Kamerplanten

Kamerplanten

Inleiding
Kamerplanten groeien onder onnatuurlijke omstandigheden. Voor een deel zijn ze daarop geselecteerd. Desondanks vereist het verzorgen veel ervaring en inzicht.
Om die reden is deze beschrijving opgedeeld in 2 delen:
Deel 1: De basis
Deel 2 Verdieping
De opbouw is voor een groot deel concentrisch. Dit betekent dat  dat de behandelde thema’s uit deel 1 in deel 2 in een uitgebreidere versie terugkomen.

Inhoud Deel 1 Inhoud Deel 2
1 Groeifactoren 1 Groeifactoren
1.1 licht 1.1 Licht
1.2 water 1.2 Water
1.3 voedsel 1.3 Voedsel
1.4 temperatuur 1.4 Temperatuur
1.5 bodem 1.5 Bodem
2 Vermeerdering 2 Problemen in huis
2.1 zaaien 2.1 Het wortelvolume is te klein
2.2 stekken 2.2 De lucht is te droog
2.3 scheuren 2.3 De lichthoeveelheid is te klein
2.4 uitlopers en broedplantjes 2.4 Te veel zon
3 Oppotten en verpotten 2.5 Slechte bodem
2.6 De temperatuur is niet optimaal
3 Relatie tussen bouw en verzorgingseisen

Deel 1 De basis

Inleiding
Als je het nuchter bekijkt is het vreemd dat mensen over de hele wereld bloemen en planten vandaan halen om deze vervolgens in huis te zetten. Dit verschijnsel heeft waarschijnlijk te maken met het vervreemden van de natuur. Doordat mensen niet meer in de natuur leven halen ze de natuur naar zich toe.

Planten groeien van nature op plaatsen waar ze zich het beste thuis voelen. Zijn de omstandigheden niet optimaal dan zullen ze op den duur verdrongen worden door andere planten of afsterven. Soms geldt dat planten zich onder extreme omstandigheden kunnen handhaven doordat andere planten onder die omstandigheden niet kunnen overleven. De concurrentie is dan weg. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor cactussen in de hitte van de woestijn en orchideeën onder voedsel arme omstandigheden.
Bloemen en planten behoren tot het kernassortiment van bloemenwinkels en tuincentra. Doordat het producten zijn die niet in huis horen of zelfs niet in ons klimaat horen zijn het zorgenkindjes; zorgenkindjes die we met veel moeite zo lang mogelijk mooi willen houden. Voor dit mooi houden is vakkennis nodig.

In dit hoofdstuk gaan we ons verdiepen in de groei en verzorging van kamerplanten. Dit doen we aan de hand van de groeifactoren. Daarnaast zullen we een aantal manieren van vermeerdering bekijken en zullen we ingaan op het oppotten en verpotten van kamerplanten.

1     Groeifactoren
Planten leven in een bepaalde omgeving: een bepaald milieu. De omstandigheden in dit milieu noemen we milieufactoren. De belangrijkste zijn:
–     licht
–     water
–     voedsel
–     temperatuur
–     bodem
Deze milieufactoren kunnen per situatie erg verschillend zijn.
Van nature kiezen planten voor een standplaats die past bij hun leefwijze en bouw. Je kunt ook zeggen: Planten passen zich aan aan een bepaald milieu. Ze kunnen zich hierdoor op een bepaalde plaats handhaven. Soms is het zo dat een plant op een bepaalde plaats kan groeien omdat andere planten  het op die plaats niet volhouden. Hierdoor hebben ze geen concurrentie.
Als we planten cultiveren moeten we proberen om de natuurlijke omstandigheden zo goed mogelijk na te bootsen.

We gaan nu de belangrijkste groeifactoren bekijken.

1.1   licht
Licht is een vorm van energie. Zonder energie is er geen leven mogelijk.
Uit de biologie weten we dat planten in staat zijn om lichtenergie zo vast te leggen dat deze door alle levende wezens gebruikt kan worden. Dit vastleggen van Zonne-energie heeft fotosynthese of koolstofassimilatie.
Daarnaast hebben planten o.a. licht nodig voor allerlei scheikundige omzettingen in de plant, voor het bepalen van de groeirichting en om aan de hand van de daglengte te bepalen welk seizoen het is.

Fotosynthese en ademhaling
Fotosynthese kun je het beste begrijpen als je uitgaat van onze ademhaling. Het is namelijk het omgekeerde.
Om in leven te blijven moeten we eten en ademhalen. Een gedeelte van het voedsel (o.a. de suiker) reageert scheikundig met  de ingeademde zuurstof. Hierbij ontstaan energie (arbeidsvermogen en warmte), waterdamp en koolzuurgas. Dit heet langzame verbranding ofwel dissimilatie.

Schematisch kun je dit als volgt aangeven:

suiker  +  zuurstof               energie  +  koolzuurgas  +  water(damp)

Ademhaling kom je bij alle levende wezens tegen. Dus ook bij planten. Het gaat dag en nacht door. Om ervoor te zorgen dat de suiker en de zuurstof niet op raken vindt er in de plant, naast verbranding, fotosynthese plaats. Hierbij worden de koolzuurgas en het water weer samengevoegd tot suiker en zuurstof. De energie die daarvoor nodig is wordt door de zon geleverd. Dit heet fotosynthese.

Schematisch ziet dit er als volgt uit:

koolzuurgas  +  water  +  zonlicht                 suiker  +  zuurstof

Deze fotosynthese vindt plaats in de bladgroenkorrels.

Als planten te weinig licht krijgen zullen ze er snel slechter uit gaan zien. Om licht te zoeken zullen ze gaan rekken en scheef gaan groeien. Ze verliezen hun stevigheid, verkleuren en stoten bladeren af.

Daglengte

Bij veel planten beïnvloedt de daglengte het moment waarop ze gaan bloeien. Dit noemen we fotoperiodiciteit.  (foto is licht  en periodiciteit is periode).
Zo kennen we:
– Korte dagplanten
– Lange dagplanten
– Daglichtneutrale planten.

Korte dagplanten leggen bloemknoppen aan bij lange nachten. Voorbeelden zijn de kerstster en de chrysant.
Lange dagplanten leggen bloemknoppen aan bij korte nachten. Dit geldt bijvoorbeeld voor Pachystachys.Bij daglicht neutrale planten wordt het bloeitijdstip niet bepaald door de daglengte. Hier spelen factoren als temperatuur en droogte vaak een rol bij de bloemaanleg. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Clivia.

1.2 water
Als Iemand advies vraagt over het verzorgen van een plant krijgt hij vaak een antwoordt dat betrekking heeft op water.
Water heeft veel functies. Bijvoorbeeld:
– fotosynthese en andere scheikundige reacties
– opbouw van de plant
– voedseltransport
– koeling
Bij de fotosynthese wordt uit koolzuurgas en water suiker en zuurstof gemaakt. Ook voor ander omzettingen in de plant is water nodig.

Niet alle planten verlangen even veel water.
We onderscheiden:
–     hydrofyten
Deze verlangen veel water bijvoorbeeld Parapluplanten.
–     mesofyten.
Dit zijn de planten waarbij we meestal zeggen dat ze een normale hoeveelheid water nodig hebben.
–     xerofyten. Deze hebben weinig water nodig bijvoorbeeld vetplanten.
De meeste planten zuigen water op uit de bodem. De zuigkracht die daarvoor nodig is wordt veroorzaakt door de verdamping van de bladeren. Door het doorgeven van water van de ene cel naar de andere cel ontstaan er drukverschillen tussen de cellen. Op deze manier wordt het water doorgegeven. Dit heet worteldruk.

Samen met het water zuigt de plant bouwstoffen op. Ook het transport van andere stoffen in de plant gebeurt door water.
Een andere belangrijke functie van water is afkoeling.
Doordat het verdampen van water warmte kost koelt de plant, bij het verdampen van water, af. Je kunt dit vergelijken met transpireren van mensen.
Door het openen en sluiten van de huidmondjes kunnen planten de verdamping regelen. Dit openen en sluiten gebeurt onder invloed van licht, temperatuur en vochtigheid.

Hier volgen een aantal algemene adviezen over de waterbehoefte van een plant:
– Bij een hoge temperatuur en bij droge lucht hebben planten extra veel water nodig
– Bloeiende planten hebben meer water nodig dan dezelfde niet bloeiende planten
– Planten met dunne- en met grote bladeren hebben extra veel water nodig
– Planten met luchtwortels verlangen veel water
– Vetplanten, planten met behaarde bladeren en planten met een vetlaag op de bladeren hebben weinig water nodig
– Houtachtige planten regelmatig dompelen
– Tijdens de rustperiode hebben planten minder water nodig dan tijdens de groeiperiode
–     De verdamping van planten kun je verminderen door de luchtvochtigheid te verhogen.

1.3   voedsel
Een groene plant kan zelf brandstoffen maken. Bouwstoffen moet ze in de meeste gevallen opnemen uit de bodem.
Bouwstoffen kun je beschouwen als bouwstenen. Ze worden opgenomen om er het plantenlichaam mee op te bouwen. Het zijn scheikundige elementen.
We kunnen ze in de volgende 3 groepen verdelen:
–     Hoofdelementen. Deze heeft de plant in grote hoeveelheden nodig. Het zijn Stikstof (N), Fosfor (P) en Kalium (K)
–     Spoor-elementen Deze heeft de plant in kleine hoeveelheden nodig.  Ze zijn echter onmisbaar en worden daarom wel vergeleken met vitaminen. De belangrijkste zijn Magnesium (Mg), IJzer (Fe), Mangaan (Mn), Borium (B), Zink (Zn), Mangaan (Mn), Kalk (Ca) en Koper (Cu)
–     Nevenelementen. Dit zijn de elementen die eventueel gemist kunnen worden. Ze worden wel opgenomen. Voorbeelden zijn Natrium (Na), Chloor (Cl) en Silicium (Si).

In het volgende schema kun je zien waarvoor de plant de diverse hoofdelementen gebruikt:

Element gebruik
Stikstof

Fosfor

Kalium

eiwitvorming en groei

wortelontwikkeling

stevigheid

Magnesium en ijzer zijn vooral nodig voor de vorming van bladgroen. Bij gebrek aan deze elementen kan bladverkleuring ontstaan.
Kamerplanten staan in het algemeen in een klein potje of plantenbak. De hoeveelheid voedsel waarover ze kunnen beschikken is daardoor beperkt. Om deze reden moeten we regelmatig bijmesten. Bij kamerplanten gebruiken we daarvoor voedingszouten (kunstmest).
Plantenvoedsel bevat altijd hoofdelementen. Daarnaast zijn er vaak sporenelementen aan toegevoegd. Het meest bekend is PoKoN. De drie hoofdletters duiden op de 3 hoofdelementen.
In het algemeen kun je stellen dat planten in het groeiseizoen om de week of om de 2 weken bijgemest moeten worden. In de rustperiode hoef je in het algemeen geen plantenvoeding toe te dienen.
Als je de percentages van de voedingsstoffen, die in kunstmest zitten, optelt kom je niet aan 100%. Dit komt doordat er vulstoffen inzitten. Deze stoffen worden ook wel ballaststoffen of ballastzouten genoemd. Als je vaak bijmest kunnen deze stoffen zich in de bodem ophopen. Vaak kun je dat zien aan de witte uitslag op potten en potgrond. De zoutcontratie druk je uit in EC-waarde (micro Siemens). Naar mate de grond zouter wordt krijgen planten steeds meer moeite met water opnemen. Het overtollige zout kun je uitspoelen door de planten regelmatig te dompelen. Vaak is deze zoutophoping een van de redenen om planten te verpotten.

1.4   temperatuur
De temperatuur is een milieufactor die erg bepalend is voor de plantengroei in een bepaalde streek. Uit ervaring weten we dat een aantal kamerplanten in ons klimaat winter en zomer buiten kunnen blijven staan. Dit geldt bijvoorbeeld voor klimop. Andere planten zoals kerststerren zullen beneden 15 graden afsterven. Omdat kamerplanten uit diverse streken komen is het van belang om te weten welke temperatuur erbij hoort.

Bij elke plant onderscheiden we:
–     een minimum temperaturen.
Dit is de laagste temperaturen die de betreffende plant verdraagt.
–     een optimum temperaturen.
Dit zijn de ideale temperatuur voor de betreffende plant.
–     een maximum temperaturen.
Dat is de hoogste temperaturen die de betreffende plant verdraagt.
In veel gevallen is het onmogelijk om de omgevingstemperatuur aan te passen aan de wensen van de plant. Hierdoor zie je planten vaak achteruit gaan zonder dat je er iets aan kunt doen. Ook komt het voor dat je kamerplanten niet in bloei kunt krijgen doordat de kamertemperatuur te hoog of te laag is.
Bij een hoger temperatuur daalt de relatieve luchtvochtigheid. Hierdoor neemt de verdamping van de plant toe

1.5   bodem
Planten eten geen grond. Ze hebben de bodem nodig voor:
–     verankering
–     het leveren van water, zuurstof en voedsel
Ook voor de bodem geldt dat elke plant zijn eigen eisen stelt. Deze eisen hebben met name betrekking op structuur, vochthoudend vermogen, voedingstoestand, organisch stof gehalte en zuurgraad.

Omdat de diverse planten verschillende eisen stellen worden er grondmengsels samengesteld. Deze noemt men potgronden.
Men onderscheidt:
– universele potgrond
– speciale potgronden
Universele potgronden hebben een “gemiddelde” samenstelling. Voor de meeste planten zijn ze bruikbaar. Het zijn mengsels van veenproducten, zand en meststoffen. Speciale potgronden worden gemaakt door de samenstelling aan te passen aan de behoefte van de plant.
Voorbeelden zijn:
– Azaleagrond. Deze bevat extra klei en heeft een lage zuurgraad
– Varengrond. Hieraan is extra organisch materiaal aan toegevoegd
– Cactusgrond. Deze bevat extra zand
– Bromeliagrond. Hieraan is extra veel turf toegevoegd
– Zaaigrond. Hierin zitten weinig voedingsstoffen.
Elk merk kent zijn eigen producten. Vaak kom je op verpakkingen de letters RHP tegen. Deze staan voor Regeling Handelspotgronden Proefstations.  Bedrijven die deze potgronden samenstellen worden geadviseerd door proefstations.  De kwaliteit en samenstelling wordt regelmatig gecontroleerd. Je kunt dit keurmerk beschouwen als een soort garantiebewijs.

Grond is altijd een beetje zuur. Voor de pH betekent dit dat deze tussen de 5,5 en de 6 ligt.  Heide achtige planten houden van een wat lagere pH.

2     Vermeerdering
Het vermeerderen van kamerplanten gebeurt voornamelijk kunstmatig. Omdat het nogal eens voorkomt dat klanten ernaar vragen zullen we de belangrijkste manieren behandelen.

Als we planten vermeerderen door zaad noemen we dat geslachtelijk (generatief).
Als we bij de vermeerdering uitgaan van een stukje plant noemen we dat ongeslachtelijk (vegetatief)  Er zijn vele manieren van ongeslachtelijke vermeerdering. Voorbeelden van ongeslachtelijke vermeerdering bij kamerplanten zijn stekken, scheuren, uitlopers, broedplantjes en sporen.

2.1   zaaien
Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt in de bloem. Het komt bijna nooit voor dat kamerplanten in de huiskamer zaden vormen. Van een aantal kamerplanten zijn, in de particuliere handel, zaden te koop.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

2.2   stekken
Bij het stekken van planten gebruik je een stukje van een plant om een nieuwe plant te krijgen. gestekte plantendelen kunnen alleen uitlopen als er knoppen opzitten. Normaal geldt dat voor de stengel. Er zijn echter ook planten waarbij andere organen knoppen bevatten. In die gevallen kun je voor de vermeerdering ook andere plantendelen gebruiken. Omdat je uitgaat van 1 moederplant is het een vorm van ongeslachtelijke vermeerdering.

In de meeste gevallen gebruik je bij het stekken een stukje stengel met een of meerdere blaadjes. We maken dan onderscheid in kopstek en tussenstek. Ook komt het voor dat men enkel een stukje stengel gebruikt. Je spreekt dan over stengelstek.
Bij sommige plantensoorten maakt men gebruik van andere organen. We hebben dan te maken met bladstek en wortelstek.

kop- en tussenstek
Men spreekt over kopstek wanneer je voor de vermeerdering een stukje stengel met bladeren en een eindknop gebruikt. De onderste bladeren worden verwijderd. Bij tussenstekken heb je geen eindknoppen. Als een tussenstek slechts een knop, en dus ook een knoop, bevat spreek je over oogstek. Oog is een ander woord voor knop. In het laatste geval kun je geen blad verwijderen. Kop- en tussenstekken kom je bijvoorbeeld tegen bij Fuchsia en Pelargonium.

Stekken worden recht afgesneden zodat de wond zo klein mogelijk is. Na het snijden worden zo snel mogelijk weggestoken in stekgrond. Dit kan in bloempotjes  of in bakjes. De stekken komen tot het onderste blaadje in de grond  Ze worden goed aangedrukt. Vetplanten laat men na het snijden eerst drogen. Om het bewortelen te versnellen kun je gebruik maken van stekpoeder. Om het uitdogen te voorkomen worden stekken in veel gevallen onder plastic folie geplaatst.

Bladstek

Als bladeren knoppen bevatten kun je deze in veel gevallen stekken. Dit geldt bijvoorbeeld voor Saintpaulia, Peperomia, Begonia, Sansevieria en veel cactussen.

Als bladeren niet te groot zijn en ze hebben een duidelijke bladsteel dan wordt de bladsteel tot aan de bladschijf in de stekgrond gestoken. De jonge plantjes ontstaan dan bij de bladsteel. Bij sommige planten gebruikt men stukjes blad om te steken. Dit geldt bijvoorbeeld voor bladbegonia en Sansevieria.

2.3   scheuren
Scheuren of delen is een methode die je kunt toepassen bij planten die met meerdere stengels uit de grond komen. De plant wordt dan in twee of meerdere stukken opgedeeld. Ook planten die uit zichzelf jonge planten naast de oude plant vormen worden gescheurd bijvoorbeeld Clivia en diverse bromelia’s.

Bij harde wortels moet je vaak gebruik maken van een mesje. Als je de stukken apart oppot heb je meerder planten gekregen. Deze methode kun je bijvoorbeeld toepassen bij Asparagus en Sansevieria. Het duurt erg lang voordat je op deze wijze veel nakomelingen hebt.

 

 

 

2.4   uitlopers en broedplantjes

Bepaalde planten vormen zelf nieuwe planten. Deze hangen dan aan de moederplant zoals bij de Chlorophytum en de Saxifraga. Dit heet uitlopers.

Bij andere planten zitten de jonge plantjes  op andere organen als bladeren. Dit komt bijvoorbeeld voor bij Tolmia en Kalanchoe. en heet broedplantjes. Uitlopers en broedplantjes kun je rechtstreeks oppotten.

sporen
Een belangrijke groep kamerplanten, de varens, vormt sporen. Het zijn stoffijne deeltjes die zich vaak in hoopjes onder het blad bevinden. Bladeren met rijpe sporen kun je verzamelen, in papier gedraaid drogen, fijn wrijven en daarna als zaad uitstrooien.

 

3     Oppotten en verpotten
Als je een pas vermeerderde plant voor de eerste keer in een bloempot zet heet dit oppotten. Verplaats je de plant van de ene pot in de andere dan heet dit verpotten of overpotten.  In de plaats van een pot kun je natuurlijk ook een andere container gebruiken.
Oppotten is noodzakelijk om een plant bruikbaar te maken voor gebruik in huis.
Redenen om te verpotten zijn:
– plant is te groot geworden
– potgrond is verzilt, verzuurd en uitgeput
– potgrond neemt geen water meer op (is irreversibel geworden door uitdroging)

We kunnen kiezen tussen kunststof bloempotten of aardewerk potten. De potmaat wordt uitgedrukt in cm en heeft betrekking om de grootste doorsnede. Bij kunststof potten staat de maat afgedrukt op de onderkant van de bloempot.

Bij het verpotten kiezen we meestal een pot die 2 maten groter is dan de oorspronkelijke pot. Het is van belang om voor het verpotten de oude wortelkluit goed schoon te maken. Oude potgrond moet zoveel mogelijk verwijderd worden. Ook moet je de overbodige wortels weghalen. Als de plant slecht uit de oude pot gaat werkt het vaak om de plant op zijn kop te houden en met de potrand op de tafelrand te tikken.

Men kiest een potgrond die past bij de plant. Als er geen speciale grond beschikbaar is kies je voor universele potgrond.

De werkwijze bij het oppotten en verpotten is afhankelijk van de grootte van de wortelkluit. Hierachter zijn 3 manieren getekend.

Als de plant in de pot staat moet je de nieuwe potgrond goed tegen de oude kluit drukken. Er moet een gietrand overblijven.

==========================================

Deel 1 De Verdieping

Inleiding
Planten horen buiten; niet in huis.
Toen onze voorouders nog in en van de natuur leefden kwam niemand op het idee om planten in huis te halen. Het naar binnen halen van planten is pas ontstaan toen de mensen van de natuur vervreemden.
Op dit moment heeft bijna iedereen wel enkele kamerplanten.
Planten die in het algemeen uit een totaal andere streek komen. Vaak hebben kwekers eraan gesleuteld om ze aan te passen aan de, voor de plant, slechte omstandigheden in huis. Ondanks deze aandacht en zorg blijven het zorgenkindjes.

We gaan dieper in op:
– Groeifactoren
– Problemen die in huis ontstaan
– Relatie tussen bouw en verzorgingseisen

1     Groeifactoren
In dit eerste hoofdstuk gaan we kijken naar de groeifactoren van een plant.
Om te kunnen groeien hebben planten licht, water, voedsel, warmte en een bodem nodig. De groeifactoren samen vormen het leefmilieu.

1.1   Licht
Planten gebruiken licht voor de fotosynthese. De daarbij gemaakte suiker kan verbranden en zorgt voor de energievoorziening. Planten die van nature op lichtarme plaatsen groeien verdragen in het algemeen weinig licht. Planten die van nature op lichtrijke plaatsen groeien verlangen d.e.t. veel licht.
In onze streken komt de zon in het oosten op en verplaatst deze zich via het zuiden naar het westen. Dit betekent dat planten op het noorden weinig licht, op het oosten en westen matig licht en op het zuiden veel licht krijgen.
Er zijn weinig planten die direct zonlicht verdragen.

1.2   Water
Water bevindt zich in de bodem en in de lucht.
Bodemwater is nodig voor de opbouw van de plant, voor het oplossen van voedsel, voor de fotosynthese en de verdamping. Verdamping is nodig om opgelost voedsel op te zuigen en om af te koelen.
De waterhoeveelheid in de lucht bepaalt de luchtvochtigheid en daarmee de mate van verdamping.

1.3   Voedsel
Voedsel is nodig voor het opbouwen van het plantenlichaam. Voedingsstoffen bevinden zich in de bodem en worden, opgelost in het bodemwater, met de wortels op gezogen.
Planten die hard groeien zullen meer voedsel nodig hebben dan langzaamgroeiende planten.

1.4   Temperatuur
Temperatuur bepaalt de activiteit van een plant. Als de temperatuur hoog is gaan alle levensverrichtingen sneller. Daarnaast neemt de verdamping toe als het warmer wordt.

1.5   Bodem
Planten eten geen grond. Dit wil zeggen dat ze de grond alleen nodig hebben om zich te verankeren en om water, voedsel en lucht vast te houden. Bij watercultures wordt grond vaak vervangen door kleikorrels.

Omdat kamerplanten over weinig grond en wortels beschikken stellen ze hoge eisen aan de bodemstructuur en samenstelling. Door de grote herkomstverschillen bestaan er, vooral op dit punt, grote verschillen in de eisen die de plantensoorten stellen.

2     Problemen in huis
Als planten in huis staan proberen we de natuurlijke omstandigheden van de plant zo goed mogelijk na te bootsen.
Dit doen we door;
– planten te kiezen die het milieu in huis verdragen
– planten zo goed mogelijk te verzorgen.
In het algemeen kunnen we de problemen die planten in huis tegenkomen als volgt samenvatten;

2.1   Het wortelvolume is te klein
Hierdoor kunnen de wortels de verdamping door de bladeren niet bijhouden en heeft de plant problemen met het opnemen van voedsel en water.

2.2   De lucht is te droog
De verdamping is daardoor groter dan op de natuurlijke groeiplaats.

2.3   De lichthoeveelheid is te klein
De plant krijgt daardoor problemen met de energievoorziening.

2.4   Te veel zon
Bladeren die daar niet tegen kunnen zullen verbranden.

2.5   Slechte bodem
De kleine bodemmassa waarover de plant beschikt gaat snel in kwaliteit achteruit. Door zuurstofgebrek en verzilting kunnen de wortels hun werk niet goed doen. Hierdoor ontstaat o.a. voedselgebrek.

2.6   De temperatuur is niet optimaal
Elke plant kent een optimum temperatuur waarbij ze het beste groeit. Daarnaast geldt voor veel planten dat ze een groei- en een rustperiode kennen waarin ze verschillende eisen stellen aan de temperatuur. In de huiskamer kunnen we de temperatuur niet aanpassen aan de planten.

Als het leefmilieu niet goed is zal de plant slecht groeien, verkleuren, ziek worden en sterven.

3     Relatie tussen bouw en verzorgingseisen
In de praktijk wordt je vaak geconfronteerd met de verzorgingseisen van planten. Bijvoorbeeld;

  1. Een plant vertoont groeistoornissen.
  2. Je hebt een of meerdere planten nodig voor een bepaalde standplaats in huis.
  3. Van een plant moet je weten waar je hem kunt plaatsen en hoe je hem moet verzorgen.

In de biologie geldt;  “Alles is overal: de natuur selecteert.”

Dit wil zeggen dat planten en dieren zich alleen kunnen handhaven als ze aangepast zijn aan de heersende milieuomstandigheden. Aan het uiterlijk van cultuurplanten kun je deze aanpassingen vaak zien. Op deze wijze geeft de plant informatie over zijn herkomst en natuurlijke groeiplaats.
Het verzorgen van planten kun je beschouwen als het zo goed mogelijk nabootsen van de natuurlijke omstandigheden.
In plantenboeken en folders staat bij elke kamerplant informatie over de natuurlijke groeiplaats (streek en standplaats).
Daarnaast geeft men meestal informatie over water, licht, zon, temperatuur, gevoeligheid voor ziektes, rustperiodes en bodemgesteldheid.
Bij het voorbereiden  van een interieurbeplanting zoek je planten bij elkaar die in de gegeven omstandigheden het beste voldoen.
Met behulp van boeken en schema’s kun je dan tot een beplantingsplan komen. Dit naslaan van boeken is erg tijdrovend en onpraktisch. Het gebeurt dan ook alleen maar in twijfelgevallen. In de praktijk oriënteert men zich op de omstandigheden en zoekt men zonder naslagwerk de planten bij elkaar.
We gaan nu, aan de hand van een aantal uiterlijke kenmerken van planten, verklaringen zoeken voor de verzorgingseisen. Op deze manier voorkom je het vaak moeten naslaan van boeken of het van buiten leren van allerlei verzorgingsregels per plant.

Het volgende schema geeft een beknopt overzicht van een aantal uiterlijke kenmerken van planten en de betekenis daarvan voor de verzorging.

KENMERK

 

 FUNCTIES EN GEVOLG(EN)  BETEKENIS VOOR DE VERZORGING
 

blad bedekt met glanzende waslaag

 kleine verdamping  weinig water nodig

verdraagt een lage luchtvochtigheid

verdraagt zonlicht

 

behaard blad

waterdamp blijft tussen de haartjes hangen waardoor de plant weinig verdampt  weinig water nodig

niet sproeien of afsponsen

verdraagt zonlicht en een lage luchtvochtigheid

 

vlezige stengels en bladeren

 plant bezit een grote watervoorraad

kleine verdamping

 niet vaak watergeven verdraagt zonlicht

verdraagt een lage luchtvochtigheid

 

bladeren zijn veranderd in stekels

door de beperkte oppervlakte zijn er weinig huidmondjes en zal de plant weinig verdampen  weinig water nodig

plant verdraagt zon

verdraagt een lage luchtvochtigheid

 

dun blad

 grote verdamping  veel water nodig

verdraagt weinig zon

 

bont blad

 weinig bladgroen voor de fotosynthese  meer licht nodig dan groene soortgenoten
 

bloeiende plant

plant steekt veel energie in de

voortplanting

  veel licht, water en voedsel nodig
 

grote bladeren

veel verdamping  veel water nodig
 

plant met

luchtwortels

plant groeit van nature in het moeras. Wortels krijgen zuurstof via luchtwortels.  veel water nodig
 

plant staat in stenen bloempot

poreuze pot verdampt water  plant heeft meer water nodig dan

dezelfde plant in kunststof pot

 

bladeren vormen een trechter

water loopt van nature naar het hart van de plant en komt niet op de bodem  in de koker gieten

wortelkluit drooghouden

 

plant heeft een knol

Na het afsterven van het bovengrondse gedeelte kan de knol overwinteren  niet op de knol gieten

knol in droog medium overhouden en vervolgens   opnieuw oppotten

 

houtachtige plant

heeft van nature een groter wortelstelsel dan in de pot  af en toe in water dopen en potkluit wekelijks dompelen

 

1 gedachte over “Kamerplanten”

Een reactie plaatsen