunnen zelfs in de steen van een muur binnendringen.
Klimop, klimhortensia en trompetklimmer klimmen door middel van hechtwortels.
Slingeren
Planten die klimmen door zich rond de steun te slingeren zijn hop, de klimmende soorten uit het geslacht Ipomoea en blauweregen. De richting waarin deze planten slingeren, links- of rechtsoom, is specifiek voor de soort.
Stengelranken
Ampelopsis, Vitis met als bekendste soort de druif en de meeste soorten passiebloemen hechten zich met behulp van stengelranken.
Bladranken
Klokwinde, Lathyrus en Mutisia klimmen met bladranken.
Windende bladstelen
De klimmende soorten uit het geslacht Clematis, Rhodochiton en Tropaeolum klimmen door middel van windende bladstelen.
Hechtvoetjes
Wilde wingerd en Tetrastigma klimmen door middel van hechtvoetjes.

Zelfhechtende klimplanten zoeken zelf hun weg en hoeven dus geen steun. Slingerplanten daarentegen vragen wel om een steunvorm van gaas, een pergola of iets dergelijks. Rankenplanten hebben ook een steunvorm nodig. Een boom of heester of een metalen constructie, een gaas- of een dradenvorm voldoet goed. Boomwurger, Celastris scandens, kan een boom zoals gezegd verstikken.

Planttips
Bij de aanplanting van klim- en leiplanten is het belangrijk (net zoals bij andere planten) om de juiste grondvoorbereidingen te maken, d.w.z. een voldoende groot plantgat met toevoeging van plantcompost dat men ondermengt met de eigen grond.
Voor de meeste klimplanten wordt een plantafstand van 1 per lopende meter gehanteerd. Bij klimop wordt een gemiddelde genomen van 5 per lopende meter.
Klimmers op 40 cm afstand van de muur planten, dichterbij is de aarde te droog.
Leibomen plant men minimaal 1,50 m van het huis i.v.m. het opdrogen van de muur.
Planten net zo diep in de grond zetten als in de pot of bij de kweker. Behalve clematis die nog 15 cm dieper geplant wordt. Bij clematis de wortels beschaduwen met andere planten aan hun voet.
Blauweregen niet om regenpijpen winden, die worden na verloop van tijd stuk geknepen.
Leibomen, bijvoorbeeld leifruit, worden best 3 à 5 m uit elkaar gezet. Dit naargelang de afstand die beplant moet worden. In het midden tussen de bomen komt er telkens een paal te staan.
LET OP: Na de laatste boom komt er nog een paal op 1,5 à 2m. Hierna wordt het latwerk (of spandraad) bevestigd aan de palen.

De hoogte waarop je begint te leiden kies je zelf. Bijvoorbeeld:
– 1,80m: Hierdoor belet je inkijk (vb. van de buren). Je kijkt eigenlijk op de kroon van de boom waardoor het zicht beperkt wordt.
– 2m à 2,20m: Je hebt nog doorkijk. Op deze manier zit je niet ingesloten. (minder privacy)

Verzorging van klimplanten
De verzorging van klimplanten beperkt zich tot wat snoei- en steunwerk.
We houden hierbij rekening met het volgende:

* Er zijn soorten die in de lente of zelfs tot in de zomer bloeien. Ze doen dit aan het oude hout dat het jaar ervoor is gevormd. Snoei ze dus na de bloei.
* Er zijn soorten die aan het jonge hout van dit jaar bloeien. Snoei ze in februari of maart.
* Er zijn soorten die speciaal voor hun fraaie blad in de tuin staan. Snoei ze in februari of maart.
* Bladhoudende soorten snoeit u in de winter of in het voorjaar.
* Bladverliezende soorten snoeit u in de winter.
* Snoei altijd de dode takken weg.
* Snoei planten die te groot worden flink in of snoei ze elk jaar.
* Snoei groene ranken die aan bonte soorten komen altijd weg.
* Houd bij het aanbrengen van steunmaterialen rekening met de natuurlijke groei- en steunwijze. De groeirichting van links- of rechtsom windende klimmers, altijd respecteren.Het leiden van de takken gebeurt om de 40 à 50 cm, deze worden aangebonden met binddraad. Je kan al naargelang (3), 4 of 5 niveaus maken.

Verzorging van leiplanten
Leiplanten zijn meer eisend dan klimplanten.
Enkel de takken de je nodig hebt en die zich het dichtst bij het latwerk (draad) bevinden worden gebruikt om te leiden. Alle andere takken worden weggesnoeid.
Soms kan het zijn dat er op een bepaald niveau geen enkele tak voldoet om te leiden. Maak dan gewoon met een mes een slipje in het hout. Zo wordt de sapstroom onderbroken en stapelt de voeding zich plaatselijk op. Op deze manier wordt de aanmaak van knoppen (en takken) beïnvloed.

Enkele praktische tips voor het gebruik:
Klimop is een goede basis voor klimroos en clematis, die met kleur en bloei het immer groene blad aanvullen. Blauweregen harmonieert met druif.

Sortiment

leilinde

Leibomen:

  •  Tilia europaea ‘Pallida’ (leilinde)
  •  Platanus x acerifolia (plataan)
  • Carpinus betulus (haagbeuk)

Klimmers met blad-, tak- of hechtranken

  • Passiebloem (Passiflora)
  • Clematis
  • Druif (Vitis)
  • Wilde wingerd (Parthenocissus)  

Klimmers met hechtwortels

  • Klimopvormen (Hedera)
  • Trompetklimmer (Campsis)
  • Klimhortensia (Hydrangea anomala subsp. Petiolaris)
Blauwe regen

Slingerende klimmers (links- of rechtsom windend)

  • Boomwurger (Celastrus)
  • Bruidssluier (Fallopia aubertii), groeit snel enorm wild uit
  • Hop (Humulus)
  • Blauweregen (Wisteria)
  • Kamperfoelie (Lonicera)
  • Duitse pijp (Aristolochia durior)

Niet winterharde klimmers (kuipplanten)

  • Sterjasmijn (Trachelospermum jasminoides), witte bloemschermen, sterk geurend
  • Solanum crispum
  • Oxypetalum, blauw
  • Paederia

Vruchtdragende klimmers

  • Kiwi
  • druif
  • Japanse wijnbes (Rubus phoenicolasius)
  • braam
moerbei

 Klimmers die ondersteuning vragen

  • Vuurdoorn (Pyracantha)
  • Japanse sierkwee (Chaenomeles)
  • Rotsmispel (Cotoneaster)
  • Marokkaanse brem (Argyrocytisus)
  • Moerbei (Morus)
  • Leipeer (Pyrus)

Groen blijvende klimplanten
Groen blijvende klimplanten tegen een gaashek of open lattenscherm kunnen een goed alternatief zijn voor te brede hagen. Ze bieden het hele jaar privacy op een klein oppervlak.

 

Bronnen

Bouman klimplanten
Hoogeveen (sortiment)
Baaij Hoveniers
De Wilde
Marechal
Hofmeester/klimplanten
Groenkalender

 

 

 

Hout

Inleiding

Hout is gemakkelijk te verwerken en wordt mede daarom veel toegepast. Er zijn veel houtsoorten. De voorkeur gaat uit naar milieuverantwoorde houtsoorten. Deze zijn voorzien van een FSC keurmerk.

Hout is een veel gebruikte grondstof. Denk bijvoorbeeld aan:
– eindeloos veel verschillende gebruiksvoorwerpen
– verpakkingsmaterialen
– bouwmaterialen
– decoratiematerialen en kunst
– tuinaanleg
– afscheidingen
– brandstof
Als uitgangsmateriaal heb je in alle gevallen bomen nodig.

Decoratief gebruik
Hout is gemakkelijk te bewerken. Daarom is het altijd een populaire grondstof geweest voor gebruiks- en kunstobjecten. Ook tuinhout wordt vaak decoratief gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan spoorbielzen.
Hout wordt machinaal gedraaid maar ook handmatig gebeiteld. Door gebruik te maken van de natuurlijke vormen en structuren kan het erg decoratief zijn. Ook bij gebeitst hout blijven de structuren zichtbaar.
Hout zwelt onder vochtige omstandigheden en krimpt bij droogte. Dat heet ‘werken’. Bewaar hout niet op een vochtige plaats, dan ontstaat schimmel Op een verwarmde plaats kunnen de naden losraken of het hout kan barsten.

Houtsoorten
Globaal kun je hout verdelen in inlands hout en buitenlands hout. Buitenlands hout komt vaak uit tropische oerwoudbossen, soms uit Scandinavische landen. In het algemeen zijn tropische houtsoorten langzamer gegroeid dan soorten uit andere streken. Dit verklaart dat tropisch hout harder en duurzamer is dan inlands hout. Vandaar de naam tropisch hardhout.

Tropisch hardhout
Tropisch hardhout heeft een goede kwaliteit maar er kleven veel bezwaren aan. Het belangrijkste bezwaar is het verdwijnen van het tropisch oerwoud waardoor de adsorptie van koolzuurgas en de productie van zuurstof afnemen. Ook heeft het gevolgen voor de biodiversiteit, bodemerosie en klimaatverandering. Met het over de wereld verslepen van hout kunnen allerlei organismen meeliften, waaronder schadelijke. Dit kan bijdragen aan het probleem van invasieve exoten.

Het tropische regenwoud vervult een aantal functies:
– Bescherming tegen bodemerosie (bij hevige regen spoelen anders hele bodemgedeelten weg)
– Opslag van  erfelijk  materiaal  (hierdoor  is  het  mogelijk  meer  gewassen  te  kruizen  en  is  er  meer  erfelijk materiaal)
– Opslag van geneeskundige planten
– Herbergen van soms nog onbekende dier- en plantensoorten
– Leefgebied voor mensen die daar al jaren leven
– Economische waarde (het hout brengt geld op waar weer andere producten mee kunnen worden gekocht).

Dat het tropisch regenwoud de longen van de wereld zijn, is een misverstand. Een oorspronkelijk regenwoud, waar de mens geen invloed op heeft gehad, heeft een natuurlijk evenwicht. De plantengroei (de binding van koolstof) enerzijds en de vertering/verrotting (productie van koolstof) anderzijds vormen een evenwicht. De productie van zuurstof is nihil. Regenwouden in bijvoorbeeld het Amazonegebied worden dus ten onrechte ‘longen der aarde’ genoemd.

Het verdwijnen van de tropische bossen heeft een aantal oorzaken. De bevolkingsaanwas is groot. Mensen moeten kunnen wonen en eten. Het gevolg hiervan is uitbreiding van bestaande steden en het vestigen van nieuwe. Dit heeft weer tot gevolg dat er een toename is van de vraag naar landbouwgronden (vaak zwerfland- bouw). Daarnaast ontwikkelt de industrie zich. Voor al deze activiteiten is hout nodig, als bouwmateriaal en als brandstof. Daarbij is het landelijk inkomen vaak heel laag. De verkoop van hout is nodig om de aankoop van andere goederen te bekostigen.

International Tropical Timber Organization (ITTO)
Geregeld wordt gesteld dat het gebruik van tropisch hardhout in rijke geïndustrialiseerde landen het bestaan van regenwouden bedreigt. Maar het verdwijnen van de regenwouden is, zoals je hebt gezien, vooral te wijten aan:

  • de stedenbouw;
  • industrie en infrastructuur;
  • de zwerflandbouw;
  • de aanleg van plantages voor bijvoorbeeld koffie en thee.

Zwerflandbouw  wordt  door  de  arme  bevolking  uitgevoerd  om  in  leven  te  blijven.  Slechts  weinig  hout  wordt gekapt voor de verkoop; het is grotendeels voor eigen gebruik. Denk maar eens aan Nederland dat vroeger een land met water en bos was. Door de bevolkingsgroei ontstaat verstedelijking. De bossen worden gekapt om plaats te maken voor de mens. De omvang van de export van tropisch hardhout is maar een fractie van de totale houtkap. Waar wel naar moet worden gestreefd, is om in goed overleg met de betreffende landen te komen tot een verantwoord bosbeheer. Dit betekent niet alleen bos kappen, maar ook de beplanting in stand houden.

Speciaal daarvoor is de International Tropical Timber Organization (ITTO) opgericht. In deze organisatie zijn producerende landen en consumerende landen vertegenwoordigd. Het doel van de organisatie is om het tropisch regenwoud niet verder te laten slinken. Duurzaam bosbeheer speelt hierbij een belangrijke rol.

FSC
In de handel kom je voornamelijk hout tegen met een FSC certificaat. FSC staat voor verantwoord beheer en behoud van bossen. FSC heeft regels opgesteld voor goed bosbeheer. In bossen waar die regels worden toegepast, wordt zorgvuldig gekapt, met respect voor mensen, planten en dieren.

 

Alternatieven
Een andere manier de problemen rond tropisch hardhout op te lossen is het zoeken naar mogelijke vervangers van tropisch hardhout. Er zijn genoeg houtsoorten met dezelfde natuurlijke duurzaamheid. Robinia (Acacia) bijvoorbeeld gaat van nature net zo lang mee als tropisch hout. Helaas duur het ongeveer veertig jaar voordat deze bomen volgroeid en geschikt zijn om te worden verzaagd. Op dit moment worden de bestaande soorten geselecteerd op groeisnelheid om zo in kortere tijd meer volgroeide bomen te krijgen. Maar het duurt nog enkele jaren voordat dit effect heeft.
Daarnaast wordt er geëxperimenteerd met bamboe, wat als voordeel heeft dat het daarbij om een snelgroeiende gewas gaat.
Ook zie je dat het gebruik van Tropisch hardhout wordt teruggedrongen door het toepassen van kunststof met eenzelfde uitstraling als hout.

Hagen

Inleiding
Hagen zijn belangrijke elementen in een tuin. Je kunt hagen maken van verschillende soorten planten, zoals bomen (haagbeuk, beuk), struiken (buxus, liguster, meidoorn, veldesdoorn) en coniferen (Chamaecyparis en Taxus). Ook combinaties zijn mogelijk.

 Planttijd en plaats
De planttijd hangt af van de plant:
Bladverliezende soorten plant je van oktober tot april (de rustperiode).
Bladhoudende soorten en coniferen plant je van augustus tot oktober en van april tot eind mei.De plaats van de haag die je gaat planten, zet je uit volgens de tekening. Hierbij heb je piketpaaltjes en een plantlijn nodig. Houd altijd rekening met de toekomstige breedte van de haag. 

Wel of geen plantsleuf?
Je kunt een haag planten zonder plantsleuf en met een plantsleuf. De methode zonder plantsleuf pas je toe als je een haag aanlegt van grote heesters. Meestal maak je echter een plantsleuf. Je graaft de plantsleuf naast de strak gespannen plantlijn. De sleuf moet zo groot zijn dat de wortels van de planten er ruim in passen en de planten net zo diep staan als in de kwekerij.

Het planten
De plantafstand hangt af van de plant:
– loofhoutgewassen drie tot vier per meter;
– coniferen vijf per twee meter.

Verdeel de planten langs de plantsleuf. Zet de eerste plant in de sleuf tegen de rechte kant. Schep losse grond op de wortels, zodat de plant niet verschuift. Herhaal deze handeling voor de overige planten. Vul de sleuf vervolgens met grond. Zet de planten recht en trap de grond aan. 

Hagen knippen
Een  haag  is  een  rij  struiken.  Je  hebt  strakke  hagen  en  losgroeiende  hagen.  Een  strakke  haag  is  in  model geknipt. Bijvoorbeeld recht als een muur of in de vorm van een bol of een dier. Ligusters en haagbeuken zijn hiervoor geschikt.
Een losgroeiende haag wordt niet in model geknipt. Hij houdt zijn eigen, natuurlijke vorm en bloeit daardoor uitbundiger.

Een strakke haag moet je regelmatig knippen om hem vol en in model te houden. Een strakke haag knip je meestal een keer voor de zomer en een keer voor de winter. Piramide-vormig knippen verbetert de belichting en daarmee de groei en kleur.

Het knippen van een strakke haag doe je als volgt.
– Knip de zijkanten. Kijk waar de haag het smalst is. Haal daar met de heggenschaar een heel klein stukje af.
– Knip de rest van de haag zo dat de hele haag zo breed wordt als het smalste stuk. Zorg ervoor dat de haag onderaan breder is dan bovenaan. Zo krijgt de onderkant ook voldoende zon.
– Knip de bovenkant van de haag recht. Gebruik, indien mogelijk, de ramen of goot van een gebouw dat achter de haag staat als ‘meetlijn’. Doe af en toe een stap achteruit om je werk te controleren.
– Ruim het snoeihout op. Hark de twijgen bij elkaar met de bladhark en voer ze af met een kruiwagen.

Bij het knippen van een losgroeiende haag gebruik je een snoeischaar voor de dunne takken en een takkenschaar voor de dikke takken.

 

Grond en bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1       Grond en bodem
1.2       Humus
1.3       Bodemprofiel
1.4       Bodemwater
1.5       Bodemstructuur
1.6       Drainage
1.7       pH
1.8       EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1       Zandgrond
2.2       Kleigrond
2.3       Veengrond
2.4       Zavelgrond
2.5       Lössgrond
3      Grondmengsels
4      Grondverbeteraars
4.1       Turfstrooisel
4.2       Tuinturf
4.3       turfmolm
4.4       Perlite
4.5       sphagnum
4.6       compost
4.7       bosgrond
4.8       hydrokorrels
4.9       steenwol

Inleiding
De meeste cultuurplanten staan met hun wortels in een medium. Meestal is dat grond. Deze grond zorgt voor verankering en levert voedsel, water en zuurstof.
Bloemenwinkels en tuincentra hebben veel met grond te maken. Ze verkopen grondmengsels en moeten regelmatig adviseren. Om deze reden gaan we in dit hoofdstuk in op veel gebruikte begrippen en zullen we de belangrijkste grondsoorten, grondmengsels en grondverbeteraars behandelen.

1   Begrippen
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen alleen die begrippen behandelen waarmee we binnen ons vak te maken kunnen krijgen.

1.1    Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.
1.2  Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem. Zandgrond is voor de absorptie van voedingsstoffen afhankelijk van humus.
1.3 Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.
Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
–           Maaiveld: Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
–           Bouwvoor: Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
–           Ondergrond: Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podzolgronden.
1.4 Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is. Zo onderscheiden we:
–  Hangwater: Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–  Grondwater: Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grond poriën met water gevuld zijn.
– Capillair water: Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.
Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.
1.5 Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.
We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6  Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.
1.7 pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.
Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.


1.8      EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.
1.9  Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex. Het principe berust op elektrische lading.

2 Grondsoorten

Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur.

Globaal kun je de grondsoorten in de volgende 3 groepen verdelen:
-zandgrond
– kleigrond
-veengrond
– zavelgrond
– Loss

 

Via de website van Wageningen University Research is veel informatie beschikbaar over de bodem van Nederland.

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–          IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–          de loop van de rivierbeddingen;
–          erosie (verwering);
–          vervening.
2.1         Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft zandgrond de volgende voordelen;
–          Zand warmt in het voorjaar snel op
–          Gemakkelijk te bewerken
–          Goed doorlatend voor water en lucht
Nadelen van zandgrond zijn;
–          droogt snel uit
–          bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast
–          lage pH

De vochthoudendheid van deze grondsoort kun je verbeteren met organische stof. Zandgrond wordt na de winter bewerkt en bemest.
2.2 Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat.
Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft kleigrond de volgende voordelen;
–           voedselrijk
–           vochthoudend
Nadelen van kleigrond zijn:
–           het is een zware, moeilijk te bewerken grondsoort
–           planten wortelen er moeilijk in
–           hij wordt hard bij droogte
–           dichte structuur en slechte waterafvoer
–           gebrek aan bodemleven
–           weinig zuurstof
–           komt in het voorjaar slecht op temperatuur

Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.
2.3 Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.
2.4         Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.
2.5         Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3          Grondmengsels
In tegenstelling tot grondsoorten worden grondmengsels kunstmatig gemaakt. Ze worden aangepast aan de behoefte van een of meerdere plantensoorten. Grondmengsels worden meestal onder de naam potgrond verkocht.
Als je rondkijkt in het tuincentrum of surft op internet zul je ontdekken dat het aantal soorten potgrondsoorten gigantisch groot is.  Elke fabrikant heeft een eigen assortiment.
De basis voor potgrond wordt gevormd door tuinturf of turfmolm, zand, klei en meststoffen. Goede potgronden bevatten ongeveer 30% lucht, 40 – 50% water en 30 – 40% vaste bestanddelen.
Voorbeelden van potgrondsoorten zijn universele potgrond, zaaigrond, stekgrond,  vijveraarde, tuinaarde, rozengrond, buxusgrond, tuinaarde,  bonsaigrond, cactusgrond, varengrond, anthuriumgrond, orchideeëngrond, tuinaarde, osmocote potgrond, geraniumgrond  en palmengrond.
Grondmengsels voor particulieren worden meestal in zakken verkocht en soms los. De inhoud van plastic zakken is bijvoorbeeld 5, 10, 25 of 50 ltr.

Goede potgronden bevatten een RHP-keurmerk.  RHP staat voor Regeling Handels Potgronden, De stichting RHP in Naaldwijk controleert de samenstelling van potgrond en kijkt of de grondstoffen en het eindproduct aan de strenge kwaliteitseisen voldoen.

4 Grondverbeteraars
Grondverbeteraars worden gebruikt om de eigenschappen van grondsoorten en grondmengsels te veranderen. Ze hebben vooral invloed op het organische stof gehalte, de structuur, de doorlatendheid,  het vochthoudend vermogen, de zuurgraad en de vruchtbaarheid. In veel gevallen worden ook potgronden gebruikt als grondverbeteraars. Hetzelfde geldt voor bepaalde meststoffen. Voorbeelden van grondverbeteraars zijn turfstrooisel, tuinturf, turfmolm, perlite, sphagnum, compost, bosgrond, kleikorrels en steenwol. De meeste van deze producten zijn in de bloemenwinkel, de bouwmarkt en het tuincentrum te koop.
4.1 Turfstrooisel
Turfstrooisel ofwel Bolsterveen is nog weinig verteerd veen. Het is lichtbruin van kleur, humusrijk en voedselarm.  Dit medium kan 10 keer zijn eigen gewicht in water opnemen en bevat dan nog zo’n 40% lucht. Het wordt gebruikt in potgrondmengsels en als stekmedium. De pH is laag.
4.2 Tuinturf
Tuinturf ofwel doorvroren zwartveen is afkomstig van oude veenlagen. Door het vochtige veen aan vorst bloot te stellen valt het uit elkaar en wordt het vochthoudend. Tuinturf is  reeds in een ver gevorderd stadium van vertering en daardoor donkerbruin van kleur. Dit betekent dat de verdere vertering langzaam verloopt hetgeen gunstig is voor de werkingsduur.
De vochtdoorlatendheid is groter dan van turfstrooisel. Tuinturf is een belangrijke grondstof voor potgronden en wordt veel gebruikt in borders om de pH te verlagen, het organische stof gehalte te verhogen, het vochthoudend vermogen te verhogen  en de grond af te dekken.  Het is geen meststof.
4.3 turfmolm
Als zwartveen uitdroogt wordt het  turf en neemt het geen water meer op. Op deze manier ontstaat turfmolm. Het is een vezelig product dat gebruikt wordt om grondmengsels luchtiger te maken.
4.4 Perlite
Perlite is een witte, poreuze vulkanische korrel met een doorsnede van 1-4 mm. Doordat het product steriel, vochthoudend en luchtig is wordt het veel gebruikt  als stekmedium en verbeteraar van potgronden.

4.5 sphagnum
Sphagnum is de wetenschappelijke naam voor veenmos. Het kan zeer veel water opnemen en wordt gebruikt  voor het maken van grondmengsels voor vochtminnende planten. Door milieuvervuiling is sphagnum vaak erg zout en onbruikbaar voor planten.
4.6 compost
Als organisch afval onder de juiste omstandigheden wordt bewaard ontstaat compost. Zo kent men bijvoorbeeld GFT-compost, compost van tuinafval en champost. De samenstelling is erg verschillend.
Compost is vooral geschikt om het organisch stof gehalte van de grond te verhogen. Champost kan een erg hoge EC hebben. Zelf gemaakte compost bevat vaak onkruid.

 

4.7         bosgrond
Organische materialen die zijn oorsprong hebben in het bos worden bosgrond genoemd. Hieronder vallen bladgrond, dennennaaldengrond, boomschors e.d.
Bosgrond wordt gebruikt voor planten als varens, orchideeën en Anthuriums. Meestal verwerkt men ze in potgronden. In Nederland is het in veel gevallen verboden om de humeuze ondergrond uit bossen te exploiteren.
4.8 hydrokorrels en seramis
Voor watercultures en het ontwateren van potcultures maakt men gebruik van geëxpandeerde kleikorrels. Ze bevatten geen voedsel, zijn luchtig, vochthoudend en steriel.
4.9         steenwol
In kassen gebruikt men voor het kweken en vermeerderen van planten vaak kunstmatig vervaardigde substraten. Steenwol is daarvan het meest bekende. Het bestaat uit gesmolten puinsteen waaraan diverse stoffen zijn toegevoegd. Steenwol is daardoor luchtig, waterhoudend, stevig en steriel.

Groenblijvende heesters

Inleiding

Bladhoudende heesters geven het hele jaar door privacy en zijn geschikt om elementen die men wil verstoppen uit het oog te onttrekken. Ook bieden ze heel het jaar een schuilplaats voor dieren in de tuin.

Als andere planten kaal zijn vallen ze het meest op. Met hun vaste, duidelijke vormen geven ze de tuin een gezicht.  Ze vormen het geraamte van de tuin maar worden ook wel als saai betiteld. Dit komt doordat ze er winter en zomer ongeveer hetzelfde uitzien.
Het is een productgroep waarvan de verkoop ook tijdens de winter redelijk doorloopt.

Sierwaarde
Vaak hebben bladhoudende planten diverse elementen in zich die ze aantrekkelijk maken. Belangrijk zijn plantvorm, blad, bloemen en vruchten.

Plantvorm
Bladhoudende heesters worden vaak aangeplant om hun sierlijke vorm. Deze wordt bijvoorbeeld bepaald door de afmeting. Veel bladhoudende heesters kunnen goed tegen snoeien en kunnen daardoor in allerlei vormen gegoten worden. Dit maakt ze geschikt als haagplant. Een groenblijvende haag is veel natuurlijker dan een schutting. Voor een hoge haag wordt b.v. Laurierkers of een Hulst gebruikt. Buxus is heel goed voor een laag haagje maar er zijn nog veel meer soorten voor hagen tot 1 meter.
In de onderhoudsvriendelijke tuin, kun je niet buiten de groenblijvende bodembedekker. Heel laag blijven de Pachysandra, Vinca en de Hederea. Iets hoger worden, Cotoneaster en Lonicera p. ‘Mossgreen’.

– Variatie in blad
Groenblijvende soorten zijn goed winterhard.  Er zijn veel soorten met een mooie bladkleuren. Van veel heesters kent men meerdere variëteiten die allemaal in bladkleur variëren. Ook komt het voor dat de bladkleur per seizoen wisselt bijvoorbeeld bij de Photinia.

Bloeiende groenblijvers
Onder de groenblijvende heesters zitten veel fraaie bloeiers, zoals b.v. Rhododendron en Mahonia. De bekende Skimmia ontleent zijn sierwaarde aan de bloemknoppen, die de hele winter mooi rood zitten te wachten op

Bes-dragende heesters
Dan zijn er nog diverse groenblijvers met een rijke bes-dracht, waarvan de Hulst misschien wel de bekendste maar zeker niet de enige is.

Standplaats

Veel groenblijvende heesters stammen uit vochtige streken, dichtbij kusten of in berggebieden. Dit betekent dat de grond vruchtbaar, waterhoudend maar niet drassig moet zijn.
Doordat tijdens de winter de verdamping doorgaat en de waterafname afneemt kunnen enkele soorten slecht tegen koude, droge oosten wind. Deze planten verlangen een beschutte standplaats. Sommige soorten moet je tijdens de winter beschermen.

Maatvoering
Op het label van plantgoed staat de maat aangegeven. Bijvoorbeeld 25/30
Bij kruipende planten betekent dit dat de diameter van de grootste plant 30cm bedraagt en de diameter van de kleinste plant 25cm bedraagt. Bij opgaande heesters betekent dit dat de hoogste plant 30cm en de laagste plant 25cm is.

Verzorging
Als tuincentrummedewerker heb je te maken met de verzorging in de winkel en het adviseren van klanten over de verzorging in de tuin.

Verzorging in het tuincentrum
Tegenwoordig worden de meeste heesters afgeleverd in potten. Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld planten die ingegaasd zijn en planten met vrije wortels.  Vaak zijn deze gebundeld tot bossen.
Heesters worden weggezet op de koude afdeling van het tuincentrum. Vaak is dat buiten. Om de verkoop bij slecht weer te bevorderen zie je steeds meer bedrijven die voor deze productgroep een koude kas gebruiken.
Voordat er nieuwe planten weggezet kunnen worden is het in het algemeen nodig om de oude planten in te boeten en op te knappen.
Potten worden weggezet op tafels of op bedden op de grond. Om onkruidgroei te beperken wordt, als ondergrond, anti worteldoek gebruikt. Grote potten worden wel ingekuild. Om het omvallen te voorkomen zijn allerlei steunmaterialen in gebruik. Deze worden vaak geleverd door de leverancier van planten. Ook worden allerlei houtsystemen gebruikt. Hierbij is het de kunst om het netjes te houden.
Etiketteren gebeurt veelal met labels die aan de planten hangen. Daarnaast zie je veel vormen van informatiekaarten, etiketten en stickers.
In het algemeen is de omloopsnelheid dusdanig groot dat de verzorging zich beperkt tot gieten en netjes houden van de verkoopvakken. Buiten het seizoen houdt men de voorraad zo beperkt mogelijk. Tuincentra waar de buitenafdeling de hoofdzaak van het bedrijf uitmaakt gaan vaak verder. Deze hebben altijd een gevulde verkoopafdeling en zullen meer aandacht besteden aan het verzorgen. Hier kom je extra handelingen tegen als bemesten, rondsteken, steunen, verplaatsen, snoeien enz.

– Verzorging in de tuin
De meeste planten worden tegenwoordig in containers verkocht. Hierdoor is het voor de consument mogelijk om het hele jaar te planten en treedt er geen groeistagnatie op na het planten. De beste planttijd blijft de periode september tot in april. Dan is de kans op verdroging namelijk het kleinst.
In het algemeen plant men zo als de plant gestaan heeft. Een uitzondering hierop vormen haagplanten als liguster. Deze worden, in ver band met de dichtheid onderin,  met de onderste vertakking onder de grond geplant
Na het planten moeten de heesters, voldoende vochtig worden gehouden. Gebrek aan water komt tot uiting door het bruin worden van de lage takken, die uiteindelijk afsterven. Als vuistregel kan men aanhouden dat water geven nodig is zodra de grond er droog begint uit te zien.
Geef als bemesting vooral veel organische stoffen als bladaarde, tuinturf, potgrond e.d. Ook mulchen (een bodembedekkende laag aanbrengen) met afgemaaid gras is onder groenblijvende heesters uitstekend.
Planten in kuipen, potten en bakken kunnen ook ondervoed raken. Dit blijkt meestal uit een langzamere groei en kleinere, vaak blekere, geelgroene bladeren. Geef deze planten van het voorjaar tot de nazomer elke maand vloeibare of vaste kunstmest, opgelost in water.
Snoeien doet men vooral in de zomerperiode. Dan herstelt de plant zich snel en valt het snoeiwerk niet zo op.
Hagen met grote bladeren, als Laurierkers, snoeit men vaak met een snoeischaar omdat er dan geen bladbeschadiging optreedt. Bladbeschadiging geeft bruinverkleuring. Andere hagen knipt men met een heggenschaar.
Hagen knipt men een beetje taps. Dat wil zeggen dat men de bovenkant smaller maakt dan de basis. Hierdoor krijgt de hele plant evenveel licht en zal de hele haag groen blijven.
Groenblijvende heesters die te hoog of kaal geworden zijn verdragen het goed als je ze diep terugsnoeit. Ze zullen dan opnieuw uitlopen.

Sortiment

Wetenschappelijke naam: Nederlandse naam:
Aucuba japonica ‘Variegata’ Broodboom
Berberis julianae Zuurbes
Berberis (x) stenophylla ‘Handsworth’ Zuurbes
Berberis verruculosa Randpalm
Cotoneaster suecicus (dammeri) Dwergmispel
Elaeagnus pungens ‘Maculata’ Olijfwilg
Euonymus fortunei ‘Emerald Gaiety’
Hebe ochracea
Hedera helix ‘Arborescens’ Struikklimop
Ilex aquifolium ‘J.C. van Tol’   Van Tol hulst
Ilex crenata ‘Convexa’ Japanse hulst
Lavandula angustifolia   Lavendel
Ligustrum ovalifolium   Liguster
Ligustrum vulgare ‘Lodense’
Lonicera nitida ‘Elegant’ Kamperfoelie
Mahonia aquifolium   Mahoniestruik
Mahonia x media ‘Charity’ Mahoniestruik
Osmanthus x burkwoodii
Osmanthus heterophyllus Schijnhulst
Photinia x fraseri ‘Red Robin’
Prunus laurocerasus ‘Rotundifolia’   Laurierkers
Prunus laurocerasus ‘Otto Luyken’ Laurierkers
Rosmarinus officinalis Rozemarijn
Skimmia japonica ‘Rubella’  
Viburnum davidii
Viburnum rhytidophyllum  

BRONNEN

Boma boomkwekerij
Plantengids
Adviesplaats
Vijveridee
Vormingscentrum Belgie

 

 

tuingereedschap

Inleiding
Werken in de tuin is in de meeste gevallen een hobby. Daarvoor is gereedschap nodig. De prijs- en kwaliteitsverschillen daarvan zijn erg groot. Hoe groter je tuin en hoe vaker je een bepaald stuk gereedschap nodig hebt, hoe meer belang je aan de kwaliteit moet hechten en hoe meer geld je er normalerwijs zult aan uitgeven. Goedkoop is dikwijls snel onbruikbaar. Gesmeed gereedschap is veel duurder dan uit plaat vervaardigd materiaal.

Basisuitrusting
Het valt voor een beginner niet meer uit maken wat basisgereedschap is en wat later als aanvulling aangekocht kan worden. In volgend lijstje vind je het minimum aan gereedschap dat nodig is om de belangrijkste werkzaamheden in de moestuin aan te kunnen.

  • Spade.
  • Spitvork.
  • Riek met 4 tanden.
  • Brede hak (18 – 20 cm)
  • Smalle hark (10 – 12 cm)
  • Tuinhark (10 – 14 tanden)
  • Tuinkoord.
  • Zak- en snoeimes
  • Plantschopje.
  • Pootstok.
  • Krabber.
  • Gieter met fijne broes.
  • Kruiwagen.
  • Heggeschaar
  • Takkenschaar
  • Snoeischaar
  • Cultivator
  • Grasschaar
  • GrasmaaierDit lijkt een hele waslijst, maar als we al deze gereedschappen eens van nabij bekijken, dan zal het nut van elk gereedschap onmiddellijk blijken en dit in een volgend artikel.
    We zullen er enkele bespreken.

Stelen
Handgereedschappen zijn er in soorten en maten.
Voor veel handgereedschap geldt dat ze een steel nodig hebben. Goede stelen zijn gemaakt van essenhout (taai, elastisch en glad) of wilgenhout (taai, veerkrachtig en licht, maar erg zacht en dus niet duurzaam). Vooral aan de draadrichting van het hout moet aandacht worden geschonken.
Bij hobbygereedschap zie je vaak dat de steel gemakkelijk te wisselen is. Je hebt dan maar een steel nodig. Dit spaart opslagruimte en maakt het gereedschap goedkoper. Nadelen zijn dat het omwisselen extra tijd kost en dat je te maken hebt met zwakke verbindingspunten.

Panschoppen of batsen en steekschoppen
Een panschop heeft een platte ronde snede en enigszins afgeronde hoeken. De zijkanten zijn naar achteren verlopend iets opgebogen. De achterzijde is eveneens licht opgebogen en verloopt naar boven in een bus of dul, waarin de steel zit.
De stand van de dul ten opzichte van het blad kan variëren.

 

Uit de combinatie van de panschop met een rechte dul en een licht gebogen steel ontstaat een steekschop, waarbij de steel en de snede van het blad in één lijn liggen. Door deze stand is de bats geschikt voor graven en spitten. Moet je zand opscheppen of grond verspreiden over het terrein, bijvoorbeeld bij grof egaliseren, dan is een schop met een opgebogen dul met een kromme steel geschikt.

Spaden of steekschoppen

spade

Bij het graven van sleuven voor kabels, waarbij wortels moeten worden doorgestoken, of bij het werken in zwaardere grond wordt de spade gebruikt, die ook wel steekschop wordt genoemd. Spaden hebben een in dwarsrichting iets gebogen blad, dat bij de snede wat breder is dan bij de steel. Het staal is meestal van betere kwaliteit dan het staal dat voor panschoppen wordt gebruikt. Spaden zijn zwaarder en ook duurder.

De beste spaden hebben aangesmede veren, die aan de voor- en achterkant over de steel lopen en die met klinknagels ertussen wordt vastgezet. Bij de goedkopere soorten is de bevestiging van de steel met klinknagels op het blad vastgezet. Deze spaden zijn ongeschikt voor zwaar werk, omdat de klinknagels los gaan zitten als ze op wortels stoten. Hierdoor wordt de schop waardeloos.

 

 

Schoffels
Schoffels worden voornamelijk gebruikt voor het bestrijden van onkruid.
Een goede schoffel is gesmeed uit één stuk metaal, is voorzien van een lange hals en heeft een gesloten dul. De steel is ongeveer 1,70 meter lang en voorzien van een schuine hilt. Wanneer het einde van de steel tegen de schouder rust, moet het schoffelblad plat op de grond liggen. Op zware gronden gebruikt men vaak een hak. Hiermee kun je plaatselijk onkruid weghakken.

Harken
Harken kunnen op twee manieren worden ingedeeld.
In de eerste plaats naar het aantal tanden: acht, tien, twaalf, veertien en zestien. Het aantal tanden geeft tevens de werkbreedte aan.
De tweede indeling is gebaseerd op  de  vorm  van  de  tanden.  Harken  met  gebogen  tanden  zijn  geschikt  voor  het  bij  elkaar  harken  van  niet gewenste kruiden en afval en voor het onderwerken van zaad. Harken met rechte tanden worden gebruikt voor het egaliseren van de grond. Een goede hark is gesmeed uit één stuk en heeft een essenhouten steel van 1,70 meter lang.
Andere harken zijn de blad- en spiraalhark. Deze wordt gebruikt voor het bij elkaar harken van tuinafval als onkruid, gemaaid gras en blad.

Riek of vork
Een normale riek wordt mestriek of mestvork genoemd. Als de tanden gebogen zijn spreekt men over een haakse riek.

Een riek is onmisbaar voor het opladen van plantenresten en compost. Vooral na het bij elkaar harken van bijvoorbeeld organisch afval is het erg handig om er met een riek in te prikken en het vervolgens te verwijderen. De grond blijft dan achter.

Verder wordt de riek veel gebruik voor het uit de grond halen van (wortel)onkruiden, planten, bollen en knollen. Organische meststoffen worden door de hobbytuinder eveneens uitgespreid met een riek.
Ook voor rieken geldt dat het aantal tanden kan wisselen. Meestal zijn ze 2 tot 5 tands.

Een andere riek is de spitriek. Deze heeft platte tanden en wordt gebruikt voor het omspitten van zware grond bijvoorbeeld tussen de planten.

Cultivator

Een hand cultivator wordt gebruikt om de grond tussen planten los te maken. Hierdoor wordt onkruid bestreden, wordt de gaasuitwisseling bevorderd en droogt de grond minder snel uit.

 

Klein gereedschap
Particulieren maken veel gebruik van klein gereedschap als plantschepjes, 3 tandharkjes, handschoffels, poothout e.d. Ook hiervoor geldt dat er een groot verschil is in kwaliteit.

Overig gereedschap
Als je rondkijkt op de afdeling gereedschap  van bijv. een tuincentrumdan zul je zien dat er naast het standaard gereedschap erg veel hulpmiddelen zijn om het werk in de tuin zo aangenaam mogelijk te maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een kantensteker voor het gazon en de diverse scharen. Hieronder zijn een aantal voorbeelden afgebeeld.
Steeds vaker zie je dat er van handgereedschap automatische toepassingen komen.

Opbergen en onderhoud van gereedschap
Het is erg vervelend om, elke keer als je in de tuin gaat werken, naar het gereedschap te moeten zoeken. Daarom zijn er diverse ophangsystemen in de handel die het aantrekkelijk maken om alles overzichtelijk op te bergen. Door het elke keer op een overzichtelijke plaats op te bergen, voorkom je veel ergernis over een niet te vinden bats of hark. Verder draagt goed opbergen bij aan veiligheid.

Tuingereedschap moet goed onderhouden worden. Dat geldt vooral voor gesmeed gereedschap, als je wil dat het lang meegaat. Om goed met het gereedschap te kunnen werken, is onderhoud noodzakelijk.
Het gereedschap moet regelmatig worden geslepen. De meeste werktuigen worden aan een kant geslepen.
Voor het slijpen kun je gebruikmaken van verschillende slijpinstrumenten. Bij gebruik van een slijpmachine moet verbranding (blauwe plekken) van het metaal worden voorkomen. Verbranding heeft snelle slijtage of omkrullen van het snijvlak tot gevolg, omdat het metaal als het ware zijn hardheid verliest.
Het meeste gereedschap komt in contact met vochtige grond of vochtige plantendelen, het kan dus makkelijk roesten. Daarom moet tuingereedschap op een droge plaats opgeborgen worden. Als het materiaal voor een lange tijd wordt weggezet (bv.’s winters), is het nodig al het gebruikte materiaal schoon te maken met een oud borsteltje, zodat alle grond en plantenresten verdwenen zijn. Daarna vet je het gereedschap best in met vet of motorolie. Je hoeft de schoongemaakte metalen delen maar heel lichtjes in te strijken met bijvoorbeeld een oude verfkwast. Olie is ook als spuitbus te koop.
Een andere methode is een kist vullen met een mengsel van zand en gebruikte motorolie. Elke keer je het gereedschap gebruikt hebt, steek je het in de kist. Het zand reinigt het gereedschap en tezelfdertijd wordt het geolied.
Houten stelen kun je, voordat je ze gaat gebruiken, in de olie zetten; dit oliën moet later nog eens worden herhaald. Je kunt houten stelen beter niet lakken. Verder moeten stelen worden gecontroleerd op splinters en eventuele breuken.
Zijn er tijdens je werkzaamheden bepaalde stukken gereedschap beschadigd of gebroken, dan zorg je ervoor dat deze worden hersteld voordat je ze opbergt. Daarom zal een goede gereedschapsberging voorzien zijn van een kleine werkbank met het nodige herstelgereedschap en herstelmateriaal.

 

 

Gazons

Inleiding
Veel tuinen hebben een gazon. Er zijn grote verschillen in formaat, samenstelling, onderhoud en functie. In veel gevallen wordt gestreefd naar een strak groen grasveld. Dat neemt niet weg dat een gazon met daarin plantjes madeliefjes en ereprijs minderwaardig zijn. Hoe een gazon er uit ziet wordt voor een groot deel bepaald door de aanleg en het onderhoud.

Functies
Argument om in de tuin een gazon op te nemen zijn:
– borders accentueren en onderbreken
– open ruimte creëren
– betreden: spelen en recreëren
– weinig werk
– water bergen

1 Aanleg
1.1 Grond en grondbewerking
Bij grond heb je te maken met chemische-, fysische- en biologische factoren. Grondsoort, organische stof, pH en structuur zijn de basis voor een goede grasmat. Omdat een gazon meerdere jaren meegaat is het van belang om voor de aanleg de grond zo goed mogelijk in orde te maken.
Voor het zaaien moet de grond fijn en vast zijn. Bij een grond vol kluiten komt het zaad te diep te liggen. Een losse grond zakt onregelmatig waardoor het gazon kuilen kan krijgen. Ook droogt een losse grond sneller uit dan een vaste grond.
Afhankelijk van de beginsituatie wordt de grond gespit of gefreesd. Om de grond gelijk te maken (te egaliseren) wordt er vervolgens geharkt. Verdichten kun je doen door de grond regelmatig aan te trappen. Je kunt de grond ook rollen met een zware rol.
Na het verdichten moet je de bovenste twee tot drie centimeter van het zaaibed weer los harken. Zo kan het zaad beter ontkiemen en kunnen de kiemwortels makkelijk de ondergrond in.
Een goede bodem is tevens van belang voor de biomassa. Biomassa is het totaal van bodemfauna. Biomassa en evenwichten in de grond zijn onmisbaar voor een duurzaam ecosysteem. Bacteriën en schimmels zorgen voor vertering van organische stoffen en het uitwisselen van voedingsstoffen met planten. Wormen en andere bodemdieren zorgen voor voorvertering en beluchting.

1.2 Basisbemesting
Omdat een gazon vaak jaren meegaat is het verstandig om, voor het zaaien, een basisbemesting toe te passen.
Je kunt gebruik maken van organische meststoffen of van kunstmest.
Kunstmestkorrels worden over de bewerkte grond gestrooid. Als je zaaibed klein is, doe je dit met de hand. Je moet de mest gelijkmatig verdelen.
Organische meststoffen kun je natuurlijk ook in natuurlijke vorm toepassen. De mest mag dan niet vers zijn.
De kwaliteitsverschillen tussen organische meststoffen zijn groot en in het algemeen terug te zien in de prijs. Compost bevat vaak veel onkruidzaden. Koemest bevat geen voeding maar is wel een eenzijdige bodemverbeteraar.
Klei bevat van nature veel voeding. Zand is voor de buffering van voedingsstoffen afhankelijk van humus. Humus ontstaat door het verteren van organische stof.
Gestreefd wordt naar een pH tussen 5,5 en 6,5. Kalk en magnesium verhogen de pH.
Tuincentra bieden bodemonderzoek aan. Pas op voor overbemesting en bemestingsadviezen van meststof-fabrikanten.  Belang zijn verder de wet van het minimum, het verschil tussen hoofd- en spore-elementen, synergisme en antagonisme. Mulchen kan een goede vorm van bemesting zijn die 1/3 van de totale bemesting uitmaakt.

1.3 Zaadmengsels
Een gazon is een combinatie van diverse grassoorten. Elke soort heeft zijn specifieke eigenschappen.  Daarbij heb je te maken met factoren als schaduwbestendigheid, grondsoort, maaibestendigheid, onderhoud, betreding, dichtheid van de mat, droogte bestendigheid, zouttolerantie, kiemtemperatuur en ziekten gevoeligheid. Door het mengsel te variëren krijg je gazons met diverse gebruiksmogelijkheden. Denk hierbij aan het schaduwgazon, het sportveld en het siergazon. Moderne mengsels bevatten veel zodevormende soorten als Engels Raaigras. Goede mengsels zijn duur.

Voorbeelden van veel gebruikte grassoorten zijn:

  • Struisgras: verdraagt kort maaien (minder dan 1 centimeter).
  • Zwenkgras (gewoon en met korte uitlopers): verdraagt kort maaien redelijk.
  • Zwenkgras (met lange uitlopers): verdraagt kort maaien slecht.
  • Veldbeemd, Engels raaigras en timothee: verdragen kort maaien niet (minimaal 2,5 centimeter).

1.4 Zaaiperiode
Gras kun je het beste zaaien in het voorjaar (half maart tot begin mei) of in de nazomer (begin augustus tot half september). Dan is de temperatuur hoog genoeg om het graszaad te laten kiemen en is er voldoende neerslag. Je moet zowel op de bodemtemperatuur als de buitentemperatuur letten. Je kunt wel in de zomer zaaien, maar de kans dat het mislukt is groter. De buitentemperatuur is dan meestal te hoog. In de winter wordt helemaal niet gezaaid. De bodemtemperatuur is dan te laag. Het graszaad kan niet ontkiemen.

1.5 Zaaien
Als  je  al  het  voorbereidende  werk  gedaan  hebt,  kun  je  zaaien.  Het  zaaien  moet  regelmatig  gebeuren.  Het beste resultaat krijg je als het windstil is. Na het zaaien moet je het graszaad inharken.
Je kunt zaaien met de hand of machinaal. Kleinere oppervlakten zaai je natuurlijk met de hand. Het nadeel van handmatig zaaien is, dat je de zaden moeilijk kunt verdelen. Als de zaden niet goed verdeeld zijn, krijg je kale plekken in het gras. Een zaaimachine kan wel nauwkeurig zaaien. Het is echter vaak niet mogelijk om een zaaimachine in een tuin te gebruiken, omdat die machines veel te groot zijn.

1.6 Graszoden
In plaats van graszaad kun je ook graszoden gebruiken.
Je bewerkt de grond op dezelfde manier als voor het zaaien. De grond moet goed egaal zijn. Je kunt de tuin eventueel aanrollen met een roller. Na het aanrollen leg je de graszoden. Je legt dan de hele graslaag compleet met wortels en grond in één keer aan. Een graszode is vaak 50 cm breed en 2 meter lang, ofwel: precies 1 m 2. Het op maat snijden kan met een scherp (brood)mes.
Het voordeel van graszoden is dat je snel resultaat hebt. Na ongeveer twee weken kun je er al op lopen. Een nadeel is dat het veel duurder is dan zaaien.  

2 Gazononderhoud
Een gazon moet aan de volgende eisen voldoen:

1 Het moet een mooi egaal groene kleur hebben;
2 De grasmat moet vlak zijn;
3 De graszode moet een gesloten zode hebben;
4 De  graszode  mag  geen,  of  zeer  weinig  onkruiden  of mossen bevatten;
5 Het gazon moet duidelijke begrensd zijn met paden en borders.

Om  aan  deze  eisen  te  voldoen  zijn  en na het zaaien een  aantal  onderhoudsmaatregelen  nodig.  Een aantal van deze maatregelen kunnen lange tijd achterwegen gelaten worden terwijl dat met andere handelingen beslist niet kan.

Veel voorkomende onderhoudswerkzaamheden zijn:

– maaien
– randen steken, snijden en knippen
– vegen
– bemesten
– onkruid bestrijden
– verticuteren
– beluchten
– doorzaaien
– gieten

2.1 Maaihoogte en maaifrequentie
Maai minimaal 1 keer per week. Hoe minder je afmaait hoe beter.  De maaihoogte is de hoogte waarop de grasplant afgemaaid wordt, gemeten vanaf de grond. De maaihoogte is afhankelijk van het gebruik van de grasmat, het soort gras, het seizoen en de maaifrequentie. Een  foutieve  maaihoogte,  kan  een  grasveld  totaal  vernielen.
Als er te kort gemaaid wordt, zal de grasplant misschien geen uitlopers meer kunnen vormen, waardoor er geen nieuwe plantjes meer zullen ontstaan.
Wordt er te hoog gemaaid, dan zullen de fijnere grassoorten overwoekerd worden door de grovere soorten. Bovendien zal de grasplant in de zomerperiode kunnen gaan bloeien, zodat deze hierna zal afsterven. Hierdoor ontstaan gaten in de graszode.

– Het gebruik van het gazon bepaalt de maaihoogte. Het siergazon heeft een lagere maaihoogte dan het gebruiksgazon (speelgazon). Dat houdt in dat de maaifrequentie voor een siergazon hoger is. Een siergazon wordt gemaaid op ongeveer twee centimeter lengte, een speelgazon op drie centimeter.

– De gebruikshoogte (speelhoogte) is de ideale graslengte voor het gebruik van het gazon. De maaihoogte ligt altijd lager.

– Sommige grassoorten vormen laag boven de grond knoppen en kunnen na kort maaien weer opnieuw uitlopen.
Andere rassen hebben een stukje hoger van de grond hun knoppen en verdragen het te kort maaien dus niet.

– In het najaar wordt het gras het hoogst gemaaid. De langere grassprieten beschermen de knoppen tegen de winterse koude. Als er te kort gemaaid wordt zouden deze anders kunnen bevriezen. In de zomer wordt de normale maaihoogte aangehouden. In het voorjaar zou de maaihoogte geleidelijk teruggebracht moeten worden tot de zomerhoogte.

– Door regelmatig te maaien zal het gras niet veel hoger worden dan de maaihoogte. Dit heeft veel voordelen. De grasplanten worden geactiveerd nieuwe uitlopers te vormen, zodat de zode gesloten blijft. Het onkruid krijgt geen kans zich te ontwikkelen. De groei van het gras is  echter  niet  constant,  zodat  er  op  de  groeipieken  meerdere  keren  gemaaid  moet  worden.

– Bij vaak maaien is de hoeveelheid maaisel beperkt. Dit hoef je niet te verzamelen en af te voeren. Zo breng je organische stof in de bodem. Minder vaak maaien betekent meer maaisel. In verband met de verstikking van het gras kan dit niet blijven

– Vaak wordt gedacht dat het niet frequent maaien van het gazon kostenbesparend zou zijn, echter het opruimen van het lange maaisel zal meer tijd en moeite kosten dan het maaien zelf. Door gebruik te maken van een maairobot hoeft vaak maaien geen belasting voor de tuinbezitter te zijn.

2.2 Maaimachines
Er zijn vele maaimachines in de handel, zoals kooimaaiers, cirkelmaaiers,  bosmaaiers,  maaibalken, maairobots en cyclomaaiers. Voor gazons worden alleen de messenkooimaaiers, cirkelmaaiers en maairobots  gebruikt. Voor onder andere bermen worden de grofwerkende maaiers gebruikt, zoals de klepelmaaiers en maaibalken. Bij gazononderhoud zijn vooral de messenkooimaaier en de cirkelmaaier van belang.

2.2.1 kooimaaiers
Voor kleine gazons worden vaak handgeduwde kooimaaiers gebruikt. Voor de grotere gazons worden motorische maaiers gebruikt. Dit kunnen zelfrijdende maaiers zijn of maaiers die door een trekker worden getrokken.
Een messenkooi bestaat uit verschillende messen, die als een spiraal aan elkaar bevestigd zijn. Deze kooi draait rond langs een vast ondermes. Het aantal messen op de kooi varieert van vier tot twaalf stuks, afhankelijk van het gebruik van de te maaien grasmat.
De messenkooi kan met wielen of rollen voortbewogen worden. Deze wielen of rollen dienen ook voor de hoogte-instelling
Het gras komt tussen het vaste ondermes en het mes op de kooi en wordt zo afgeknipt. Het is zaak dat het hele ondermes snijdt. Een goede afstelling van messenkooi en ondermes is dan ook erg belangrijk. Het mes moet over de gehele lengte knippen. Het afstellen van de messen op het ondermes moet zeer nauwkeurig gebeuren. Een slechte afstelling geeft een slecht maairesultaat. Het ondermes kan met een stelschroef, aan beide kanten, omhoog of omlaag worden gedraaid. De kooi moet het ondermes over de gehele lengte raken. Het ondermes mag niet te vast op de kooimessen worden gesteld. Je mag de kooi wel horen ratelen, maar deze mag niet direct stil blijven staan als je stopt met lopen. Een juiste afstelling is te meten met een papiertje dat tussen de messenkooi en het ondermes wordt gestoken. Met de hand wordt de messenkooi gedraaid en deze zal bij een goede afstelling het papier snijden. Naast de juiste afstelling van de kooi en het ondermes is de scherpte van de messen belangrijk. De kooi en het ondermes moeten geslepen worden. Het slijpen van de gedraaide messen op de kooi is precies werk, dat aan vakmensen overgelaten moet worden. Regelmatig moet worden gecontroleerd of het ondermes nog recht is.
De maaihoogte van de maaier is in te stellen door de rol te verstellen. Hierbij worden de twee pallen aan de zijkant uitgetrokken, zodat de rol hoger of lager gezet kan worden. Er zijn een aantal ronde uitsparingen waarin de pallen vastgezet kunnen worden. Het is dan wel belangrijk om zowel aan de rechter- als aan de linkerkant dezelfde uitsparing te nemen. De maaier geeft anders een schuin maaibeeld.
De maaihoogte kan met een duimstok worden gecontroleerd. De maaier wordt op een vlakke ondergrond gezet en de duimstok tussen de kooi door naar beneden gestoken. De hoogte is aan de bovenkant van het ondermes af te lezen. Kooimaaiers kunnen geen lang gras maaien. Al het gras moet immers tussen de kooi en het ondermes door. Dit lukt niet als het gras te hoog is. In dat geval moet de maaier in de maximale stand gezet worden, of moet een cirkelmaaier uitkomst bieden.
Het gemaaide gras zal vaak niet opgevangen worden, maar zal over het gazon verspreid worden. Deze spreiding wordt negatief beïnvloed door de graslengte, de vochtigheid en een klein aantal messen op de kooi. Omdat de messen gedraaid op de kooi zitten zal het gras niet recht achteruit verspreid worden, maar een beetje schuin. Bij het maaien moet daarmee rekening gehouden worden, het maaisel mag niet op het te maaien deel vallen.
2.2.2 cirkelmaaiers
Bij de cirkelmaaier is er keuze tussen een elektrische motor of een benzinemotor. Ook zij er hybride maaiers. Deze hebben een accu waarmee men ongeveer 100 m2 snoerloos kan maaien. Handgeduwde exemplaren zijn er niet, omdat het mes een zeer grote snelheid moet kunnen bereiken om te maaien. Ondanks dat cirkelmaaiers een minder mooi maaipatroon geven dan messenkooimaaiers worden ze veel gebruikt. Dit heeft te maken met het gebruiksgemak. Een cirkelmaaier is minder kwetsbaar dan een messenkooimaaier. De machine is ook minder onderhoudsgevoelig, het slijpen van het mes is vrij eenvoudig en de afstelling van twee messen (zoals bij de kooimaaier) is niet nodig. De cirkelmaaiers kunnen makkelijk lang maaien. Ook graskanten kunnen met deze maaiers makkelijk worden gemaaid. Een nadeel van cirkelmaaiers is echter dat bij ongelijk terrein de graszode kapotgeslagen kan worden. Het sneldraaiende mes slingert alle harde voorwerpen die in het gras liggen met hoge snelheid weg. Dit kan gevaar opleveren voor de gebruiker en mensen of objecten die in de nabijheid staan. Een speciale uitvoering van een cirkelmaaier is de luchtkussenmaaier. Door de snelle draaiende beweging van het mes en een ventilator wordt de maaier van de grond getild. Deze maaier wordt zonder wieltjes voortbewogen, het zweeft boven de grond. Een dergelijke machine is erg makkelijk, zonder kracht, te bedienen.Een ideale machine om te maaien op taluds en op pas gekiemd graszaad. De cirkelmaaier slaat het gras af. De topjes van het gras rafelen een beetje. Het maaibeeld is dus een stukje minder mooi dan bij de messenkooimaaier. Tegenwoordig zijn de cirkelmaaiers van zeer goede kwaliteit, zodat het maaibeeld steeds beter wordt.
De messen kunnen verschillende vormen hebben. Het meest gebruikte mes bestaat uit een rechte stalen strip, waarvan de twee uiteinden scherp zijn gemaakt. Bij dit mes wordt het gras dus voornamelijk aan de uiteinden afgeslagen. Daardoor is er minder vermogen nodig om het gras af te slaan. De scherpte van het mes bepaalt ook hier een groot deel van het maairesultaat.
Bij het slijpen van het mes moet aan beide kanten evenveel worden weggeslepen, om het evenwicht op het mes te behouden. Als de beide zijden niet in evenwicht zijn, zal de machine enorm gaan trillen en zodoende de ophanging van het mes beschadigen. Dit is levensgevaarlijk bij het losraken van het mes.
De grasafvoer kan zowel aan de achterzijde als opzij van de machine gebeuren. Bij de afvoer aan de zijkant van de machine moeten de buitenste banen zo gemaaid worden dat het maaisel op het te maaien deel valt en niet in de border.
Een nadeel van cirkelmaaiers is de slechte verspreiding van het maaisel. Dit wordt nog eens versterkt als bij vochtig weer wordt gemaaid. Het maaisel zal dan in grote klonten op het gazon komen te liggen.
Een ander nadeel is dat het gras door de beschermkap van de maaier rondgeslagen wordt en maar aan één zijde  deze  kap  kan  verlaten.  Dit  kan  snel  verstopping  opleveren,  zeker  bij  lang  gras  en  vochtig  weer.  De maaihoogte wordt ingesteld door de wielen hoger of lager te zetten. Dit kan met handels dichtbij de wielen. Er moeten vier wielen worden afgesteld zodat de juiste stand voor alle wielen gebruikt wordt. Er zijn ook typen waarbij de voor- en achterwielen paarsgewijs of alle vier tegelijk te verstellen zijn. Bij een luchtkussenmaaier wordt de maaihoogte ingesteld met stelringen boven het mes.

Maaipatroon
Afhankelijk  van  welk  type  maaier  gebruikt  wordt,  kan  op  verschillende  manieren  gemaaid  worden.
Bij  een messenkooimaaier is de afvoer van het maaisel aan de achterkant of de voorkant van de machine. Bij een achterwaartse afvoer wordt het maaisel afgevoerd naar de kant waar al gemaaid is. Bij voorwaartse afvoer wordt altijd een opvangbak gebruikt. Eerst worden de kopse kanten gemaaid met twee of drie maaibanen, waarna de lange banen om en om worden gemaaid. De kopse kanten maaien is belangrijk om met de maaier te kunnen draaien. Bij een cirkelmaaier is de afvoer van het maaisel vaak aan de zijkant, soms aan de achterkant. Bij de afvoer aan de zijkant van de machine moet rekening worden gehouden met het maaipatroon. Het maaisel mag niet op het nog te maaien deel vallen, maar ook niet in de border. De zijkanten worden eerst gemaaid en wel zo dat de grasafvoer naar het midden van het gazon is gericht. Daarbij zal het gemaaide gras op het nog te maaien deel vallen. Dit is niet zo erg als het gras niet al te hoog is geworden. Het maaisel kan beter op het gras vallen dan in de border, wat weer veel extra werk geeft om het op te ruimen.
Er worden twee of drie banen rondom gemaaid, waarna de lange banen worden gemaaid. Daarbij wordt rekening gehouden met de afvoer van het maaisel.
Als het maaisel wordt opgevangen, kan worden afgeweken van deze maaipatronen. Het is echter wenselijk om het maaisel niet af te voeren, maar op het gazon te laten liggen. Belangrijk is dan dat het maaisel niet te lang is. Regelmatig maaien is dan noodzakelijk.
Bij het maaien, ongeacht met welke maaimachine, wordt het gazon in rechte banen gemaaid. Dit geeft een netter maaibeeld.
Bij het maaien moet het maaisel worden afgevoerd aan de achterkant of zijkant van de machine. Vooral bij de afvoer aan de zijkant is de verspreiding van het maaisel slecht, zeker bij het maaien onder natte omstandigheden. Nat gras verspreidt zich slecht en blijft als vlokken op het gazon liggen. Dit ontsiert het gazon sterk. Het maaisel moet afgeharkt en afgevoerd worden. Bij het afharken met een bladhark wordt het maaisel op rillen gelegd en afgevoerd.

2.2.3 bosmaaiers
Een andere uitvoering is de bosmaaier. Aan het uiteinde van een lange hefboom zit een draaiende kop, waarop een  mes bevestigd  wordt.  De  motor laat  het  mes  zeer  snel ronddraaien.  De  grassprieten  worden  rechtop  gezogen  en  door  het  mes  afgeslagen.  Hiervoor  is  een  hoge snelheid van het mes nodig. Bosmaaiers worden gebruikt op plaatsen waar je met een maaimachine moeilijk kunt komen bijv. tussen de beplanting. Particulieren gebruiken meestal wel grastrimmers. Dit zijn een soort bosmaaiers met een nylon draadje. Deze maaiers en de losse draadjes worden in tuincentra verkocht. 

2.3 maai-frequentie
Een ezelsbruggetje is dat je het gazon maait als de hoogte van het gras zowat dubbel zo hoog is als wanneer het net gemaaid is. In de praktijk komt het erop neer dat het gras in de echte groeitijd 2 keer per week gemaaid moet worden. Bij nat weer geeft dit wel eens problemen doordat nat gras moeilijk te maaien is.

2.4 Onderhoudsbemesting
Particulieren zullen in het algemeen het maaisel willen afvoeren. Hierdoor halen we voedingsstoffen uit de grasmat. Deze moeten worden aangevuld via bemesten.
Veel grondsoorten zijn aan de zure kant. Hierdoor treedt mosvorming op. De pH is dan te laag. Deze kun je bijstellen met kalk. Kalk wordt in het voorjaar gezaaid.
Als het gras eenmaal is gekiemd, is bij bestaande gazons bijmesten met verse organische meststoffen moeilijker geworden. Meestal wordt dan kunstmest of gedroogde organische meststoffen gebruikt.
Elk voedingselement heeft zijn eigen betekenis voor de plant. Bij een tekort, of overmaat, aan een bepaald element zullen de specifieke gebreks-, of overmaatverschijnselen te zien zijn, vooral aan de oudere bladeren van de grasplant.

De vier belangrijkste voedingselementen zijn:
– stikstof (N): zorgt voor de groei, geeft het gazon een fris groene kleur en  zorgt voor een dichte zode
– fosfor (P): zorgt voor een goede beworteling
– kali (K) geeft weerstand tegen kou, droogte en ziekten
– magnesium (Mg): geeft het gras een fris groene kleur

Deze  elementen  worden  vaak  in  een  samengestelde  meststof  gegeven.  De meest gebruikte, samengestelde kunstmeststof is 12+10+18. Beter is het om voor gazons  20+5+8 te gebruiken.
Fabrikanten bieden speciale meststoffen voor gazons aan. Zo is er starter-mest, voorjaarsmest, herfstmest en ‘greenkeeper’, elk verschillend van samenstelling. Het verschil zit voornamelijk in de verhouding van de verschillende voedingsstoffen. Om het de klant nog gemakkelijker te maken worden er onderhoudspakketten aangeboden. Hiermee wordt niet alleen bemest maar wordt ook onkruid en mos bestreden. Onderhoudspakketten bevatten vaak graszaad om kale plekken op te heffen. Het bemesten van het gazon kan het best in maart/april beginnen, omdat de groei van het gras dan begint te komen. Als de eerste groeipiek wordt bereikt, heeft het gazon alle meststoffen ter beschikking. Hierna wordt om de vier of vijf weken bijgemest. (1,5 kg per are). In september mest men voor de laatste keer. Er bestaan ook lang(zaam) werkende meststoffen. Om de mestkorrel zit een jasje, dat de meststof heel langzaam en gedoseerd doorlaat. Zo’n gecoate meststof komt niet ineens ter beschikking voor de plant, maar heel langzaam. Bij dergelijke meststoffen wordt maar tweemaal per jaar een bemesting gegeven, in maart en in augustus. De beste pH-KCL voor gazons ligt tussen ongeveer 4,8 en 5,6. Vaak is deze te laag en moet er kalk gestrooid worden. Dit gebeurt in najaar of vroege voorjaar. Tuincentra attenderen klanten vaak op het strooien van kalk. Die kunstmest indien mogelijk toe voor een regenbui. Een slechte verdeling kan tot brandplekken in het gazon leiden.

Producten op basis van zeewieren stimuleren het bodemleven.

2.5 Verticuleren en doorzaaien
Doordat een gazon meerdere jaren meegaat zal de bovengrond langzaam dichtslibben waardoor de zuurstoftoevoer afneemt. Verticuleren  is een manier om de luchttoevoer weer te herstellen. Bij het verticuteren trekt men een kam door de grasmat  Het is ook een manier om maairesten, onkruiden en mossen te verwijderen. Ben niet bang om drastisch te verticuteren.
Verticuteren kan handmatig of machinaal gebeuren. Handmatig verticuteren is zwaar werk. Hierdoor stappen ook particulieren steeds vaker over op motorisch aangedreven verticuteermachines. Bij deze machines is de werkdiepte regelbaar. De messen mogen het zand net niet raken, aangezien de verdichte viltlaag op de grond ligt en niet erin. De bedoeling is om alleen de viltlaag weg te halen.
Een bijkomend voordeel is dat de uitlopers van de grassoorten met bovengrondse uitlopers doorgesneden worden en zodoende sneller nieuwe planten zullen maken.
Ook het verwijderen van mos kan grotendeels met verticuteren worden gedaan. Het bestrijdt mosgroei echter niet omdat er nog voldoende plantjes achterblijven in de grasmat.
Bij het verticuteren komt zeer veel vervilt gras naar boven en dit vormt een grote hoop afval. Het lijkt in eerste instantie net of het gazon helemaal kapot geslagen is. Er is echter niets aan de hand.
Het gras moet meteen gaan groeien en de opengevallen plekken moeten dichtgroeien, om onkruidgroei tegen te gaan. Daarom wordt na het verticuteren de grasmat bemest en/of doorgezaaid. Hierbij wordt graszaad in de  zode  gezaaid. Als je na het verticuteren  doorzaait moet daarna je de grond aandrukken of afstrooien met zand
Het materiaal dat met verticuteren omhoog wordt gehaald kan ook opgevangen worden. Dit is niet altijd even makkelijk, omdat de opvangbak snel vol zal zitten en de machine regelmatig moet worden gestopt.
De beste tijd om te verticuteren is april/mei of augustus/september, de twee groeipieken in de groeicurve. Het gras zal kort na het verticuteren meteen volop in de groei zijn en de grasmat zal herstellen. Het onkruid krijgt daardoor geen kans zich in de grasmat te vestigen.

2.6 Beluchten
Verdichting van de grond leidt tot zuurstofgebrek en plasvorming op het gazon. Verdichting van de grond kan meerdere oorzaken hebben. Als deze veroorzaakt wordt door de kwaliteit van de grond helpt verticuteren niet. Vaak moet er dan een bedrijf worden ingeschakeld om de grond te beluchten. Dit kan oppervlakkig gebeuren of diep, afhankelijk van de dagelijkse belasting op de grasmat. Ondiepe beluchting kan gedaan worden met een riek (greep), gazonbeluchter of met een prikrol. Met pinnen of holle buisjes worden gaten in de grond geprikt. De grond uit de holle buizen wordt door middel van veren uit deze buizen gedrukt en bovenop de grasmat gelost. De gaatjes worden hierna opgevuld met scherp zand, zodat wordt voorkomen dat de gaatjes weer dicht raken. Met een veegmachine wordt dit zand verspreid. Bij diepe verdichting, dus verdichting van de ondergrond, is diepe beluchting nodig en moeten andere machines worden gebruikt.

2.7 Gieten
Over het sproeien van uw gazon in droge tijden bestaan de meest uiteenlopende meningen. Veel gieten maakt het gras lui en leidt tot ongewenste ondiep wortellende grassoorten en onkruiden.
Giet liever 1 of 2 keer per week gedurende een langere periode dan dagelijks een beetje. Verdroogd gras herstelt snel.
Als een gazon net is aangelegd moet er in een droge periode worden gesproeid. Als je dit niet doet zullen de kiemplantjes overwoekerd worden door onkruiden.

Voor een bestaand gazon geldt dat dit in een droge periode bruin zal verkleuren. Bij regen zal het gras snel herstellen en weer groen worden. Na een lange droge periode kan het voorkomen dat bepaalde grassoorten niet meer terugkomen waardoor het gazon verruwd. Omdat men vooral in de zomer van het gazon wil genieten zullen de meeste tuinbezitters het gazon sproeien om het groen te houden. Hiervoor wordt leidingwater of bronwater gebruikt. Beide methoden hebben milieunadelen. Om waterverlies door verdamping te voorkomen moet er ’s avonds gegoten worden. In het algemeen is het voldoende om het gieten te beperken tot een keer per week. Laat de installatie dan bijvoorbeeld een uur aan een stuk draaien. Tuincentra verkopen veel watergeefsystemen. Vaak maakt men gebruik van ondergrondse systemen. Ook wordt er vaak gewerkt met een tijdklok.

2.8 Onkruidbestrijding
Een gazon is een vorm van monocultuur. Deze wordt kunstmatig door de mens in stand gehouden. Van nature zullen zich tussen het gras andere planten vestigen. Dit noemen wij dan onkruiden. Deze zijn vaak ongewenst. Overmatige onkruidgroei op het grasveld wordt veroorzaakt doordat grassen onvoldoende concurrentiekracht hebben.
Zo’n situatie kan ontstaan door:
–    De bemestingstoestand.
Indien het gras over onvoldoende voeding beschikt, zal het minder groeien. Een te grote bodemvruchtbaarheid kan eveneens fataal zijn. Gezien het feit dat de meeste grassoorten lagere eisen stellen aan de bemestingstoestand dan onkruiden, luistert dit aspect zeer nauw.
–    De vochttoestand.
Te weinig of te veel vocht geven groeistagnatie. De vochtbehoefte is afhankelijk van de grassoort.
–     Schaduw.
Over het algemeen kan gras slecht tegen schaduw. Andere planten zullen dan gaan overheersen. Enkele soorten kunnen er goed tegen.
–     Betreding.
De meeste grassoorten kunnen goed tegen betreding in de zomer. Bij sommige soorten wordt de groei en uitstraling zelfs door betreding gestimuleerd. De meeste grassoorten kunnen slecht tegen bespeling.
– Maaifrequentie
Regelmatig maaien op de juiste hoogte bevordert een dichte grasmat waardoor onkruiden worden overgroeid.
Onkruiden kunnen open plekken in de grasmat doen ontstaan. De uiteindelijke schade valt vaak mee.

Veel voorkomende kruiden op het grasveld zijn:

  • paardebloem;
  • madeliefje;
  • grote en smalle weegbree;
  • varkensgras;
  • draad- en veldereprijs;
  • scherpe en kruipende boterbloem;
  • vogelmuur;
  • witte klaver;

Onkruiden  als  paardebloem,  weegbree  en madelief bezitten een bladrozet. Deze bladeren liggen breed over de grond en hinderen de grasplanten in hun groei. Ook straatgras is onkruid. Dit gras heeft bijna altijd bloem-aren en heeft een lichtgroene kleur. Dit gras zit vaak in de grasmat en breidt zich snel uit. Grote  weegbree  en  varkensgras  vestigen  zich  op  sterk  verdichte bodems. Draadereprijs prefereert vochtige en voedselrijke omstandigheden. De kruipende boterbloem groeit goed  op  vochtige  bodems.  De  concurrentiepositie  van  witte  klaver  wordt  sterker  als  de  stikstofvoorziening minder wordt. Vogelmuur groeit het beste op bewerkte, bemeste en vochthoudende gronden. Deze soort is in de aanlegfase van het grasveld een lastig onkruid.

De bestrijding van onkruid begint met het verbeteren van de groeiplaatsomstandigheden voor de gewenste grassen. De beste methode om onkruid te bestrijden is  uit steken zodra ze tevoorschijn komen. In enkele gevallen kan een chemische onkruidbestrijding, eventueel gecombineerd met bemesten, een aanvullende oplossing bieden. Tuincentra bieden daarvoor middelen aan die door de particulier gebruikt mogen worden. Ongewenste grassoorten als straatgras zijn moeilijk te bestrijden. Omdat ze ondiep wortelen helpt het vaak om de toplaag te verarmen en droog te houden.

2.9 mos
Er zijn veel oorzaken voor de aanwezigheid van mos in het grasveld bijvoorbeeld:

  • slechte bemestingstoestand;
  • natte en donkere ligging;
  • te kort en te weinig maaien;
  • weinig betreden
  • verzuring.

Als je eenmaal last van mossen hebt is de kans op uitbreiding erg groot.

In het kort komt het erop neer dat alle factoren die kale en dunne plekken in de grasmat doen ontstaan, de mosgroei kunnen bevorderen. Mosbestreiding heeft slechts zin indien de oorzaken weggenomen worden. Dit gebeurt niet door het vroeger gepropageerde strooien van kalk. Een goede graskeuze en goed beheer zijn heel belangrijk om mosvorming te voorkomen. Tevens dient de grasgroei gestimuleerd te worden door bemesting met stikstof (N). Met de hand verwijderen is meestal niet afdoende. Toedienen van ijzersulfaat (2,5 kg in 100 liter water per 100 m2) in het voorjaar of de herfst zal het mos af doen sterven, waarna het gras zich, bij een goed beheer, kan herstellen.

2.10 Randen steken, snijden en knippen
Strak begrensde graskanten horen bij een gazon. Omdat gras de neiging heeft om buiten het gazon te treden en het met de maaimachine niet lukt om de grasrand te knippen zul je regelmatig kanten moeten steken of knippen.
Kanten steken
Als het gras te breed dreigt uit te dijen moet je er een randje afsteken. Dit kan het hele jaar door gebeuren. De frequente is afhankelijk van de individuele eisen van de eigenaar. Voor dit werk kun je gebruik maken van een tuinlijn en een spa. Gemakkelijker is het om een kantensteker te gebruiken. Een kantensteker is vrij goedkoop, handig en laat nauwkeurig werk toe. Steek met de kantensteker langs de binnenkant van de koord schuin af. Zo staan de kanten stevig vast dit om te vermijden dat de boord afbrokkelt. Om de afgeboorde graszoden los te maken gebruiken we een schoffel of hak
Randen knippen of snijden
Met de meeste grasmaaiers is het moeilijk of arbeidsintensief om bij het maaien de  grasranden volledig mee te nemen. Om tot een goed afgewerkt gazon te komen moeten de randen apart geknipt worden. In het groeiseizoen moet dit, afhankelijk van de individuele eisen van de eigenaar, ongeveer om de 2 weken gebeuren.
Voor het knippen van de grasranden zijn speciale grasscharen in de handel; handscharen en machinale scharen.

2.11 Ziekten
Schimmelziekten worden o.a. veroorzaakt door stikstof en vocht. Engerlingen en emelten kunnen wortels beschadigen. Nematoden zijn aaltjes waarmee schadelijke bodemorganismen bestreden worden.
Mollen mogen alleen bestreden worden door gecertificeerde vakmensen. Engerlingen en emelten trekken vogels aan die het gazon kunnen omwoelen.

grasland folder

graszaden brochure

meststoffen folder