Verzorging kamerplanten

Inleiding
Een van de belangrijkste taken bij de verkoop van kamerplanten is het geven van een goed advies aan de klant. De klant zal zich in eerste instantie tot de verkoper wenden met de vraag hoe de kamerplant te verzorgen.
Kamerplanten verdeel je in groepen. Je kijkt daarbij naar de sierwaarde van de plant. Zo onderscheid je bloeiende planten en bladplanten. Ook als je verzorgingstips over de plant geeft, kijk je naar het uiterlijk van de plant. 

1     Groene Bladplanten

Kenmerken
Bladplanten zijn planten met mooie bladeren of stengels. Ze hebben geen bloemen.
Groene planten worden meestal aangeschaft voor een langere periode, dus de verzorging moet optimaal zijn om zolang mogelijk van een mooie groene plant te kunnen genieten.
Planten uit deze groep worden vaak per stuk verkocht. Daarnaast worden ze vaak toegepast in plantschalen en grote plantarrangementen.

 Verzorging
–     Bijna alle groene planten hebben een hekel aan felle zon en zijn daardoor vooral geschikt voor een raam op het noorden, het noordoosten of het westen. Ze nemen vaak genoegen met voldoende kunstlicht
–     Groene planten moet je in de groeiperiode matig bijmesten: twee keer per maand. In de winterperiode moet je ze spaarzaam bijmesten.
–     De beste tijd voor het verpotten (als dat nodig is) is in het vroege voorjaar, kort voor het begin van de nieuwe groeiperiode.
–     Meestal kun je aan de plant zien wat zijn specifieke behoeften zijn.
Bijvoorbeeld:
Groene planten met een dik, glanzend blad en behaard zijn het best bestand tegen de luchtvochtigheidsomstandigheden in de huiskamer. Bij zo’n blad is de verdamping namelijk beperkt en is de waterbehoefte daardoor minder. Planten met dun, kruidachtig blad zijn daarentegen gevoelig. Bij deze planten moet je goed letten op de luchtvochtigheid en de watergifte.
Als de planten dunne bladeren hebben, zijn ze kwetsbaar. Je moet dan regelmatig controleren of de potgrond nog vochtig is .

2 Bonte bladplanten

Kenmerken
Bonte planten zijn planten met gekleurde bladeren. Bonte bladplanten worden zowel toegepast in grote plantarrangementen als in afzonderlijke potten. Voor die laatste toepassingswijze komen vooral de wat bossige vormen in aanmerking, zoals de Dieffenbachia en Schefflera.

Er zijn verschillende soorten bonte planten:

  • soorten met dikker blad;
  • soorten met kruidachtig blad.

Verzorging
Bonte planten hebben meer behoefte aan licht dan groene planten. Krijgen ze onvoldoende licht, dan stagneert de groei en wordt de plant vatbaar voor ziekten. Ook wordt de kleurintensiteit van de bladtekening minder.
Bonte planten met een wat dikker, vleesachtig blad kunnen in beperkte mate zonlicht verdragen. In alle gevallen moeten bonte planten een lichte standplaats hebben: in ramen op het oosten of zuidwesten.
Per soort kan de verzorging sterk verschillen, doordat de natuurlijke afkomst van de planten niet hetzelfde is.
Bonte planten met een dikker blad hebben wat minder water nodig en zijn minder bestand tegen de koude. Soorten met kruidachtig blad hebben wat meer water nodig en verlangen een wat hogere luchtvochtigheid en zijn wat minder bestand tegen fel zonlicht.
In het algemeen geldt dat een bonte plant iets minder sterk is dan een groene vorm van hetzelfde geslacht.

3  Bloeiende Planten

Kenmerken
Bloeiende planten verkoop je als ze bloemen hebben. Ze worden wel verdeeld in weggooiplanten en meerjarige planten.

Tot de groep meerjarig bloeiende planten rekenen we planten die heel gemakkelijk overgehouden kunnen worden (tot het volgend jaar in leven gehouden worden). 

Verzorging
Voor een bloeiende plant geldt:
–     verwijder oude bloeiwijzen of uitgebloeide bloemen; . De jonge knoppen groeien daardoor eerder uit.
–     snoei na de bloei;
–     Geef regelmatig water. lanten in bloei verdampen veel water. geef na de bloei minder water dan tijdens de bloeiperiode;
–     bemest niet of spaarzaam na de bloei. Begin weer met bemesten bij hergroei (meestal in het voorjaar);
–     verplant de plant in het vroege voorjaar (alleen indien nodig).
–     Zorg voor een lichte standplaats.

Bijzonderheden
Stimuleer knopvorming door de plant een week of vier licht te verwaarlozen. Dat betekent dat je spaarzaam water geeft en de plant niet bemest. Dat voorkomt dat hij een overmaat aan blad ontwikkelt en geen bloemknoppen. Laat soorten met een uitgesproken rustperiode koel en vrij droog overwinteren op een lichte plek.

4 Succulenten en cacteeën

Kenmerken
De succulenten en cacteeën vormen een speciale groep bladplanten. Je kunt ze herkennen aan de dikke en vlezige bladeren of stengels. Daarmee kunnen ze veel water vasthouden.
Je hoeft succulenten en cacteeën minder vaak water te geven. Ze kunnen ook in de zon staan. Ze hebben vaak een groeiperiode en een rustperiode. In de rustperiode gebruiken ze heel weinig water.

Oefeningen:  Verzorgen planten

1  Om deze opdracht uit te kunnen voeren, heeft iedereen uit de schoolkas, drie planten meegenomen waarvan naar zijn mening de verzor­gingsadviezen sterk uiteenlopen. Uit het totaal van alle meegenomen planten (dus ook van je klasgenoten) maken jullie met de klas groepen, waarvan naar jullie mening de verzorgingsadviezen overeenkomen.

Ben je er vrijwel zeker van dat de ontstane plantengroepen qua verzorging bij elkaar horen, dan verdeel je de planten over een aantal groepen leerlingen. Vervolgens schrijf je een verzorgingsad­vies over de planten die jullie als groep hebben gekre­gen.

Denk daarbij aan:

  • water
  • licht
  • temperatuur; minimum en maximum
  • luchtvochtigheid
  • zon
  • grondmengsel

Om tot een goed verzorgingsadvies te komen, is het van belang dat je kennis neemt van de algemene regels. Zet vervolgens de verzorgingsregels per plantengroep op papier.  Als dit is gebeurd, wordt er per groep over het onderwerp een tiental vragen gemaakt met bijbehorende antwoorden. De gemaakte vragen en antwoorden worden ter beschikking van de andere groepen gesteld.

2        Loop door de plantenkas en zoek bij elke groep uit het schema 4  voorbeelden. Noteer de namen op de juiste plaats.

 

 KENMERK  VOORBEELD 1  VOORBEELD 2  VOORBEELD 3

 

 VOORBEELD 4
 blad bedekt met

glanzende waslaag

 behaard blad  

 

 vlezige stengels en   bladeren

 

 bladeren zijn veranderd in stekels
 dun blad  

 

 bont blad  

 

 bloeiende plant  

 

 grote bladeren  

 

 plant met

luchtwortels

 plant staat in stenen bloempot

 

 bladeren vormen een trechter  

 

 plant heeft een knol  

 

 houtachtige plant  

 

3     Hieronder staan de namen van 10 verschillende kamerplanten. Ga naar de schoolkas en zoek de planten op. Schrijf achter elke naam een kenmerk. Gebruik de derde kolom om een verzorgingsadvies te geven welke past bij dat kenmerk.

 

 NAAM  KENMERK VERZORGINGSADVIES 
Monstera  

 

Saintpaulia

 

 

 

 

Kalanchoe

 

 

 

Vriesea

 

 

 

 

Rhododendron  

 

 

Campanula  

 

 

Begonia

semperflorens

 

 

 

Zygocactus  

 

 

Dieffenbachia  

 

 

Pellaea  

 

 

Hedera  

 

 

Beloperone  

 

 

 

Verwerken van producten

Inhoud

Inleiding
1 Wie verwerkt de producten?
2 Hoe worden de producten verwerkt
2.2 Uitpakken en herverpakken
2.3 Verwerken
2.4 Prijzen en coderen
3 Productverwerking en milieu
4 Stappenplan controleren en verzorgen van producten

Inleiding
Als de producten binnen zijn moet er iets mee gebeuren. In veel gevallen worden ze verkoopklaar gemaakt en in de winkel geplaatst. Soms gaan ze naar een tijdelijke opbergplaats.
Bij het verwerken gaat het vooral om het verkoopklaar maken. Daarbij zullen wij ons op de eerste plaats moeten afvragen wie dit doet, wanneer dit gebeurt en hoe dit gebeurt.

1 Wie verwerkt de producten?
Het binnenkomen van producten veroorzaakt altijd een tijdelijke piekbelasting. Er moeten op dat moment medewerkers aanwezig zijn om de producten te verwerken. Het is daarom van belang dat de detaillist weet op welk moment de producten binnenkomen.

Grote bedrijven beschikken over magazijnpersoneel en vulploegen. Dit zijn vaste of tijdelijke medewerkers die in het algemeen niets anders doen dan binnen gekomen producten verwerken. Vaak zijn magazijnmedewerkers intern opgeleid. Ze weten precies hoe ze producten moeten ontvangen en verwerken. Het is niet altijd nodig dat ze over productkennis beschikken. Dit soort bedrijven worden soms ’s nachts bevoorraad. Bijvullen gebeurt vaak voor en na sluitingstijd.

Bij kleine ambachtelijke bedrijven moeten de medewerkers die producten ontvangen en verwerken over een ander soort van vakkennis en vakvaardigheid beschikken. Zo zal iemand die bloemen en planten in ontvangst neemt de levering alleen kunnen controleren als hij de namen van de producten kent. Ook het verkoopklaar maken van dergelijke producten kan alleen verantwoord gebeuren door medewerkers met voldoende vakvaardigheid. Deze mensen moeten op het moment dat de producten binnenkomen vaak onttrokken worden uit de verkoop. In de planning van de personeelsbezetting zal men daar rekening mee moeten houden.
Bedrijven met weinig medewerkers besluiten soms om de winkel een dagdeel te sluiten zodat de producten verwerkt kunnen worden en de winkel aangevuld kan worden.

2 Hoe worden de producten verwerkt?
Binnengekomen producten worden opgeslagen en/of verkoopklaar gemaakt. De wijze waarop dit gebeurt is erg divers en productafhankelijk.

In het algemeen kun je stellen dat je aan het verwerken de volgende eisen moet stellen:

  • Het moet veilig gebeuren.
  • Het moet doelmatig gebeuren
  • Het moet zorgvuldig gebeuren
  • Het moet hygiënisch gebeuren
  • Het moet milieuvriendelijk gebeuren

We zullen hier ingaan op de manieren waarop producten  verkoopklaar gemaakt worden. Daarbij zullen we de nadruk leggen op producten uit het tuincentrum en de bloemenwinkel.

2.1  Uitpakken en herverpakken

Producten gaan onverpakt of in consumentenverpakking de winkel in.

Als ze binnen komen zitten ze vaak in een omverpakking ofwel grootverpakking. Meestal bestaat deze omverpakking uit dozen, kisten, kratten, pallets, trays, containers e.d. Emmertjes met snijbloemen zijn voorbeelden van zulke containers. Ook folie wordt als omverpakking beschouwd.
Grootverpakking  dient ervoor om producten gemakkelijk, veilig en in grote hoeveelheden tegelijk te vervoeren. Kwetsbare  producten worden vaak extra beschermd met papier of kunststof. Vaak wordt hiervoor piepschuim en noppenfolie gebruikt. De omverpakking wordt altijd verwijderd. Dit gebeurt vaak in het magazijn of in de werkplaats.

Consumentenverpakking is door de producent aangebracht om met het product te verkopen. Deze verpakking ziet er aantrekkelijk uit en er staat informatie op over de inhoud. Meestal blijft deze verpakking dan ook om het product zitten. Afhankelijk van de winkel en het product kan het voorkomen dat detaillist besluit om de consumentenverpakking te verwijderen of te vervangen.

Dit vervangen noemt men herverpakken.
Hiervoor kunnen diverse redenen zijn. Bijvoorbeeld:
– Het bedrijf wil de producten in huisstijl aanbieden; Dit kan belangrijk zijn voor de naamsbekendheid van de winkel.
– Men vindt de verpakking niet geschikt voor het product. Zo kan een bloemist besluiten om de kunststof hoes om snijbloemen en potplanten te verwijderen omdat de producten in kunststof kunnen gaan smetten.
– Men wil het product beter laten zien; Dit kan voorkomen bij verpakkingsmaterialen die de goede kwaliteit van de producten onvoldoende weergeven.
– Men wil de inhoud veranderen; Denk daarbij aan de bos snijbloemen die omgebost wordt, de potgrond die in kleinere zakken wordt gedaan en de decoratiematerialen die men anders wil aanbieden.

  • Men is het niet eens met de informatie die op de verpakking staat;
  • De verpakking is vuil of beschadigd;
  • Men wil het product controleren en verzorgen;
  • Men wil het product beveiligen;
  • Het product is diefstalgevoelig;

Zo komt het vaak voor dat producten door de klant verwisseld worden van verpakkingsmateriaal. Ze kunnen dan een goedkoper product afrekenen.

Het is vanzelfsprekend dat het uitpakken en herverpakken van producten zorgvuldig en voorzichtig moet gebeuren. Dit geldt met name voor kwetsbare producten en producten die door beschadiging of vervuiling in waarde verminderen.

Tijdens het uitpakken dienen producten gecontroleerd te worden. Zo moet de inhoud overeenkomen met de pakbon en bestelbon of orderbevestiging en mag er niets aan het product mankeren.

Verpakkingsmaterialen dienen verantwoord te worden afgevoerd.

2.2 Verwerken
Veel producten worden na het uitpakken, controleren en eventueel reinigen onverwerkt in de winkel gezet. Andere producten worden gebruikt om iets te creëren.
Tuincentra en bloemenwinkels hebben hun imago grotendeels te danken aan hun creativiteit. Om dit imago te behouden zal men hoge eisen stellen aan het verwerken en presenteren van de producten. Dit kan alleen als men beschikt over medewerkers met voldoende vakkennis en vakvaardigheid.

Het verwerken van binnengekomen producten is product- en bedrijfsafhankelijk. Zo zullen levende producten anders behandeld dienen te worden dan niet levende producten en zullen discounters anders met producten omgaan dan speciaalzaken.

In bloemenspeciaalzaken heeft men vaak te maken met snijbloemen. Deze moeten schoongemaakt en verwerkt worden. Speciaalzaken zullen elk product anders behandelen.

Zonder op details in te gaan kun je stellen dat het verzorgen van binnengekomen snijbloemen in grote lijnen bestaat uit:

  • het losmaken van de bos;
  • het zonodig gedeeltelijk ontbladeren;
  • het afsnijden of afknippen van de uiteinden van de bloemsteel;
  • het op water zetten.

Daarnaast kunnen snijbloemen verwerkt worden tot arrangementen.

 

Kamerplanten kun je verdelen in bladplanten en bloeiende planten. Na het uitpakken gaan ze vaak naar de winkel waar ze gepresenteerd worden. Tijdens dit werk worden ze gecontroleerd op afwijkingen en vochtigheid. Beschadigde plantendelen worden verwijderd en droge planten worden gegoten of gedompeld. Vooraal bij bloeiende planten moet er gelet worden op uitgebloeide bloemknoppen. Soms wordt de vorm bijgewerkt. Ook kan het voorkomen dat planten verwerkt worden tot arrangementen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor bij bolgewassen in het voorjaar.

Glas- en aardewerk wordt gecontroleerd op afwijkingen en beschadigingen. Door de kwetsbaarheid van dit product moet er voorzichtig gewerkt worden.


2.3 Prijzen en coderen

In de winkel moeten producten geprijsd zijn.  Dit geldt niet voor kunst, antiek, onroerend goed, tweedehands artikelen, bont en edelmetalen.
Dit prijzen kan op het schap, op een verzamellijst of op het product gebeuren.
Prijzen gebeurt door de fabrikant of de detaillist.
Naast prijzen staan er vaak andere codes op de producten.

Uitprijzen en omprijzen
Vaak wordt er onderscheid gemaakt tussen voorprijzen, uitprijzen en omprijzen.
– Voorprijzen gebeurt door de leverancier.
– Uitprijzen wil zeggen dat nieuw binnengekomen artikelen van een prijsaanduiding worden voorzien.
– Omprijzen wil zeggen dat men de verkoopprijs verandert. Opprijzen is omhoog; afprijzen is omlaag. Opprijzen komt bijvoorbeeld voor bij planten die door groei in waarde gestegen zijn. Als opgeprezen planten verkocht worden levert dit een stukje vergoeding op voor extra kosten. Afprijzen komt voor bij opruiming, kwaliteitsvermindering, verstrijken van de houdbaarheidsduur  en aanbiedingen. Het leidt altijd tot een stukje derving. Afprijzen gebeurt soms in overleg met de leverancier.

Eisen
Aan het prijzen van producten stelt men de volgende eisen:

– De verkoopprijs moet in euro’s zijn;
– De prijs moet duidelijk leesbaar zijn;
– de eenheid waarvoor de prijs geldt moet duidelijk staan aangegeven;
–  de prijs is inclusief BTW

Bepalen van de verkoopprijs

Op het moment dat men een prijsaanduiding gaat aanbrengen staat de inkoopprijs vast. In veel gevallen heeft de bedrijfsleiding opdat moment bepaald hoe hoog de verkoopprijs moet worden. Ook komt het voor dat de medewerker zelf de verkoopprijs moet bepalen. Hierbij zal deze uitgaan van de richtlijnen van het bedrijf. Deze richtlijnen kunnen erg divers zijn. Bijvoorbeeld:

  • Het bedrijf hanteert richtprijzen.

In dit geval hebben een aantal producten vaste prijzen. Als er vergelijkbare producten binnenkomen zullen deze eenzelfde prijs krijgen.

  • Bruto winst staat vast.

Bruto winst ofwel opslag is het verschil tussen inkoopprijs en verkoopprijs. Bij het bepalen van de verkoopprijs vermeerdert men de inkoopprijs met het bruto winstpercentage ofwel opslagpercentage. Om het verschil tussen ontvangen en betaalde BTW te compenseren rond men daarbij ruim naar boven af. Vaak hanteert men voor risicovolle producten een hoger winstpercentage dan voor minder risicovolle producten. Bij levende producten gaat men vaak uit van een bruto winstpercentage tussen 100% en 150%. Omdat, met name levende, producten erg heterogeen kunnen zijn zie je,binnen een partij, vaak dat het ene product iets lager geprijsd wordt dan het andere product.

  • Uitgaan van seizoensprijzen.

In periodes met veel vraag en weinig aanbod hanteert men hoge prijzen en in periodes met weinig vraag en veel aanbod hanteert men lagere prijzen. Bij bloemen en planten gebeurt dit vanzelf als je, bij het bepalen van de verkoopprijs uitgaat van de inkoopprijs. Dit zie je bijvoorbeeld in de zomerperiode bij snijbloemen.

Een andere vorm van seizoensprijzen is “uitverkoop”.

  • Uitgaan van psychologische prijzen.

Psychologische prijzen zijn prijzen die gevoelsmatig lager lijken dan ze zijn. Zo klinkt €0,98 goedkoper dan €1,00 en twee voor €5,00 goedkoper dan een voor €2,50.

Manieren van prijzen
Bij het aanbrengen van prijsaanduidingen gaat men zeer doordacht te werk.
Elk bedrijf zoekt naar een methode die voor het bedrijf praktisch is en die de klant voldoende duidelijkheid biedt. De wijze waarop het bedrijf geautomatiseerd is speelt daarbij een belangrijke rol.
Vaak zie je dat een bedrijf meerdere methodes naast elkaar toepast. Zo gebruikt men bijvoorbeeld voor aanbiedingen opvallende posters met een grote stopkracht. Door deze posters regelmatig van vorm en plaats te verwisselen voorkomt men gewenning.

Naast posters komt men vaak de volgende methoden van prijzen tegen:

* stickers
Stickers zijn prijsetiketten die op de producten worden geplakt. Soms zijn ze erg klein en staat er enkel een prijs op. Ze worden ook gebruikt voor het aanbrengen van barcodes. Steeds vaker wordt er productinformatie op aangebracht. Dit kom je bijvoorbeeld tegen bij kamerplanten.

* Schapstickers en schapkaarten

Schapstickers zijn prijsetiketjes die op het schap wordt geplakt. Schapkaarten worden in het schap geschoven. Op deze stickers en kaarten staat naast de prijs productinformatie.

* Prijskaarten
Prijskaarten worden bij de producten geplaatst. Vaak staan ze in speciale kaarthouders of hangen ze aan het rek of plafond. Meestal zijn ze in huisstijl en komen ze ook terug in advertenties e.d. Ze zijn erg geschikt voor aanbiedingen.

* Stempels
Het nadeel van verplaatsbare stickers kan men in sommige gevallen vervangen door stempels. Je komt deze manier van prijzen bijvoorbeeld tegen op blikken.

* Verzamellijsten
Verzamellijsten worden vaak opgehangen bij artikelen waarbinnen veel te kiezen valt. Ze bieden de consument de mogelijkheid om de mogelijkheden en prijzen in een oogopslag te vergelijken.

* Etiketten
Prijsetiketten worden aan producten gehangen of bij producten gestoken. We komen ze in allerlei variaties tegen. Ze worden veel gebruikt bij buitenplanten. Kleurcodes geven extra mogelijkheden tot prijzen en informeren.
Een bijzondere vorm is het kimball-kaartje. Dit ponskaartje wordt veel gebruikt bij kleding. Het wordt bevestigd met een dun nylon draadje. Dit schiet men met een ridderspoor door de stof.

* Voorgedrukte prijzen
In enkele gevallen worden producten door de fabrikant voorzien van een prijsaanduiding. Daarnaast zijn praktisch alle producten voorzien van een barcode. Deze kan gebruikt worden als prijsaanduiding.

* Krijtbord
Krijtborden kom je vaak tegen bij buitenpresentaties. Ze zorgen voor een persoonlijk karakter.

Hulpmiddelen bij het prijzen
Er zijn diverse hulpmiddelen om de prijzen aan te brengen. De meest voorkomende zijn:

– prijzentang
– ridderspoor Soort pistool voor nylon koortje
– stempelmachine
– etiketteermachine
– viltstift
– computer-printer
– Stempels

De keuze hangt nauw samen met de wijze van prijzen

Uitprijsregels
Als winkel kun je eindeloos variëren in het aanbrengen van prijsaanduidingen. In veel winkels en winkelketens heeft men afspraken gemaakt over de wijze van prijzen en de plaats van prijzen. Klanten en medewerkers hoeven dan niet te zoeken naar de prijsaanduiding. Daarnaast zou het erg slordig uitzien als elk product anders geprijsd was. Hieronder staan een aantal voorbeelden van afspraken met betrekking tot het aanbrengen van prijsaanduidingen:

– het prijsetiket mag product niet beschadigen
– stickers mogen niet gemakkelijk te verwisselen zijn
– de gebruiksaanwijzing en streepjescodes moeten leesbaar blijven
– een etiket per artikel
– etiket netjes aanbrengen
– alle producten op dezelfde manier prijzen

Verder zijn er voor praktisch elk product wel regels afgesproken. Als een product fout geprijsd is en de klant kan zien dat de prijs niet in overeenstemming is met het artikel, is de prijs ongeldig.

Coderen en automatiseren
Het automatisch verwerken van producten heeft ertoe geleid dat praktisch elk product een of meer codes bevat.

 Voordelen van coderen en automatiseren zijn:
– eenvoudige en snelle verwerking van gegevens
– minder kans op fouten
– goederen zijn te volgen
– geautomatiseerd prijzen
– uniformiteit in coderen
– koppeling van het systeem van de winkel aan het systeem van de leverancier
– snel afrekenen bij de kassa
– informatie over het artikel is snel op te roepen. (voorraad, inkoopprijs, leverancier, onderdelen, prijs enz.)
– opsporen van derving 

Nadelen van coderen en automatiseren zijn:
– hoge kosten
– vakkennis nodig
– afhankelijkheid
– fouten kunnen grote gevolgen hebben 

Diverse codes
Hieronder zie je een aantal voorbeelden van codes zoals je deze kunt tegenkomen.

Diverse coderingen op een product; eigen codes en uniforme codes
Amerikaanse codering (UPC-code met 12 cijfers) en Europese codering (EAN-code met 13 cijfers)

 

 

 

 

 

 

Om de kans op leesfouten zo klein mogelijk te maken werkt men vaak met BAR-codes. Getallen zijn dan omgezet in streepjes.
We kunnen de codes als volgt ordenen:

Uniforme codes:
– EAN (Eurpees) en UPC (Amerikaans)
– OCR: manier om cijfers en letters te lezen. Bekend van de scanner thuis.

Eigen codes bijvoorbeeld:
–     source-codering op levende producten die regelmatig van prijs wisselen. Bijv op de veiling en in een tuincentrum.
–     Electronic Data Intercange (EDI-codering).
Voorraadsysteem van de winkel is via de computer gekoppeld aan de leverancier. Bestellingen kunnen automatisch verlopen. Alleen voor grote bedrijven.
–     PLU-code
Elk artikel heeft een code die door de computer wordt herkend. Wordt gebruikt voor elke handeling. Kassa’s met een PLU-toets zoeken het artikel op prijzen dit automatisch en benoemen het.
–  Eigen BAR-code
In een BAR-code zijn cijfers omgezet in een streepjescode. Hierdoor worden er minder scanfouten gemaakt dan bij het lezen van cijfers met OCR. Diverse software bedrijven kunnen producten leveren voor een eigen codering.

Het coderen kan op elke plaats in de keten gebeuren. Meestal bij de fabrikant.  Hiervoor is software nodig. Als je lid bent van het EAN-codesysteem ontvang je deze software met een eigen nummer.

Betekenis van de 13 cijfers van de EAN-codering: bijv. 87 19400 00 527 1
– 87: landaanduiding (hier Nederland)
– 19400: nummer van de leverancier (hier POKON & CHRYSAL)
– 00527; artikelnummer. 00 wordt automatisch door de computer aangemaakt; 527 door de leverancier
– 0; controlecijfer. Geeft bijv. aan waarop de code gecontroleerd is.

3 Productverwerking en milieu
De drang naar efficiëntie draagt het gevaar met zich mee dat  er weinig aandacht overblijft voor milieuaspecten. Dit terwijl juist de detailhandel veel mogelijkheden biedt om mee te werken aan een beter milieu.

Hieronder staan voorbeelden van mogelijkheden:
* Kies zo mogelijk voor milieuvriendelijke producten.

Veel milieuvriendelijke producten dragen een keurmerk. Zo kennen we bijvoorbeeld:

– Het EKO-keurmerk
Dit geldt voor producten uit de biologische landbouw.

 

– De Stichting Milieukeur
Deze stichting ontwikkelt eisen waaraan een product moet voldoen om het milieukeurmerk van deze stichting te dragen. De controle heeft betrekking op de milieubelasting van het hele product. Ze begint bij het maken en eindigt bij het afvoeren.

 

 

Het FSC-keurmerk
Dit keurmerk heeft betrekking op milieuvriendelijk geproduceerd hout. Het gaat daarbij zowel om buitenlands hout als om inlands hout.  In Nederland zijn inmiddels meer dan 200 bedrijven met een eigen milieukeurmerk.

 

 

* Ga bewust om met verpakkingsmaterialen.
Ontvangen verpakkingsproducten kun je gescheiden verzamelen en afvoeren of hergebruiken om producten van klanten te verpakken. Vaak kun je verpakkingsmaterialen teruggeven aan de leverancier. De massa van afvalverpakking kun je verkleinen door dit samen te persen. Pak verkochte producten zo milieubewust mogelijk in. Zo worden er bijvoorbeeld meer draagtassen uitgedeeld dan klanten wensen.

* Ga zuinig om met energie.
Dit kan bijvoorbeeld door verlichting en andere apparaten uit te schakelen als ze niet nodig zijn. Het verhaal dat het in- en uitschakelen van lampen meer energie kost dan het aanlaten is allang achterhaald. Ook het openlaten van deuren terwijl de verwarming brandt komt te veel voor. Automatische deuren kunnen een aanzienlijke energiebesparing geven. In kassen kan men ’s nachts de scherminstallatie sluiten.

* Geef goede consumentenvoorlichting.
Als een klant informatie vraagt over producten kun je in het antwoord de milieuaspecten betrekken. Zo kun je erop wijzen dat er milieuvriendelijk alternatieven bestaan en dat een product met het KCA (klein chemisch afval)-symbool niet in de afvalbak mag belanden.

* Neem restproducten als batterijen terug.
Hoe gemakkelijker je het de klant maakt om producten verantwoord af te voeren hoe eerder hij er gebruik van zal maken.

4      Stappenplan controleren en verzorgen binnengekomen producte

 

 

 

 

Stap Wat te controleren Opmerkingen
1. Bepaal samen met je leidinggevende per product of per leverancier wat het eerst uitgepakt en gecontroleerd wordt om vervolgens de winkel klaar te maken
2. Kijk of de juiste aantallen zijn binnengekomen Tel per product de aantallen en controleer met behulp van de pakbon
3. Kijk of het product van de juiste maat en kleur is Controleer of het juiste product volgens de pakbon is geleverd
4. Kijk of de zending klopt met de pakbon Geef op- of aanmerkingen zo spoedig mogelijk door en noteer ze
5. Kijk of er oneffenheden zijn Controleer op breuk, beschadigingen of productiefouten
6. Pak de producten verder uit en zet ze overzichtelijk neer Sorteer per product
7. Prijs de producten, overleg de verkoopprijs van het product met je leidinggevende Bepaal welk prijsetiket of op het artikel komt
8. Informeer hoeveel van deze artikelen in de winkel komen
9. Informeer hoe de artikelen in de winkel gepresenteerd moeten worden Informeer naar soort opstelling van het artikel
10. Sla de rest van de artikelen die achterblijven op in het magazijn Informeer waar en hoe de overige artikelen in het magazijn opgeslagen worden
11. Ruim verpakkingsmaterialen op Sorteer de verpakkingsmaterialen en voer deze af
12. Verzorg de producten wanneer ze in de winkel staan Stof de producten af met een vochtige doek, wanneer dat nodig is (als ze vuil zijn)

 

 

Vermeerdering geslachtelijk

Inhoud

Geslachtelijke vermeerdering
Inleiding
1     Zaaitijdstip
2      Wat is zaad, wat heeft het nodig?
3     De 4 basisbehoeften
4      Voor- en nadelen van zaaien
5      Manieren van zaaien
6      Zaaimethoden
6.1       Breedwerpig zaaien
6.2       Zaaien op rij
6.3       Dibbelen
7      Grond zaaiklaar maken
8      Zaaien op rijen in de volle grond met de hand
9      Breedwerpig zaaien in een zaaibakje
10        Zaadsoorten
11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

Inleiding
Om een soort in stand te houden dient dit zich te vermeerderen.  Als je bij de vermeerdering te maken hebt met 2 geslachten spreek je over geslachtelijke- ofwel vegetatieve vermeerdering.
Bij planten heb je dan te maken met zaad. Het uitstrooien van zaden heet zaaien. Zaaien wordt bij veel cultuurgewassen toegepast. Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt in de bloem.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

 

1     Zaaitijdstip
De beste tijd om te zaaien is tussen januari en juli. We moeten hier wel een onderscheid maken tussen éénjarigen en vaste planten.

Immers, de eerste groep zaaien we vroeger, zij moeten de tijd krijgen om tot een volle bloeiende plant uit te groeien en vervolgens zaad af te geven voor de herfst.

Met de zaden van vaste planten hebben we minder haast omdat die meestal toch pas het jaar erna bloeien, en dit geldt tegelijk ook voor de tweejarigen.

 

     Wat is zaad, wat heeft het nodig?
Een zaadje is te vergelijken met een embryo in een ei. Het heeft de juiste voorwaarden nodig om uit te komen want zelfs zo´n klein nietig zaadje heeft een soort overlevingsdrang, ze willen wel uitkomen maar soms zijn de omstandigheden niet goed genoeg om na het uitkomen te overleven en daarom lijkt het hun beter om nog wat door te slapen en te wachten tot de omstandigheden verbeteren.

Zeg daarom niet: ik heb slechte zaden gekregen, iets wat ik mensen wel vaker hoor zeggen, nee, er is niet aan de juiste voorwaarden voldaan voor dat zaadje om uit te komen.

 

Er zijn 4 basisbehoeften waaraan moet worden voldaan voor een zaadje voordat het wil/kan uitkomen. Dit zijn achtereenvolgens water, zuurstof, licht en temperatuur.
 

Het is de kunst om per zaadsoort de juiste balans te vinden tussen deze 4 sleutels om het kiemmechanisme van het zaad te ontsluiten. De samenwerking tussen deze 4 zaken brengt een chemisch proces op gang wat leidt tot de kieming van de plant.

En deze balans is per plantensoort verschillend en dat maakt het soms zo moeilijk

Raak nu niet direct in paniek, het overgrote deel van de planten kiemt toch wel bij een temperatuur tussen 15 en 20 graden, als ze voldoende water hebben, niet te nat staan en niet te diep onder de grond verscholen zijn.

Je kunt de meeste zaden dan ook beter te weinig bedekken dan teveel.

3     De 4 basisbehoeften
Water: Iedereen weet dat je water nodig hebt om zaad te laten ontkiemen. De kieming start als het water de zaadhuid binnendringt. Het zaad neemt het water op, zet zich uit en de zaadhuid begint te barsten, het plantje ontrolt zich zodat de wortel de grond ingaat en de stengel naar boven.

Zuurstof: Zaden hebben dit nodig voor de chemische processen tijdens het kiemen. Daarom is een luchtige, goed doorlatende grond van belang. Als u bv. op zware klei zaait blijft het water daarop staan en neemt het de plaats in van de lucht. Er zal dan ook sneller schimmel optreden die uw zaden zal belagen.

Licht: Een zaadje zou het verschil kennen tussen donker en licht. Voor een klein zaadje kan een paar centimeter onder de grond hetzelfde zijn als een paar meter. Het is gewoon helemaal donker, daarom mogen kleine zaden nooit te diep onder de grond gezaaid worden, niet of nauwelijks bedekken is de boodschap. Het schijnt dat zonminnende planten gevoelig zijn voor de hoeveelheid rood in het licht, en ze ontkiemen dan ook niet als het te donker is, wat hun betreft is het niet het goede moment in het jaar om uit te komen.

Zaden in de volle zon plaatsen is zeker ook niet goed, ze kunnen dan verbranden.

Temperatuur: Elk chemisch proces heeft een bepaald temperatuur nodig om door te kunnen gaan. Als een zaadje het te warm of te koud heeft zal het niet ontkiemen en sommige zaden hebben bepaalde grenzen waarboven of waaronder ze er niet over zullen denken om te ontkiemen.

In het algemeen kun je zeggen dat warmte ontkieming bevordert maar teveel warmte remt het af. Dit is logisch als je bedenkt dat het zaadje moet weten dat het lente is en nog geen zomer.

Bij het bewaren van zaad kan ook nogal eens wat mis gaan, als u zaden krijgt en u bent niet van plan ze direct te zaaien dan is het het beste om ze in de ijskast te bewaren, de zakjes in een afgesloten plastic bakje. De meeste zaden behouden hun levensvatbare eigenschappen gedurende twee jaar op kamertemperatuur, maar een koude bewaring is toch beter voor ze, het zou zelfs de levensduur van de zaden verlengen. Bewaar uw zaden NOOIT in de serre, de warmte en de vochtigheid zijn dodelijk voor uw zaden, ze hebben dan maar een levensverwachting van zes weken ipv. twee tot drie jaar.

 

4    Voor- en nadelen van zaaien
In de plantenteelt zijn er twee manieren om planten te vermeerderen, namelijk

  1. a) geslachtelijk (zaaien)
  2. b) ongeslachtelijk.

Vergelijk je beide manieren met elkaar, dan heeft zaaien de volgende voor- en nadelen

Voordelen van zaaien

  • Je hebt na zaaien vrij snel een groot aantal nieuwe planten.
  • De kans op het overbrengen van virusziekten is kleiner.

Nadelen van zaaien

  • Het is niet altijd eenvoudig om zaden te winnen.
  • Het duurt langer voordat er een kant-en-klare plant is die de markt op kan.
  • Omdat het zaad afkomstig is van een moederplant en van een vaderplant, heeft die ook twee verschillende groepen van eigenschappen. De nieuwe planten die uit het zaad ontstaan, kunnen daardoor sterk afwijken van de ouderplanten. Ze kunnen beter of slechter zijn.
Een tuincentrum verkoopt veel verschillende soorten zaadjes van planten.

5  Manieren van zaaien
Zaaien kan op vele manieren. Die manieren hebben voor- en nadelen 

Ter plaatse of niet ter plaatse
In de landbouw worden de gewassen ter plaatse gezaaid. Ook gazons worden vaak ter plaatse gezaaid.
Ter plaatse wil zeggen dat je zaait op de plaats waar de planten kunnen blijven groeien tot ze oogstbaar zijn. Ter plaatse zaaien kan breedwerpig of in rijen gebeuren.

In de tuinbouw zaait men meestal niet ter plaatse. Niet ter plaatse zaaien wil zeggen dat de plantjes na een lange of korte periode verplaatst worden. Dit gebeurt onder andere met de meeste groenten, een- en tweejarige planten.
Bij het niet ter plaatse zaaien zaait eerst in speciale zaaibakken of in zaaitrays. Een zaaitray is een voorgevormde plastic plaat waar zaadjes machinaal in kleine kluitjes aarde worden gezaaid. Na het ontkiemen zet men de plantjes met het inmiddels doorgewortelde kluitje in een pot. Het grote voordeel van deze methode (vergeleken met verspenen) is dat je de wortels niet beschadigt. Hierdoor krijg je een snelle doorgroei.

 

 

6  Zaaimethoden
Zaaien gebeurt op drie manieren:
– breedwerpig;
– zaaien op rij;
– precisiezaai;
– dibbelen.

breedwerpig zaaien

6.1      Breedwerpig zaaien
Bij breedwerpig zaaien strooi je het zaad over het gehele perceel. Eerst maak je de grond fijn en los. Daarna verdeel je het zaad zo regelmatig mogelijk over het perceel. Breedwerpig zaaien is mogelijk met kleinere zaden. Het moet erg gelijkmatig gebeuren.
Na het zaaien moet je soms lichtjes met een hark over het perceel gaan. Hierna bedek je de zaden met een dun laagje aarde. Vervolgens rol je de grond, zodat de zaden goed in contact komen met de vochtige grond. De zaden ontkiemen kriskras over het perceel verspreid. Het is dan ook moeilijk om op een later moment het onkruid tussen de planten te verwijderen.
Breedwerpig zaaien gebeurt bijvoorbeeld bij gras en spinazie.

 

op rijen zaaien

6.2      Zaaien op rij
In de praktijk worden bijna alle gewassen op rij gezaaid. Denk maar aan wortels, maïs en granen. Eerst trek je in de grond kleine geultjes. De diepte van de geultjes is afhankelijk van de grootte van de zaden: hoe groter de zaden, hoe dieper de geultjes. Als hulpmiddel bij het zaaien gebruik je bijvoorbeeld een schoffel. Grootschalig gebeurt het met een zaaimachine. Na het zaaien maak je het geultje dicht en druk je de grond zachtjes aan.
Let erop dat de onderlinge rijenafstand groot genoeg is. Je moet het onkruid mechanisch kunnen bestrijden, bijvoorbeeld met een schoffel of hak.

 

 

6.3  Dibbelen
Dibbelen is het zaaien op hoopjes. Dit past men vaak toe bij groenten in de moestuin. Voorbeelden zijn erwten en bonen.

7  Grond zaaiklaar maken

Als je in de tuin gaat zaaien, moet je ook eerst de grond bewerken. Je gaat eerst spitten en dan harken. Tijdens het harken maak je de grond vlak. Dat heet egaliseren.
Werkwijze:
1   Spit de grond om.
2   Let tijdens het spitten op je houding. Voorkom rugklachten!
3   Na het spitten maak je de kluiten klein. Dat doe je met de rug van de hark.
4   Pak de hark vast zoals in de figuur.

Met de hark worden de kluiten kapotgeslagen.

 5   Sla met de rug van de hark de kluiten kapot.
6   Als alle kluiten klein zijn, ga je egaliseren. Dat doe je ook met de hark.
7   Blijf de hark op dezelfde manier vasthouden.
8   Waar bergjes liggen, hark je de grond weg naar de dalen.
9   Blijf dit doen totdat de grond zo vlak is als een biljartlaken!
10 Als je klaar bent, maak je het gereedschap schoon en ruim je alles netjes op.

 

 

 

 

 

 

8  Zaaien op rijen in de volle grond met de hand

Als je thuis in je tuin wil gaan zaaien, heb je niet direct een zaaimachine bij de hand. Je kunt ook met hele eenvoudige materialen in de volle grond zaaien.

 

 

 

Benodigdheden
– hark
– schoffel
– riek
– spade
– gieter met broes
– pakje zaadnaamkaartjes

Werkwijze
1   Maak het zaaibed gereed:
–   maak de grond onkruidvrij door te spitten;
–   hark de grond gelijk vlak.
2   Maak over de lengte van het zaaibed sleuven van twee centimeter diep. Om rechte sleuven te krijgen kun je gebruik maken van een lange stok of van een pootlijn die je uitzet. De afstand tussen de sleuven is afhankelijk van het soort planten (zie daarvoor de beschrijving op het pakje zaad).
3   Zaai het zaad in de sleuven; leg grote zaden op de juiste afstand uit elkaar; strooi kleine zaden dun in de geul uit.
4   Maak de sleuven dicht met de achterkant van de hark en druk deze licht aan met een plankje.
5   Vul de naamkaartjes in en steek de ingevulde naamkaartjes in de grond.
6   Geef bij droge grond water met een gieter met een fijne broes.

9  Breedwerpig zaaien in een zaaibakje

Kweken in zaaibakken

Zaadjes kun je opkweken in zaaibakjes. Een zaaibakje moet schoon zijn en het liefst ontsmet. In het bakje doe je in zaaigrond. De bovenste zandlaag moet je zeven. Die laag moet goed vlak zijn, zodat er bij het water geven geen plassen ontstaan.
Als je de zaadjes gezaaid hebt, dek je ze af met een klein laagje zaaigrond. Gebruik niet meer dan dat het zaad dik is. Hele kleine zaden en zaden die licht nodig hebben om te kiemen, hoef je niet af te dekken. Zorg er altijd voor dat de zaaibak voldoende vochtig is. Als laatste dek je de zaaikist af met een glasplaat of plastic tot dat de zaden gekiemd zijn. Dit is om het uitdrogen te voorkomen.
Je moet altijd ongeveer 1 cm onder de rand van het zaaikistje blijven. Als de zaden dan uitkomen, staan ze niet gelijk tegen het glas of het plastic aan.

 

Stappenplan voor een zaaikist
– Kistje schoonmaken
– Zaaigrond zeven (fijne grond)
– Kist voor drievierde vullen met grond
– Randen licht aandrukken
– Afvullen met gezeefde grond
– Grond vlak maken

Zaaien
– Klein laagje grond erover doen (net zo dik als zaad zelf is)
– Licht aandrukken
– Water geven indien nodig
– Wegzetten en afdekken met glasplaat of plastic
– Werkplek schoonmaken en het gebruikte gereedschap schoon opruimen

10 Zaadsoorten

Begonia’s worden gekweekt uit erg duur begoniazaad!

Er zijn duizenden zaadsoorten. Die zaadjes verschillen in grootte, kleur vorm et cetera. Ze verschillen ook in prijs! Sommige zaadjes zijn zo duur, dat ze tot de duurste producten op aarde behoren. Een voorbeeld is begoniazaad. Duizend zaadjes is ongeveer 1/16 gram. Stel je eens voor hoe klein die zaadjes zijn: heel, heel erg klein! Een hoeveelheid van 1/16 gram kost ongeveer 15 euro. Een gram begoniazaad kost dus 16 x 15 euro = 900 euro. En een kilo dus 1000 keer zoveel: 900.000 euro! Daar heb je dan ook wel 16.000.000 planten voor. Als je het bedrag omrekent naar een bedrag per plantje, valt het dus wel mee.

Er zijn andere zaden die veel groter zijn, bijvoorbeeld het afrikanenzaad (Tagetes). Duizend van die zaadjes wegen ongeveer 5 gram. Duizend zaadjes van zonnebloemen wegen nog veel zwaarder: 100 gram. Zo zie je, dat de grootte van zaden erg verschillend kan zijn.

 

 

11      Het zaad wil niet kiemen, wat nu?

 

Stel u eerst de volgende vragen: is het zaad leefbaar, slaapt het, is het het goede seizoen, moet de zaadhuid doorbroken worden, is het zaad te koud, te warm, te nat, te droog?

U heeft aan alle voorwaarden voldaan, alles volgens het boekje, de juiste temperatuur, goede grond, genoeg licht, niet in de volle zon, goed bewaard en toch komen uw zaden niet uit.

Misschien zijn de zaden te oud en hebben ze geen levenskracht meer. Dit zal u waarschijnlijk niet gebeuren als u zaad krijgt van grote erkende zaadhuizen maar het is mogelijk als u het uit een onbekende bron krijgt. Toch zal dit niet vaak gebeuren.

Het is waarschijnlijker dat het zaad nog steeds slaapt en dat er verschillende stappen genomen moeten worden om het uit deze slaap te halen.

De zaadhuid is te hard en moet doorbroken worden: dit geldt voor bv. Lathyrus en Lupinen. We weken deze zaden 24h in lauw water en zaaien ze daarna. Een andere mogelijkheid is om een stukje van de zaadhuid af te schrapen, u moet hier wel oppassen dat u het ´oog´ niet raakt, een puntje aan de zijkant van het zaad.

Het zaad is een vorst- of koudekiemer: veel zaden hebben een soort rem op hun ontkieming die opgeheven moet worden, en dit gebeurt door middel van kou. Koudekiemers zaait u in vochtige tuinturf, geef ze dan een paar dagen de tijd om het vocht op te nemen en stel ze dan bloot aan kou, zet de bakjes (of plastic zakjes) in de ijskast en laat ze daar 3 tot 6 weken instaan. Als er kiemplantjes verschijnen is het uiteraard tijd om ze eruit te halen.

Vorstkiemers zaait u best in het najaar en laat ze in de winter buiten staan, let er dan wel op dat de zaden niet uit de bakjes kunnen wegspoelen door de regen of dat muizen het niet als wintervoedsel gaan gebruiken, bescherm uw bakken. Haal ze in februari weer binnen en geef ze een hogere temperatuur, als ze beginnen te kiemen behandeld u ze verder als gewone zaailingen. Zelf heb ik het ook al aangedurfd om een paar bakjes in de diepvries te zetten voor een week om daarna de bevroren bakjes op hun gemak te laten ontdooien en ze dan wat meer warmte te geven. Voor verschillende soorten is mij dit gelukt maar niet allemaal. Ik zou er dus geen algemene regel van willen maken.

 

Vermeerdering ongeslachtelijk

Inleiding
Het ongeslachtelijk vermeerderen van cultuurplanten gebeurt voornamelijk kunstmatig. Omdat het nogal een voorkomt dat klanten ernaar vragen zullen we de belangrijkste manieren behandelen.

Als we planten vermeerderen door zaad noemen we dat geslachtelijk (generatief).
Als we bij de vermeerdering uitgaan van een stukje plant noemen we dat ongeslachtelijk (vegetatief)  Er zijn vele manieren van ongeslachtelijke vermeerdering. Voorbeelden van ongeslachtelijke vermeerdering zijn stekken, scheuren, uitlopers, broedplantjes, sporen, bolle, knollen, wortelstokken, enten en weefselkweek.

1          zaaien of ongeslachtelijk vermeerderen?
Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt, na bestuiving, in de bloem.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

Ongeslachtelijk vermeerderen is minder eenvoudig. Hierbij gebruik je een stukje van ėėn plant om een nieuwe plant te krijgen.  Plantendelen kunnen alleen uitlopen als er knoppen opzitten. Normaal geldt dat voor de stengel. Er zijn echter ook planten waarbij andere organen knoppen bevatten. Deze knoppen heten toevallige knoppen ofwel adventiefknoppen, of slapende ogen. In die gevallen kun je voor de vermeerdering ook andere plantendelen gebruiken.

2          Stekken
De meest toegepaste manier van ongeslachtelijke vermeerdering is stekken.
In de meeste gevallen gebruik je bij het stekken een stukje stengel met een of meerdere blaadjes. We maken onderscheid in kopstek en tussenstek.
Ook komt het voor dat men enkel een stukje stengel gebruikt. Je spreekt dan over stengelstek.
Bij sommige plantensoorten maakt men gebruik van andere organen. We hebben dan te maken met bladstek en wortelstek.

2.1 kop- en tussenstek
Men spreekt over kopstek wanneer je voor de vermeerdering een stukje stengel met bladeren en een eindknop gebruikt. De onderste bladeren worden verwijderd.
Bij tussenstekken heb je geen eindknoppen. Als een tussenstek slechts een knop, en dus ook een knoop, bevat spreek je over oogstek. Oog is een ander woord voor knop. In het laatste geval kun je geen blad verwijderen. Kop- en tussenstekken kom je bijvoorbeeld tegen bij Fuchsia en Pelargonium.

Als je een stengel hebt kun je daar een kopstek en meerdere tussenstekken uithalen. Om deze reden kiest men vaak voor tussenstek. Een andere reden om tussenstek te maken is de hardheid. Als kopstek te zacht is zal deze verdrogen of gaan rotten. Als er aan een stek een stukje houtachtige stengel zit spreekt men over stek met een hieltje. Stekken worden recht afgesneden zodat de wond zo klein mogelijk is. Na het snijden worden zo snel mogelijk weggestoken in stekgrond.

 

 

Particulieren stekken wel op water. Het stekje vormt dan waterwortels. Na het oppotten moet de plant dan alsnog grondwortels maken.

 

 

 

 

Voor het stekken in grond gebruikt men allerlei bakjes. Tuincentra verkopen vaak speciale stekbakjes en potjes. De stekken komen tot het onderste blaadje in de grond.  Ze worden goed aangedrukt. Vetplanten laat men na het snijden eerst drogen. Om het bewortelen te versnellen kun je gebruik maken van stekpoeder. Om het uitdrogen door verdamping  te voorkomen worden stekken in veel gevallen onder plastic folie geplaatst. Klanten kun je adviseren om in een bloempotje te stekken met daarover heen een plastic zak.

2.2 Bladstek
Als bladeren toevallige knoppen bevatten kun je deze in veel gevallen stekken. Dit geldt bijvoorbeeld voor Saintpaulia, Peperomia, Begonia, Sansevieria en veel cactussen. Als bladeren niet te groot zijn en ze hebben een duidelijke bladsteel dan wordt de bladsteel tot aan de bladschijf in de stekgrond gestoken. De jonge plantjes ontstaan dan bij de bladsteel. Bij sommige planten gebruikt men stukjes blad om te steken. Dit geldt bijvoorbeeld voor bladbegonia en Sansevieria. Sansevieria heeft als nadeel dat de jonge plantjes de gekleurde bladrand missen.

 

3  Scheuren
Scheuren of delen is een methode die je kunt toepassen bij planten die met meerdere stengels uit de grond komen. Het komt veel voor bij vaste planten.

De plant wordt dan in twee of meerdere stukken opgedeeld. Slechte delen worden verwijderd.
Ook planten die uit zichzelf jonge planten naast de oude plant vormen worden gescheurd bijvoorbeeld Clivia en diverse bromelia’s.

Bij harde wortels moet je vaak gebruik maken van een mes of een schop. Als je de stukken apart uitplant heb je meerder planten gekregen. Deze methode kun je bijvoorbeeld toepassen bij Asparagus en Sansevieria. Het duurt erg lang voordat je op deze wijze veel nakomelingen hebt.

 

4    Uitlopers en broedplantjes
Bepaalde planten vormen zelf nieuwe planten. Deze hangen dan aan de moederplant zoals bij de aardbei, de Chlorophytum en de Saxifraga. Dit heet uitlopers.
Bij andere planten zitten de jonge plantjes  op andere organen als bladeren. Dit komt bijvoorbeeld voor bij Tolmia en Kalanchoe. en heet broedplantjes.

Uitlopers en broedplantjes kun je rechtstreeks oppotten.

 

 

 

5   Sporen

Een aantal planten vormen. Ook dit is ongeslachtelijk. Het zijn stoffijne deeltjes die zich vaak in hoopjes onder het blad bevinden. Bladeren met rijpe sporen kun je verzamelen, in papier gedraaid drogen, fijn wrijven en daarna als zaad uitstrooien.

 

6  Afleggen
Als zijtakken de grond raken gaan deze vaak wortelen. Zijtakken kunnen op die manier uitgroeien tot een nieuwe plant. Bij kunstmatig afleggen wordt een tak van een struik of boom naar de grond gebogen en vast gezet. Om wortelvorming te bevorderen kan er een kleine wond in de tak worden gesneden. (er wordt dan callusweefsel gevormd bij de wond waardoor wortelvorming bevorderd wordt).
Afleggen komt o.a. voor bij bramen, bessen en forsythia.

 

 

 

7  Bollen

Een bol is een ondergronds orgaan, dat bij sommige planten voorkomt. De bol wordt gevormd door een kort stengeldeel (de bolschijf) waarop een aantal bladeren staat. De buitenste bladeren zijn soms droog, vliezig en verkleurd; men noemt ze vliezen. De andere bladeren zijn steeds min of meer sappig en bevatten reservevoedsel; men noemt ze bolrokken.

 

 

schubben

Als de bladeren klein zijn als bij de bol van een lelie worden de bladeren bolschubben genoemd. We spreken van gerokte en geschubde bollen.

Op de bolschijf staan ook de eindknop en de okselknoppen. De eindknop kan uitgroeien tot bovengrondse delen: gewone bladeren en bloemen. De okselknoppen worden bij de bol klisters genoemd. Ze kunnen nieuwe bollen vormen.
Bij bollen maakt men ook onderscheid tussen eenjarige bollen en meerderjarige bollen. Eenjarige bollen worden elk jaar leeggezogen. De okselknoppen in de bol groeien uit tot nieuwe bollen. Meerderjarige bollen als hyacinten en lelies vormen alleen nieuwe bolletjes als de oude bol beschadigd is.

 

8  Knollen
We onderscheiden stengelknollen en wortelknollen.
Stengelknollen zijn verdikte stengels. Ook hier onderscheidt men eenjarige knollen en meerderjarige knollen.
Aardappels zijn eenjarige stengelknollen. Deze plant vormt ondergrondse uitlopers (zijstengels) waaraan knollen (verdikte stengels) ontstaan. Deze jonge knollen kunnen weer uitgroeien tot nieuwe planten. Aan de ogen (okselknoppen) kan men zien met een stengel te doen te hebben. Stengelknollen komen ook voor bij krokus en dahlia. Meerderjarige knollen kun je niet ongeslachtelijk vermeerderen. Deze tref je bijvoorbeeld aan bij knolbegonia en cyclaam.

Wortelknollen zijn verdikte wortels. Dahlia,s zijn planten met wortelknollen. Als er stukken van de wortelpruik afbreken kunnen deze uitgroeien tot nieuwe planten.
Omdat wortels in het algemeen geen knoppen hebben kunnen ze alleen uitlopen als er een stukje stengel met knoppen aanzit.  Bij het scheuren van

9  Wortelstokken
Een wortelstok is een ondergronds stengeldeel. Uit iedere knop kan een nieuw plantje kan ontstaan. Vele lastige onkruiden als brandnetel, kweek en zevenblad vermeerderen zich op deze manier. Ook zijn er veel sierplanten die zich via wortelstokken door de tuin verspreiden.

 

 

 

 

 

 

10  Veredelen (enten)
Bij veredelen ofwel enten wordt het vruchtdragende bovendeel (de ent) van een boom of struik op een onderstam geplaatst. De onderstam kan van dezelfde- maar ook van een ander soort zijn maar moet wel tot de familie behoren.
Enten  wordt gedaan bij bomen, struiken en groenten. Er zijn diverse redenen voor bijvoorbeeld:
– plant wortelt moeilijk;
– plant heeft een lange tijd nodig om vrucht te ontwikkelen ( Walnoot en Kiwi’s  krijgen pas na 10 jaar vrucht).
– Regelen van de groeikracht (grootte en groeisnelheid)
– Voorkomen van bodemziektes.

Oculeren – is een vorm van veredelen. Alleen een knop met een stukje bast wordt op het cambium van de onderstam gezet. Dit past men bijvoorbeeld toe bij rozen en fruitbomen.

11    In vitro-teelt (meristeemcultuur)

Bij meristeemcultuur wordt een uiterst klein groeipuntje (meristeem) op een voedingsbodem gezet. Hieruit ontstaat een klompje cellen, dat men weer kan delen enz. Zo kan men uit één individu zeer veel nakomelingen verkrijgen. Als men een nieuw ras aan het ontwikkelen is en men slechts een of enkele exemplaren hiervan heeft is dit een zeer geschikte manier om in korte tijd toch over veel “nakomelingen” te beschikken. Als planten uit een ouderplant ontstaan zijn spreken we van een kloon. Bij anjers wordt deze techniek gebruikt voor het kweken van virusvrije planten.

 

 

 

 

 

12    Marcotteren
Bij marcoteren wordt een ring uit de bast gesneden of een ijzerdraadje heel strak om de tak gewikkeld, zodat er een wond ontstaat. De wond wordt omwikkeld met vochtig gemaakt veenmos (veenmos) waar omheen een plasticzakje gewikkeld wordt. Daar omheen zwart plastic wikkelen (zwart houdt warmte vast) zodat wortelvorming sneller plaatstvindt.

 

 

 

Vaste planten

Inleiding
Een vaste plant is een plant die langer dan twee jaar leeft. Ze worden ook wel overblijvende of overjarige plant genoemd.
De term “vaste plant” wordt gebruikt voor niet-houtige planten (kruiden). Klanten hanteren het begrip vaste plant vaak fouttief voor alle planten die overwinteren.

1      Kenmerken
– Vaste planten sterven in de winter meestal boven de grond af.
– Ze zijn kruidachtig
– In het voorjaar lopen ze opnieuw uit en komen weer boven de grond
– Ze worden voornamelijk als borderplant gebruikt
– Sommige vaste planten bedekken de bodem
– Ze hebben soms mooie snijbloemen 

2      Steunen
Sommige vaste planten vallen om als je ze niet vastbindt. Vooral na een regenbui kunnen planten topzwaar worden.
Meestal bind je de vaste planten tijdens het groeiseizoen aan. Planten kun je aanbinden met tonkinstokken, touw en/of raffia. Je kunt ook plastic plantensteunen gebruiken.

Er zijn verschillende manieren van opbinden. Bijvoorbeeld:

  • stokken achter de plant plaatsen;
  • stokken in de plant plaatsen;
  • stokken om de plant plaatsen.
Zo kun je vaste planten ondersteunen

Aandachtspunten bij het plaatsen van stokken

Stokken achter de plant

  • Let op de groeirichting van de plant.
  • Gebruik per plant één stok.
  • Steek de stok diep in de grond, zodat hij vast staat.

Stokken in de plant

  • Gebruik per plant één stok.
  • Plaats de stok in het midden van de plant. Zorg dat de plant als een toefje om de stok zit.
  • Steek de stok diep in de grond, zodat hij vast staat.

Stokken op hoeken van de plant

  • Gebruik drie stokken voor elke plant.
  • Plaats de stokken op de windhoeken van de plant.
  • Steek de stokken diep in de grond, zodat ze vast staan.

Aandachtspunten bij het vastbinden

–       Maak van de raffia of het touw een ruime lus om de plant.
–       Knoop de raffia of het touw om de stok. Houd rekening met de natuurlijke vorm van de plant. Trek de raffia dus niet te strak aan!
–       Snijd de eindjes touw af.

3      Scheuren
In een border staan vaak vaste planten. Om vaste planten jong en levendig te houden moet je ze verjongen. Dit doe je door ze te scheuren. Scheuren is tevens een manier van vermeerderen.
Je scheurt planten als ze te groot of te oud worden. Doe je dat niet, dan groeien ze minder goed of sterven ze af in het midden van de pol.

Redenen
Vaste planten groeien vanuit het midden van de planten pol naar buiten toe. De jongste en groeikrachtigste plantjes zitten dus altijd aan de buitenkant van de pol. Na verschillende jaren zal het centrum minder groeikrachtig worden en de stengels in het hart van de plant worden dan ook een stuk lager dan de buitenste takken. Als je dit opmerkt dan wordt het tijd om de plant te verjongen. Dit kan dan door ze te scheuren of delen.

Werkwijze
Scheuren is planten met genoeg wortels uit elkaar trekken om zo twee of meerdere planten te verkrijgen. Het gebeurt met vaste planten en sierheesters (struiken). De planten die we scheuren noemen we de moederplanten.
Scheurperioden:
a) HERFST: september – oktober – november.
b) LENTE: maart – april – mei.
De voorkeur gaat uit naar het voorjaar. De pas gedeelde plantjes hoeven dan niet onmiddellijk strenge vorst te trotseren. Daarentegen kunnen ze in het lentezonnetje beginnen met nieuwe wortels en bladeren te vormen, zodat we vrij snel kunnen genieten van onze nieuwe plantjes.

–     De moederplanten verzamelen als ze nog in rust zijn of net beginnen uit te lopen.
–     Steek de vaste plant in zijn geheel uit de grond.
–     De planten met de hand scheuren, met een mes, snoeischaar of een spade.
–     Zorg ervoor dat de gescheurde plantjes één of meerdere groeipunten en goede wortels hebben.
–     De nieuwe plantjes oppotten of uitplanten in de tuin op een voedzame grond en begieten.
–     Plant de planten met het plantschopje. Druk de grond stevig aan.
–     De planten afharden en afschermen tegen de volle zon.
–     Als we scheuren in de herfst moeten we deze vorstvrij overwinteren.

Aandachtspunten
Probeer het aantal scheurwonden te beperken en zorg ervoor dat ze zo gaaf mogelijk zijn. Als je een (bijna) bloeiende plant scheurt, dan verwijdert u het best alle bloemknoppen, bloemen, zaden en vruchten. Bloemknoppen die binnen een maand na het scheuren worden gevormd kun je het beste ook nog verwijderen. Deze vragen veel te veel energie van het net gescheurde plantje, die dit beter kan benutten voor wortel- en bladgroei.

4      Uitplanten
De meeste vaste planten worden door scheuren vermeerderd. Ze worden meestal verkocht in vierkante potjes van 9 cm breed en 10 cm hoog. Bij de aankoop moet je erop letten dat de wortels goed doorworteld zijn in het potje. Omdat de planten in een potje verkocht worden, kun je ze het hele jaar door planten. Als planten gerooid en gescheurd worden, is het voorjaar de beste tijd om ze in de grond te zetten.

Bepaal waar de planten komen te staan. Je moet dit plantvak:
– Goed spitten;
– Fijn van structuur maken;
– Vlak afwerken

Het plantvak is in orde als je gemakkelijk met een plantschepje kunt planten. Daarna leg je de planten goed verdeeld en op de juiste plekken klaar. Als het plantvak groot is, kun je het beter in gedeelten spitten en vlak Steek het plantschepje in de losse grond en maak een gat dat voldoende diep is. Zet de plant erin. Voor een snelle aangroei moet je de grond om de plant goed aandrukken. Maak de grond tussen de planten met de hand gelijk. Probeer zo veel mogelijk vanuit één plek te planten. Zo voorkom je dat je de grond dichttrapt. Schuif tijdens het werk de plantpotjes in elkaar en ruim ze direct op. 

Plantdiepte
Je plant nieuwe of gescheurde vaste planten. Dit doe je op dezelfde diepte als dat de planten stonden. Als je de planten te diep plant, hebben ze moeite om door te groeien. Plant je ze niet diep genoeg dan kunnen ze uitdrogen. De wortels komen dan namelijk boven de grond uit!

5      Algemeen onderhoud
Een plantvak met vaste planten moet je het hele jaar door onderhouden. Als je de border niet continue onderhoudt:

  • groeien er planten over de paden;
  • raken sommige planten overwoekerd;
  • zit de border binnen de kortste tijd onder het onkruid;
  • stoppen de planten met bloeien.

Onkruid verwijderen
Je moet regelmatig onkruid verwijderen. Dit doe je met een schrepel of een schoffel, of met de hand. Bij schrepelen haal je heel nauwkeurig onkruid weg met een kleine hak (schrepel).
Schoffelen is een grovere manier van wieden. Dit doe je in grote plantvakken, waar veel ruimte is tussen de planten. Onkruid weghalen met de hand is de ‘fijnste’ manier van wieden.
Bij het verwijderen van het onkruid moet je erop letten dat je de wortels van de vaste planten niet beschadigt. 

Bemesten
De planten in de border onttrekken veel voeding aan de bodem. Daarom moet de border het hele jaar door bijgemest worden. Na de winter gebeurt dit meestal met organische mest. Door het jaar heen gebruik je meestal kunstmest.
Zorg dat je niet te veel mest strooit. Het kan de planten verschroeien. Daarnaast spoelt het teveel aan mest uit in de bodem en verontreinigt het daarmee het milieu.

Afdekken
De meeste vaste planten sterven voor de winter boven de grond af. Van nature beschermen deze planten de wortelhals met het afgestorven blad.
In de tuin is het goed om kwetsbare soorten tijdens de winter af te dekken. Dit kun je doen met bladeren, turfmolm, compost of takken. Gebruik geen folie. Hieronder kunnen de planten stikken. Soorten die niet afsterven kun je tegen uitdroging beschermen door ze te omwikkelen met bijvoorbeeld rietmatten. Breng de beschermlaag aan voor de vorst en verwijder hem in het voorjaar als de kans op strenge vorst voorbij is.

Loof en bloemen verwijderen

Door tijdens de zomer uitgebloeide bloemen weg te nemen gaat er geen energie verloren aan zaadvorming. De plant zal dan rijker en langer bloeien.

Als voor de winter het bovengrondse deel afsterft kun je er voor de netheid van de tuin voor kiezen om de plant boven de grond af te snijden. Als je het blad zijn gang laat gaan zal dit in veel gevallen vanzelf verdwijnen en tijdens de winter de plant beschermen. Afgestorven loof kan tijdens de winter de kale border een decoratieve uitstraling geven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Hypericum in de sneeuw.

6      Sortiment
Hieronder is een kort overzicht van lang bloeiende vaste planten weergegeven.
De afkortingen in de beplantingslijst staan voor:
z = zonnig; hs = halfschaduw; s = schaduw;
n = normale grond; d = droge grond; w = ’s winters afdekken.

 

Plantennaam: Bloeitijd: Kleur: Hoogte (cm): Licht/grond:
Scabiosa butterfly blue 4–10 blauw,lila 40 zn
Veronica peduncularis oxford blue (roodkleurig loof) 5–9 blauw-helder, bloeit niet rijk 30 zd
Anthemis woronowii (stevige stelen) 6–10 creme-geel 70 zd
Bidens heterophylla (grote groeikracht) 6–10 creme-geel, explosieve bloei 200 zhn
Anthemis subtinctoria (diep ingesneden loof) 6–10 creme-witte margrietjes vertakte plant 60 zd
Oenothera missouriensis 5–9 geel 15 zd
Euphorbia pilosa major 5–9 geel grote schermen 45 zn
Euphorbia sequieriana 6–10 geel,groen 60 zn
Heterotheca mucronata 6–10 geel-donkere, kleine bloempjes 70 zn
Euphorbia ceratocarpa (blauwgroen blaadjes rode st.) 5–10 geel-goud, grote schermen 120 zdw
Euphorbia seravschanica (grijzig loof) 6–10 geel-licht 90 zd
Erysimum plantworld series 5–10 geel-lila 25 zd
Diascia lady valerie 6–10 geel-rood 30 zdw
Diascia lilac belle 6–10 lila, kleine bloem 25 zdw
Erysimum bowles mauve 3–10 lila-mauve 60 zdw
Zauschneria garetti (grijsbladig) 6–10 oranje-helder pijpbloemen 15 zd
Meconopsis cambria aurantiaca flore plena 6–10 oranje-rood 40 zhd
Agastache barberi firebird 6–10 oranje-warm 50 zdw
Erysimum wenlock beauty 5–10 paars-dof,geelbruin 30 zd
Erysimum julian orchard 4–10 paars-licht,oranje trossen 35 zd
Geranium ann folkard 6–10 paars-rood 120 zn
Geranium cinerium violaceum 5–9 paars-rood, wit hartje 30 zd
Geranium dillys (lange ranken) 6–10 purper, bloeit talrijk, kleine bloemen 15 zhd
Dicentra formosa bacchanal 5–9 rood-bloed 40 zhn
Gaillardia aristata 6–10 rood-bruin 35 zd
Scabiosa pink mist 5–9 rose 40 zn
Digitalis dubia 5–9 rose 50 zdw
Lavatera thuringiasa candy floss 6–10 rose 150 zd
Geranium swatense 6–10 rose, grote bloemen 35 zdw
Erigeron mucronatus 5–9 rose,wit 25 zdw
Diascia blackthorn apricot 6–10 rose-abrikoze 25 zdw
Diascia rupert lambert 6–10 rose-donker 45 zdw
Diascia anastrepta (dicht uitloper vormend) 6–10 rose-heldere bloem met donkere vlek 20 zd
Dicentra formosa furse’s form (grijsgroen blad) 5–9 rose-licht 50 zhn
Diascia patens 6–10 rose-licht 30 zdw
Diascia integerrima (klein grijsgroene blaadjes) 6–10 rose-licht, trosjes 30 zdw
Geranium sue crug 6–10 rose-purper, grote bloemen 40 zhn
Diascia coral belle 6–10 rose-warm 35 zdw
Lavatera thuringiaca candy floss 6–10 rose-zacht 150 zd
Dicentra formosa langtrees (blauw blad) 5–10 wit 40 zhn
Linanthus nuttalii (fijn naaldachtig loof) 5–9 witte, bloemen uit de vertakingen 15 zd
Anthemis cupaniana (zacht grijsgr.loof,bodembedekker) 5–9 wit,margrietachtig bloem 30 zdw
Potentilla alba (donkergroen blad, kruiper) 5–9 wit-helder, rijkbloeiend rotsplant 15 zd
Corydalis ochraleuca 5–9 wit-romig 30 hn
Lavatera thuriniaca barnskey 6–10 witrose schalen met rood oog 150 zn
Lavatera thuringiaca barnsley 6–10 wit-rose, rood oog 150 zd
Scabiosa irish perpetual (vertakkende plant) 5–9 zacht-blauw 50 zd

BRONNEN                                
Ploeger de Bilt
Rotsplanten

Rotsplantenvereniging

Jacobs plant
Vaste planten lesbrief
Vaste planten uitplanten

Houtkoomen
tuinadvies

 

 

 

Snoeien

Inhoud
1      Vormen van snoeien
1.1       Zomersnoei
1.2       Wintersnoei
2      Doelen
2.1       Opsnoeien en opkronen
2.2       Vormsnoei
2.3       Verjonging
2.4       Knopsnoei
2.5       Onderhoud van bomen en planten
2.6       Begeleidingssnoei
2.7       Probleemtakken snoeien
3      Werkvolgorde bij het snoeien van heesters
4      Gereedschappen bij snoeien
Snoeigereedschap onderhouden
5      Afvoer en verwerking

BRONNEN

1      Vormen van snoeien
Snoeien is een van de onderhoudswerkzaamheden in het groen. Je kunt verschillende doelen hebben met het snoeien. Afhankelijk van wat voor soort begroeiing je wilt hebben of de functie van de begroeiing, voer je verschillende soorten snoei uit.
1.1   Zomersnoei
Je kunt op verschillende tijdstippen snoeien. Snoei in het voorjaar of in de zomer noem je zomersnoei. De bladeren zitten dan al aan de twijgen. Zomersnoei zorgt ervoor dat de struiken of bomen tijdens het groeiseizoen gaan vertakken.
1.2   Wintersnoei
Wintersnoei gebeurt in de herfst of de winter als te takken kaal zijn. In die periode kun je de boom- of struikvorm goed bekijken. Sommige planten kun je alleen dan snoeien. In het voorjaar of de zomer groeien ze te hard. Als je ze dan zou snoeien, zouden ze als het ware doodbloeden’. Voorbeeld van bomen die doodbloeden zijn berk en esdoorn.

2      Doelen
Stelregel bij het snoeien is: goede snoei geeft goede groei. Doordat je een deel van de plant wegsnoeit, gaan andere knoppen uitlopen die anders in rust bleven. Hierdoor krijg je nieuwe (jonge) delen. Snoei kan verschillenden doelen hebben. Je kunt snoeien om:

  • •     een mooie vorm te maken (haag);
    •     op te kronen (straatbomen);
    •     te verjongen (groenstrookstruiken);
    •     knoppen te verwijderen (knopsnoei, bij bes- en vruchtbomen);
    •     probleembomen- of takken te verwijderen (af te zagen);
    .     Overtollige wortels te verwijderen.
    (Wortelsnoei gebeurt bij het opkuilen op het wachtbed, voor het verkopen of voor het planten)
    –     Verdamping te verminderen

Vaak is het snoeien een combinatie van een aantal van deze doelen.

  • 2.1   Opsnoeien en opkronen
    Bij opsnoeien en opkronen verwijder je de onderste takken langs de stam. Hierdoor ontstaat een kale stam en een boomvorm daarboven. Die boomvorm daarboven noem je de kroon. Opsnoeien of opkronen doe je vooral bij park- en straatbomen. Houd rekening met het volgende:
  • voer alleen wintersnoei uit: zomersnoei zorgt voor een te grote schok voor de boom;
  • snoei takken zonder vork af, kaal langs de stam;
  • beschadig de bast van de stam niet;
  • insmeren met wondmiddel hoeft niet (slechts in enkele gevallen helpt het);
  • soms moet je ook takken in de kroon snoeien.
Het  afzagen  van  een  dikke  tak.  Zaag  de  tak  eerst  op  stomp  om  inscheuren  te  voorkomen.  Zaag  hem daarna vlak bij de boom af.

2.2   Vormsnoei
Als je een vorm wilt maken, houd dan met het volgende rekening:
•     snoei de boom of struik zo, dat de zon alle kanten kan bereiken (piramide, rond);
•     snoei geen kaal hout bij coniferen;
•     snoei loofbomen op de stam terug;
•     voer de wintersnoei vroeg in het voorjaar uit;
•     voer de zomersnoei voor half juli uit; de plant kan dan nog knoppen maken voor de winter.

Vormsnoei gebeurt vooral bij bladverliezende struiken of kleine bomen. Doordat je takken wegsnoeit of juist laat zitten, ontstaat een bepaalde vorm.
Sommige struiken bloeien op de takken die hetzelfde jaar zijn gegroeid. De meeste soorten bloeien juist op het hout van het vorige jaar of van nog oudere takken. Snoei dus niet te snel de jonge takken weg, want dan heb je minder kans op bloei.
Soorten die bloeien op eenjarig hout zijn bijvoorbeeld spirea, vlinderstruik, blazenstruik, pruikenboom, hertshooi, lavendel, braam en vlier. Soorten die bloeien op meerjarig hout zijn forsythia, sering, weigelia en mahonia.

Boomvormsnoei voer je als volgt uit:
•     bepaal of de soort bloeit op eenjarig hout of op ouder hout (dat hout moet je dus níet weghalen);
•     zorg voor voldoende licht in het hart van de struik;
•     snoei zieke takken weg;
•     houd ongeveer vijf tot zeven hoofdtakken aan;
•       snoei eens in de vijf jaar de takken op 20 cm boven de grond (of stam) af voor verjonging.

Knotwilgen, leilinden of platanen worden vaak teruggesnoeid. Op de stronk lopen de bomen dan weer uit.

2.3   Verjonging

Verjongingssnoei van heesters op 20 cm boven de grond

Bij struiken kun je eens in de zoveel jaar alle takken op 20 cm boven de grond afsnoeien. De struik moet daarna weer helemaal uitgroeien. Zo verjongt de hele plant zich.

 

 

2.4   Knopsnoei
Bij knopsnoei snoei je de takken zo, dat er bloemknoppen ontstaan. Dit gebeurt vooral bij fruitbomen. De twijgen die recht omhoog groeien, snoei je weg. De takken die horizontaal groeien, laat je zitten. Ook kun je takken buigen, zodat ze horizontaal gaan groeien.

2.5   Onderhoud van bomen en planten
Bomen en planten moet je onderhouden om ze mooi en gezond te houden. Je zult ze dus regelmatig moeten dunnen, snoeien of knippen. Elke soort krijgt daarbij zijn eigen, speciale behandeling. Zo snoei je een laanboom op een heel andere manier dan een sierheester.
Snoeien is belangrijk bij het onderhoud van bomen en struiken. Door te snoeien, houd je de plant gezond en zorg je ervoor dat hij in een mooie vorm groeit. Hiervoor haal je te lage, te dikke, overbodige, beschadigde of zieke takken weg.
Je moet niet te lang wachten met snoeien. Als je te laat begint met het snoeien van een boom of struik, moet je  te  veel  of  te  dikke  takken  weghalen.  Daardoor  ontstaan  te  veel  of  te  grote  wonden,  waardoor  ziekten gemakkelijk de boom of struik binnen kunnen dringen. Bovendien verliest de boom of struik dan zijn natuurlijke vorm. Een vuistregel bij snoeien is dat je nooit meer dan 20% van de takken weghaalt.
Bij struiken zaag je de takken maximaal 10 cm boven de grond af. Anders krijg je struiken die eruitzien als een mini-knotwilg.
Bij het snoeien zaag of kap je een tak altijd zo recht mogelijk af. Als je een tak namelijk schuin afzaagt, wordt de wond groter. Als je een stokzaag gebruikt, moet je dicht bij de stam van de boom gaan staan. 

Goed en verkeerd snoeien met de stokzaag
De driesnedenmethode

Om te voorkomen dat door het gewicht van de tak de bast mee scheurt, gebruik je de driesnedenmethode.
Hierbij volg je drie stappen:
•     Zaag de tak halverwege aan de onderkant een stukje in.
•     Zaag de tak op ruime afstand van de stam af.
•     Maak de definitieve zaagsnede dichtbij de stam.

Voor je gaat snoeien, moet je weten met welke bomen- of struikensoort je te maken hebt. Zo snoei je een scheutbloeier, zoals lavendel, na de bloei tot vlak boven de grond. Maar een bladheester, zoals de laurierkers, snoei je bijna nooit. Je zou dan de mooie bladeren weghalen en dat is niet de bedoeling. Je kunt in plantenboeken opzoeken hoe je een boom of struik moet snoeien.

2.6   Begeleidingssnoei
Een boom die je niet snoeit, krijgt veel lage zijtakken. Die takken kunnen hinderlijk zijn voor het verkeer. Daarom moet je de boom regelmatig snoeien. Je haalt de onderste takken weg, zodat de boom een lange, takvrije stam krijgt. Deze vorm van snoeien noem je begeleidingssnoei.

De hoogte tot waar je de takken weghaalt, heet de opkroonhoogte. De opkroonhoogte verschilt per plaats. Een boom die langs een autoweg staat, moet je hoger opkronen dan een boom die langs een voetpad in het park staat.

Bij begeleidingssnoei snoei je alleen de hele takken uit de tijdelijke kroon. Dit zijn de takken die lager groeien dan de uiteindelijke hoogte van de takvrije stam. De takken die hoger groeien, vormen de blijvende kroon.

Je kunt drie jaar na aanplant al voorzichtig wat takken wegsnoeien. Daarna kom je elke drie jaar terug om te snoeien.

2.7   Probleemtakken snoeien
Een andere reden om te snoeien, zijn probleemtakken. Dit zijn takken die er niet mooi uitzien of slecht zijn voor de boom. De belangrijkste probleemtakken zijn:
•     dikke takken;
•     dubbele toppen;
•     zuigers
•     takkransen.

Met het snoeien van dikke takken moet je niet te lang wachten. Hoe dikker de tak is die je weghaalt, hoe groter de wond. Bomen horen maar één top te hebben, maar soms hebben ze er twee: een dubbele top. Eén van de toppen heeft altijd een betere vorm dan de andere of is langer dan de andere. Deze top laat je zitten, de andere haal je weg.

Een boom met een zuiger

Een zuiger is een zijtak die sterk omhoog groeit. Als de zuiger groot wordt, krijgt de boom een dubbele top. Daarom moet je de zuiger altijd op tijd weghalen.

Bij een takkrans zitten een paar takken als een krans bij elkaar rond de stam. De takken van zo’n takkrans moet je niet allemaal tegelijk weghalen. Want dan krijg je te veel wonden op dezelfde hoogte. Je haalt eerst de dikke takken uit de krans weg en bij de volgende snoeibeurt doe je er nog een paar. De keer daarop haal je de rest weg.

Een boom met een takkrans

 

3      Werkvolgorde bij het snoeien van heesters

Beoordeel de snoeitijd, de snoeivorm en de bloei- en groeiwijze.

Snoei uitgebloeide bloemen en wildgroei weg.

Snoei afhankelijk van de soort op een-, twee- of meerjarig hout

Probeer tijdens de snoei de natuurlijke vorm zoveel mogelijk te handhaven

Snoei beschadigde, zieke en concurrerende takken weg

Een snoeizaag, twee beugelzagen en een jirizaag

4      Gereedschappen bij snoeien
Voor het snoeien van twijgen kun je een snoeischaar gebruiken.
Dikkere takken uit bomen en struiken snoei je met een snoeizaag. Voor het omzagen van bomen of struiken is een jirizaag het best geschikt. Ook kun je een beugelzaag gebruiken bij de snoei. Bij deze zaag span je het zaagje tussen de uiteinden van de beugel. De vorm van het zaagblad is aangepast aan het werk wat je ermee doet. Net als de vorm van de zaagtanden.

Als je bij het zagen de zaag naar je toehaalt, staat de zaag op trek. Als je de zaag van je af beweegt, staat hij op stoot.

Zaag op trek en op stoot

Voor  het  snoeien  of  omzagen  van  grotere  takken  of  stammen,  gebruik  je  een  motorzaag.  Voor  je  met  een motorzaag  mag  werken,  moet  je  achttien  jaar  zijn  en  een  speciale  opleiding  gevolgd  hebben.  Tijdens  die opleiding leer je hoe je een motorzaag veilig gebruikt. Belangrijk onderdeel van die veiligheid is het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen: een helm, oordoppen, een zaagbroek, gelaatsscherm, veiligheids- schoenen en handschoenen. Deze dingen zijn verplicht!

Beschermende kleding bij het gebruik van de motorzaag

Een andere machine die je bij het onderhoud gebruikt, is de bosmaaier. Hiermee zet je struiken af. Ook voor het werken met de bosmaaier moet je achttien zijn en gelden er veiligheidsvoorschriften.

 

Als  je  gaat  dunnen,  kun  je  bomen  en  struiken  omhakken  met  een  bijl.  Als  je  met  een  bijl  werkt,  moet  je natuurlijk weer goed op de veiligheid letten. Zo bepaal je van tevoren zorgvuldig hoe groot een boom is en welke kant hij op gaat vallen. Bij het verwerken van het hout, gebruik je een kloofbijl. Hiermee kloof je blokken hout.

Snoeigereedschap onderhouden

Goed onderhouden gereedschap gaat langer mee. Bovendien is het veiliger. Met een botte zaag schiet je bij- voorbeeld sneller uit dan met een scherpe zaag. En een botte snoeischaar beschadigt de struik meer.

Snoeischaren en -zagen worden bij gebruik op den duur bot. Vooral als er zand op de tanden komt. Daarom moeten ze regelmatig geslepen worden.

Snoeigereedschap slijpen is niet gemakkelijk. Je moet goed weten welk onderhoudsgereedschap je ervoor gebruikt. Zo hebben zagen verschillende typen tanden. Bij elk type tand hoort een eigen vijl.

De vorm van een zaagtand

Bijlen slijp je een beetje rond. Je kunt de ronding controleren met een bijlmal: een ijzeren vorm met daarin drie uitsparingen.

5      Afvoer en verwerking

Snoeihout moet je afvoeren en verwerken. Als je het tussen de struiken laat liggen, gaat het rotten. De schimmels en bacteriën die daar welig tieren, kunnen dan ook de gezonde struiken aantasten. De milieuwetgeving verbiedt het storten van snoeiafval, ook op je eigen perceel.
Snoeihout kun je ook versnipperen. Bij het versnipperen worden de twijgen zó klein gemaakt, dat ze makkelijk drogen. In de droge houtsnippers kunnen schimmels en bacteriën niet makkelijk groeien. Als je de snippers vervolgens weer verspreidt, houd je veel onkruiden tegen. Het enige onkruid dat er wel goed op gedijt, zijn de brandnetels.
De snippers verteren door de activiteiten in de bodem. Bij de vertering van de snippers wordt nitraat (stikstof) gebruikt. Hierdoor is er minder nitraat beschikbaar voor de planten. Als je de snippers teruggeeft, moet je er dus rekening mee houden dat je moet bijmesten.

BRONNEN
Wiarda snoeien
Gamma snoeitips
Baaij onderhoudssnoei
Postema tuinen
Bomen en heesters snoeien lesbrief
Neerlands Tuin  

Snijbloemen

Algemene verzorging van snijbloemen
Iemand die bloemen koopt, doet dat om plezier te hebben van de vormen, geuren en kleuren.
Om ervoor te zorgen dat dit plezier zo lang mogelijk duurt moeten de bloemen goed verzorgd worden.

Zonder wortels kan een bloem niet leven en zal deze op den duur afsterven. Dat betekent dat het afstervingsproces begint op het moment waarop een bloem wordt geoogst. Het is de kunst om dit afstervingsproces zo traag mogelijk te laten verlopen. Dat geldt tijdens de hele keten van kweker tot en met consument. Daarom moet de keten zo kort mogelijk zijn en moeten de omstandigheden altijd optimaal zijn.

In het algemeen kun je snijbloemen verzorgen door ze van water en voeding te voorzien.

  • Water is nodig om de bloem in leven te houden: het vervoert voedingsstoffen en zorgt dat de cellen op spanning blijven.
  • Voeding (suiker) zorgt voor energie zodat de bloem zich maximaal kan ontwikkelen.

1      Water
Het is belangrijk om te zorgen dat de snijbloem goed water kan opnemen. Een snijbloem neemt het beste water op in een
schone omgeving . Daarom moet het water goed schoongehouden worden. Daarvoor kun je twee dingen doen:

* gebruik schone vazen, zo komt er geen vervuiling in het water

Vaatbundels kunnen verstopt raken door ziektekiemen. Met name de binnenkant van de vaas is een plaats waar veel ziekten zich kunnen ontwikkelen. Dit is te voorkomen door de vazen regelmatig schoon te maken met cleaner of een chlooroplossing. Denk eraan dat chloor vermengd met water vlekken geeft. Het is voldoende om 2 of 3 druppels chloor per liter water op te lossen. Chloor wordt ook in tabletvorm geleverd. Goed naspoelen met voldoende water mag men niet vergeten.

*  ontdoe het stengeldeel dat in het water komt van blad
Bladeren die in het water blijven, kunnen namelijk gaan rotten, waardoor er bacteriën in het water komen. Alleen dàt blad verwijderen, wat mogelijk in het water kan komen. Maak er geen “striptease” van, zodat er kale stelen overblijven met nog maar een enkel blad bovenin.

Bij de meeste bloemen is het voor een goede wateropname noodzakelijk om een stukje van de steel af te snijden, vlak voordat deze in het water gaat. Een verse, liefst schuine,  snede kan namelijk goed water opnemen.

Voor snijbloemen met houtachtige stengels gebruikt men warm water omdat dit minder lucht bevat. Het water in de afgesneden stengel verplaatst zich via kleine kanaaltjes. Deze heten houtvaten. Door het schuin afsnijden wordt de oppervlakte van de wond ovaal van vorm. Een ovale wond heeft een grotere oppervlakte dan een ronde wond. Hierdoor raakt deze wond minder snel verstopt.

Het scherpe mes zorgt voor een gave wond. Knippen met een snoeischaar kan de stelen dichtdrukken waardoor de wateropname wordt belemmerd. 

Optrekken
Als een bloem tijdens het transport naar de winkel een vochttekort heeft opgelopen, is het voor de bloem erg moeilijk om dat weer helemaal aan te vullen. Je kunt de bloemen helpen met het aanvullen van water door:

  • de omgevingstemperatuur laag te houden door de bloemen in een koelcel , kelder of koeling in de verkoopruimte te zetten;
  • de bloemen in papier te verpakken en op water zetten;
  • de bloemen diep in het water te zetten.

Beide methoden beperken de verdamping van water, zodat de aanvoer groter is dan de verdamping. Dit proces noemen we het ‘ op laten trekken ’ van bloemen. 

Pas op: Er zijn uitzonderingen.
– Sommige bloemen mogen niet in de koelcel. Dit geldt bijvoorbeeld voor orchideeën en Anthuriums
– Bloemen met behaarde stengels als Lathyrus en Gerbera mogen niet diep in het water

2      Voeding
Om tot ontwikkeling te komen, hebben bloemen ook voeding nodig. In water alleen zitten namelijk niet genoeg voedingsstoffen voor de bloem. De voeding wordt meestal in de vorm van een houdbaarheidsmiddel aan het water toegevoegd. Zo’n houdbaarheidsmiddel bestaat meestal uit een bacterie-dodend middel, suiker en andere toevoegingen als ethyleen-remmers.
Ethyleen is een verouderings-gas.

Houdbaarheidsmiddelen
Lang heeft men geprobeerd met allerlei hulpmiddelen, snijbloemen langer goed te houden. Men gebruikte citroensap, alcohol, azijn, aspirine, stijfsel, koperen munten, wasmiddelen enz. De resultaten waren matig tot slecht. Snijbloemen nemen vrijwel alleen suikers op. Bij een beschadigde plant, dus ook een bloemsteel, treedt snel rotting op. Door aan het water een bacterie-dodend middel toe te voegen, houdt men het water schoon en bevordert men de ononderbroken wateropname. Om deze reden voegt men aan gerbera’s bijvoorbeeld een druppel chloor toe als vervanging van het houdbaarheidsmiddel.

doceerapparaat

De huidige houdbaarheidsmiddelen zijn gebaseerd op suikers, bacterieremmende middelen en ethyleenremmers. Daarnaast zijn er bijzondere houdbaarheidsmiddelen met extra toevoegingen. Veel detaillisten gebruiken een doseerapparaat. Dit heeft de volgende voordelen:

  • tijdwinst
  • altijd de goede dosering
  • minder gebruik van water

suikers
Nadat de bloem van de plant is gesneden, is de voedselopname via de wortels niet meer mogelijk. De in een houdbaarheidsmiddel of snijbloemenvoedsel aanwezige suikers dienen nu als voeding (brandstof) voor de bloem.

bacterieremmende middelen
Een aantal bacterieremmende stoffen zorgen voor schoon vaaswater, waardoor de wond schoon en open blijft en water en voedsel kunnen worden opgenomen. Hoe minder we de bloemsteel beschadigen, des te minder is de kans op bacterievorming.

Ethyleenremmers
Bloemen zijn organen bestemd voor vermeerdering. Ze vormen hormonen die de uitbloei en zaadvorming regelen. Door het wegnemen van deze stoffen wordt de uitbloei afgeremd.

Ethyleen wordt ook afgescheiden door rijpend fruit. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld anjers gaan krimpen als ze gecombineerd worden met fruit.

Bijzondere producten
Fabrikanten van houdbaarheidsmiddelen ontwikkelen steeds nieuwe producten. Zo zijn er producten die kalkaanslag in de vaas tegengaan en producten die de nadelige effecten van nacissenslijm verkleinen.
Als kweker, handelaar, detaillist en consument de goede voeding aan de snijbloemen geven, zal dit een positieve invloed uitoefenen op de houdbaarheid

Er zijn diverse firma’s die  snijbloemenvoedsel op de markt brengen.
Enkele merken zijn:

  • Chrysal
    Substral
    Aadural

Elke firma heeft een aantal soorten snijbloemenvoedsel op de markt gebracht. Zo kennen we snijbloemenvoedsel speciaal voor:

  • heestertakken
    bolbloemen
    anjers / chrysanten
    Bouvardia
    algemeen

Om verzekerd te zijn van een goed houdbare snijbloem zal de bloemist de snijbloem het juiste houdbaarheidsmiddel moeten geven. Door het gebruik van houdbaarheidsmiddelen, tijdens de handel, bereikt men vooral bij de consument de volgende positieve effecten:

  • een grotere en beter ontwikkelde bloem;
    een betere bloemkleur;
    een geringere gevoeligheid voor ethyleen;
    minder schade door de transportperiode;
    minder schade van te onrijp oogsten;

Adviseren van klanten
Om vragen te beantwoorden en geloofwaardigheid te zijn is het noodzakelijk om je advies te kunnen verklaren.
Samenvattend houdt dit in dat je moet adviseren over:

– schone vaas gebruiken om bacteriegroei te beperken

– schoon water gebruiken om vaatverstopping te voorkomen

– schuin aansnijden om de oppervlakte van de wond te vergroten en opname te vergroten

– houdbaarheidsmiddel toevoegen als energiebron, ethyleen-remmer en ontsmetting
Een goede service van de bloemist is om, naast een goed advies over de verzorging van de bloemen, een zakje houdbaarheidsmiddel bij te voegen.  De hoeveelheid snijbloemenvoedsel moet wel in relatie staan met het aantal bloemen.

– Warm of koud water
Het gebruik van warm water, doet het snijbloemenvoedsel snel oplossen en zodoende is dit ook snel opneembaar voor de bloem. Dit is zeker goed voor bepaalde heestergewassen, bijvoorbeeld  Acacia (mimosa). Verder bevat warm water minder zuurstof. Dit remt de bacterieontwikkeling af en er komen minder luchtbellen in de vaatbundels.

Plantenziekten

Gewasbescherming

Inleiding
Planten kunnen worden aangetast door ongedierte, schimmels en andere externe- en interne oorzaken.  Altijd geldt: Voorkomen is beter dan genezen.
Helaas is het niet altijd te voorkomen dat er infecties of aantastingen optreden. Als deze zogenaamde schadebeelden eenmaal zijn opgetreden, kunnen ze vaak met succes worden behandeld met een, vaak milieuvriendelijke methode.

1 milieu
Onze leefomgeving is een systeem dat door elke schakel in stand wordt gehouden. Verstoring hiervan veroorzaakt vaak meer schade dan voordeel. Daarom moet je bij elke ingreep kiezen voor een methode die zo weinig mogelijk invloed heeft op het ecosysteem. Met andere woorden: Ga zo veel mogelijk biologisch te werk.

Milieuvriendelijke methoden van gewasbescherming zijn bijvoorbeeld:

  • het krachtig afspoelen van de plant;
  • het handmatig verwijderen van het ongedierte.

2  Oorzaken
Eten en gegeten worden hoort bij de natuur. Mensen zijn er echter niet blij mee als hun cultuurplanten worden aangetast door organismen of verslechteren door andere uitwendige omstandigheden.

We beginnen met het  zoeken naar ziektenbeelden een hun veroorzakers. Vervolgens gaan we de ziekten ordenen en verdiepen we ons in het voorkomen en in de bestrijding ervan.

Organismen die andere levende wezens aantasten heten parasieten. Bij plantenziekten hebben we vrij vaak met parasitisme te maken. Daarnaast komen we beschadigingen tegen met andere oorzaken.
Om ziekten en beschadigingen te voorkomen en zo nodig te bestrijden moeten we weten tot welke groep de betreffende aantasting behoort.

spintmijten

We kunnen de oorzaken van plantenziekten in de volgende groepen verdelen:
A  Dierlijke parasieten.
Dit zijn bijvoorbeeld insecten (bladluis, dopluis, wolluis, motluis of witte vlieg, trips, rupsen), spinnetjes(spint), slakken, zoogdieren en wormen (aaltjes).

B  Plantaardige parasieten.
Hiertoe behoren de schimmels en bacteriën. Ze veroorzaken ziekten als meeldauw, roetdauw, roest, smeul en bacterierot.

 

bladvlekkenziekte (virusziekte)

C  Virussen.
Dit zijn eiwitten die zich in de cellen van andere organismen bevinden en zo de levensfuncties verstoren. Virussen leiden in het algemeen tot een afwijkende groei. Het meest bekend is mozaïek; een vorm van bladverkleuring.

D Ongunstige omstandigheden.
Hiertoe behoren temperatuur, voeding(gebreksziekten), water, licht, bodem (zout, structuur, pH, ec), tocht, menselijk handelen e.d. Deze groep van ziekten wordt fysiogeen genoemd.

 

3 Voorkomen en bestrijden
Plantenziekten kom je in de hele keten van kweker tot en met consument tegen. Elke schakel zal zich inzetten om schade te voorkomen en desnoods te bestrijden.

3.1  Voorkomen
Bij het voorkomen van schade kun je bijvoorbeeld denken aan:

  • Gezond uitgangsmateriaal. Kwekers gaan vaak uit van gekeurd moedermateriaal. Virusvrij uitgangsmateriaal verkrijgt men door weefselkweek. Hierbij neemt men, voor de vermeerdering, cellen uit het groeipunt van een plant. Deze worden in een laboratorium opgekweekt.
  • Goede omstandigheden en verzorging. Denk aan water, luchtvochtigheid, temperatuur, tocht, potgrond, bemesting, verplaatsen en verpotten.
  • Aangetaste planten isoleren i.v.m. besmetting.
  • Preventief bestrijden. Dit wil zeggen van te voren middelen toedienen om ervoor te zorgen dat ziekteverwekkers zich niet kunnen ontwikkelen.

3.2 Bestrijden
Als een plant is aangetast kan men proberen om de ziekte te bestrijden. Dit kan op de volgende manieren: biologisch, mechanisch, chemisch en geïntegreerd.

Aziatisch lieveheersbeestje eet luizen
Roofwants bezig met het leegzuigen  van een rups

 

 

 

 

 

3.2.1   Biologisch
Bij deze methode zet men natuurlijke vijanden uit om de parasiet te bestrijden. Als er geen parasieten meer zijn sterft de roofvijand. Nadeel in de sierteelt is dat de consument geen planten wil waar beestjes opzitten.

Het spuiten met zelf samengestelde producten als brandnetelgier en  aftreksels van nicotine, paardenstaart  en rabarberblad zou je biologisch kunnen noemen.

3.2.2   Mechanisch
Dit wil zeggen dat men de parasieten bestrijdt met de hand of met gereedschap. Denk aan het vangen van muizen en rupsen. Ook het bestrijden van dopluizen met spiritus en groene zeep en het wegspuiten van spint met koud water zou je mechanisch kunnen noemen. In het algemeen is het een arbeidsintensieve methode.

3.2.3   Chemisch
Bestrijdingsmiddelen kunnen ook chemisch zijn. Chemische middelen mogen alleen in de handel worden gebracht als ze door de overheid zijn goedgekeurd. Tijdens deze keuringsonderzoeken wordt gekeken welke effecten ze hebben op mens, dier en milieu. Bij dat onderzoek wordt ook bepaald welke waarschuwingen op de verpakking moet staan. Wordt het middel goedgekeurd, dan krijgt het een toelatingsnummer.

– Verschillen in werking
Bij chemische bestrijdingsmiddelen maken we onderscheid tussen een breedwerkend middel en een selectief werkend middel.
Een breedwerkend middel is zo samengesteld dat ze een groot aantal verschillende schadeverwekkers doodt.
Een selectief werkend middel daarentegen is alleen werkzaam tegen een klein aantal en soms maar één schadelijke soort.

Selectief werkende middelen worden in de volgende groepen verdeeld:

  • insecticiden tegen insecten
  • fungiciden tegen schimmels
  • acariciden tegen spint (mijten)
  • oviciden tegen eieren van insecten en spint
  • nemataciden ten aaltjes (bodemwormpjes)
  • mollusciden tegen slakken
  • herbiciden tegen onkruiden.

Chemische middelen kunnen ook worden onderscheiden in de manier waarop ze werken.
Bij contactwerkende middelen komt de bestrijding direct in contact met de schadeverwekker.
Een systemisch werkend middel daarentegen wordt opgenomen in de sapstroom van de plant. Schadeverwekkers komen ermee in aanraking als ze het plantensap opzuigen.

– Gebruiksvormen van bestrijdingsmiddelen
Bestrijdingsmiddelen zijn in verschillende gebruiksvormen in de handel:

  • vloeistoffen;
  • spuitpoeders . Deze moeten worden opgelost in water en vervolgens gespoten;
  • aerosols , ofwel spuitbussen. Bij deze middelen is het bestrijdingsmiddel al opgelost en dus kant klaar voor gebruik. Nadeel van sommige spuitbussen is dat sommige drijfgassen die zorgen voor voldoende druk in de bus, slecht zijn voor de ozonlaag;
  • diverse andere vormen. Daaronder vallen bijvoorbeeld de korrelvorm en gedrenkt karton. In deze laatste vorm wordt het kartonnetje in de potkluit gestoken. Het drenkmiddel lost op in de vochtige grond en wordt vervolgens door de plant opgenomen. Het is dus een systemisch middel voor alle zuigende insecten. 

– Verpakking
Elk bestrijdingsmiddel dat in de handel is, heeft een merknaam en een codenaam . Een merknaam is natuurlijk de fabrikant , maar de codenaam geeft aan wat de werkzame stof is van het middel. Daarom kunnen van verschillende fabrikanten wel de producten dezelfde codenamen hebben.

Ook geeft elk middel aan hoe giftig het is. We onderscheiden:

  • middelen zonder een giftigheidsymbool . Voor deze middelen geldt geen wettige voorschriften voor het presenteren in de verkoopruimte.
  • middelen met een Andreaskruis . Deze mogen wel in de verkoopruimte worden bewaard, maar dan wel in een afgesloten ruimte.
  • middelen met een doodshoofd . Deze middelen mogen niet in de verkoopruimte worden bewaard. Veelal zijn deze middelen verboden voor kleinverbruik.

– Veiligheid
Soms zijn chemische bestrijdingsmiddelen zo gevaarlijk voor mens en milieu dat ze alleen mogen  worden toegediend door mensen met een spuitlicentie.

Aandachtspunten zijn:

  • Lees eerst de gebruiksaanwijzing; aerosol
  • Hou je aan de voorgeschreven dosering;
  • Meng geen producten;
  • Gebruik het middel niet binnenshuis;
  • Werk met handschoenen;
  • Spuit van de wind af;
  • Laat de planten buitenshuis opdrogen;
  • Berg producten veilig op;
  • Voeg verpakkingsmateriaal bij het chemisch afval.

– Immuniteit of resistentie
Als je vaak hetzelfde bestrijdingsmiddel gebruikt kunnen parasieten er ongevoelig voor worden. Dat komt doordat elke keer een paar sterke exemplaren overblijven. De planten zich dan voort. Men spreekt dan over resistentie.

3.2.4   Geïntegreerd
Geïntegreerde bestrijding wil zeggen dat men uit het rijtje biologisch, mechanisch en chemisch 2 of meer methodes combineert.

 

Plantenvoeding

INHOUD
1     Samenstelling van de plant
2     Voeding van de plant
2.1   Verbranding en Fotosynthese
2.2   Wortelvoeding
2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
2.2.3 Nevenelementen
3     Bemesting
3.1   Moet er bemest worden?
3.2   Wanneer moet er bemest worden?
3.3   Wat moet er bemest worden?
3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?

Inleiding
Planten hebben voedsel nodig. Als dit kunstmatig wordt toegediend spreken we over bemesting. De laatste jaren zijn de fabrikanten van meststoffen zich steeds meer op de particuliere consument gaan richten. Hierdoor is de variatie in het aanbod van meststoffen gigantisch toegenomen. Dit geldt voor het aantal merken, het aantal soorten per merk en de verpakkingseenheden.
Planten vragen vaak advies over het bemesten van planten. Om deze reden gaan wij de hoofdzaken met betrekking tot plantenvoeding en bemesting behandelen.

1 Samenstelling van de plant
Om erachter te komen welke voedingselementen een plant nodig heeft kun je uitzoeken welke stoffen er in het plantenlichaam zitten. Het volgende schema geeft aan welke stoffen je in een plant tegenkomt:

De verhouding waarin deze stoffen voorkomen, en dus nodig zijn,  is voor elke plant verschillend. Dit is de reden waarom er zoveel verschillende meststoffen in de handel zijn.

Opname van stoffen uit de lucht en uit de bodem

2 Voeding van de plant
Uit de biologie is bekend dat je de voedingsstoffen kunt indelen in

  1. a) brandstoffen Dit zijn koolhydraten en vetten.
  2. b) bouwstoffen. Dit zijn bijvoorbeeld water en eiwitten.

De grondstoffen voor het maken van deze stoffen neemt de plant op uit de omgeving. Omdat dit via de bladeren en via de wortels gebeurt spreken we over:
a) bladvoeding, fotosynthese ofwel koolstof assimilatie (en verbranding ofwel dissimilatie)
b) wortelvoeding

2.1   Verbranding en Fotosynthese
Planten hebben energie nodig voor alle levensprocessen. Deze energie komt vrij bij het verbranden van koolhydraten in de cellen. Hiervoor is zuurstof nodig. Naast zuurstof ontstaan er bij de verbranding koolzuurgas en waterdamp dit ademt de plant uit. Omdat de plant altijd energie nodig heeft vindt verbranding ofwel dissimilatie dag en nacht plaats in alle cellen van de plant. Het opnemen van zuurstof zou je als voeding kunnen beschouwen.

De koolhydraten (suikers) die nodig zijn voor de verbranding worden door groene planten gemaakt in de bladgroenkorrels. Dit proces heet fotosynthese of koolstofassimilatie. Als grondstoffen gebruikt de plant hiervoor koolzuurgas en water. Als afval ontstaat zuurstof. Het water wordt opgenomen uit de grond en het koolzuurgas wordt opgenomen uit de lucht. De koolhydraten gaan naar alle cellen en de zuurstof wordt uitgeademd. Het samenvoegen van koolzuurgas en water tot koolhydraten kost energie. Deze wordt geleverd door de zon. Fotosynthese vindt dus alleen plaats bij voldoende licht in cellen met bladgroen. De bladgroenkorrels kun je als het ware beschouwen als suikerfabriek.

Als je de verbranding vergelijkt met de fotosynthese zul je opmerken dat ze elkaars omgekeerde zijn. De stoffen die voor de verbranding nodig zijn worden bij de fotosynthese gemaakt. Het draait hierbij om het vastleggen van zonne-energie. De energie die de plant zelf niet gebruikt komt ten goede van andere organismen.

Sterk vereenvoudigd kun je deze 2 processen als volgt weergeven:

Verbranding

 

Fotosynthese

Fotosynthese en verbranding zijn de basis voor het leven op aarde. In het kader van bemesten kunnen wij, als particulieren, er weinig mee. Bedrijven werken met koolzuurgasbemesting en belichting.

In de wortelademhaling ligt wel het belang van een luchtig bodemmengsel.

 

 

 

 

 

2.2   Wortelvoeding

Bouwstoffen en elementen voor het maken van bouwstoffen worden door de plantenwortels opgenomen uit de bodem. De voor de plant noodzakelijke elementen kun je in de volgende groepen verdelen:

–     macro-elementen ofwel hoofdelementen;
–     micro-elementen ofwel spoorelementen;
–     nevenelementen.

2.2.1 Macro-elementen (Hoofdelementen)
Macro-elementen zijn elementen waarvan de plant in verhouding grote hoeveelheden opneemt. Dit zijn: koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O), stikstof (N), fosfor (P), Kalium (K), zwavel (S), Calcium of kalk (Ca) en magnesium Mg).

Koolstof
Dit element haalt de plant uit de lucht. Bij de fotosynthese wordt dit element vastgelegd in organische stof.

Waterstof en zuurstof
Deze elementen worden uit het water uit de grond verkregen. Ook deze elementen maken deel uit van de organische stoffen.

Stikstof
Stikstof is nodig voor de vorming van eiwitten en bladgroen. Bij stikstofgebrek zal de plant slecht groeien en verkleuren. Stikstofovermaat geeft extra groei. Hierdoor krijg je in veel gevallen een langgerekte, slappe plant.

Fosfor
Planten hebben fosfor nodig voor de vorming van veel eiwitten, de wortelontwikkeling en de vorming van vruchten en zaden. Bij fosforgebrek zien we vaak bladverkleuring

Kalium
Kalium speelt een belangrijke rol bij de stevigheid van bladeren en stengels. Hierdoor zijn planten met voldoende kalium minder gevoelig voor bijvoorbeeld ziekten en klimaat. Daarnaast helpt dit element bij de vorming en het vervoer van koolhydraten en heeft het een positieve invloed op de kwaliteit van vruchten. Bij kaliumgebrek wordt het oudere blad donker en dof. Langs de rand van het blad treedt verdroging op.

zwavel
Dit element komt voor in eiwitten. Het speelt een rol bij de waterhuishouding van de plant. Zwavelgebrek komt praktisch nooit voor.

Calcium of kalk
Dit element speelt een rol bij de opbouw van celwanden en het neutraliseren van zuren in de plant. Bij kalkgebrek krijgen planten Gebrek komt praktisch nooit voor. Kalkbemesting wordt toegepast om de bodem te verbeteren.

Magnesium
Magnesium is een belangrijk bestanddeel van bladgroen. Bij magnesiumgebrek krijg je bladvergeling tussen de nerven en langs de randen. Later verkleurt dit naar bruin. Rond de nerven blijven de bladeren groen. Magnesiumgebrek komt veel voor op zandgronden en bij kalium-overmaat

2.2.2 micro-elementen ofwel spoorelementen
Hiertoe behoren de elementen die planten in zeer kleine hoeveelheden opnemen. Ze zijn wel onmisbaar. Tot deze groep behoren: ijzer (Fe), silicium of kiezel (Si), mangaan (Mn), borium (B),  zink (Zn), molybdeen (Mo), koper (Cu), Kobalt (Co) en soms jodium (I) en aluminium (Al)

IJzer
IJzer is nodig voor de vorming van bladgroen. Bij ijzergebrek worden de bladeren geel tot wit met scherp afgetekende groene nerven.  Het komt vooral voor op basische grond.

Silicium of kiezel
Dit element komt voor in celwanden.

Mangaan
Mangaan speelt een rol bij de fotosynthese en eiwitstofwisseling. Mangaangebrek is te herkennen aan op lichte vlekken tussen de bladnerven.  De nerven blijven groen.  Het blad is vaak dun. Mangaangebrek wordt vaak veroorzaakt door kalkovermaat en een slechte bodemstructuur.

Borium
Dit element speelt een rol bij de celdeling en waterhuishouding in de plant. Bij boriumgebrek kunnen jonge knoppen afsterven.

Zink
Zink is nodig voor het vormen van groeistoffen. Zinkgebrek geeft groeiremming.

Molybdeen, koper, kobalt, jodium en aluminium
Deze elementen spelen een rol bij allerlei chemische omzettingen. Molybdeen-, kobalt-  en kopergebrek geven misvorming en verkleuring. Jodium- en aluminiumgebrek komen praktisch nooit voor.

2.2.3 Nevenelementen

Hiertoe behoren elementen als Chloor (Cl) en Natrium (Na). Ze zijn niet noodzakelijk voor de groei maar worden wel opgenomen als ze aanwezig zijn.

3     Bemesting
Elke plant heeft zijn eigen voorkeur. Bij het analyseren van planten kun je deze voorkeur vaststellen. Door het onderzoeken van de grond kun je vervolgens vaststellen of er  stoffen bijgegeven moeten worden. Het aan de bodem, het medium of de plant toedienen van stoffen met plantenvoedende bestanddelen heet bemesten.  Daarnaast  bemest men in veel gevallen om de bodem positief te beïnvloeden.

Mensen met een tuin zullen zich, als het om bemesten gaat, de volgende vragen stellen:
a) Moet er bemest worden?
b) Wanneer moet er bemest worden?
c) Wat moet er bemest worden?
d) Hoe moet de meststof worden toegediend

3.1   Moet er bemest worden?
In de natuur heb je te maken met een successie. Dit wil zeggen dat de vegetatie na een periode van verandering in een eindstadium terechtkomt. Je kunt dit zien op braakliggend land. Eerst groeien er zandbindende planten, daarna krijg je een periode waarin  de vegetatie steeds ruwer wordt. Als je niets doet krijg je als eindstadium meestal bos. De tussenstadia worden sub climaxstadia genoemd. Het eindstadium heet climax stadium.
In de natuur zie je dus een aanpassing van de plantengroei aan de omstandigheden. Als het voedsel en de lichthoeveelheid  voor de ene plant opraakt komt er een andere plant voor in de plaats.
In tuinen heb je te maken met cultuur.  Dit is het omgekeerde van natuur. We passen de omstandigheden aan en willen de vegetatie behouden. Dit betekent dat bepaalde stoffen opraken en dus bijgevuld moeten worden. Het opraken moet je voor zijn om te voorkomen dat er gebreksziekten ontstaan.

3.2   Wanneer moet er bemest worden?
Elke tuingrond heeft een voorgeschiedenis, meestal als cultuurgrond. Dit betekent dat de samenstelling nooit ideaal is voor de planten die we er gaan neerzetten. Bij het aanleggen van een tuin past men daarom vaak een basisbemesting toe. Hiervoor gebruikt men vaak organische meststoffen. Hierin zit van alles wat. Daarna is het verstandig om elk jaar bij te bemesten.

Het tijdstip van bemesten is afhankelijk van de oplosbaarheid van de meststoffen en de omstandigheden. Als je oplosbare meststoffen te vroeg toedient kunnen ze uitspoelen en ben je ze kwijt. Goed oplosbare meststoffen geeft men daarom in het groeiseizoen, slecht oplosbare meststoffen enkele maanden voor het groeiseizoen. Organische meststoffen geven we ongeveer 1 maand voor het groeiseizoen. Bij gebrekverschijnselen kun je spuiten met voedingsstoffen op het moment waarop de afwijking zichtbaar is.
Vaak kun je niet bemesten omdat het te veel regent of juist te weinig regent. ook kun je beter niet mesten bij heet weer.

3.3   Wat moet er bemest worden?
We bemesten meestal om de planten te voeden en om de grond te verbeteren.

Voeding
Het volgende schema geeft aan welke voedingsstoffen er bijbemest moeten worden:

Van alle planten is de samenstelling bekend. Deze samenstelling geeft, samen met de kennis over de natuurlijke groeiplaats, informatie over de eisen die de plant aan de groeiomgeving stelt. Deze kennis wordt weer gebruikt om meststoffen samen te stellen.
Om precies te bepalen wat er gegeven moet worden laten bedrijven regelmatig de bodemsamenstelling onderzoeken. Aan de hand hiervan wordt er een bemestingsadvies gegeven. Voor particulieren is dit ook mogelijk maar meestal niet zinvol.
Wilde planten geven vaak een indicatie over de samenstelling van de grond. Zo wijst brandnetel op de aanwezigheid van stikstof en klein hoefblad op kalk. Varens en mossen zijn indicatoren voor zure grond.

Grondverbetering
Soms bemest men om de bodemstructuur en de zuurgraad (pH) te verbeteren.
Eenvoudig gesteld gebruikt men voor structuurverbetering op zandgrond organische stof en op kleigrond kalk. De pH kun je verhogen met basische stoffen als kalk en verlagen met zure kunstmeststoffen en veenproducten. Voor het meten van de pH zijn eenvoudige setjes te koop.

Meststoffen
In het volgende schema kun je zien in welke vorm planten voedingsstoffen opnemen.

Deze stoffen kunnen via meststoffen worden toegediend. (Soms ontstaan ze na chemische reacties in de bodem) Er zijn zeer veel verschillende meststoffen in de handel. In grote lijnen kun je ze verdelen in organische meststoffen en anorganische meststoffen (kunstmeststoffen). Als derde groep zou je nog de milieuvriendelijke producten kunnen toevoegen.

Organische meststoffen
Organische meststoffen zijn dierlijke en plantaardige afvalstoffen die we aan de bodem toedienen. Sommigen bevatten veel voedsel en zijn waardevol als plantenvoeding; anderen bevatten weinig voedingsstoffen en worden daarom vooral gebruikt voor bodemverbetering. Het is moeilijk om organische meststoffen op maat toe te dienen.

Het volgende schema geeft een overzicht.

Anorganische meststoffen
Anorganische meststoffen worden meestal kunstmeststoffen genoemd. het zijn zouten die in de fabriek worden gemaakt. We verdelen ze in:
– enkelvoudige meststoffen
– samengestelde meststoffen

samengestelde meststof

Enkelvoudige meststoffen bevatten een voedingselement. Samengestelde meststoffen  bevatten meerdere voedingselementen. De meeste specifieke meststoffen zijn samengestelde meststoffen. Dit geldt dus ook voor POKON.

 

 

 

SAMENSTELLING VAN ENKELVOUDIGE KUNSTMESTSTOFFEN
In de volgende schema’s  kom je de belangrijkste kunstmeststoffen tegen. Het voert te ver op in te gaan op de gebruiksaanwijzing.  Deze staat in het algemeen op een gebruiksvriendelijke manier op de verpakking.

Naam van de meststof Gehalte Snel/lang-zaam wer-kend CI-
gehalte
Werking Andere

bestanddelen

Stikstofmeststoffen

 

Bloedmeel
Chilisalpeter
Kalisalpeter
Kalkammonsalpeter
Kalksalpeter
Ureum
Zwavelzure ammoniak

% N

13,5
16
13
26
15,5
46
20,5

 

 

vrij snel

snel

snel

langzaam
snel

vrij langzaam

langzaam

 

 

 

alk.30

alk.15

zuur
alk.12

zuur 45
zuur 60

 

 

 

25% Na
45% K

Fosfaatmeststoffen

Beendermeel

Tripelsuperfosfaat
Superfosfaat
Thomasslakkenmeel

% P205

 

30-35
40-45

20(19) snel
14-17

 

 

langzaam

snel

snel

langzaam

 

 

 

 

                          alk.30-40

 
Kalimeststoffen


Kalikiezelkalk
Kalisalpeter
Kalizout 40%
Kalizout 60%
Patentkali
Zwavelzure kali

% K20

 

10
46
40
60
30
48

   

 

 

 

50
50

 

 

alk. 35

 alk. 15

 

 

 

13% N (snel)
13% Na

 

10-Mgo

Kalkmeststoffen

 

Landbouwpoeder-kalk

Koolzure landbouwkalk

Kalkmergel

Kalikiezelkalk

 

Magnesia-kalkmeststoffen

Magnesiapoederkalk

Koolzure magnesiakalk

Magnesia kiezel kalk

Schuimaarde

%MgO

 

 

 

 

 

 

 

3-5
4-19
4-5
1,2

fijnheid zeef 0.25
80
100
60
100
 

80
100
60
100

  z.b.w

 

alk.60

alk.53
alk.40
alk.35

 

 

alk.60
alk.35-55
alk.45
alk.20-25

10% K2O

 

 

 

 

 

 

 

0,5%N, 1% P2O5

Magnesiameststoffen

Bitterzout
Kieseriet

% MgO
15-24
25-27
Kopermeststoffen

Koperslakkenbloem
Kopersulfaat

% Cu
0,7-1,7
25
Diversen

Borax

Zinksulfaat

Magnesiumsulfaat

 

10% B

20% Zn

 

SAMENSTELLING VAN SAMENGESTELDE KUNSTMESTSTOFFEN

 

We noteren de code  N+P+K+Mg+……..
De gehalten worden genoteerd als N+P2O+K2O+MgO

Veel gebruikt worden:

NPK   12+10+18
NPK   14+14+14
NPK   7+14+28
Kencica    0+8+15+5
Kencica    0+8+10+5
Mas         22+0+0+7
Fas         20+20+0
Kalisalpeter     14+0+45

3.4   Hoe moet de meststof worden toegediend?
Meststoffen, vooral kunstmeststoffen,  worden in diverse vormen geleverd. Vaak is de vormgeving dusdanig dat het toedienen erg gemakkelijk is. Op de gebruiksaanwijzing staat precies aangegeven hoe en hoeveel je moet toedienen. Vaak is er zelfs een maatbeker bijgevoegd.

Organische stoffen worden vaak verspreid en vervolgens ondergebracht.

Anorganische stoffen kun je:
–     breedwerpig strooien
–     opgelost gieten bijv. kamerplantenvoedsel
– mengen door de (pot)grond bijv. osmocote

Osmocote is een meststof die omgeven is door een kalklaagje en daardoor langzaam vrijkomt.
–     voedingsstaafjes in de potgrond.
–     spuiten met een voedingsoplossing.

 

 

Plantengroepen

Inleiding
Er zijn veel verschillende soorten planten. Zo heb je de eenjarigen, tweejarigen, vaste planten en bloembollen. Planten hebben verschillende bloeitijden. Daarom moet je ze ook op verschillende tijden in het jaar planten.

1     Bol- en knolgewassen
Om het hele jaar door bloeiende planten in de tuin te hebben, moet je goed weten wanneer alle planten bloeien. In het vroege voorjaar bloeien de bol- en knolgewassen. Deze bolgewassen noem je voorjaars bloeiende bollen. Voorbeelden hiervan zijn het sneeuwklokje en de krokus. Er zijn ook zomer bloeiende bollen, bijvoorbeeld tulp en canna.

Bollen planten
Bollen moet je tijdig planten, zodat ze sterke wortels krijgen. Je plant de bollen voordat de vorst komt, anders krijg  je  de  schop  niet  meer  in  de  grond.  Voorjaars bloeiende  bollen  zitten  vol  met  reservevoedsel.  Daarom bloeien ze voor het groeiseizoen. Knip de bloemen niet direct na de bloei af. De bollen moeten eerst weer op krachten komen.

 

 

 

bloei- en planttijden

Wanneer bloeit wat?
Niet alle bolgewassen bloeien in het vroege voorjaar. Het is belangrijk dat je de bloeitijd kent, zodat je weet wanneer je ze moet planten.
Als de bollen uitgebloeid zijn, kun je ze het beste uit de grond halen. Bewaar ze op een droge plek (bijvoorbeeld in metselzand), dan kun je ze het volgende jaar opnieuw planten.

Bol- en knolgewassen kun je dus verdelen in voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers. Voorjaarsbloeiers bloeien in de periode van februari tot mei. Je moet ze voor de winter planten.
Zomerbloeiers bloeien in de zomer. Deze moet je na de vorst planten en voor de vorst weer rooien.

2     Eenjarigen, tweejarigen en vaste planten
Vanaf het vroege voorjaar kun je vaste planten in de tuin zetten, of eenjarige en tweejarige planten zaaien.
Vaste planten komen elk jaar terug. Sommige zijn groenblijvend, sommige sterven bovengronds af. Voorbeelden zijn Vinca en h

Hosta.

Vinca
Hosta

 

 

 

 

 

 

 

Afrikaantje

Bij een eenjarige plant speelt de levenscyclus zich af in één jaar. Na het zaaien gaat de plant groeien. Hij bloeit, vormt en verspreidt zaad en sterft daarna. Er zijn eenjarige perkplanten, snijbloemen en borderplanten.
Eenjarigen kunnen niet tegen vorst. Ze gaan in één seizoen van zaad naar bloem. Een voorbeeld is de Afrikaantje,
Eenjarige planten plant je eind mei (na IJsheiligen).

 

 

2 jarige perkplanten

Tweejarigen ontwikkelen zich in het eerste jaar. Pas in het tweede jaar krijgt de plant bloemen. Voorbeelden zijn viooltje, vingerhoedskruid en stokroos.

Tweejarigen plant je meestal in het voorjaar. Sommige tweejarigen kun je ook in het najaar planten, maar dan moet je ze wel tegen de vorst beschermen

Na de bloei verwijder je een- en tweejarigen uit de tuin.

 

 

 

Zelf zaaien
De meeste perkplanten worden gezaaid. Ze behoren meestal tot de groep van eenjarigen.
Eenjarigen  zijn planten die gezaaid worden en in één seizoen groeien, bloeien en doodgaan.

Zaaien
Zaaien doe je meestal in speciale zaaigrond. In deze grond zitten minder voedingsstoffen en er is extra zand aan toegevoegd. De grond bestaat meestal uit gezeefde tuinturf, turfstrooisel of veenmosveen.
Het zaaien kan zowel met de hand als machinaal gebeuren. Er zijn drie methodes om te zaaien. Alle drie de methodes kunnen zowel met de machine als met de hand uitgevoerd worden. Die methodes zijn:

  • breedwerpig zaaien;
  • op rijen zaaien;
  • zaad leggen.

Breedwerpig zaaien is het zaad zo goed mogelijk over de oppervlakte verdelen. Bij op rijen zaaien maak je sleuven. Daar leg je later het zaad in. Bij zaad leggen pak je ieder zaadje afzonderlijk. Je legt de zaadjes op precies de juiste afstand van elkaar. Dit kan natuurlijk alleen bij zaden die groot genoeg zijn om afzonderlijk vast te pakken.

zaaien in een zaaibakje

Zaaibakjes
Zaadjes kun je opkweken in zaaibakjes. Een zaaibakje moet schoon zijn en het liefst ontsmet. In het bakje doe je in zaaigrond. De bovenste zandlaag moet je zeven. Die laag moet goed vlak zijn, zodat er bij het water geven geen plassen ontstaan.

Als je de zaadjes gezaaid hebt, dek je ze af met een klein laagje zaaigrond. Gebruik niet meer dan dat het zaad dik is. Hele kleine zaden en zaden die licht nodig hebben om te kiemen, hoef je niet af te dekken. Zorg er altijd voor dat de zaaibak voldoende vochtig is. Als laatste dek je de zaaikist af met een glasplaat of plastic tot dat de zaden gekiemd zijn. Dit is om het uitdrogen te voorkomen. Je moet altijd ongeveer 1 cm onder de rand van het zaaikistje blijven. Als de zaden dan uitkomen, staan ze niet gelijk tegen het glas of het plastic aan.

Stappenplan voor een zaaikist:
1   Kistje schoonmaken
2   Zaaigrond zeven (fijne grond)
3   Kist voor drievierde vullen met grond
4   Randen licht aandrukken
5   Afvullen met gezeefde grond
6   Grond vlak maken
7   Zaaien
8   Klein laagje grond erover doen (net zo dik als zaad zelf is
9   Licht aandrukken
10 Water geven indien nodig
11 Wegzetten en afdekken met glasplaat of plastic
12 Werkplek schoonmaken en het gebruikte gereedschap schoon opruimen

Zaadsoorten
Er zijn duizenden zaadsoorten. Die zaadjes verschillen in grootte, kleur vorm et cetera. Ze verschillen ook in prijs! Sommige zaadjes zijn zo duur, dat ze tot de duurste producten op aarde behoren. Een voorbeeld is begoniazaad. Duizend zaadjes is ongeveer 1/16 gram. Stel je eens voor hoe klein die zaadjes zijn: heel, heel erg klein! Een hoeveelheid van 1/16 gram kost ongeveer 15 euro. Een gram begoniazaad kost dus 16 x 15 euro = 900 euro. En een kilo dus 1000 keer zoveel: 900.000 euro! Daar heb je dan ook wel 16.000.000 planten voor. Als je het bedrag omrekent naar een bedrag per plantje, valt het dus wel mee.

Er zijn andere zaden die veel groter zijn, bijvoorbeeld het afrikanenzaad (Tagetes). Duizend van die zaadjes wegen ongeveer 5 gram. Duizend zaadjes van zonnebloemen wegen nog veel zwaarder: 100 gram. Zo zie je, dat de grootte van zaden erg verschillend kan zijn.

3 Vaste planten
Vaste planten noem je ook wel overblijvende planten of overjarige planten. Ieder jaar lopen ze weer uit. Ze groeien, bloeien, vormen zaad en sterven in de herfst boven de grond af. Vaste planten overwinteren met hun wortels onder de grond.
Een groot voordeel van vaste planten is dat ze ieder jaar terugkomen en je dus niet steeds nieuwe plantjes hoeft te kopen. Vergeleken met een- en tweejarige planten bloeien vaste planten een kortere periode. Een vaste plant levert ieder jaar steeds dezelfde nakomelingen.

Snoeien
Eenjarigen,  tweejarigen  en  vaste  planten  snoei  je  niet.  Wel  moet  je  uitgebloeide  bloemen  en  afgestorven plantendelen wegknippen.
Bij vaste planten is het niet verstandig om afgestorven stengels en bladeren direct in de herfst te verwijderen. Deze plantendelen geven namelijk bescherming in het winterseizoen en geven bovendien een fraai winterbeeld bij rijp of sneeuw. Bovendien vinden allerlei dieren onder de afgestorven delen beschutting tegen de winterkou.

Bij een groot aantal vaste planten kunnen de bloemen gebruikt worden als snijbloem. Je moet er dan op letten dat de bloem niet nog te groen is, waardoor deze zich niet zal openen. Als de bloem al te ver is uitgebloeid, kun je er maar kort van genieten.

Het aanbinden van vaste planten kan op verschillende manieren.

Opbinden en steunen
Bij  eenjarigen,  tweejarigen  en  vaste  planten  die  hoog  worden,  is  het  van  belang  dat  deze  opgebonden  of gesteund worden, zodat ze niet omvallen. Er zijn verschillende manieren om planten op te binden. Je kunt achter de plant een of meerdere stevige stokken in de grond zetten en de plant met bindmateriaal aan de stok vastbinden. Let erop dat de natuurlijke vorm van de plant behouden blijft. Een andere methode is het plaatsen van kant en klare steunen. Deze zijn in het tuincentrum te koop.
Een natuurlijke manier van steunen is het gebruik van rijshout. Rijshout zijn takken van niet wortelende planten. Deze worden in het voorjaar bij de vaste plant in de grond gestoken. In het voorjaar groeien de scheuten van de vaste plant in deze takken. Als de plant volgroeid is, is van het rijshout niets meer te zien.

 

 

Afdekken
Bij vaste planten die vorstgevoelig zijn is het verstandig dat je de planten afdekt voor de winter, anders sterven de planten af. Het afdekmateriaal moet luchtdoorlatend zijn. Het beste kun je daar takken van naaldconiferen voor gebruiken.

Bloei verlengen
De bloeiperiode van planten kun je verlengen door de uitgebloeide bloemen op tijd af te knippen. Zo voorkom je zaadvorming. De energie die anders daarin verloren gaat, wordt nu voor een langere bloeiperiode gebruikt. Ook zijn er vaste planten die na terugknippen een tweede bloei in het najaar geven. Uitgebloeide bloemen verwijderen, is zeker raadzaam bij vaste planten die zich heel makkelijk uitzaaien in de rest van de tuin.

Rooien en scheuren
Vaste planten blijven vaak op dezelfde plaats in de tuin staan. Toch is het verstandig om na vier tot vijf jaar de planten border te verjongen. Dit kan door rooien en scheuren van de planten. Dit betekent dat het jongste deel van de plant (het buitenste gedeelte) opnieuw wordt geplant. Herfstbloeiers worden gescheurd in maart en april. Voorjaar bloeiers worden gescheurd in het najaar.
Planten met een penwortel kunnen niet gescheurd worden. Een penwortel is een dikke wortel die recht naar beneden groeit. Een penwortel heeft geen zijwortels.

Gewasbescherming
Sommige vaste planten zijn gevoelig voor ziekten als meeldauw, roest en bladluizen. Meeldauw is een schimmelziekte die erg veel voorkomt. Er komt dan een witte waas op het blad te liggen. Herfstasters en vlambloemen hebben daar erg veel last van. Soms zelfs zoveel dat de bloei vaak erg tegenvalt. Roest is een andere schimmelziekte. Er komen bruine vlekjes op het blad. Bij een ernstige aantasting zal de plant bovengronds helemaal afsterven. Bladluizen zitten vooral op de top van de scheuten. Ze halen daar de suikers uit de plant. Dit gaat ten koste van de groei. Daarnaast kunnen bladluizen virusziekten overbrengen.