Uitplanten van diverse plantengroepen

Uitplanten van diverse plantengroepen

Inleiding
Als klanten planten,  gekocht hebben zullen ze vaak informeren naar de wijze van uitplanten. Dit geldt ook voor bollen en knollen. Aan de hand van een aantal groepen zullen we het planten behandelen. 

1        BOMEN EN STRUIKEN
Of je nu een windkering of kijkgroen aanlegt, je zorgt er altijd voor dat de bomen en struiken een goede start krijgen. Je zet ze allereerst op een gunstige plaats. Vervolgens plant je ze op de juiste diepte in de goede tijd van het jaar en natuurlijk ook op de juiste afstand van elkaar. Een goed begin is het halve werk!

Indeling
Bomen onderscheiden we in de eerste plaats naar grootte.

Voor je een boom of struik gaat planten, kijk je eerst in de toekomst. Hoe groot is de boom of struik als hij volgroeid is? Daar moet je bij de aanplant al rekening mee houden. Zo kun je bijvoorbeeld geen windkering aanplanten van struiken die laag blijven. Die struiken geven uiteindelijk te weinig beschutting. Veel vaker komt het voor dat mensen een boom planten die veel te groot wordt voor de locatie.

Een jonge boom en een volgroeide boom

Niet elke boomsoort wordt even hoog. Een eik wordt veel hoger dan een berk. Bomen worden naar grootte ingedeeld.

Hoe groot een boom of struik wordt, hangt ook af van de hoeveelheid voedsel en vocht die de plant op kan nemen. Een es wordt op vochtige, voedselrijke kleigrond bijvoorbeeld hoger dan op droge, arme zandgrond. Daarnaast spelen weersomstandigheden, zoals wind, een rol. Natuurlijk is ook het onderhoud van groot belang. Een struik die regelmatig wordt gesnoeid, blijft kleiner dan een struik die niet wordt gesnoeid.

 

 

 

Eindbeelden inschatten

Een boom of struik blijft niet eindeloos doorgroeien. Op een gegeven moment wordt de plant niet meer hoger, ook al zijn de omstandigheden ideaal. De boom of struik heeft dan zijn maximale lengte bereikt. Deze maximale lengte kun je opzoeken in boeken, maar je kunt hem ook inschatten door naar oude bomen te kijken.

Een boom groeit ook in de breedte. De breedtegroei van de kroon hangt af van de ruimte die de kroon krijgt. Als bomen dicht bij elkaar staan, worden de kronen minder breed dan wanneer een boom alleen staat.

Kronen van rijbomen

 

Formule voor de breedte van de kroon

De breedte van de kroon kun je schatten door de volgende formule te gebruiken: breedte = 0,8 x de hoogte.

 

 

 

 

 

 

De hoogte van een struik kun je inschatten door de volgende formule te gebruiken: hoogte = breedte.

Formule voor de hoogte van een struik

Deze formules geven natuurlijk alleen maar een schatting. De kruin van een rijboom wordt bijvoorbeeld minder breed dan die van een solitaire boom. Een boom wordt maximaal 11 meter hoog. Hoe breed zal de kruin ongeveer worden?

Bomen zijn er in verschillende groepen. Wat ze gemeen hebben, is dat het om houtige gewassen gaat die een stam vormen: meestal vanuit een centrale rechtdoor groeiende tak.

Een boom heeft een takvrije stam.

Een tweede onderscheid dat je kunt maken, is dat in loofbomen en naaldbomen of coniferen. De naam conifeer is afgeleid van de Latijnse woorden conus (= kegel) en ferre (= dragen). Hiermee is het belangrijkste kenmerk van deze groep genoemd, namelijk dat ze kegeldragend zijn. Uitzonderingen hierop zijn de jenever-bessen (Juniperus) en de venijnboom (Taxus): deze bezitten de zaden in een bes. In Nederland zijn alle loofbomen bladverliezend.

Een derde kenmerk waarnaar we bomen onderscheiden is hun kroonvorm. We spreken van de habitus van de boom. Een beuk is bijvoorbeeld al op honderden meters afstand te herkennen aan zijn silhouet, evenals een eik met zijn grillige vorm. Soms is een oude boom op het terrein een echte sfeermaker.

planttijd
De  beste  tijd  voor  het  planten  van  bomen  is  de  rustperiode.  Dit  betekent  dat  bijna  alle  bomen  tussen  1 november en 15 april kunnen worden geplant. Bomen worden vrijwel altijd zonder kluit verhandeld. In verband met de kansen op aanslaan is het verstandig om bomen met vlezige wortels, eiken en berken met kluit te bestellen. De kluit is meestal voorzien van een gaaslap. Om verstoring van de wortelgroei te voorkomen, moet je de gaaslap voor het planten verwijderen. De beste tijd om coniferen te planten is augustus. Maar ook in april/mei kun je coniferen planten. Coniferen verplant je altijd met een kluit. 

Ingekuilde houtachtigen

Inkuilen en opkuilen
Vaak komt het voor dat bomen voordat ze verkocht of uitgeplant worden tijdelijk worden opgekuild.
Je kuilt ze dan voor maximaal twee weken in, op een plaats waar ze niet in de weg staan. Dat kan gewoon in de grond. Als je de bomen en struiken wilt gaan planten, kuil je ze weer op: je trekt ze voorzichtig uit de grond. Bij het inkuilen en opkuilen moet je op een aantal dingen letten.

In de volgende figuur staan de fouten die vaak gemaakt worden.

Gereedschap
Voor je gaat planten, leg je het benodigde gereedschap klaar. Je maakt eerst de grond los. Dit doe je bijvoorbeeld met een schop, frees of op een andere manier. Daarna ga je aan de gang met de volgende gereedschappen:

Om een boom te planten heb je verder  nodig:
boom, boompaal, boomband, boombandnagels, handhei of slaghuls, grondboor, bats of spade, hamer, nijptang, snoeischaar. Bij inkuilen gebruik je grotendeels dezelfde gereedschappen. Alleen de snoeischaar heb je niet nodig.

Het planten

Bij het planten van bomen en struiken houd je rekening met de planttijd, de plantafstand, de grootte en diepte van het plantgat en het beplantingsplan.

De werkwijze en werkvolgorde zijn als volgt.

  • Graaf een plantgat dat eenderde groter is dan het wortelgestel.
  • Boor het gat voor de boompaal, plaats deze en sla hem in de vaste grond (de hoogte moet tien centimeter onder de kroon zijn).
  • Snoei de kapotte wortels en takken.
  • Zet de boom in het plantgat, waarbij de afstand paal/boom een hand/voetbreedte is.
  • Steek de zijkanten van het plantgat in en schud de boom regelmatig tijdens het planten.
  • Trap de grond stevig aan door van buiten naar binnen te trappen.
  • Vul het plantgat en breng de boomband aan.

Indien nodig, geef je de boom of struik mest. Deze mest meng je goed door de aarde waarmee je het plantgat vult. Je moet goed in de gaten houden of de geplante boom of struik genoeg water krijgt. Desnoods leg je een drainagebuis aan in het plantgat.

Als je meerdere bomen of struiken moet planten zet je deze op een vaste afstand van elkaar. Meestal varieert de plantafstand tussen de 1 en 1,5 meter. Voor je gaat planten, zet je een plantverband uit. Bij bomen en struiken is dit vaak een driehoeks- verband. Bij het uitzetten van het plantverband gebruik je jalons. Deze jalons helpen je om op grote afstanden ook netjes te werken.

Aan de zuidwestzijde van de boom wordt een paal geplaatst. Deze boompaal houdt de pas geplante boom op zijn plaats, waardoor het wortelgestel zich kan herstellen van de verplanting. De boompaal voorkomt dat nieuwe, uit de kluit groeiende wortels niet afbreken als gevolg van beweging van de kluit door de wind. De boom kan zich zo zonder veel problemen opnieuw verankeren. Dit verankeren gebeurt binnen vier jaar. Je kunt daarom gebruik maken van niet verduurzaamde boompalen. Deze  zijn  milieuvriendelijker  en  goedkoper.  Een  boompaal  heeft  een  lengte  van  circa.  2,50  meter  en  is gewoonlijk gepunt en gekruind. Naast deze lange boompaal worden er ook zogenaamde kniepalen gebruikt. Deze zijn circa 1,25 meter lang. Om maaischade te voorkomen worden vaak antimaaischade-paaltjes geplaatst.

Boompalen, kniepalen en anti maaischadepaaltjes moeten de boom beschermen.

 

 

Voorbereidingen voor het verplanten van een struik

Verplanten
Als een struik te groot wordt voor zijn standplaats, moet je hem kappen of verplanten. Dit verplanten moet je goed voorbereiden. Dat doe je door een sleuf om de struik te graven. De struik gaat hierdoor nieuwe wortels maken en krijgt een compact wortelstelsel: een kluit. De wortelgroei stimuleer je door humeuze grond in de sleuf te storten. De nieuwe, compacte wortels helpen de struik later bij het wortelen op zijn nieuwe plek.

Grote bomen verplant je met een boomplantmachine. Na het verplanten kun je de boom of struik eventueel snoeien.

Een boomplantmachine

 

 

 

 


Bomen
in de bestrating
Laanbomen worden langs straten en wegen geplant, vaak in de bestrating. Bomen die je in de bestrating plant, hebben extra zorg nodig. De bestrating om de boom maakt dat er onvoldoende lucht, water en voedingsstoffen bij de boom kunnen komen.

Is deze laanboom goed aangeplant?

 

Om dit probleem op te lossen, kun je de boom in speciaal bomenzand planten. Dit zand maakt dat er meer lucht en voeding bij de boom kan komen dan bij gewoon zand. Ook kun je het plantgat extra groot maken. Soms is het gat meer dan een meter breed en een meter diep. Een andere oplossing is het leggen van buizen rond de wortels van de boom. Door deze buizen stroomt er lucht van buiten naar de wortels.

 

 

 

Nazorgwerkzaamheden
Bomen en struiken moeten wennen aan de verplanting. Ze staan in een nieuwe omgeving, met misschien meer licht of een drogere grond. Dit wennen noem je plantschok. Sommige bomen of struiken gaan door het verplanten zelfs dood. Die moeten dan vervangen worden. Dit noem je inboeten.  Je moet regelmatig controleren of verplante bomen en struiken goed aanslaan. Soms hebben ze wat extra bemesting nodig. Vooral als ze in een klein plantgat staan.
Ook moeten verplante bomen soms bijgesnoeid  worden. Dit is nodig als er wortels afgestorven zijn en de boom niet genoeg voedsel en water kan opnemen voor al zijn takken. Er komen dan kale plekken in de kruin.

Haal op tijd de boomband weg.

Jonge, verplante bomen zet je meestal met een boomband aan een boompaal vast. Die boomband moet je op tijd weghalen. Als boombanden knellen, maken bomen te weinig hout en verzwakken ze. Ook kan de boomband ingroeien.

Ten slotte moet je verplante bomen die op een droge plek staan bij warm en droog weer extra water geven.

 

 

 

Het plantgat moet een derde groter zijn dan de diameter van het wortelgestel van de te planten boom. De bodem in het plantgat moet je losmaken, zodat de wortels in alle richtingen voldoende losse grond krijgen. Bij het planten moet je ervoor zorgen dat de boom niet dieper komt te staan dan twee centimeter boven de hoogst geplaatste wortel (de wortelhals).

Coniferen
Coniferen worden voor een aantal doeleinden aangeplant. In particuliere tuinen vooral om hun sierwaarde van de  bladkleur,  de  kegels  en  de  groeivorm.  Ze  worden  ook  gebruikt  om  een  dichte  haag  te  vormen,  die bescherming  biedt  tegen  inkijk  van  de  buren  en/of  de  wind.  Ook  voor  de  sier  worden  hagen  tegenwoordig aangeplant. Daarbij worden de meest ingewikkelde patronen gemaakt.

 

 

 

Maatvoering en kwaliteit

In de handel wordt de maatvoering van coniferen als volgt geregeld:
– Bij opgaande coniferen wordt de lengte van de conifeer aangegeven. Een schijncypres 80-100 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter.
– Bij platgroeiende of breed uitgroeiende coniferen kan geen lengtemaat gegeven worden. Hierbij wordt de doorsnede van de conifeer aangegeven, bijvoorbeeld 20-30.
– Bij coniferen in een pot (container) wordt bovendien de c van container aangegeven. Een schijncipres 80-100.  C5 bijvoorbeeld heeft een lengte tussen de 80 en 100 centimeter en is opgekweekt in een container van 5 liter.
– Bij coniferen die op stam zijn geënt, wordt de enthoogte aangegeven.

Met betrekking tot de kwaliteit zijn de volgende punten belangrijk:

Bovengronds:
– De stam moet recht zijn.
– De stam en de takken mogen niet beschadigd zijn.
– De takken moeten regelmatig over de stam verdeeld zijn. De conifeer moet ziektevrij zijn.

Ondergronds:
– De wortels mogen niet beschadigd zijn.
– De kluit moet goed stevig zijn.
– Aan de kluit moet een gaaslap (‘broek’) geknoopt zitten. De kluit moet goed doorworteld zijn.

Een conifeer planten

Coniferen worden altijd met een kluit geplant, anders gaan ze namelijk bijna altijd dood. Een uitzondering hierop vormt de Taxus. Die kun je tot een hoogte van 50 cm nog zonder kluit planten. Het is ook zaak om coniferen nauwkeurig te planten. Als je namelijk te diep plant gaat de conifeer ook dood. De volgende zaken zijn erg belangrijk bij het planten van coniferen:

  • planttijden;
  • grootte en diepte van het plantgat;
  • het verwijderen van de gaaslap;
  • het planten.
Het planten van een conifeer is niet zo moeilijk.

De beste tijd om coniferen te planten zijn de maanden augustus-september en april-mei. Dan is namelijk de bodemtemperatuur optimaal zodat de wortels meteen kunnen gaan groeien. Dat is belangrijk omdat een conifeer het hele jaar door water verdampt. Hij zou dus snel uitdrogen als de wortels niet actief zijn. Een conifeer in een pot (container) kun je het hele jaar door planten.
Het plantgat moet voldoende diep en groot zijn. De kluit moet er ruim in passen. Je moet de conifeer net zo diep  planten  als  deze  op  de  kwekerij  gestaan  heeft.  De  grond  moet  goed  luchtig  zijn.  Storende  lagen  en wateroverlast zijn slecht voor de groei. Bij het planten moet je de gaaslap van de kluit verwijderen. De knopen in de gaaslap kunnen namelijk groeiremmingen veroorzaken. Ook de nazorg is erg belangrijk. Watergebrek is de voornaamste oorzaak van het doodgaan van coniferen na het planten. Adviseer de klant dus om goed water te geven tot enkele weken na het planten.

Het is niet eenvoudig om coniferen te verplanten. Afhankelijk van de groeisnelheid en de hoogte is het zelfs al na enkele jaren niet meer mogelijk. Dan kun je de klant het beste adviseren om een nieuw exemplaar te kopen.

2        BOLLEN EN KNOLLEN
Bol- en knolgewassen kun je verdelen in voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers.
Voorjaarsbloeiers bloeien in de periode van februari tot mei. Je moet ze voor de winter planten.
Zomerbloeiers bloeien in de zomer. Deze moet je na de vorst planten en voor de vorst weer rooien.

Voor de plantdiepte geldt in het algemeen dat de hoeveelheid grond boven de bol of knol tweemaal zo groot is dan de hoogte van de bol of knol.
In bakken past men vaak een z.g. lasagnebeplanting toe. Dit is het in lagen planten zodat de ene soort de andere soort opvolgt.
Veel knolletjes worden in het gazon geplant. Ze worden dan willekeurig verdeeld. Ook worden ze wel tussen bladverliezende heesters geplant. Ze profiteren dan van het licht als er nog geen bladeren aan de heesters zitten.
De plantafstanden variëren van 5 cm bij bijvoorbeeld crocus tot 15 cm bij bijvoorbeeld tulpen.

Wanneer bloeit wat?
Omdat niet alle bolgewassen in het vroege voorjaar bloeien is het belangrijk dat je de bloeitijd kent. Je weet dan wanneer je ze moet planten.

Bloei- en planttijd van bol- en knolgewassen

3          VASTE PLANTEN
Vaste planten kunnen jarenlang op dezelfde plek doorgroeien en zich sterk uitbreiden. Om ervoor te zorgen dat ze goed kunnen groeien, moet je ze op de juiste manier planten.

Plantmateriaal en planttijd
De meeste vaste planten worden door scheuren vermeerderd. Ze worden meestal verkocht in vierkante potjes van 9 cm breed en 10 cm hoog. Bij de aankoop moet je erop letten dat de wortels goed doorworteld zijn in het potje. Omdat de planten in een potje verkocht worden, kun je ze het hele jaar door planten. Als planten gerooid en gescheurd worden, is het voorjaar de beste tijd om ze in de grond te zetten.

De voorbereiding
Met de tekening bepaal je waar de planten komen te staan.
Je moet dit plantvak:
– goed spitten;
– fijn van structuur maken;
– vlak afwerken.

Het plantvak is in orde als je gemakkelijk met een plantschepje of met de hand kunt planten. Vaak kun je een spade gebruiken. Daarna leg je de planten goed verdeeld en op de juiste plekken klaar. De afstand is afhankelijk van de soort. Als het plantvak groot is, kun je het beter in gedeelten spitten en vlak maken. Zo voorkom je het dichttrappen van de grond.

Het planten
Steek het plantschepje in de losse grond en maak een gat dat voldoende diep is. Zet de plant erin. Voor een snelle aangroei moet je de grond om de plant goed aandrukken. Maak de grond tussen de planten met de hand gelijk. Probeer zo veel mogelijk vanuit één plek te planten. Zo voorkom je dat je de grond dichttrapt. Schuif tijdens het werk de plantpotjes in elkaar en ruim ze direct op. Druk de planten goed aan.

4    EEN- EN TWEEJARIGEN
Eenjarigen worden vaak in bakken geplant. De werkwijze wordt dan bepaald door de aard van de bak. Buiten worden na half mei uitgeplant. Eenjarigen  zijn vaak de opvolgers van voorjaarsbloeiende bolgewassen. Tweejarigen worden voor de winter geplant. Deze hebben hun hoofdbloei dan in het vroege voorjaar.
Meestal worden ze in groepen geplant. Net als bij vaste planten kiest men voor driehoeks- of vierkantsverband. Als plantafstand wordt, afhankelijk van de soort en de beschikbare ruimte, 15 tot 25 cm aan gehouden.
Als de grond goed los is kun je het plantgat met de hand of met een plantschepje maken.
Als plantdiepte wordt de bovenkant van de wortelkluit aangehouden.

5    GROENTEN en KRUIDEN
In de moestuin wordt veel geplant. Daarbij gaat het veelal om groenten en kruiden. Het plantgoed wordt vaak door de hobbyist opgekweekt uit zaad. Ook komt het steeds vaker voor dat de planten gekocht worden in het tuincentrum, op de markt of bij een kweker. Het plantmateriaal is vergelijkbaar met perkplanten. Het gaat om losse planten of om planten met een wortelkluit. Praktisch het hele jaar door zijn er wel groenten of kruiden te vinden die geplant kunnen worden. Vooral als een hobbykweker over een kas beschikt zij er talloze mogelijkheden. Op zaaizakjes en in boeken wordt per soort en variëteit de planttijd vermeld.
Plantgoed van groenten en kruiden wordt meestal op rijen of op bedjes geplant. Ze kunnen ook op een sierlijke manier in de siertuin of kruidentuin geïntegreerd worden.
Als diepte houdt men in het algemeen de bovenkant  van de wortelpruik aan. Hierop zijn natuurlijk uitzonderingen die voor zich spreken. Denk daarbij aan gewassen als prei, asperge en pootuien.
Als hulpmiddelen maakt men gebruik van een pootlijn, een schop of plantschepje en een hark of cultivator.
Bij plantafstanden spreekt men over rij afstanden en afstanden op de rij.
De minimale onderlinge afstand bepaalt men door het eindbeeld van het product voor ogen te zien. Zo heeft een preiplant genoeg aan 15 cm en zal een bloemkool ongeveer 50 cm nodig hebben.
In de praktijk zal men, vooral voor de rij afstand, een maat nemen die makkelijk werkt. Zo zijn er mensen die de breedte van de schoffel aanhouden i.v.m. schoonhouden of de lengte van de schoen om een vaste maat te hebben.
Als er met een schop geplant wordt maakt men meestal een sleuf waarin de planten geplaatst worden. Na het plaatsen trapt men de sleuf dicht.
Bij droog weer moet er gegoten worden.

6    WATERPLANTEN

 Plantdiepten en toepassingen
Een totaal andere groep is die van de waterplanten. De beplanting van een vijver is onmisbaar: de waterplanten kleden de vijver aan. Bij het samenstellen van de vijverbeplanting moet je goed opletten welke planten naast elkaar kunnen staan. Vooral de sierwaarde van de verschillende waterplanten is erg belangrijk. Het is niet zo eenvoudig om de waterplanten te planten. Behalve de gewenste maat en de kwaliteit van de waterplanten is de waterdiepte een van de belangrijkste aandachts- punten.

Maatvoering en kwaliteit
Waterplanten worden gekweekt in potten. Het lijken net vaste planten, maar ze staan in hun pot in een bak met water. De maatvoering bij waterplanten wordt geregeld door de maat van de pot. Achter de naam staat dan P9 of P11. Dat betekent: een pot van 9 of 11 cm breed.
De kwaliteit van de waterplanten beoordeel je zowel bovengronds als ondergronds (in de pot). Bovengronds moet de plant er gezond uitzien en groot genoeg zijn. Ondergronds moeten de wortels een goede kluit vormen.
De ondergedoken waterplanten kunnen ook als bosje verkocht worden. Deze planten zitten niet in een pot. Let erop dat de bosjes groot genoeg zijn en dat de planten gezond zijn.

De waterdiepte

De waterdiepte bij waterplanten.

Bij het aanplanten van een vijver moet je rekening houden met de waterdiepte waarop je de planten zet. Zo mogen oeverplanten niet in het water staan, maar moerasplanten wel.
De moerasplanten plant je op een waterdiepte van 0 tot 30 cm. Elke soort heeft zijn eigen ideale waterdiepte. Deze kun je aflezen op het etiket bij de plant.
De ondergedoken planten mag je op allerlei diepten planten. Vaak worden deze zuurstofplanten gewoon in het water gelegd en verzwaard met bijvoorbeeld een steentje. Daardoor zakken ze naar beneden. Voor de vijver is het echter beter om de zuurstofplanten op verschillende waterdiepten uit te zetten, ook in de eerste twintig cm. In het voorjaar wordt deze waterlaag namelijk verhit. De zuurstofplanten in die zone kunnen dan meteen gaan groeien door de voedingsstoffen uit het water op te nemen. Liggen de zuurstofplanten dieper in het water, dan zouden ze langer in rust blijven. En dan kunnen de algen in deze verwarmde waterlaag toeslaan.

 

 

 

1 gedachte over “Uitplanten van diverse plantengroepen”

Plaats een reactie