Plantenvoeding

Plantenvoeding

INHOUD
1     Samenstelling van de plant
2     Voeding van de plant
2.1   Verbranding en Fotosynthese
2.2   Wortelvoeding
2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
2.2.3 Nevenelementen
3     Bemesting
3.1   Moet er bemest worden?
3.2   Wanneer moet er bemest worden?
3.3   Wat moet er bemest worden?
3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?

Inleiding
Planten hebben voedsel nodig. Als dit kunstmatig wordt toegediend spreken we over bemesting. De laatste jaren zijn de fabrikanten van meststoffen zich steeds meer op de particuliere consument gaan richten. Hierdoor is de variatie in het aanbod van meststoffen gigantisch toegenomen. Dit geldt voor het aantal merken, het aantal soorten per merk en de verpakkingseenheden.
Planten vragen vaak advies over het bemesten van planten. Om deze reden gaan wij de hoofdzaken met betrekking tot plantenvoeding en bemesting behandelen.

1 Samenstelling van de plant
Om erachter te komen welke voedingselementen een plant nodig heeft kun je uitzoeken welke stoffen er in het plantenlichaam zitten. Het volgende schema geeft aan welke stoffen je in een plant tegenkomt:

De verhouding waarin deze stoffen voorkomen, en dus nodig zijn,  is voor elke plant verschillend. Dit is de reden waarom er zoveel verschillende meststoffen in de handel zijn.

Opname van stoffen uit de lucht en uit de bodem

2 Voeding van de plant
Uit de biologie is bekend dat je de voedingsstoffen kunt indelen in

  1. a) brandstoffen Dit zijn koolhydraten en vetten.
  2. b) bouwstoffen. Dit zijn bijvoorbeeld water en eiwitten.

De grondstoffen voor het maken van deze stoffen neemt de plant op uit de omgeving. Omdat dit via de bladeren en via de wortels gebeurt spreken we over:
a) bladvoeding, fotosynthese ofwel koolstof assimilatie (en verbranding ofwel dissimilatie)
b) wortelvoeding

2.1   Verbranding en Fotosynthese
Planten hebben energie nodig voor alle levensprocessen. Deze energie komt vrij bij het verbranden van koolhydraten in de cellen. Hiervoor is zuurstof nodig. Naast zuurstof ontstaan er bij de verbranding koolzuurgas en waterdamp dit ademt de plant uit. Omdat de plant altijd energie nodig heeft vindt verbranding ofwel dissimilatie dag en nacht plaats in alle cellen van de plant. Het opnemen van zuurstof zou je als voeding kunnen beschouwen.

De koolhydraten (suikers) die nodig zijn voor de verbranding worden door groene planten gemaakt in de bladgroenkorrels. Dit proces heet fotosynthese of koolstofassimilatie. Als grondstoffen gebruikt de plant hiervoor koolzuurgas en water. Als afval ontstaat zuurstof. Het water wordt opgenomen uit de grond en het koolzuurgas wordt opgenomen uit de lucht. De koolhydraten gaan naar alle cellen en de zuurstof wordt uitgeademd. Het samenvoegen van koolzuurgas en water tot koolhydraten kost energie. Deze wordt geleverd door de zon. Fotosynthese vindt dus alleen plaats bij voldoende licht in cellen met bladgroen. De bladgroenkorrels kun je als het ware beschouwen als suikerfabriek.

Als je de verbranding vergelijkt met de fotosynthese zul je opmerken dat ze elkaars omgekeerde zijn. De stoffen die voor de verbranding nodig zijn worden bij de fotosynthese gemaakt. Het draait hierbij om het vastleggen van zonne-energie. De energie die de plant zelf niet gebruikt komt ten goede van andere organismen.

Sterk vereenvoudigd kun je deze 2 processen als volgt weergeven:

Verbranding

 

Fotosynthese

Fotosynthese en verbranding zijn de basis voor het leven op aarde. In het kader van bemesten kunnen wij, als particulieren, er weinig mee. Bedrijven werken met koolzuurgasbemesting en belichting.

In de wortelademhaling ligt wel het belang van een luchtig bodemmengsel.

 

 

 

 

 

2.2   Wortelvoeding

Bouwstoffen en elementen voor het maken van bouwstoffen worden door de plantenwortels opgenomen uit de bodem. De voor de plant noodzakelijke elementen kun je in de volgende groepen verdelen:

–     macro-elementen ofwel hoofdelementen;
–     micro-elementen ofwel spoorelementen;
–     nevenelementen.

2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
Macro-elementen zijn elementen waarvan de plant in verhouding grote hoeveelheden opneemt. Dit zijn: koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O), stikstof (N), fosfor (P), Kalium (K), zwavel (S), Calcium of kalk (Ca) en magnesium Mg).

Koolstof
Dit element haalt de plant uit de lucht. Bij de fotosynthese wordt dit element vastgelegd in organische stof.

Waterstof en zuurstof
Deze elementen worden uit het water uit de grond verkregen. Ook deze elementen maken deel uit van de organische stoffen.

Stikstof
Stikstof is nodig voor de vorming van eiwitten en bladgroen. Bij stikstofgebrek zal de plant slecht groeien en verkleuren. Stikstofovermaat geeft extra groei. Hierdoor krijg je in veel gevallen een langgerekte, slappe plant.

Fosfor
Planten hebben fosfor nodig voor de vorming van veel eiwitten, de wortelontwikkeling en de vorming van vruchten en zaden. Bij fosforgebrek zien we vaak bladverkleuring

Kalium
Kalium speelt een belangrijke rol bij de stevigheid van bladeren en stengels. Hierdoor zijn planten met voldoende kalium minder gevoelig voor bijvoorbeeld ziekten en klimaat. Daarnaast helpt dit element bij de vorming en het vervoer van koolhydraten en heeft het een positieve invloed op de kwaliteit van vruchten. Bij kaliumgebrek wordt het oudere blad donker en dof. Langs de rand van het blad treedt verdroging op.

zwavel
Dit element komt voor in eiwitten. Het speelt een rol bij de waterhuishouding van de plant. Zwavelgebrek komt praktisch nooit voor.

Calcium of kalk
Dit element speelt een rol bij de opbouw van celwanden en het neutraliseren van zuren in de plant. Bij kalkgebrek krijgen planten Gebrek komt praktisch nooit voor. Kalkbemesting wordt toegepast om de bodem te verbeteren.

Magnesium
Magnesium is een belangrijk bestanddeel van bladgroen. Bij magnesiumgebrek krijg je bladvergeling tussen de nerven en langs de randen. Later verkleurt dit naar bruin. Rond de nerven blijven de bladeren groen. Magnesiumgebrek komt veel voor op zandgronden en bij kalium-overmaat

2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
Hiertoe behoren de elementen die planten in zeer kleine hoeveelheden opnemen. Ze zijn wel onmisbaar. Tot deze groep behoren: ijzer (Fe), silicium of kiezel (Si), mangaan (Mn), borium (B),  zink (Zn), molybdeen (Mo), koper (Cu), Kobalt (Co) en soms jodium (I) en aluminium (Al)

IJzer
IJzer is nodig voor de vorming van bladgroen. Bij ijzergebrek worden de bladeren geel tot wit met scherp afgetekende groene nerven.  Het komt vooral voor op basische grond.

Silicium of kiezel
Dit element komt voor in celwanden.

Mangaan
Mangaan speelt een rol bij de fotosynthese en eiwitstofwisseling. Mangaangebrek is te herkennen aan op lichte vlekken tussen de bladnerven.  De nerven blijven groen.  Het blad is vaak dun. Mangaangebrek wordt vaak veroorzaakt door kalkovermaat en een slechte bodemstructuur.

Borium
Dit element speelt een rol bij de celdeling en waterhuishouding in de plant. Bij boriumgebrek kunnen jonge knoppen afsterven.

Zink
Zink is nodig voor het vormen van groeistoffen. Zinkgebrek geeft groeiremming.

Molybdeen, koper, kobalt, jodium en aluminium
Deze elementen spelen een rol bij allerlei chemische omzettingen. Molybdeen-, kobalt-  en kopergebrek geven misvorming en verkleuring. Jodium- en aluminiumgebrek komen praktisch nooit voor.

2.2.3 Nevenelementen

Hiertoe behoren elementen als Chloor (Cl) en Natrium (Na). Ze zijn niet noodzakelijk voor de groei maar worden wel opgenomen als ze aanwezig zijn.

3     Bemesting
Elke plant heeft zijn eigen voorkeur. Bij het analyseren van planten kun je deze voorkeur vaststellen. Door het onderzoeken van de grond kun je vervolgens vaststellen of er  stoffen bijgegeven moeten worden. Het aan de bodem, het medium of de plant toedienen van stoffen met plantenvoedende bestanddelen heet bemesten.  Daarnaast  bemest men in veel gevallen om de bodem positief te beïnvloeden.

Mensen met een tuin zullen zich, als het om bemesten gaat, de volgende vragen stellen:
a) Moet er bemest worden?
b) Wanneer moet er bemest worden?
c) Wat moet er bemest worden?
d) Hoe moet de meststof worden toegediend

3.1   Moet er bemest worden?
In de natuur heb je te maken met een successie. Dit wil zeggen dat de vegetatie na een periode van verandering in een eindstadium terechtkomt. Je kunt dit zien op braakliggend land. Eerst groeien er zandbindende planten, daarna krijg je een periode waarin  de vegetatie steeds ruwer wordt. Als je niets doet krijg je als eindstadium meestal bos. De tussenstadia worden sub climaxstadia genoemd. Het eindstadium heet climax stadium.
In de natuur zie je dus een aanpassing van de plantengroei aan de omstandigheden. Als het voedsel en de lichthoeveelheid  voor de ene plant opraakt komt er een andere plant voor in de plaats.
In tuinen heb je te maken met cultuur.  Dit is het omgekeerde van natuur. We passen de omstandigheden aan en willen de vegetatie behouden. Dit betekent dat bepaalde stoffen opraken en dus bijgevuld moeten worden. Het opraken moet je voor zijn om te voorkomen dat er gebreksziekten ontstaan.

3.2   Wanneer moet er bemest worden?
Elke tuingrond heeft een voorgeschiedenis, meestal als cultuurgrond. Dit betekent dat de samenstelling nooit ideaal is voor de planten die we er gaan neerzetten. Bij het aanleggen van een tuin past men daarom vaak een basisbemesting toe. Hiervoor gebruikt men vaak organische meststoffen. Hierin zit van alles wat. Daarna is het verstandig om elk jaar bij te bemesten.

Het tijdstip van bemesten is afhankelijk van de oplosbaarheid van de meststoffen en de omstandigheden. Als je oplosbare meststoffen te vroeg toedient kunnen ze uitspoelen en ben je ze kwijt. Goed oplosbare meststoffen geeft men daarom in het groeiseizoen, slecht oplosbare meststoffen enkele maanden voor het groeiseizoen. Organische meststoffen geven we ongeveer 1 maand voor het groeiseizoen. Bij gebrekverschijnselen kun je spuiten met voedingsstoffen op het moment waarop de afwijking zichtbaar is.
Vaak kun je niet bemesten omdat het te veel regent of juist te weinig regent. ook kun je beter niet mesten bij heet weer.

3.3   Wat moet er bemest worden?
We bemesten meestal om de planten te voeden en om de grond te verbeteren.

Voeding
Het volgende schema geeft aan welke voedingsstoffen er bijbemest moeten worden:

Van alle planten is de samenstelling bekend. Deze samenstelling geeft, samen met de kennis over de natuurlijke groeiplaats, informatie over de eisen die de plant aan de groeiomgeving stelt. Deze kennis wordt weer gebruikt om meststoffen samen te stellen.
Om precies te bepalen wat er gegeven moet worden laten bedrijven regelmatig de bodemsamenstelling onderzoeken. Aan de hand hiervan wordt er een bemestingsadvies gegeven. Voor particulieren is dit ook mogelijk maar meestal niet zinvol.
Wilde planten geven vaak een indicatie over de samenstelling van de grond. Zo wijst brandnetel op de aanwezigheid van stikstof en klein hoefblad op kalk. Varens en mossen zijn indicatoren voor zure grond.

Grondverbetering
Soms bemest men om de bodemstructuur en de zuurgraad (pH) te verbeteren.
Eenvoudig gesteld gebruikt men voor structuurverbetering op zandgrond organische stof en op kleigrond kalk. De pH kun je verhogen met basische stoffen als kalk en verlagen met zure kunstmeststoffen en veenproducten. Voor het meten van de pH zijn eenvoudige setjes te koop.

Meststoffen
In het volgende schema kun je zien in welke vorm planten voedingsstoffen opnemen.

Deze stoffen kunnen via meststoffen worden toegediend. (Soms ontstaan ze na chemische reacties in de bodem) Er zijn zeer veel verschillende meststoffen in de handel. In grote lijnen kun je ze verdelen in organische meststoffen en anorganische meststoffen (kunstmeststoffen). Als derde groep zou je nog de milieuvriendelijke producten kunnen toevoegen.

Organische meststoffen
Organische meststoffen zijn dierlijke en plantaardige afvalstoffen die we aan de bodem toedienen. Sommigen bevatten veel voedsel en zijn waardevol als plantenvoeding; anderen bevatten weinig voedingsstoffen en worden daarom vooral gebruikt voor bodemverbetering. Het is moeilijk om organische meststoffen op maat toe te dienen.

Het volgende schema geeft een overzicht.

Anorganische meststoffen
Anorganische meststoffen worden meestal kunstmeststoffen genoemd. het zijn zouten die in de fabriek worden gemaakt. We verdelen ze in:
– enkelvoudige meststoffen
– samengestelde meststoffen

samengestelde meststof

Enkelvoudige meststoffen bevatten een voedingselement. Samengestelde meststoffen  bevatten meerdere voedingselementen. De meeste specifieke meststoffen zijn samengestelde meststoffen. Dit geldt dus ook voor POKON.

 

 

 

SAMENSTELLING VAN ENKELVOUDIGE KUNSTMESTSTOFFEN
In de volgende schema’s  kom je de belangrijkste kunstmeststoffen tegen. Het voert te ver op in te gaan op de gebruiksaanwijzing.  Deze staat in het algemeen op een gebruiksvriendelijke manier op de verpakking.

Naam van de meststof Gehalte Snel/lang-zaam wer-kend CI-
gehalte
Werking Andere

bestanddelen

Stikstofmeststoffen

 

Bloedmeel
Chilisalpeter
Kalisalpeter
Kalkammonsalpeter
Kalksalpeter
Ureum
Zwavelzure ammoniak

% N

13,5
16
13
26
15,5
46
20,5

 

 

vrij snel

snel

snel

langzaam
snel

vrij langzaam

langzaam

 

 

 

alk.30

alk.15

zuur
alk.12

zuur 45
zuur 60

 

 

 

25% Na
45% K

Fosfaatmeststoffen

Beendermeel

Tripelsuperfosfaat
Superfosfaat
Thomasslakkenmeel

% P205

 

30-35
40-45

20(19) snel
14-17

 

 

langzaam

snel

snel

langzaam

 

 

 

 

                          alk.30-40

 
Kalimeststoffen


Kalikiezelkalk
Kalisalpeter
Kalizout 40%
Kalizout 60%
Patentkali
Zwavelzure kali

% K20

 

10
46
40
60
30
48

   

 

 

 

50
50

 

 

alk. 35

 alk. 15

 

 

 

13% N (snel)
13% Na

 

10-Mgo

Kalkmeststoffen

 

Landbouwpoeder-kalk

Koolzure landbouwkalk

Kalkmergel

Kalikiezelkalk

 

Magnesia-kalkmeststoffen

Magnesiapoederkalk

Koolzure magnesiakalk

Magnesia kiezel kalk

Schuimaarde

%MgO

 

 

 

 

 

 

 

3-5
4-19
4-5
1,2

fijnheid zeef 0.25
80
100
60
100
 

80
100
60
100

  z.b.w

 

alk.60

alk.53
alk.40
alk.35

 

 

alk.60
alk.35-55
alk.45
alk.20-25

10% K2O

 

 

 

 

 

 

 

0,5%N, 1% P2O5

Magnesiameststoffen

Bitterzout
Kieseriet

% MgO
15-24
25-27
Kopermeststoffen

Koperslakkenbloem
Kopersulfaat

% Cu
0,7-1,7
25
Diversen

Borax

Zinksulfaat

Magnesiumsulfaat

 

10% B

20% Zn

 

SAMENSTELLING VAN SAMENGESTELDE KUNSTMESTSTOFFEN

 

We noteren de code  N+P+K+Mg+……..
De gehalten worden genoteerd als N+P2O+K2O+MgO

Veel gebruikt worden:

NPK   12+10+18
NPK   14+14+14
NPK   7+14+28
Kencica    0+8+15+5
Kencica    0+8+10+5
Mas         22+0+0+7
Fas         20+20+0
Kalisalpeter     14+0+45

3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?
Meststoffen, vooral kunstmeststoffen,  worden in diverse vormen geleverd. Vaak is de vormgeving dusdanig dat het toedienen erg gemakkelijk is. Op de gebruiksaanwijzing staat precies aangegeven hoe en hoeveel je moet toedienen. Vaak is er zelfs een maatbeker bijgevoegd.

Organische stoffen worden vaak verspreid en vervolgens ondergebracht.

Anorganische stoffen kun je:
–     breedwerpig strooien
–     opgelost gieten bijv. kamerplantenvoedsel
– mengen door de (pot)grond bijv. osmocote

Osmocote is een meststof die omgeven is door een kalklaagje en daardoor langzaam vrijkomt.
–     voedingsstaafjes in de potgrond.
–     spuiten met een voedingsoplossing.

 

 

Plaats een reactie