Licht en warmte

Licht en warmte

Inhoud

1 Licht en warmte
2 Lichthoeveelheid
2.1 Lichtmeting
2.2 Invalshoek van het licht
2.3 Daglengte
2.4 Weersinvloeden
3     Standplaats
4     Kunstlicht
5     Licht gebruiken in de winkel
5.1 Sfeer
5.2   Licht in presentaties
6     Energieverbruik en kosten
7     Wanneer verlichting?

Inleiding
Alles draait om energie. Zonder energie is er geen leven.  Omdat alle energie, direct of indirect van het zonlicht komt kun je daarom stellen dat licht de enige bron van leven is.
Organismen met bladgroen zijn in staat om lichtenergie rechtstreeks te gebruiken als energiebron. Bij de fotosynthese binden ze deze energie in koolhydraten (suikers en vetten.) De overige organismen moeten energie opnemen via de voeding. In feiten is dit de energie die door de groen organismen is gebonden.

Fotosynthese

Je kunt ook zeggen dat groene planten altijd licht nodig hebben. Ze kunnen geen brandstoffen opnemen via de voeding.  Andere  organismen kunnen ook zonder licht leven.

1 Licht en warmte
Onze leefomgeving zit vol met straling. Straling is een vorm van energie met een bepaalde golflengte. Zo kennen we bijv. radiogolven, licht, warmte en röntgen. Straling kent vele bronnen. Een daarvan is de zon.

Niet alle golflengten kunnen door de mens waargenomen worden; Slechts een klein deel hiervan is zichtbaar licht. De straling van dit licht is onder te verdelen in verschillende golflengten en met een bepaalde hoeveelheid energie.
Licht is opgebouwd uit diverse kleuren. Wanneer we daglicht breken zien we de kleuren rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Infrarood en ultra violet vallen buiten het zichtbare licht maar worden wel door de zon uitgezonden.

Violet en blauw hebben een veel grotere hoeveelheid energie dan rood. (meer energie wordt veroorzaakt door een kleinere golflengte) Dat wil zeggen dat blauw licht een betere groeikracht levert dan rood licht. In Nederland zie je de verschillen in straling terug in de natuur. In het voorjaar bereiken ons meer violet en blauwe stralingen dan rode dus ook meer energie. Mede hierdoor gaan planten in het voorjaar hun wortels ontwikkelen en groeien. In de nazomer zien we praktisch geen groei meer.
Je kunt dit aan je eigen lichaam ook waarnemen, in het voorjaar en begin van de zomer word je sneller bruin dan in het najaar. Verbranding wordt veroorzaakt door het ultra violette licht.

De golflengte van lichtstralen is kleiner dan de golflengte van warmtestralen. Als licht op een voorwerp valt gaat er energie verloren en worden er lichtstralen omgezet in warmtestralen. Je merkt  deze omzetting van licht in warmte als je achter glas staat. Glas laat gemakkelijker  licht door dan warmte. Hierdoor is het in een kas altijd warmer dan buiten.

 


2 Lichthoeveelheid
De eenheid van  lichtsterkte is lux of lumen per m2. De lichtsterkte wordt gemeten met een luxmeter.
’s Zomers is het lichter dan in de winter. Hierdoor zullen planten in de zomer harder groeien dan in de winter.  Oorzaken daarvoor zijn de invalshoek van het licht en de daglengte. Ook wordt de lichtsterkte be‹nvloed door weersinvloeden en de standplaats van een plant.

digitale luxmeter

2.1 Lichtmeting
Met onze ogen kunnen wij waarnemen of het een donkere dag is of een heldere. Kleine verschillen kunnen we  echter niet waarnemen . Dit komt doordat onze ogen zich, zonder dat wij dit ervaren, door middel van de pupil aanpassen aan de hoeveelheid licht .
Om de lichtwaarde in een ruimte nauwkeurig vast te stellen heb je meetapparatuur nodig. De eenheid voor lichthoeveelheid is lux (lumen per m2). De lichthoeveelheid wordt gemeten met een luxmeter. Elke luxmeter is anders. Vaak werken ze digitaal. Je kunt er lichtsterkten mee meten tot 200.000 lux. Aan het apparaat zit een snoertje met een fotocel (oog). Dit “oog” richt je horizontaal naar het te meten punt. Ook zijn er apps beschikbaar op de mobiele telefoon.
Een luxmeter kun je instellen op kleine of op grote lichthoeveelheden. Om te voorkomen dat de meter doorslaat en stuk gaat begin je altijd bij de hoogste schaal. In deze stand kun je de lichtsterkte inschatten en bepalen of je een of meerdere schalen omlaag kan. Sommige meters werken met een kapje. Dit moet je gebruiken bij grote lichtsterkten.

2.2 Invalshoek van het licht

Bij een lage zonnestand (winter) is de weg van de zonnestralen door de dampkring lang. Er treedt dan meer energieverlies op dan bij een hoge zonnestand. Met andere woorden: De energieke blauwe straling verandert in minder energieke rode straling. Bij een lage zonnestand moet de lichtbundel over een grotere oppervlakte worden verdeeld dan bij een hoge zonnestand. In de zomer bij zon hebben we een lichtsterkte van ongeveer 10.000 lux.

 

 

 

2.3 Daglengte
’s Zomers is het licht niet alleen sterker maar is het aantal uren licht veel groter. Samen heeft dit tot gevolg dat er ’s zomers ongeveer 10 keer zoveel licht is dan ’s winters.

 

 

 

 

 

 

2.4 Weersinvloeden

 

 

 

 

 

 

 

Bij helder weer wordt licht onderschept door de dampkring. Luchtvervuiling speelt hierbij een belangrijke rol. Bij bewolking wordt veel licht teruggekaatst of door de wolken opgenomen. Hierdoor kan de bewolking oplossen. Bij een volledig bewolkte hemel wordt slechts 20% van het zonlicht door gelaten. Verder zorgen bewolking, luchtvervuiling, vliegtuigstrepen  en schaduw  voor verstrooiing van het licht. Het licht verandert dan van richting en verliest daardoor aan energie.

3     Standplaats
De zon komt op in het oosten, staat ’s middags in het zuiden en gaat ’s avonds in  het westen onder.  Als daarin meeneemt dat de zon om 12 uur ’s middags (wintertijd) op zijn hoogst staat weet je dat planten die op het zuiden staan het meeste licht krijgen. Het noorden is het minst licht. Kamerplanten staan vaak voor het raam. Dat is niet voor niets. Alhoewel glas licht tegenhoudt is het dicht bij het raam aanmerkelijk lichter dan een eindje van het raam vandaan.

In de natuurkunde zegt men: De lichthoeveelheid is omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand. Dit wil zeggen:
Als de afstand 2 keer zo groot wordt,  wordt de lichthoeveelheid 4 keer zo klein .

4     Kunstlicht

Elke  lichtbron heeft een specifiek kleurenspectrum. Deze kun je zichtbaar maken met een prisma. Je kent dat van de regenboog.
Planten hebben voor hun energievoorziening een aantal van deze kleuren nodig. Soms wil je deze kleuren kunstmatig toedienen. Denk aan een kwekerij in de winterperiode en aan kamerplanten op een donkere plaats. Omdat het toedienen van kunstlicht veel energie kost, heeft de industrie lampen ontwikkeld met enkel die kleuren die de plant nodig heeft. Bekend zijn het oranje en paarse licht dat je vaak in kasgebieden ziet. Door het gebruik van speciale plantenlampen wordt geen energie verspild aan kleuren die voor de plantengroei geen waarde hebben.

LED-lamp

De ontwikkeling gaat snel.  Lang heeft men gebruik gemaakt van lampentypen als gloeilamp, halogeenlamp, fluoricentielamp , hoge drukkwiklamp, gasontladingslamp(TL), lage druk natriumlamp, spaarlamp en hoge druk natriumlamp. Al deze lampen zijn geschikt voor het gestelde doel maar hebben als nadeel dat ze veel energie gebruiken en een relatief korte levensduur hebben.  Om die reden kom je ze nog maar weinig tegen. Ze zijn vervangen door energiezuinige LED-lampen die de nadelen van de oudere lamptypes niet hebben.

5     Licht gebruiken in de winkel
De beroemde Italiaanse regisseur Federico Fellini filmde het liefst in de studio. Toen hem ooit in een interview werd gevraagd naar het waarom, antwoordde hij: ‘Ik kan buiten niet vragen of de zon een eindje naar links kan.’ Voor film is licht en belichting essentieel, maar ook in presentaties kan licht een belangrijke rol spelen.
Je weet al dat licht noodzakelijk is voor het onderscheiden van kleuren. Maar je kunt nog meer doen met licht.

5.1 Sfeer
De sfeer in de winkel bepaal je grotendeels door toepassing van kunstlicht. Zonlicht is weliswaar natuurlijker licht, maar het is niet constant. De zon draait ten opzichte van de winkel. En bovendien is er de ene dag meer bewolking dan de andere. Met licht maak je artikelen zichtbaar en met behulp van gericht licht, de zogenaamde accentverlichting, kan de attentiewaarde van bepaalde artikelen worden verhoogd. Door met licht en schaduw- plekken te werken kun je de klant de winkel in leiden. Bij een goede winkelpresentatie zijn inrichting en verlichting op elkaar afgestemd.

De binnenverlichting kan globaal worden ingedeeld in drie soorten:
–     Basisverlichting:
heeft een algemeen karakter en zorgt voor een gelijkmatige verlichting van de winkelruimte. Meestal is deze aan het plafond bevestigd. buis-verlichting wordt het meest gebruikt.
–     Accentverlichting:
wordt gebruikt voor het aanlichten van objecten zoals een bloemenhoek, aardewerkgroepen of displays. Het vestigt de aandacht van de consument op een artikel of een groep. Hiervoor kunnen ver- schillende lichttypen worden gebruikt:
–   Gericht licht wordt gestuurd, maar heeft geen sterke afbakening. Een voordeel hiervan is dat er geen abrupte overgangen ontstaan tussen lichte en donkere plekken
–     Gebundeld licht wordt gebruikt bij artikelen waarop men nadrukkelijk de aandacht wil vestigen. Het licht straalt in een begrensde bundel op het object. Vaak wordt hier een kopspiegellamp voor gebruikt.
–     Etalageverlichting:
de eerste indruk die potentiële klanten van een winkel krijgen, is de etalage. De verlichting moet passen bij de sfeer en het imago van de winkel. In de etalage dient het niveau wat hoger te liggen. Hierdoor wordt het spiegeleffect verminderd.

5.2   Licht in presentaties
Als je licht gaat gebruiken in een presentatie, zijn er diverse zaken waar je op moet letten.
–     Zoals je misschien weet, heeft elk soort verlichting een bepaalde uitstraling.
Zorg dat die past bij je winkel. Als slager zou je bijvoorbeeld kiezen voor een heldere koele kleur tl-verlichting. In een kledingzaak werken lampen die een warme kleur uitstralen beter. Voor een bloemenzaak is het moeilijk een algemeen advies te geven. Koel licht wijst op goede zorg voor de bloemen, warm licht geeft een meer huiselijke sfeer.
–     Besteed zorg aan de verlichting en kies niet voor de gemakkelijkste oplossing. Het resultaat is anders vaak een ‘dertien-in-een-dozijn’-opstelling. Originaliteit in je verlichting geeft een indruk van je creativiteit. Speel met de  hoeveelheid  licht,  overvloedig  of  juist  spaarzaam,  en  laat  het  van onverwachte  kanten  komen. Voorbeelden zijn voetlicht waarbij het licht van onder naar boven schijnt of tegenlicht waarbij de lamp het artikel van de achterkant belicht.
–     Zorg dat je verlichting niet hinderlijk is voor de klanten. Niets is zo vervelend als fel licht in je gezicht of een knipperende tl-buis.
–     Zorg dat je de verlichting eenvoudig kunt veranderen. Een railsysteem waarop je spotjes kunt verplaatsen, is erg gemakkelijk.

6     Energieverbruik en kosten
Ondanks de opkomst van energiezuinige lampen blijft verlichting een belangrijk deel uitmaken van het elektriciteitsgebruik.  Het energieverbruik af van het elektrisch vermogen van de installatie en het aantal branduren. Hoe meer je deze kunt beperken, hoe sterker het energieverbruik daalt. Dat betekent minder kosten. Het verlichtingsniveau moet daarom niet hoger zijn dan noodzakelijk is. Gebruik naast energiezuinige lampen ook efficiënte armaturen. Schakelklokjes en schemerschakelaars zorgen ervoor dat verlichting tijdig uitschakelt en overbodige branduren worden voorkomen.

7     Wanneer verlichting?
In het dagelijks leven ben je zuinig met energie en heb je een lamp alleen aan als je zonder niet kunt zien. Maar in een winkel gelden andere ‘wetten’. De verlichting is niet alleen bedoeld om beter te kunnen zien, maar ook om op te vallen. Een goed verlichte etalage heeft stopkracht. Mensen zullen er minder snel aan voorbij lopen dan ze bij een niet- of slecht verlichte etalage doen.
Daarom moet er in ieder geval verlichting in de etalage zijn:
–     vanaf de schemering tot ’s avonds laat;
–     overdag bij somber weer;
–     overdag in diepe portieken of onder zonneschermen;
–     overdag bij helder weer, als er sprake is van hinderlijke schittering of spiegeling van ruiten.

Een reactie plaatsen