Oppotten en verpotten

Inleiding
Plantjes kunnen gezaaid worden in kistjes of gestekt in een stekbakje. Als ze gaan groeien, worden die kistjes of bakjes echter al snel te klein. De plantjes worden dan alleen of met een aantal tegelijk in een potje gezet.

Je noemt dit oppotten.

Als je een pas vermeerderde plant voor de eerste keer in een bloempot zet heet dit oppotten. Verplaats je de plant van de ene pot in de andere dan heet dit verpotten of overpotten.

In de plaats van een pot kun je natuurlijk ook een andere container gebruiken.

 

Redenen
Door planten in potten te zetten blijven ze verplaatsbaar en het hele jaar verplantbaar. Dit laatste is van belang bij kamerplanten en tuinplanten.
Redenen om de planten in een later stadium te verpotten kunnen zijn:
– plant is te groot geworden
– potgrond is verzilt, verzuurd en uitgeput
– potgrond neemt geen water meer op (is irreversibel geworden door uitdroging)

Potten en andere containers
Wat wij bloempot noemen is in feiten een plantenpot. Omdat een bak een container wordt genoemd gebruikt men dit woord ook als verzamelnaam voor alles waarin je planten uitplant. Dus voor bloempotten, plantenbakken en allerlei decoratiematerialen. Meestal heeft men het bij containers over grote potten.

We kunnen kiezen tussen kunststof bloempotten of aardewerk potten. De potmaat wordt uitgedrukt in cm en heeft betrekking om de grootste doorsnede. Bij kunststof potten staat de maat afgedrukt op de onderkant van de bloempot.

Verpotten
Bij het verpotten kiezen we meestal een pot die 2 maten groter is dan de oorspronkelijke pot. Het is van belang om voor het verpotten de oude wortelkluit goed schoon te maken. Oude potgrond moet zoveel mogelijk verwijderd worden. Ook moet je de overbodige wortels weghalen.
Als de plant slecht uit de oude pot gaat werkt het vaak om de plant op zijn kop te houden en met de potrand op de tafelrand te tikken. Kunstof potten kun je open knippen.
Men kiest een potgrond die past bij de plant. Als er geen speciale grond beschikbaar is kies je voor universele potgrond.

 

De werkwijze bij het oppotten en verpotten is afhankelijk van de grootte van de wortelkluit.
Hier zijn 3 manieren getekend.

 

Als de plant in de pot staat moet je de nieuwe potgrond goed tegen de oude kluit drukken. Er moet een gietrand overblijven.

 

 

 

Werkplek inrichten
Oppotten gebeurt handmatig of machinaal. In verband met het werktempo en de veiligheid is het, vooral als je grote hoeveelheden oppot, van belang om een goede werkhouding aan te nemen. Daarvoor is het van belang dat de opstelling en inrichting van de werkplek goed is. Vergeet de kisten niet waar je de planten die verpot zijn in kunt zetten. Dat geldt ook voor karren om de gevulde kisten op te zetten.
Hieronder zie je een geschikte opstelling bij handmatig oppotten.

Werkwijze
Zet de pot in het kistje en pak tegelijkertijd met je andere hand een lege pot . Vul grond bij.
Maak met de vinger van de ene hand een gaatje in het midden van de gevulde pot. Pak met de andere hand tegelijkertijd de plant en plaats die in een gaatje.
Schep met gesloten vingers grond in de pot.
Druk in één beweging grond en plant aan met de duimen. (Zorg dat de plant in het midden blijft staan.)
Zo als altijd geldt: Werk netjes en ruim na afloop op.

 

 

 

 

 

Mandwerk

Inhoud
1     Geschiedenis
2     Vervaardiging van manden
3     Eerlijke handel
4     Gebruik
5     Opslag van Mandwerk

Inleiding
Al eeuwen lang worden er van natuurlijke materialen voorwerpen gemaakt die kunnen worden gebruikt om iets in op te bergen of te vervoeren. Ook bij het maken van bloemwerk komen we dit tegen. Denk maar eens aan de manden waarin bloemen werden verzameld.

1     Geschiedenis
Over het ontstaan en het gebruik van bloemenmanden kan men veel fantaseren. Het zal wel net zo gegaan zijn als met het boeket, bloemen samen gebonden met een lint. Zo zal men met het plukken van bloemen voor meerdere boeketten, geïnspireerd zijn door de rijke aanblik van de bloemenpracht in een verzamelmand.

biedermeiermand

In de beginperiode van de bloemsierkunst zie je dan ook dat er hoofdzakelijk hengsel- en dekselmanden gebruikt worden. Vooral in de Biedermeier-periode (+ 1820 – 1850) komt de mand als ondergrond voor het bloemwerk tot grote ontwikkeling. De bekende Biedermeiervorm is vandaag de dag nog in gebruik. Vooral op tentoonstellingen en in grote uitvoeringen ( ± 1.50 m – 2.00 m) is dit een zeer geliefd klassiek werkstuk.

2     Vervaardiging van manden

Er zijn nauwelijks verschillen in productie van mandwerk als je verschillende materialen gebruikt. Alle manden worden ongeveer op dezelfde manier gemaakt. Er zijn wel verschillende manieren van vervaardiging zoals vlechten, ringetjes maken en weven.

In Nederland liggen de arbeidskosten hoog. Daarom worden de arbeidsintensieve manden vaak in landen met goedkope arbeidskrachten vervaardigd. Maar ook in Nederland worden er nog steeds manden gevlochten. Vaak kom je het tegen op braderieën of bij presentaties van oude ambachten. Manden vlechters gebruiken meestal Hollandse materialen. Hun producten kom je in bijna elk huishouden tegen denk aan de hondenmand, de wasmand, het mandje voor op de fiets, enzovoort.

Waarom manden veel gebruikt worden bij het maken van bloemwerk komt door de natuurlijke uitstraling.
Een probleem is echter dat manden niet waterdicht zijn. Vroeger werd dat opgelost met behulp van vetvrij papier. Als alternatief werd later blik of glas gebruikt, ook een voordelige en lichte kunststof pot is goed bruikbaar. Tegenwoordig zie je steeds meer mandjes met een kant- en klare voering van plastic. Het probleem daarbij blijft wel het gevaar van lekkage doordat er gemakkelijk gaatjes in het plastic kunnen komen.

Om iets zinnigs te kunnen zeggen over de ondergrond en de eigenschappen ervan is het wel belangrijk dat je weet van welk materiaal het is vervaardigd. Manden worden gemaakt van plantaardig materiaal. Elk land kent hiervoor zijn eigen materialen. In Nederland wordt gebruik gemaakt van Wilgenteen. Voor het vlechten van manden zijn de twijgen van de Salix, oftewel de wilg, zeer geschikt. De zogenaamde wilgentenen (ook wel griendhout genoemd) worden speciaal voor het vlechtwerk gekweekt. De wilgentenen worden voor verschillende soorten  manden gebruikt.
Verder zien we in Nederland ook veel manden van ander materiaal. Deze producten zijn dan geïmporteerd als grondstof of als kant-en-klaar product.

wilg

Uitgangsmaterialen
De belangrijkste materialen waarvan mandwerk gemaakt wordt zijn:

Teen
Dit is één van de vele wilgensoorten. (Salix)
We kennen drie soorten teen, n.l.
– Grauwe teen
Dit is teen in zijn oorspronkelijke staat met de bast er nog omheen. Het is donker van kleur.
– Bufteen
Dit is grauwe teen die na een kookproces van 24 uur wordt geschild met een schilijzer of machine. Het is dan roodbruin van kleur.
– Witte teen
Dit is de normale grauwe teen die eerst in water wordt gezet waardoor deze doorgroeit. Zodoende kan men makkelijk de bast eraf halen met een schilijzer of machine.
Na het schillen blijft de kleur licht.

Rotan

rotan

Is de stengel van de liaanachtige, klimmende palmsoort. (Calamus siphomaspathus. Deze komt veel voor in Indonesië en groeit 25 tot 40 meter in één jaar tijd.

 

 

 

Pitriet

pitriet

Is de kern van Rotan die op diverse dikten wordt gesneden waardoor uitstekend vlechtmateriaal ontstaat. Pitriet wordt om het een witte kleur te geven vaak gebleekt.

 

 

 

 

Bamboe

bamboe

Is een zeer snel groeiende grassoort met verhouten stengels. Het wordt vaak gespleten verwerkt tot mandjes. Bekend zijn de bamboestokken die bij planten als steun dienen.

 

 

 

Raffia

raffia

Wordt gemaakt van de bladvezels van de Raffia palm. Het wordt meestal in natuurlijke kleur verwerkt en soms ook geverfd. We kennen in de praktijk ook het zgn. “Kunstraffia”. Dit wordt veel gebruikt voor het binden van boeketten.

 

 

 

 

kokosvezel

Kokosvezel
Komt van de bladvoet van de bladeren van de kokospalm. Het materiaal wordt gedroogd daarna verwerkt. Je kunt het gebruiken bij de verwerking van droogbloemen

 

 

 

 

 

berk

Berk
De bast kun je in combinatie met takken verwerken tot mandjes.

 

 

 

 

Lavendel en Calluna (heide)
Hiervan worden vaak mandjes vervaardigd waarin ook nog de bloemen (in gedroogde vorm) te herkennen zijn.

 

Overige soorten die veel voor kunnen komen zijn:

kastanjevezel
maïs biezen
haverstro
hennep
zeegras

 

 

3     Eerlijke handel
Bij de productie van mandwerk, maar ook van andere producten, in zogenaamde lage lonenlanden kunnen kinderarbeid en andere vormen van uitbuiting voorkomen.
Om dat tegen te gaan controleren Westerse organisaties steeds vaker de herkomst en de omstandigheden waaronder hun producten worden gemaakt. Max Havelaar is zo’n organisatie die bananen, koffie en chocola verkoopt..Je kunt Max Havelaar producten kopen bij de supermarkt en ze zijn herkenbaar aan een speciaal logo. Andere producten als mandwerk kun je kopen in zogenaamde fairtrade winkels. Vaak betaal je wat meer dan in andere winkels, maar je weet dan wel zeker dat er van misstanden geen sprake is en dat de vlechters een eerlijke prijs voor hun producten hebben gekregen.

4     Gebruik
Er zijn verschillende redenen om mandwerk te gebruiken:
–     mandwerk is tijdloos;
–     mandwerk kan makkelijk in elke gewenste kleur gespoten worden (Pasen, Kerst, Moederdag, enz.);
–     de prijs van mandwerk is aantrekkelijk door goedkope import uit verschillende landen (China, Filippijnen, e.d.);
–     doordat veel mandwerk met plastic “gevoerd” is, geeft dit geen technische bezwaren. We kunnen b.v. direct een plant inplanten. (Bij het gebruik met steekschuim wel dubbel plastic gebruiken!)

Wanneer wij manden gebruiken om er een droogstuk in te maken, kan het nodig zijn de mand te verzwaren met b.v. een flinke steen. Verder is het belangrijk om mandwerk droog, donker en stofvrij te bewaren.
Mandwerk is er in zeer veel vormen die elk hun eigen mogelijkheden hebben om er in te schikken. Zo zijn er de klassieke biedermeiermanden maar ook zeer strakke vormen.

5     Opslag van Mandwerk
Te veel vocht kan lelijke vlekken veroorzaken. En leiden tot schimmel. Met name lichte manden zijn hier gevoelig voor. Aan de andere kant beperkt ook te droge opslag de levensduur van het mandwerk. Het wordt dan erg broos, Onder invloed van licht kunnen er verkleuringen optreden. Zo kunnen gebleekte manden gelig worden en bruine manden kunnen vergrijzen. Stof kan zich in en op mandwerk goed nestelen en draagt ook niet bij tot een lange levensduur. Probeer dit dus te vermijden.
Voor bloemisten houdt het inkopen van naturel mandwerk geen enkel risico in. Wanneer het wat verkleurt kun je d.m.v. een spuitbus voor elke gelegenheid iets passends leveren, (Pasen: geel; Kerst: rood; geboorte roze of blauw etc.)

 

 

 

Licht en warmte

Inhoud

1 Licht en warmte
2 Lichthoeveelheid
2.1 Lichtmeting
2.2 Invalshoek van het licht
2.3 Daglengte
2.4 Weersinvloeden
3     Standplaats
4     Kunstlicht
5     Licht gebruiken in de winkel
5.1 Sfeer
5.2   Licht in presentaties
6     Energieverbruik en kosten
7     Wanneer verlichting?

Inleiding
Alles draait om energie. Zonder energie is er geen leven.  Omdat alle energie, direct of indirect van het zonlicht komt kun je daarom stellen dat licht de enige bron van leven is.
Organismen met bladgroen zijn in staat om lichtenergie rechtstreeks te gebruiken als energiebron. Bij de fotosynthese binden ze deze energie in koolhydraten (suikers en vetten.) De overige organismen moeten energie opnemen via de voeding. In feiten is dit de energie die door de groen organismen is gebonden.

Fotosynthese

Je kunt ook zeggen dat groene planten altijd licht nodig hebben. Ze kunnen geen brandstoffen opnemen via de voeding.  Andere  organismen kunnen ook zonder licht leven.

1 Licht en warmte
Onze leefomgeving zit vol met straling. Straling is een vorm van energie met een bepaalde golflengte. Zo kennen we bijv. radiogolven, licht, warmte en röntgen. Straling kent vele bronnen. Een daarvan is de zon.

Niet alle golflengten kunnen door de mens waargenomen worden; Slechts een klein deel hiervan is zichtbaar licht. De straling van dit licht is onder te verdelen in verschillende golflengten en met een bepaalde hoeveelheid energie.
Licht is opgebouwd uit diverse kleuren. Wanneer we daglicht breken zien we de kleuren rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Infrarood en ultra violet vallen buiten het zichtbare licht maar worden wel door de zon uitgezonden.

Violet en blauw hebben een veel grotere hoeveelheid energie dan rood. (meer energie wordt veroorzaakt door een kleinere golflengte) Dat wil zeggen dat blauw licht een betere groeikracht levert dan rood licht. In Nederland zie je de verschillen in straling terug in de natuur. In het voorjaar bereiken ons meer violet en blauwe stralingen dan rode dus ook meer energie. Mede hierdoor gaan planten in het voorjaar hun wortels ontwikkelen en groeien. In de nazomer zien we praktisch geen groei meer.
Je kunt dit aan je eigen lichaam ook waarnemen, in het voorjaar en begin van de zomer word je sneller bruin dan in het najaar. Verbranding wordt veroorzaakt door het ultra violette licht.

De golflengte van lichtstralen is kleiner dan de golflengte van warmtestralen. Als licht op een voorwerp valt gaat er energie verloren en worden er lichtstralen omgezet in warmtestralen. Je merkt  deze omzetting van licht in warmte als je achter glas staat. Glas laat gemakkelijker  licht door dan warmte. Hierdoor is het in een kas altijd warmer dan buiten.

 


2 Lichthoeveelheid
De eenheid van  lichtsterkte is lux of lumen per m2. De lichtsterkte wordt gemeten met een luxmeter.
’s Zomers is het lichter dan in de winter. Hierdoor zullen planten in de zomer harder groeien dan in de winter.  Oorzaken daarvoor zijn de invalshoek van het licht en de daglengte. Ook wordt de lichtsterkte be‹nvloed door weersinvloeden en de standplaats van een plant.

digitale luxmeter

2.1 Lichtmeting
Met onze ogen kunnen wij waarnemen of het een donkere dag is of een heldere. Kleine verschillen kunnen we  echter niet waarnemen . Dit komt doordat onze ogen zich, zonder dat wij dit ervaren, door middel van de pupil aanpassen aan de hoeveelheid licht .
Om de lichtwaarde in een ruimte nauwkeurig vast te stellen heb je meetapparatuur nodig. De eenheid voor lichthoeveelheid is lux (lumen per m2). De lichthoeveelheid wordt gemeten met een luxmeter. Elke luxmeter is anders. Vaak werken ze digitaal. Je kunt er lichtsterkten mee meten tot 200.000 lux. Aan het apparaat zit een snoertje met een fotocel (oog). Dit “oog” richt je horizontaal naar het te meten punt. Ook zijn er apps beschikbaar op de mobiele telefoon.
Een luxmeter kun je instellen op kleine of op grote lichthoeveelheden. Om te voorkomen dat de meter doorslaat en stuk gaat begin je altijd bij de hoogste schaal. In deze stand kun je de lichtsterkte inschatten en bepalen of je een of meerdere schalen omlaag kan. Sommige meters werken met een kapje. Dit moet je gebruiken bij grote lichtsterkten.

2.2 Invalshoek van het licht

Bij een lage zonnestand (winter) is de weg van de zonnestralen door de dampkring lang. Er treedt dan meer energieverlies op dan bij een hoge zonnestand. Met andere woorden: De energieke blauwe straling verandert in minder energieke rode straling. Bij een lage zonnestand moet de lichtbundel over een grotere oppervlakte worden verdeeld dan bij een hoge zonnestand. In de zomer bij zon hebben we een lichtsterkte van ongeveer 10.000 lux.

 

 

 

2.3 Daglengte
’s Zomers is het licht niet alleen sterker maar is het aantal uren licht veel groter. Samen heeft dit tot gevolg dat er ’s zomers ongeveer 10 keer zoveel licht is dan ’s winters.

 

 

 

 

 

 

2.4 Weersinvloeden

 

 

 

 

 

 

 

Bij helder weer wordt licht onderschept door de dampkring. Luchtvervuiling speelt hierbij een belangrijke rol. Bij bewolking wordt veel licht teruggekaatst of door de wolken opgenomen. Hierdoor kan de bewolking oplossen. Bij een volledig bewolkte hemel wordt slechts 20% van het zonlicht door gelaten. Verder zorgen bewolking, luchtvervuiling, vliegtuigstrepen  en schaduw  voor verstrooiing van het licht. Het licht verandert dan van richting en verliest daardoor aan energie.

3     Standplaats
De zon komt op in het oosten, staat ’s middags in het zuiden en gaat ’s avonds in  het westen onder.  Als daarin meeneemt dat de zon om 12 uur ’s middags (wintertijd) op zijn hoogst staat weet je dat planten die op het zuiden staan het meeste licht krijgen. Het noorden is het minst licht. Kamerplanten staan vaak voor het raam. Dat is niet voor niets. Alhoewel glas licht tegenhoudt is het dicht bij het raam aanmerkelijk lichter dan een eindje van het raam vandaan.

In de natuurkunde zegt men: De lichthoeveelheid is omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand. Dit wil zeggen:
Als de afstand 2 keer zo groot wordt,  wordt de lichthoeveelheid 4 keer zo klein .

4     Kunstlicht

Elke  lichtbron heeft een specifiek kleurenspectrum. Deze kun je zichtbaar maken met een prisma. Je kent dat van de regenboog.
Planten hebben voor hun energievoorziening een aantal van deze kleuren nodig. Soms wil je deze kleuren kunstmatig toedienen. Denk aan een kwekerij in de winterperiode en aan kamerplanten op een donkere plaats. Omdat het toedienen van kunstlicht veel energie kost, heeft de industrie lampen ontwikkeld met enkel die kleuren die de plant nodig heeft. Bekend zijn het oranje en paarse licht dat je vaak in kasgebieden ziet. Door het gebruik van speciale plantenlampen wordt geen energie verspild aan kleuren die voor de plantengroei geen waarde hebben.

LED-lamp

De ontwikkeling gaat snel.  Lang heeft men gebruik gemaakt van lampentypen als gloeilamp, halogeenlamp, fluoricentielamp , hoge drukkwiklamp, gasontladingslamp(TL), lage druk natriumlamp, spaarlamp en hoge druk natriumlamp. Al deze lampen zijn geschikt voor het gestelde doel maar hebben als nadeel dat ze veel energie gebruiken en een relatief korte levensduur hebben.  Om die reden kom je ze nog maar weinig tegen. Ze zijn vervangen door energiezuinige LED-lampen die de nadelen van de oudere lamptypes niet hebben.

5     Licht gebruiken in de winkel
De beroemde Italiaanse regisseur Federico Fellini filmde het liefst in de studio. Toen hem ooit in een interview werd gevraagd naar het waarom, antwoordde hij: ‘Ik kan buiten niet vragen of de zon een eindje naar links kan.’ Voor film is licht en belichting essentieel, maar ook in presentaties kan licht een belangrijke rol spelen.
Je weet al dat licht noodzakelijk is voor het onderscheiden van kleuren. Maar je kunt nog meer doen met licht.

5.1 Sfeer
De sfeer in de winkel bepaal je grotendeels door toepassing van kunstlicht. Zonlicht is weliswaar natuurlijker licht, maar het is niet constant. De zon draait ten opzichte van de winkel. En bovendien is er de ene dag meer bewolking dan de andere. Met licht maak je artikelen zichtbaar en met behulp van gericht licht, de zogenaamde accentverlichting, kan de attentiewaarde van bepaalde artikelen worden verhoogd. Door met licht en schaduw- plekken te werken kun je de klant de winkel in leiden. Bij een goede winkelpresentatie zijn inrichting en verlichting op elkaar afgestemd.

De binnenverlichting kan globaal worden ingedeeld in drie soorten:
–     Basisverlichting:
heeft een algemeen karakter en zorgt voor een gelijkmatige verlichting van de winkelruimte. Meestal is deze aan het plafond bevestigd. buis-verlichting wordt het meest gebruikt.
–     Accentverlichting:
wordt gebruikt voor het aanlichten van objecten zoals een bloemenhoek, aardewerkgroepen of displays. Het vestigt de aandacht van de consument op een artikel of een groep. Hiervoor kunnen ver- schillende lichttypen worden gebruikt:
–   Gericht licht wordt gestuurd, maar heeft geen sterke afbakening. Een voordeel hiervan is dat er geen abrupte overgangen ontstaan tussen lichte en donkere plekken
–     Gebundeld licht wordt gebruikt bij artikelen waarop men nadrukkelijk de aandacht wil vestigen. Het licht straalt in een begrensde bundel op het object. Vaak wordt hier een kopspiegellamp voor gebruikt.
–     Etalageverlichting:
de eerste indruk die potentiële klanten van een winkel krijgen, is de etalage. De verlichting moet passen bij de sfeer en het imago van de winkel. In de etalage dient het niveau wat hoger te liggen. Hierdoor wordt het spiegeleffect verminderd.

5.2   Licht in presentaties
Als je licht gaat gebruiken in een presentatie, zijn er diverse zaken waar je op moet letten.
–     Zoals je misschien weet, heeft elk soort verlichting een bepaalde uitstraling.
Zorg dat die past bij je winkel. Als slager zou je bijvoorbeeld kiezen voor een heldere koele kleur tl-verlichting. In een kledingzaak werken lampen die een warme kleur uitstralen beter. Voor een bloemenzaak is het moeilijk een algemeen advies te geven. Koel licht wijst op goede zorg voor de bloemen, warm licht geeft een meer huiselijke sfeer.
–     Besteed zorg aan de verlichting en kies niet voor de gemakkelijkste oplossing. Het resultaat is anders vaak een ‘dertien-in-een-dozijn’-opstelling. Originaliteit in je verlichting geeft een indruk van je creativiteit. Speel met de  hoeveelheid  licht,  overvloedig  of  juist  spaarzaam,  en  laat  het  van onverwachte  kanten  komen. Voorbeelden zijn voetlicht waarbij het licht van onder naar boven schijnt of tegenlicht waarbij de lamp het artikel van de achterkant belicht.
–     Zorg dat je verlichting niet hinderlijk is voor de klanten. Niets is zo vervelend als fel licht in je gezicht of een knipperende tl-buis.
–     Zorg dat je de verlichting eenvoudig kunt veranderen. Een railsysteem waarop je spotjes kunt verplaatsen, is erg gemakkelijk.

6     Energieverbruik en kosten
Ondanks de opkomst van energiezuinige lampen blijft verlichting een belangrijk deel uitmaken van het elektriciteitsgebruik.  Het energieverbruik af van het elektrisch vermogen van de installatie en het aantal branduren. Hoe meer je deze kunt beperken, hoe sterker het energieverbruik daalt. Dat betekent minder kosten. Het verlichtingsniveau moet daarom niet hoger zijn dan noodzakelijk is. Gebruik naast energiezuinige lampen ook efficiënte armaturen. Schakelklokjes en schemerschakelaars zorgen ervoor dat verlichting tijdig uitschakelt en overbodige branduren worden voorkomen.

7     Wanneer verlichting?
In het dagelijks leven ben je zuinig met energie en heb je een lamp alleen aan als je zonder niet kunt zien. Maar in een winkel gelden andere ‘wetten’. De verlichting is niet alleen bedoeld om beter te kunnen zien, maar ook om op te vallen. Een goed verlichte etalage heeft stopkracht. Mensen zullen er minder snel aan voorbij lopen dan ze bij een niet- of slecht verlichte etalage doen.
Daarom moet er in ieder geval verlichting in de etalage zijn:
–     vanaf de schemering tot ’s avonds laat;
–     overdag bij somber weer;
–     overdag in diepe portieken of onder zonneschermen;
–     overdag bij helder weer, als er sprake is van hinderlijke schittering of spiegeling van ruiten.

Kunstbloemen en -planten

Inleiding
Rond 1960 was het normaal als er in de huiskamer een vaas met fel gekleurde kunststof bloemen stond. De bloemen uit die tijd waren erg opvallend. Vaak zaten er zelfs lampjes in om ze als schemerlamp te gebruiken. Namaak, mooier dan de werkelijkheid,  paste in de trends van die periode.
In de jaren 70 kon dit niet meer. Onder de noemer “terug naar de natuur” moest alles echt zijn en verdwenen de kunstbloemen uit de interieurs. De laatste jaren worden kunstproducten gebruikt als aanvulling en vervanging van levende producten.

Herkomst
Kunstplanten en bloemen worden oneerbiedig ook wel namaak genoemd. Ze zo gemaakt dat ze zo weinig mogelijk van echt te onderscheiden zijn.

Basisproducten als bladeren en takken worden over de hele wereld geproduceerd. Daarna worden er herkenbare producten van gemaakt. Dit is erg arbeidsintensief en wordt daarom vooral uitgevoerd in landen met lage lonen. Hierdoor zijn de producten betaalbaar en concurrerend. Om zo weinig mogelijk transportruimte in te nemen worden de producten samengevouwen. Zo komen ze vaak binnen in het tuincentrum.

Voor de mensen in de ontwikkelingslanden betekent het inkomen. Omdat het voor de  betreffende mensen een inkomen betreft waarvan ze kunnen leven hoeven wij ons niet bezwaard te voelen. Het alternatief zou in veel gevallen geen inkomen zijn. Anders wordt het als het om kinderarbeid gaat.
Het creatieve werk gebeurt vooral in Amerika en Europa. Hier worden de planten in vorm gebogen en in bakken geplaatst. In opdracht worden complete interieurs aangekleed met kunstplanten. Eenvoudig bloemwerk wordt in de producerende landen samengesteld. Zodra het om bijzonder werk gaat gebeurt dat weer in de landen waar het wordt toegepast.

Sortiment
Voor het produceren van kunstplanten en bloemen gebruikt men kunstzijde. kunststof, draad en geprepareerde stammen. Verder gebruikt men middelen om te verven en te prepareren. In ruimtes waar zich meer dan 50 personen mogen bevinden is het verplicht om met brandvertragende producten te werken. Dit geldt ook voor instellingen met niet redzame personen als ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, instellingen waar personen niet zelf de deur open kunnen/mogen maken, gevangenissen  en dergelijke. Er zijn speciale bedrijven die dit prepareren uitvoeren. Als levende producten dusdanig behandeld zijn dat ze kunst benaderen spreekt men over gestabiliseerde producten.

Praktisch alle producten, uit de sierteelt, worden nagemaakt in kunststof of kunstzijde. Ze worden los verkocht aan de particulier, maar vooral gebruikt door bedrijven die aan interieurbeplanting en interieurversiering doen. Deze bedrijven sluiten contracten af met afspraken over verzorging en vervanging. Ook komt het veel voor dat kunstbloemen en –planten verhuurd worden voor speciale gelegenheden.

Kunstbloemen en –planten worden binnen en buiten toegepast. Veel kom je ze tegen in kantoren, in showrooms, in openbare gebouwen, op beursen, Ze geven de mogelijkheid om exotische sferen na te bootsen.

Voorbeelden van producten zijn:
– De kunstkerstboom
– Kunstgras
– Vruchten en zaden
– Takken
– Kamerplanten: blad en bloeiend
– Snijbloemen
– Palmen
– Cactussen
– Bomen
– Struiken
– Arrangementen van bloemen, planten en vruchten

Voor- en nadelen
Veel mensen uit het groene vak staan kritisch tegenover het gebruik van dit soort producten. Het ambachtelijke van het werken met levende producten staat bij hun in een hoog vaandel. Ze vinden het maar niets dat producten neergezet worden op plaatsen waar ze normaal niet zouden kunnen overleven en dat iedereen er mee kan omgaan. Anderzijds vergroten deze producten de mogelijkheden om bloemen en planten dichter bij de mens te brengen.

Voordelen van dit soort producten, vergeleken met levende producten zijn:
–     weinig onderhoud. Ze verwelken niet, gaan niet dood en hoeven niet vervangen te worden.
–     zijn niet van echt te onderscheiden.
–     zijn minder kwetsbaar. Aanraken is geen probleem en als ze met omgevingsstoffen in aanraking komen zullen ze weinig
last ondervinden. Ze worden niet aangetast door parasieten.
–     zijn overal toepasbaar. Beperkende factoren als licht, tocht en temperatuur zijn er praktisch niet
–     altijd in topconditie
–     te verwerken als levende producten.
–     licht van gewicht. Ze zijn gemakkelijk te hanteren doordat ze samengevouwen kunnen worden en weinig wegen.
–     binnen en buiten te gebruiken; winter en zomer. Kunststof planten voor buiten zijn zon-,regen en windbestendig.
Dus een oplossing waar echte planten geen overlevingskans hebben.

Nadelen van kunstproducten ten opzichte van levende producten zijn:
–     onnatuurlijk. Ze leven niet en zien er vaak mooier uit dan levende producten.
–     aanslag op de arbeidsmarkt. Producten gaan lang mee waardoor er geen verse
producten verkocht worden.
Weinig onderhoud. Weinig vakkennis nodig.
–     slecht voor het milieu. De onnatuurlijke grondstoffen doen een aanslag op de
voorraad aan olieproducten en
komen in het milieu terecht. Transport levert luchtvervuiling e.a. op.
Denk aan het probleem van de plastic soep.
–     geen zuiverende werking. Levende planten zuiveren de lucht door het opnemen
van koolzuurgas en het
afgeven van zuurstof. Ook worden schadelijke stoffen geneutraliseerd.
–     saai. Ze zien er altijd hetzelfde uit.

Onderhoud
Onderhoudswerkzaamheden als gieten, bemesten, ziekten bestrijden, snoeien en vervangen zijn niet nodig. Wel moet er toegezien worden op achteruitgang door vandalisme en stof. Ook moet de brandvertraging in de gaten gehouden worden.
Voor particulieren zijn er speciale reinigingssprays in de handel. Deze worden in tuincentra verkocht.
Kwalitatief goede kunstzijde en plastics kun je zonder problemen met warm water reinigen. Je kunt ze gewoon afspoelen. Doe je dit met andere producten dan zullen ze onherstelbaar beschadigen.
Bedrijven sluiten vaak onderhoudscontracten af met hun klanten. Afhankelijk van de vervuilingsgraad van de bloemen en planten worden de producten dan 1 x per jaar of per half jaar verzorgd. De praktijk leert dat 1 x per half jaar het beste voor de beplanting is. Gebouwen waar bijvoorbeeld airco is kunnen veelal met 1 x per jaar volstaan.

Dit onderhoud houdt in dat het complete product verzorgd wordt.
–     schoonmaken van de bloem of plant.
–     schoonmaken van de vaas of plantenbak.
–     indien nodig vastzetten.
–     in vorm brengen blad.
–     nieuw blad voorzien.

 

==========================================

BRONNEN

Jan Cees Lont  Kunstplanten
Kunstplanten.nl   
Fiber Kunstplanten
Hydro Noord Kunstplanten
Impregneren van kunstplanten
Plantadvies
Plantenwacht Kunstzijde
Plantonderhoud
Ambius Zijde
Bedrijfsgroen
Zijdenbloemen.net
Sfeergroen
Artdeco flowers 

Kuipplanten

Inleiding
Kuipplanten zijn in het Nederlands klimaat die planten die niet winterhard zijn. Om ze toch te kunnen houden zetten we ze vaak in potten of kuipen. Vroeger zijn zo de oranjerieën ontstaan. Dit zijn ruimten die erg licht zijn en vorstvrij zodat de planten in de winter naar binnen konden. Vandaar ook nog het naamgebruik oranjerieplanten. De naam oranjerie heeft ook alles te maken met het feit dat vroeger de sinasappelboompjes erg populair waren. Een fraaie oranjerie is te zien in de hortus in Leiden. Er zijn tegenwoordig vele soorten kuipplanten te koop. Ook kunt u zelf stekken meenemen van uw vakantie en daar een kuipplanten van opkweken. Veel soorten kuipplanten zijn houtige gewassen.

Tibouchina

Toepassing
Kuipplanten zijn goede gasten op het terras. Maar ook ingegraven in de tuin vormen ze een fraaie aanvulling in de zomer. Verder zijn kuipplanten ideaal als balkonplant.

Verzorging
Kuipplanten vereisen intensieve verzorging. In het najaar voordat de nachtvorsten beginnen gaan de planten naar binnen. Planten in pot zijn gevoeliger voor vorst dan planten in de volle grond.

Aandachtspunten betreffende het overwinteren:
– Het is belangrijk dat je de planten niet te snel naar binnen haalt. Laat ze stilaan wennen aan lagere temperaturen, zodat ze een weerstand kunnen opbouwen en gewend raken aan de koudere omstandigheden.
– Bescherm echter steeds alle planten tegen de koude noorden- en oostenwind. Een oleander bijvoorbeeld kan een aantal graden vorst verdragen maar zal zeker en vast schade oplopen op een tochtige of niet-beschutte standplaats, waar hij blootgesteld staat aan deze droge, koude winden. Vooral bladhoudende planten zullen schade oplopen omdat ze water blijven verdampen langs de bladeren.
– Bescherm de planten de laatste dagen voor het binnenhalen tegen regen. Het is niet denkbeeldig dat een te natte wortelkluit in de winterperiode aanleiding geeft tot rotte wortels. Teveel vocht zal de planten ook blijven stimuleren om te groeien. Dit is uiteraard niet de bedoeling in een rustperiode.
– Geef de planten een opknapbeurt: uitgebloeide bloemen, dode takken, verdroogde en afgestorven bladeren weghalen. Planten uitdunnen en een voorlopige snoei geven. De definitieve snoei volgt in het voorjaar.
– Geef vanaf september ook geen meststof meer. De temperatuur daalt (vooral ’s nachts) en het licht vermindert (de dagen worden korter), hierdoor zal de groei verminderen. Extra meststof (en vooral de stikstof daarin) zou hen opnieuw stimuleren om te gaan groeien. De jonge scheuten die dan nog gemaakt worden kunnen niet voldoende meer afharden en zullen dus makkelijker invriezen of schade oplopen. Als je nog meststof geeft, neem dan een aangepaste meststof met veel fosfor en kali. Deze elementen geven de planten bescherming tegen winterse omstandigheden.
– Controleer of de planten niet aangetast zijn door insecten of schimmels. Zo ja , behandel ze dan meteen met aangepaste middelen voor ze de winterberging ingaan.

Hoe ziet de winterberging eruit ?
Of het nu om een garage, kelder, oranjerie of serre gaat, een winterberging moet aan een aantal eisen voldoen. Een lichte vorstvrije ruimte met minimum temperaturen die liggen tussen +5°C en +10°C (afhankelijk van de soort plant). Een woonkamer is dus uit den boze: te warm en te droge lucht.
Belangrijk is dat de temperaturen gedurende de rustperiode vrij constant zijn. Daarom goed isoleren zowel tegen koude als tegen warmte.
Op een zonnige winterse dag kan de temperatuur in een serre hoog oplopen. De warmte zal de planten stimuleren om scheuten te gaan aanmaken. Meestal lange zwakke scheuten, die toch moeten worden weggesnoeid .
Zorg dat in de ruimte een goede ventilatie mogelijk is: dit voorkomt schimmels. Vocht en warmte zijn namelijk de ideale kweekbasis voor schimmels en bacteriën.
Planten als Agapanthus, granaatappel (Punica granatum), canna’s en Brugmansia (datura’s) zijn tevreden met minder licht. Ook de Fuchsia kan op een donkere plek overwinterd worden.
Een vrij algemene regel: een bladhoudende plant heeft licht nodig, bladverliezende struiken minder.

Er zijn tegenwoordig kwekers die de planten voor u kunnen overwinteren. Veel tuincentra kunnen dit regelen.

Brugmansia

Bij strenge vorst kan het mogelijk zijn dat het niet lukt om de overwinteringplaats vorstvrij te houden. Je kunt de plant dan extra beschermen met bijvoorbeeld:
– noppenfolie
– vliesdoek
– stro
– jute

De belangrijkste verzorgingsregels:
– De kuipplanten tijdens de overwintering vrij matig water geven. Laat de planten niet uitdrogen maar wees steeds voorzichtig. De planten hebben maar weinig vocht nodig omdat ze ook weinig vocht verdampen. Natte potgrond geeft aanleiding tot rottende wortels. Vooral bij deze planten die in potten zitten.
– Vooral te mijden is vocht in combinatie met weinig licht.
– Planten in rust hebben geen voeding nodig. Je moet ze dus ook niet verpotten voor ze naar binnengaan.
– Planten regelmatig blijven controleren op aantastingen door ziektes of insecten.
– De temperatuur steeds onder controle houden.
– Regelmatig de ruimte luchten. Zeker bij hogere temperaturen. De planten mogen gerust ook eens naar buiten gehaald worden als de temperaturen dit toelaten.
– Vanaf februari/maart In het voorjaar begin mei kunnen de planten weer naar buiten toe. Laat ze wennen aan het licht, begin in de schaduw. Eventueel verpot u ze eind april, voeg wat klei door de aarde zodat deze veel vocht vasthoudt. Geeft ook gelijk een snoeibeurt. Pas ook eventueel wat wortelsnoei toe. Controleer of de afvoergaten onder in de pot niet verstopt zitten, leg er wat oude potscherven overheen.

Veel kuipplanten willen graag een zonnige standplaats, ze zullen dan extra rijk bloeien. U moet vaak wel 2 x per dag water geven. Ook moet regelmatig voeding worden toegediend. Vanaf eind augustus minder voeding geven en uiteindelijk stoppen. Tussentijds oude bloemen weghalen en te lange takken terugsnoeien geeft meer bloei. Nog een tip, zet uw hoge planten vast met enkele metalen pennen, dit voorkomt omwaaien.

Nerium oleander

 

Opgelet:
De oleander is wel een uitzondering op de regel wat water geven betreft. Deze mag wel regelmatig water krijgen en zeker niet laten uitdrogen.

 

 

 

 

Sortiment

Enkele soorten

Botanische naam

Nederlandse naam

Abutilon

Aeonium

Agapanthus

afrikaanse lelie

Agave

Anisodentea

Kuipmalva

Argyranthemum

Struikmargriet

Asclepias

Bougainvillea

Brugmansia

Doornappel

Callistemon

Cestrum

Citrus

sinaasappels

Datura

Dipladenia

Eucalyptus

Fuchsia

bellenplant

Heliotropium

Hibiscus

Chinese roos

Lantana camara

Laurus nobilus

laurier

Lavatera

Leonotus

Megabota.

Myrtus

Nerium Oleander

Olea

olijf

Passiflora

 passiebloem

Pentas

Plumbago

Punica

Solanum

Tibouchina urvilleana

Opm. kuipplant van het jaar 2001

Thunbergia

Verbena

Inleiding
De variatie in een tuin wordt voor een groot deel bepaald door de vorm en groeiplaats van de gebruikte planten. Een groep planten die daarin een belangrijke rol speelt is de groep van klim- en leiplanten. Deze planten kunnen plaatsen bereiken waar andere planten niet komen.

Toepassingsmogelijkheden
Planten worden om diverse redenen in klim en leivormen gekweekt.
Voorbeelden zijn:
De hoogtewerking
Als ze voldoende steun hebben kunnen ze erg hoog klimmen. Sommige, van nature niet klimmende, heesters laten zich, met enige ondersteuning, in de hoogte leiden.
De breedtewerking
Klimplanten zijn in staat om grote oppervlakten te bekleden. Hiervoor zijn ze in staat om lelijke elementen te verstoppen.
Bloemsierkunst
Voor de bloemsierkunst zijn vele soorten aantrekkelijk. Dit kan zijn vanwege de elegante kale ranken. Soms ook vanwege bloemen of bloeiwijzen of vruchten.
– Afscheiding
Klim- en leiplanten kunnen als levende haag gebruikt worden. Tegenwoordig zie je vaak klimop in plantenpakken met betonijzer als haag. Leibomen kunnen een haag op hoogte vormen.
Zon- en windscherm
Leiplanten werden oorspronkelijk op het zuiden geplaatst om de zon tegen te houden of op het Noorden en Oosten om de wind tegen te houden. Deze functies zijn vervangen door decoratieve functies.
Zon vangen
Vooral fruitsoorten die veel zon nodig hebben om te rijpen worden als klim- en leivorm gekweekt om afrijpen te bevorderen. Tegenwoordig past men dit vooral toe in de hobbytuin omdat het erg veel arbeid kost. Ook kom je leifruit vaak tegen in oude kloostertuinen.

Steunmaterialen
Je kunt klim- en leiplanten ondersteunen met bestaande elementen of met speciaal aangebrachte steunmaterialen.  Voorbeelden van steunmaterialen zijn: muren, schuttingen, palen, pergola`s, draad, gaas, betonijzer, latwerken, hekwerken, schuurtjes en muren.

Variatie
Het zijn vooral planten die van nature in het bos of aan de bosrand voorkomen. Meestal zijn het snelle groeiers. Er zijn grote verschillen.
Zo zijn er;
– bloeiende, geurende, besdragende, vruchtdragende en groenblijvende klimmers;
– zon of schaduwplanten;
– planten voor de droge of vochtige grond.
Erg mooi kan het zijn om diverse heesters door elkaar te gebruik

Verschillen tussen klim- en leiplanten
Klimplanten zijn planten die ondersteuning nodig hebben om omhoog te groeien omdat de stengels niet stevig genoeg zijn om de plant zelfstandig te dragen. Als er geen ondersteuning is zullen klimplanten een kruipende groeivorm aannemen totdat ze ondersteuning hebben gevonden.
Leiplanten hebben soepele takken. Daardoor laten ze zich gemakkelijk in de vorm brengen die wij willen. Op de kwekerij worden ze vaak gesteund met bamboestokken. Zo worden ze ook verkocht in het tuincentrum. Dit geldt voor horizontale parasolvormen en verticale vormen.

Klimwijzen
Er zijn verschillende methoden waarmee klimplanten zich een weg omhoog banen:
Kruipen
Deze manier van klimmen komt voor bij planten als marmaladestruik en Solanum crispum.
Haakvormige stekels
Er zijn ook klimplanten die door middel van haakvormige stekels omhoog klimmen zoals bij Bougainvillea en de klimmende vormen van rozen.
Hechtwortels
Klimplanten met hechtwortels kunnen zelfs in de steen van een muur binnendringen.
Klimop, klimhortensia en trompetklimmer klimmen door middel van hechtwortels.
Slingeren
Planten die klimmen door zich rond de steun te slingeren zijn hop, de klimmende soorten uit het geslacht Ipomoea en blauweregen. De richting waarin deze planten slingeren, links- of rechtsoom, is specifiek voor de soort.
Stengelranken
Ampelopsis, Vitis met als bekendste soort de druif en de meeste soorten passiebloemen hechten zich met behulp van stengelranken.
Bladranken
Klokwinde, Lathyrus en Mutisia klimmen met bladranken.
Windende bladstelen
De klimmende soorten uit het geslacht Clematis, Rhodochiton en Tropaeolum klimmen door middel van windende bladstelen.
Hechtvoetjes
Wilde wingerd en Tetrastigma klimmen door middel van hechtvoetjes.

Zelfhechtende klimplanten zoeken zelf hun weg en hoeven dus geen steun. Slingerplanten daarentegen vragen wel om een steunvorm van gaas, een pergola of iets dergelijks. Rankenplanten hebben ook een steunvorm nodig. Een boom of heester of een metalen constructie, een gaas- of een dradenvorm voldoet goed. Boomwurger, Celastris scandens, kan een boom zoals gezegd verstikken.

Planttips
Bij de aanplanting van klim- en leiplanten is het belangrijk (net zoals bij andere planten) om de juiste grondvoorbereidingen te maken, d.w.z. een voldoende groot plantgat met toevoeging van plantcompost dat men ondermengt met de eigen grond.
Voor de meeste klimplanten wordt een plantafstand van 1 per lopende meter gehanteerd. Bij klimop wordt een gemiddelde genomen van 5 per lopende meter.
Klimmers op 40 cm afstand van de muur planten, dichterbij is de aarde te droog.
Leibomen plant men minimaal 1,50 m van het huis i.v.m. het opdrogen van de muur.
Planten net zo diep in de grond zetten als in de pot of bij de kweker. Behalve clematis die nog 15 cm dieper geplant wordt. Bij clematis de wortels beschaduwen met andere planten aan hun voet.
Blauweregen niet om regenpijpen winden, die worden na verloop van tijd stuk geknepen.
Leibomen, bijvoorbeeld leifruit, worden best 3 à 5 m uit elkaar gezet. Dit naargelang de afstand die beplant moet worden. In het midden tussen de bomen komt er telkens een paal te staan.
LET OP: Na de laatste boom komt er nog een paal op 1,5 à 2m. Hierna wordt het latwerk (of spandraad) bevestigd aan de palen.

De hoogte waarop je begint te leiden kies je zelf. Bijvoorbeeld:
– 1,80m: Hierdoor belet je inkijk (vb. van de buren). Je kijkt eigenlijk op de kroon van de boom waardoor het zicht beperkt wordt.
– 2m à 2,20m: Je hebt nog doorkijk. Op deze manier zit je niet ingesloten. (minder privacy)

Verzorging van klimplanten
De verzorging van klimplanten beperkt zich tot wat snoei- en steunwerk.
We houden hierbij rekening met het volgende:

* Er zijn soorten die in de lente of zelfs tot in de zomer bloeien. Ze doen dit aan het oude hout dat het jaar ervoor is gevormd. Snoei ze dus na de bloei.
* Er zijn soorten die aan het jonge hout van dit jaar bloeien. Snoei ze in februari of maart.
* Er zijn soorten die speciaal voor hun fraaie blad in de tuin staan. Snoei ze in februari of maart.
* Bladhoudende soorten snoeit u in de winter of in het voorjaar.
* Bladverliezende soorten snoeit u in de winter.
* Snoei altijd de dode takken weg.
* Snoei planten die te groot worden flink in of snoei ze elk jaar.
* Snoei groene ranken die aan bonte soorten komen altijd weg.
* Houd bij het aanbrengen van steunmaterialen rekening met de natuurlijke groei- en steunwijze. De groeirichting van links- of rechtsom windende klimmers, altijd respecteren.Het leiden van de takken gebeurt om de 40 à 50 cm, deze worden aangebonden met binddraad. Je kan al naargelang (3), 4 of 5 niveaus maken.

Verzorging van leiplanten
Leiplanten zijn meer eisend dan klimplanten.
Enkel de takken de je nodig hebt en die zich het dichtst bij het latwerk (draad) bevinden worden gebruikt om te leiden. Alle andere takken worden weggesnoeid.
Soms kan het zijn dat er op een bepaald niveau geen enkele tak voldoet om te leiden. Maak dan gewoon met een mes een slipje in het hout. Zo wordt de sapstroom onderbroken en stapelt de voeding zich plaatselijk op. Op deze manier wordt de aanmaak van knoppen (en takken) beïnvloed.

Enkele praktische tips voor het gebruik:
Klimop is een goede basis voor klimroos en clematis, die met kleur en bloei het immer groene blad aanvullen. Blauweregen harmonieert met druif.

Sortiment

leilinde

Leibomen:

  •  Tilia europaea ‘Pallida’ (leilinde)
  •  Platanus x acerifolia (plataan)
  • Carpinus betulus (haagbeuk)

Klimmers met blad-, tak- of hechtranken

  • Passiebloem (Passiflora)
  • Clematis
  • Druif (Vitis)
  • Wilde wingerd (Parthenocissus)  

Klimmers met hechtwortels

  • Klimopvormen (Hedera)
  • Trompetklimmer (Campsis)
  • Klimhortensia (Hydrangea anomala subsp. Petiolaris)
Blauwe regen

Slingerende klimmers (links- of rechtsom windend)

  • Boomwurger (Celastrus)
  • Bruidssluier (Fallopia aubertii), groeit snel enorm wild uit
  • Hop (Humulus)
  • Blauweregen (Wisteria)
  • Kamperfoelie (Lonicera)
  • Duitse pijp (Aristolochia durior)

Niet winterharde klimmers (kuipplanten)

  • Sterjasmijn (Trachelospermum jasminoides), witte bloemschermen, sterk geurend
  • Solanum crispum
  • Oxypetalum, blauw
  • Paederia

Vruchtdragende klimmers

  • Kiwi
  • druif
  • Japanse wijnbes (Rubus phoenicolasius)
  • braam
moerbei

 Klimmers die ondersteuning vragen

  • Vuurdoorn (Pyracantha)
  • Japanse sierkwee (Chaenomeles)
  • Rotsmispel (Cotoneaster)
  • Marokkaanse brem (Argyrocytisus)
  • Moerbei (Morus)
  • Leipeer (Pyrus)

Groen blijvende klimplanten
Groen blijvende klimplanten tegen een gaashek of open lattenscherm kunnen een goed alternatief zijn voor te brede hagen. Ze bieden het hele jaar privacy op een klein oppervlak.

 

Bronnen

Bouman klimplanten
Hoogeveen (sortiment)
Baaij Hoveniers
De Wilde
Marechal
Hofmeester/klimplanten
Groenkalender

 

 

 

Kleur

Inhoud

Inleiding
1     Definities van kleur
1.1   Taalkundig
1.2   Psychologisch
1.3   Emotioneel
1.4   Natuurkundig
2     Kleurenleer
Primaire kleuren
Secundaire kleuren
Tertiaire kleuren
Contrasten
Kleuren toepassen
3     Toepassingen

Inleiding
Kleuren zijn niet weg te denken in ons leven. Ze bepalen onze stemming en kunnen ons vrolijk en verdrietig maken.
Als er geen kleuren zouden bestaan, zou alles er heel grauw uitzien. Denk bijvoorbeeld maar eens aan zwart-wit films en foto’s. Bij de inrichting van gebouwen als winkels, kantoren en woonhuizen is kleur bepalend voor het resultaat. Binnen creatieve vakken gebruikt men de eigenschappen van kleuren bij het maken van composities en creaties.
We gaan in dit hoofdstuk een aantal zaken bekijken die met kleur en kleur beleving te maken hebben.

1     Definities van kleur
De vraag “Wat is kleur?” kun je vanuit verschillende vakgebieden bekijken. Bijvoorbeeld:
– Taalkundig
– Psychologisch
– Emotioneel
– Natuurkundig

1.1   Taalkundig
De bijzonder eigenschap van dingen, om van het licht dat erop of erdoor valt, slechts stralen van een bepaalde, voor iedere stof karakteristieke golflengte terug te kaatsen of door te laten.
1.2   Psychologisch
Kleuren hebben effect op de gemoedstoestand/ gevoel van mensen.
Hoe ervaren mensen kleur?
Rood wordt ervaren als de warmste kleur en blauw als de koudste kleur. Een rode kamer wordt 3 tot 5 graden warmer  ervaren dan deze in werkelijkheid is. Een blauwe kamer wordt als kouder ervaren.
Als we naar een blauw en een rood vlak kijken lijkt het of het blauwe vlak van ons afwijkt en het rode vlak naar ons toekomt. Dit gegeven is bijvoorbeeld direct toepasbaar in de bloemsierkunst. Zo kun je visuele diepte creëren in een bloemstuk of in een grote versiering. Donkerblauw  wordt zwaarder ervaren als lichtgeel. Onderzoekers hebben mensen donkerblauwe dozen en lichtgele dozen laten sjouwen. Deze dozen waren exact even zwaar, maar de proefpersonen vervaarden de donkerblauwe dozen als zwaarder.
1.3   Emotioneel
Kleur is een hulpmiddel om emoties (per individu verschillend) te uiten.
Kleur heeft effect  op de fysiologische huishouding van de mens. Zo wekt een geel vertrek agressie op. Rood stimuleert de uitstoot van adrenaline, versnelt de hartslag en de ademhaling en verhoogt de hartslag. Groen heeft een rustgevend effect. Tussen bonte kleuren wordt de kleur groen als rustig ervaren. Geel is een actieve en stimulerende kleur.
1.4   Natuurkundig
Kleur is ontbonden licht.
Kleur maakt het de mens mogelijk om voorwerpen (vormen) te kunnen waarnemen.

Spectrale kleuren
Als licht gebroken wordt neemt het menselijk oog 7 kleuren waar. Deze kleuren heten de spectrale kleuren. Het worden ook wel de kleuren van de regenboog genoemd. Voor het breken van licht kan men een stuk glas of kunststof gebruiken dat tot een prisma geslepen is. Bij een regenboog fungeren de regendruppels als prisma.
De 7 spectrale kleuren zijn : Rood, Oranje, Geel, Groen, Blauw, Indigo, Violet  (ROGGBIV)

Waarnemen van kleuren
Je hebt vast wel eens kleren gekocht en gevraagd of je even buiten mocht kijken, omdat het licht daar anders. Dus eigenlijk weet je al dat om kleuren te kunnen zien, licht is vereist. Maar misschien vraag je je af waarom dat zo is.
Licht, of dat nu van de zon komt of uit een lamp, bestaat uit golven. Bepaalde golven worden opgenomen en omgezet in warmte. Andere golven worden juist teruggekaatst. Deze golven worden door het oog opgevangen en in de hersenen vertaald in een kleurgewaarwording. Als alle golven worden weerkaatst, is er sprake van totale reflectie. Het voorwerp dat je bekijkt, is dan wit. Omgekeerd, als alle golven worden opgenomen, totale absorptie dus, is je waarneming zwart.
Stel je ziet een gele pot. Dit komt doordat er licht op de pot valt. Alleen geel wordt teruggekaatst (gereflecteerd) en komt in jouw ogen terecht. De overige kleuren van het spectrum worden door de pot geabsorbeerd. Hetzelfde geldt voor een rode of blauwe pot. Je ziet ze doordat de betreffende de kleuren op het netvlies van jouw oog terecht komen. Bij een bruine pot Bruine pot worden er meerdere kleuren gereflecteerd en meerdere kleuren geabsorbeerd. Als alle kleuren worden gereflecteerd ervaren wij dit als wit. Als alle kleuren worden geabsorbeerd zien wij dit als zwart.

2     Kleurenleer
Het systeem van kleurenleer dat wij behandelen is ontwikkeld door Johannes Itten. (Docent van “Das Bauhaus”, Duitse stroming in de vormgeving tussen 1920 en 1935 waarbij  functionaliteit centraal staat.) Er zijn meerdere systemen.
We zullen dit doen aan de hand van veel gebruikte begrippen.

 

 

Wat is kleur en hoe maak je het?

Primaire kleuren
Over dergelijke vragen wordt al eeuwen nagedacht en de antwoorden vind je in de zogenaamde kleurenleer. Op de kleuterschool leerde je al dat je door rode en gele verf door elkaar te roeren oranje verf kreeg. Later leerde je dat er drie zogenaamde primaire kleuren zijn: rood, geel en blauw. Maar inmiddels zijn deze opvattingen achterhaald. Rood, geel en blauw werden primaire kleuren genoemd, omdat je ze niet door vermenging zou kunnen produceren. Maar als je magenta met geel mengt, krijg je een prachtige kleur rood. En magenta en cyaan geven blauw. De primaire kleuren zijn dus niet geel, rood en blauw, maar geel, magenta en cyaan. Deze kleuren kun je niet krijgen door vermenging.

Secundaire kleuren
Door twee primaire kleuren te mengen krijg je andere kleuren: geel en cyaan wordt groen, geel en magenta zoals gezegd rood en magenta en cyaan blauw. Groen, rood en blauw zijn dus secundaire kleuren. Je moet twee primaire kleuren mengen om secundaire kleuren te krijgen.

Tertiaire kleuren
Tertiaire kleuren noem je de kleuren die ontstaan door vermenging van een primaire en een secundaire kleur. Zo is bruin het resultaat van vermenging van rood met groen en oranje krijg je door rood en geel te mengen. Overigens gaat dit alleen op als je verf mengt. Als je verschillende kleuren licht mengt, krijg je heel andere resultaten.

Kleurmenging vanuit primaire kleuren

Betrouwbare resultaten
De (verf)primaire kleuren cyaan, geel en magenta leveren zeer betrouwbare resultaten wanneer ze met elkaar worden gemengd. Dat is ook de reden waarom deze kleuren in de industrie (fotografie, drukwerk, verfmenging) worden gebruikt. Kijk bijvoorbeeld maar eens met een vergrootglas naar een kleurenfoto.
Wanneer iemand een deuk in zijn auto heeft gereden, is het fijn als, na reparatie, de auto in precies dezelfde kleur wordt bijgespoten. De machine waarmee deze kleur wordt gemengd, gaat uit van de hoofdkleuren cyaan, geel en magenta.

Contrasten
Dun-dik, kort-lang, heet-koud. Het zijn een paar voorbeelden van tegenstellingen. Maar als je op straat twee mensen naast elkaar ziet lopen, de één dun en de ander dik, dan merk je dat het uiterlijk van de één dat van de ander versterkt. Juist doordat de ene zo dun is, lijkt de ander nog dikker. Je noemt dit contrast. Eigenlijk kun  je  van  elke  tegenstelling  een  contrast  maken.  In  de  kleurenleer  ligt  dat  iets  anders,  daar  wordt  vooral gekeken naar de verschillen tussen kleuren. Sterker nog, wanneer je kunt zien dat je met twee kleuren te maken hebt in plaats van een kleur, spreek je al van contrast. Bijvoorbeeld: lichtblauw en donkerblauw vormt een licht- donkercontrast.

Alle verschillen tussen kleuren noem je contrasten en deze contrasten hebben verschillende namen, zoals het licht-donkercontrast,  warm-koudcontrast,  enzovoort.  Twee  kleuren  die  verschillend  zijn,  kunnen  meerdere contrastnamen hebben. Zo is blauw naast geel een warm-koudcontrast, een licht-donkercontrast, maar ook een complementair contrast.

Beste verhouding bij het combineren van kleuren

Kleurcontrasten
We kunnen verschillende contrasten onderscheiden. In dit Hoofdstuk gaan we er een aantal behandelen.

kleur-tegen-kleurcontrast 

a) Kleur-tegen-kleurcontrast
De drie (verf)primaire kleuren versterken elkaar het meest als ze tegen elkaar liggen.
Hit versterken gebeurt ook bij de andere zuivere kleuren (niet gemengd met wit of zwart).

 

 

licht-donkercontrast

b) Licht-donkercontrast
Het verschil in helderheid, de mate waarin het licht door de kleur wordt weerkaatst, bepaalt het contrast tussen twee kleuren. Het sterkste licht-donkercontrast is het contrast tussen wit en zwart.

 

 

koud-warmcontrast

c) Koud-warmcontrast
De kleuren worden ten opzichte van elkaar als koud of warm ervaren.
Oranjerood of scharlaken is de warmste en blauwgroen of mangaanoxide is de koudste kleur.

 

 

 

complementair contrast

c) Complementair contrast
Door een kleur te combineren met de tegenoverliggende kleur uit de kleurencirkel, wordt zijn stralingskracht optimaal. Gemengd met elkaar worden ze zwart.

 

 

simultaan contrast

d) Simultaan contrast
Het menselijk oog verlangt bij een gegeven kleur altijd tegelijkertijd de complementaire kleur en roept hem zelfs op wanneer hij niet is gegeven.

 

 

kwaliteitscontrast

e) Kwaliteitscontrast ( verzadigingscontrast)
Binnen een kleur kijk je naar het verschil tussen de schakeringen van de tinten. Dit wordt ook wel monochroom ton-sur-ton genoemd. Je hebt ook polychroom ton-sur-ton en dat is de kleurverandering van bijvoorbeeld geel naar rood.

 

 

kwantiteitscontrast

f) Kwantiteitscontrast
contrast door verschil in hoeveelheid kleur, oftewel de oppervlaktegrootte. Bij dit contrast gaat het om de combinatie van stralingskracht en oppervlak van kleurvlekken. Een kleur met veel stralings- kracht heeft een veel kleiner oppervlak nodig om in verhouding te zijn dan één met weinig stralingskracht. De verhoudingen zijn rood : oranje : geel : groen : blauw : violetis 6 : 8 : 9 : 6 : 4 : 3.

 

Kleuren toepassen
Om kleuren bij het etaleren te kunnen toepassen moet je eerst weten wat de functie is van kleur. Kleur kan een presentatie aantrekkelijker maken, het kan een gewenste sfeer scheppen, het kan de aandacht trekken van voorbijgangers en het kan artikelen beter uit laten komen. Vraag je voor je begint altijd af waarvoor je kleur wilt gebruiken.

Tips voor het gebruik van kleur:

  • Gebruik niet te veel kleuren in een presentatie. Probeer je te beperken tot één of twee kleuren, eventueel aangevuld met een neutrale tint. Een opvallende kleur die overheerst, heeft een sterke blikvangende werking, bijvoorbeeld vuurrode artikelen in een witte of zwarte ruimte.
  • Gebruik zo veel mogelijk actuele modekleuren. Je kunt dan kiezen voor een artikel in die kleur of juist con- trasterend met de modekleur als achtergrond.
  • Gebruik de kleuren van de tijd van het jaar. Bijvoorbeeld pasteltinten in het voorjaar; frisse, heldere kleuren in de zomer; warme herfstkleuren in het najaar en koude donkere kleuren in de winter.
  • Probeer de kleuren af te stemmen op het karakter van het artikel en de doelgroep. Bijvoorbeeld vrolijke kleuren bij kinderkleding, heldere kleuren bij sportartikelen, enzovoort.

 

 

Flora

Algemeen

Flora reader groencursus Helden    

Flora presentatie groencursus Helden
  

Flora lesplanning natuurgidsencursus
    

Flora onkruid
   

Flora basisbegrippen presentatie NGCML  

Flora presentatie NGCML
Bomen en struiken

Bomen en struiken reader groencursus Helden
  

Bomen en struiken presentatie groencursus Helden
 

Bomen en struiken knoppentabel
     

Bomen en struiken observeren praktijkopdracht
  

Bomen adopteer een boom jeugdopdracht
  

Boomringen   

B
omenuitwerking bij opdracht over afgezaagde boom
Bomen en struiken knoppentabel     

Bomen en struiken knoppen determinatietabel
Gaswisseling en
voeding

Fysiologie NGCML presentatie
   

Citroenzuurcyclus NGCML
  

Fysiologie huidmondjes practicum
 

Gaswisseling reader
    

Voeding reader
Kruidachtige planten

Flora grasonkruiden presentatie
  

Flora grassen  

Flora inheemse planten
Morfologie en
anatomie

Flora bladeren werkblad   

Flora stengels en wortels werkbladen    
Flora bloemen werkblad 
Flora morfologie groencursus Helden
Flora morfologie werkbladen groencursus Helden   

Flora wortels presentatie en winterkenmerken 
Flora morfologie opdrachten in Excel NGCML    

Flora wortels, stengels en bladeren practicum    
Flora wortels, stengels en bladeren opdrachten
Flora weefsels en transport presentatie      

Flora bevruchting afbeelding    
Flora determineren witte dove netel    
Flora bladstanden en bladvormen afbeeldingen     


Lagere planten

Mossen determinatieboek Jan Kersten
  

Mossen op bomen determinatietabel
   

Paddenstoelen kinderwerkboekje

Sporenafdruk maken
Korstmossen presentatie  

Paddenstoelen ecologie presentatie
 

Paddenstoelen systematiek presentatie  

Paddenstoelen beschrijvingsformulier
Ordenen

Flora determineren systematiek presentatie   

Flora ordenen practicum 
Flora Ordenen presentatie NGCML  
Ordenen planten en dieren 
Flora systematiek reader

Practicum en
excursies

Bomen en struiken observeren praktijkopdracht
 

Bomen adopteer een boom jeugdopdracht
 

Huidmondjes practicum
  

Flora organen plant praktijkopdrachten groencursus Helden
 

Flora bloemen practicum groencursus Helden
    

Flora ordenen practicum
   

Flora kiemproeven     
Flora Herbarium
  
Sporenafdruk maken


Voortplanting

Flora voortplanting presentatie   

Flora voortplanting presentatie groencursus Helden        

Flora bloemen, vruchten en zaden presentatie
    

Flora geslachtelijke voortplanting presentatie
  

Flora ongeslachtelijke voortplanting presentatie    
   

Flora voortplanting en celdeling presentatie
   

Flora kiemproeven practicum

 

Fauna

Algemeen 

Fauna basiskennis Zuid Limburg    
Fauna basiskennis Noord Limburg NGCML 
Fauna dierenwereld kinderopdrachten
Fauna diersporen opdrachten  
Fauna diersporen presentatie  
Fauna diersporen NGCML 
Fauna gewervelde dieren cursus  
Fauna gewervelde dieren reader groencursus  
Fauna gewervelde dieren presentatie 
Fauna gewervelde dieren eigenschappen en bouw   
Fauna camouflage       
Fauna roofdieren presentatie  
Fauna vissen vinnen en schubben  
Fauna vissen bouw opdrachten
Fauna ganzenspel
Fauna vleermuizen reader NGC-ML   
Fauna vleermuizen op kerkzolders
    

Zoogdieren
das

Fauna zoogdieren zenuwstelsel schaap  
Fauna zoogdieren reader groencursus  

Geleedpotigen

Fauna insecten praktijkopdracht    
Fauna spinnen zoekkaart     
Fauna spinnen ogen
Fauna duizendpoten zoekkaart  
Fauna geleedpotigen presentatie   
Fauna geleedpotigen reader groencursus Helden
Fauna bijen determinatietabel   
Fauna bijen van Nederland    
Fauna miereninformatie

Fauna zweefvliegen
Fauna nachtvlinders
Fauna vlinders zoekkaart
Fauna geleedpotigen bezoekers van insectenhotels
Fauna geleedpotigen reader NGCML
Fauna bijen gifvrije planten  

Ordenen

ordenen dieren

Fauna ordenen opdrachten   
Fauna dieren in nesten opdrachten  
Fauna ordenen diersystematiek    
Fauna ordenen diergroepen 
Fauna indeling dierenrijk met opdrachten   

Practicum
DSC_5218

Fauna ganzenspel  
Fauna vogels in de tuin opdracht   
Fauna vogels braakballen practicum 1   
Fauna vogels braakballen practicum 2   
Fauna vogels braakballen practicum 3     
Fauna vogels uilenballenpracticum 4
Fauna vogels schedelpracticum   
Fauna vogels vetbollen maken practicum  
Fauna insecten praktijkopdracht  
Fauna diersporen opdrachten   

Reptielen en amfibieën

amf

Fauna amfibieën en reptielen reader groencursus   
Fauna padden werkblad
    

Fauna padden werkblad-antwoorden     

Vogels

vogels2

Fauna Vogels achteruitgang van de grutto artikel     
Fauna Grutto lesbrief  
Fauna vogel nestkastjes   
Fauna vogels nestkasten ophangen
Fauna vogel voederplaatsen   
Fauna vogels vetbollen maken practicum
Fauna vogels in de tuin opdracht    
Fauna tuinvogels vragen      
Fauna vogelnamen in 5 talen    
Fauna vogel geluiden oefening       
Fauna vogels snavels presentatie      
Fauna vogels snavels oefening  
Fauna vogelcursus
Fauna vogels basiskennis NGC-ML
Fauna roofvogels algemeen NGC-ML   

Fauna roofvogels soorten NGC-ML  
Fauna vogelcursus reader groencursus Helden

Fauna vogels kijken tips    
Fauna vogels in de winter presentatie   
Fauna vogels braakballen practicum 1   
Fauna vogels braakballen practicum 2    
Fauna vogels braakballen practicum 3
Fauna vogels uilenballen practicum 4
Fauna muizenresten zoekkaart
Fauna vogels presentatie groencursus Helden     
Fauna roofvogels presentatie     
Fauna vogels schedelpracticum   
Fauna vogels lichaamsbouw kip
Fauna vogels per biotoop         
Fauna vogelcursus-1 presentatie   

Fauna vogelquiz            
Fauna vogels zoekkaart  vogels op school