Grond en bodem

Grond en bodem

Inhoud
Inleiding
1      Begrippen
1.1       Grond en bodem
1.2       Humus
1.3       Bodemprofiel
1.4       Bodemwater
1.5       Bodemstructuur
1.6       Drainage
1.7       pH
1.8       EC
1.9       Adsorptiecomplex
2      Grondsoorten
2.1       Zandgrond
2.2       Kleigrond
2.3       Veengrond
2.4       Zavelgrond
2.5       Lössgrond
3      Grondmengsels
4      Grondverbeteraars
4.1       Turfstrooisel
4.2       Tuinturf
4.3       turfmolm
4.4       Perlite
4.5       sphagnum
4.6       compost
4.7       bosgrond
4.8       hydrokorrels
4.9       steenwol

Inleiding
De meeste cultuurplanten staan met hun wortels in een medium. Meestal is dat grond. Deze grond zorgt voor verankering en levert voedsel, water en zuurstof.
Bloemenwinkels en tuincentra hebben veel met grond te maken. Ze verkopen grondmengsels en moeten regelmatig adviseren. Om deze reden gaan we in dit hoofdstuk in op veel gebruikte begrippen en zullen we de belangrijkste grondsoorten, grondmengsels en grondverbeteraars behandelen.

1   Begrippen
Bodemkunde is een toegepaste wetenschap. Dit betekent dat het een vak is met zijn eigen vaktermen en begrippen.  We zullen alleen die begrippen behandelen waarmee we binnen ons vak te maken kunnen krijgen.

1.1    Grond en bodem
De woorden grond en bodem worden vaak door elkaar gebruikt. Bij het begrip bodem denkt men meer aan opbouw en samenstelling dan bij grond. Dit betekent dat men de bodem beschouwt als een systeem van grond, water, lucht en bodemleven en grond meer als ondergrond.
1.2  Humus
Humus is het overblijfsel van verteerde planten en dieren. Labiele humus verteert nog verder terwijl stabiele humus dit niet meer doet.  Humus wordt ook wel organische stof genoemd en bepaalt in hoge mate de kwaliteit van de bodem. Zandgrond is voor de absorptie van voedingsstoffen afhankelijk van humus.
1.3 Bodemprofiel
Als je een kuil graaft kom je allerlei lagen tegen.  De verticale opbouw van de bodem noemt men het bodemprofiel.
Van boven naar beneden onderscheidt men de volgende lagen:
–           Maaiveld: Dit is de laag waar zich de bovengrondse plantendelen bevinden. Het is dus geen echt bodemlaag.
–           Bouwvoor: Dit is de bovenste grondlaag die regelmatig wordt bewerkt en bemest. Vaak is deze laag donkerder van kleur dan de rest van de grond.
–           Ondergrond: Dit is de verzamelnaam voor de onderliggende bodemlagen.
Vaak worden gronden benoemd naar de profielopbouw. Zo kent men bijvoorbeeld vaaggronden en podzolgronden.
1.4 Bodemwater
Plantenwortels onttrekken water aan de bodem. Als je een aantal bodemprofielen bestudeert kun je zien dat ook bodemwater in lagen geordend is. Zo onderscheiden we:
–  Hangwater: Dit is het water dat zich in de bouwvoor bevindt. Het is regenwater dat door de bovengrond wordt vastgehouden.
–  Grondwater: Dit bevindt zich in de ondergrond. We spreken over grondwater als alle grond poriën met water gevuld zijn.
– Capillair water: Dit water bevindt zich boven het grondwater. Het is grondwater dat omhoog klimt in de dunne kanaaltjes die door de bodemdelen worden gevormd.
Veel planten zijn aangewezen op hangwater. Sommigen zijn in staat om van het capillair- of  grondwater te profiteren. De diepte van de grondwaterlagen wordt bepaald door grondsoort en de waterstand in sloten en rivieren.
1.5 Bodemstructuur
Iedereen kent het verschil tussen een hand vol zand van het stand en een hand vol potgrond: Zand heeft, in tegenstelling tot potgrond, geen samenhang. Je kunt ook zeggen; zand heeft een slechte structuur en potgrond heeft een goede structuur. Bodemstructuur kun je vertalen als samenhang en binding tussen de bodemdeeltjes. Een andere definitie heeft betrekking op de verhouding tussen vaste delen, lucht en water. Ideaal is een verhouding van 1:1:1.
We onderscheiden korrelstructuur, kruimelstructuur en kluitstructuur.

1.6  Drainage
Drainage is waterafvoer. Dit woord gebruik je in verschillende verbanden. Zo zegt men van een goed doorlatende grond dat deze een goede drainage heeft en spreekt men bij bloempotten dat het gaatje onderin voor de drainage dient. In de landbouw wordt het begrip meestal gebruikt voor een kunstmatig systeem van buizen die het overtollige water afvoeren. Ook sloten hebben een drainagefunctie.
1.7 pH
De letters pH staan voor zuurgraad. Gronden zijn altijd iets zuur. Dit betekent dat de pH lager is dan 7. (pH 7 heet neutraal). Hoe zuurder de grond hoe lager de pH.
Zandgrond heeft een lagere pH dan kleigrond. Planten als Rododendrons groeien alleen bij een lage pH.


1.8      EC
EC gebruikt men om aan te geven hoe zout een grond is. Door het gebruik van meststoffen neemt de EC-waarde toe. Hoe hoger de EC hoe meer moeite planten ermee hebben om water en voedsel op te nemen. Door de elektrische geleiding te meten kun je de EC bepalen.
1.9  Adsorptiecomplex
In de bodem bevinden zich voedingsstoffen. Deze zijn opgelost in het bodemwater en worden vastgehouden door klei- en humusdeeltjes. Dit vasthouden heet adsorberen. De klei- en humusdeeltjes samen bepalen de grootte van het adsorptiecomplex. Men spreekt daarom ook wel over het Klei- humuscomplex. Het principe berust op elektrische lading.

2 Grondsoorten

Nederland kent diverse grondsoorten. Doordat ze onder diverse omstandigheden gevormd zijn, zijn verschillend van samenstelling en structuur.

Globaal kun je de grondsoorten in de volgende 3 groepen verdelen:
-zandgrond
– kleigrond
-veengrond
– zavelgrond
– Loss

 

Via de website van Wageningen University Research is veel informatie beschikbaar over de bodem van Nederland.

Voorbeelden van factoren die invloed hebben gehad op de structuur en opbouw van de Nederlandse bodem zijn:
–          IJstijden afgewisseld met warmere perioden;
–          de loop van de rivierbeddingen;
–          erosie (verwering);
–          vervening.
2.1         Zandgrond
Zand is een lichte grondsoort afkomstig van kwartsgesteente, dat weinig voedingsstoffen bevat. Het bestaat uit tamelijke grote steentjes met weinig samenhang. Zandgronden zijn veelal oudere gronden. Ze maken ongeveer 40% van het Nederlandse grondoppervlakte uit.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft zandgrond de volgende voordelen;
–          Zand warmt in het voorjaar snel op
–          Gemakkelijk te bewerken
–          Goed doorlatend voor water en lucht
Nadelen van zandgrond zijn;
–          droogt snel uit
–          bevat weinig voedsel en houdt voedingsstoffen slecht vast
–          lage pH

De vochthoudendheid van deze grondsoort kun je verbeteren met organische stof. Zandgrond wordt na de winter bewerkt en bemest.
2.2 Kleigrond
Kleigrond is ontstaan uit graniet- en basalt gesteente. Deze gesteenten zijn rijk aan voedingsstoffen en fijn van structuur. De deeltjes kleven sterk aan elkaar waardoor een vaste structuur ontstaat.
Langs de kust vinden we zeeklei. Deze is grijs van kleur en bevat weinig organische stof. Zeeklei is vochthoudend en plakkerig als hij nat is. Rivierklei is bruiner van kleur.

Vanuit de tuinbouw gezien heeft kleigrond de volgende voordelen;
–           voedselrijk
–           vochthoudend
Nadelen van kleigrond zijn:
–           het is een zware, moeilijk te bewerken grondsoort
–           planten wortelen er moeilijk in
–           hij wordt hard bij droogte
–           dichte structuur en slechte waterafvoer
–           gebrek aan bodemleven
–           weinig zuurstof
–           komt in het voorjaar slecht op temperatuur

Om een goede structuur te krijgen moet hij voor de winter worden bewerkt. Kalk help bij het verbeteren van de structuur; organische stof bij het behouden ervan.
2.3 Veengrond
Veengrond is vooral opgebouwd uit plantenresten. Het is bruin of zwart van kleur en zeer vochthoudend.  Hoogveen is van nature ontstaan boven het bodemwater. Dit was mogelijk doordat veenmos het water omhoog zoog. Laagveen is onder het grondwater ontstaan.
2.4         Zavelgrond
Zavelgrond is een grond die zich qua samenstelling bevindt tussen zand- en kleigrond. Dit is een zeer goede grondsoort.
2.5         Lössgrond
Lössgrond is geelbruin tot bruin van kleur.  Löss is kleiachtig en voelt zacht aan. Het plakt niet en is vochthoudend. Loss is zeer vruchtbaar.

3          Grondmengsels
In tegenstelling tot grondsoorten worden grondmengsels kunstmatig gemaakt. Ze worden aangepast aan de behoefte van een of meerdere plantensoorten. Grondmengsels worden meestal onder de naam potgrond verkocht.
Als je rondkijkt in het tuincentrum of surft op internet zul je ontdekken dat het aantal soorten potgrondsoorten gigantisch groot is.  Elke fabrikant heeft een eigen assortiment.
De basis voor potgrond wordt gevormd door tuinturf of turfmolm, zand, klei en meststoffen. Goede potgronden bevatten ongeveer 30% lucht, 40 – 50% water en 30 – 40% vaste bestanddelen.
Voorbeelden van potgrondsoorten zijn universele potgrond, zaaigrond, stekgrond,  vijveraarde, tuinaarde, rozengrond, buxusgrond, tuinaarde,  bonsaigrond, cactusgrond, varengrond, anthuriumgrond, orchideeëngrond, tuinaarde, osmocote potgrond, geraniumgrond  en palmengrond.
Grondmengsels voor particulieren worden meestal in zakken verkocht en soms los. De inhoud van plastic zakken is bijvoorbeeld 5, 10, 25 of 50 ltr.

Goede potgronden bevatten een RHP-keurmerk.  RHP staat voor Regeling Handels Potgronden, De stichting RHP in Naaldwijk controleert de samenstelling van potgrond en kijkt of de grondstoffen en het eindproduct aan de strenge kwaliteitseisen voldoen.

4 Grondverbeteraars
Grondverbeteraars worden gebruikt om de eigenschappen van grondsoorten en grondmengsels te veranderen. Ze hebben vooral invloed op het organische stof gehalte, de structuur, de doorlatendheid,  het vochthoudend vermogen, de zuurgraad en de vruchtbaarheid. In veel gevallen worden ook potgronden gebruikt als grondverbeteraars. Hetzelfde geldt voor bepaalde meststoffen. Voorbeelden van grondverbeteraars zijn turfstrooisel, tuinturf, turfmolm, perlite, sphagnum, compost, bosgrond, kleikorrels en steenwol. De meeste van deze producten zijn in de bloemenwinkel, de bouwmarkt en het tuincentrum te koop.
4.1 Turfstrooisel
Turfstrooisel ofwel Bolsterveen is nog weinig verteerd veen. Het is lichtbruin van kleur, humusrijk en voedselarm.  Dit medium kan 10 keer zijn eigen gewicht in water opnemen en bevat dan nog zo’n 40% lucht. Het wordt gebruikt in potgrondmengsels en als stekmedium. De pH is laag.
4.2 Tuinturf
Tuinturf ofwel doorvroren zwartveen is afkomstig van oude veenlagen. Door het vochtige veen aan vorst bloot te stellen valt het uit elkaar en wordt het vochthoudend. Tuinturf is  reeds in een ver gevorderd stadium van vertering en daardoor donkerbruin van kleur. Dit betekent dat de verdere vertering langzaam verloopt hetgeen gunstig is voor de werkingsduur.
De vochtdoorlatendheid is groter dan van turfstrooisel. Tuinturf is een belangrijke grondstof voor potgronden en wordt veel gebruikt in borders om de pH te verlagen, het organische stof gehalte te verhogen, het vochthoudend vermogen te verhogen  en de grond af te dekken.  Het is geen meststof.
4.3 turfmolm
Als zwartveen uitdroogt wordt het  turf en neemt het geen water meer op. Op deze manier ontstaat turfmolm. Het is een vezelig product dat gebruikt wordt om grondmengsels luchtiger te maken.
4.4 Perlite
Perlite is een witte, poreuze vulkanische korrel met een doorsnede van 1-4 mm. Doordat het product steriel, vochthoudend en luchtig is wordt het veel gebruikt  als stekmedium en verbeteraar van potgronden.

4.5 sphagnum
Sphagnum is de wetenschappelijke naam voor veenmos. Het kan zeer veel water opnemen en wordt gebruikt  voor het maken van grondmengsels voor vochtminnende planten. Door milieuvervuiling is sphagnum vaak erg zout en onbruikbaar voor planten.
4.6 compost
Als organisch afval onder de juiste omstandigheden wordt bewaard ontstaat compost. Zo kent men bijvoorbeeld GFT-compost, compost van tuinafval en champost. De samenstelling is erg verschillend.
Compost is vooral geschikt om het organisch stof gehalte van de grond te verhogen. Champost kan een erg hoge EC hebben. Zelf gemaakte compost bevat vaak onkruid.

 

4.7         bosgrond
Organische materialen die zijn oorsprong hebben in het bos worden bosgrond genoemd. Hieronder vallen bladgrond, dennennaaldengrond, boomschors e.d.
Bosgrond wordt gebruikt voor planten als varens, orchideeën en Anthuriums. Meestal verwerkt men ze in potgronden. In Nederland is het in veel gevallen verboden om de humeuze ondergrond uit bossen te exploiteren.
4.8 hydrokorrels en seramis
Voor watercultures en het ontwateren van potcultures maakt men gebruik van geëxpandeerde kleikorrels. Ze bevatten geen voedsel, zijn luchtig, vochthoudend en steriel.
4.9         steenwol
In kassen gebruikt men voor het kweken en vermeerderen van planten vaak kunstmatig vervaardigde substraten. Steenwol is daarvan het meest bekende. Het bestaat uit gesmolten puinsteen waaraan diverse stoffen zijn toegevoegd. Steenwol is daardoor luchtig, waterhoudend, stevig en steriel.

BRONNEN
Workshop Levende bodem
Regenwormenkaart
Atlas natuurlijk kapitaal

1 gedachte over “Grond en bodem”

Plaats een reactie