Nomenclatuur

Inhoud

1     Plantenkennis
1.1   Ordening van het plantenrijk
1.2   Naamgeving
1.3   Vertaling van wetenschappelijke namen
1.4   Nederlandse Namen
2     Morfologie
2.1   De wortel
2.2   De stengel
2.3    Het blad

Inleiding
De plantenwereld is erg complex. Om deze reden heeft men er een ordening in aangebracht. Deze ordening komt overeen met het systeem dat men voor alle levende wezens hanteert. Een stukje uit de ordening van plantennamen vormt de wetenschappelijke plantennaam.
In dit hoofdstuk gaan we bekijken hoe die naam is opgebouwd en hoe je planten aan de hand van uiterlijke kenmerken kunt herkennen.

1.1   Ordening van het plantenrijk
Planten worden in groepen verdeeld. Je kunt dit vergelijken met mensen. Als jij An Jansen van  moldauwdreef 20 in Utrecht bent kun je dit als volgt omschrijven:
wereldbewoner, Europeaan Nederlander, Utrechter, Overvechter, moldauwdreefbewoner, bewoner van nummer 14, dochter van Jansen, An. De omschrijving wordt steeds concreter tot er maar een persoon overblijft.
Bij planten doen we hetzelfde. Van groot naar klein onderscheiden we:
klassen, orden, families, geslachten, soorten, ondersoorten, variëteiten en rassen. Naar mate de groep kleiner wordt zijn er meer eigenschappen die met elkaar overeenkomen.

We hebben afgesproken dat plantennamen gevormd worden door de geslachtsnaam. de soortaanduiding, de ondersoortaanduiding en de naam van de variëteit. Bij de meeste planten bestaan er geen ondersoorten.

Linnaeus

1.2   Naamgeving
In de meeste gevallen is het voldoende om alleen de geslachtsnaam en de soortaanduiding te gebruiken. De eerste letter van de geslachtsnaam schrijft men dan met een hoofdletter en de eerste letter van de soortaanduiding met een kleine letter. Omdat dit 2 namen zijn noemt men dit systeem van naam geven binaire nomenclatuur. (bi is twee; nomenclatuur is naamgeving)
Het systeem is voor het eerst toegepast in 1753 door de Zweedse wetenschapper Carl Linne (Linnaeus).

Als je de plantenlijst bekijkt kun je zien dat de namen niet altijd uit de geslachtsnamen en de soortaanduidingen bestaan. Dit komt doordat  er sinds Linnaeus veel nieuwe planten zijn bijgekomen. Men het systeem van naam geven daarom een aantal keren moeten bijstellen.

Hieronder staan een aantal voorbeelden van namen met daarbij de uitleg van de schrijfwijze:

–     Ficus elastica
Ficus is geslachtslaam en begint met een hoofdletter. elastica is de soortaanduiding en begint met een kleine letter.
Dit is de meest gebruikelijke manier van benoemen.

–     Ceropegia linearis var. woodii
In dit geval bestaat er van de Ceropegia linearis een natuurlijke variatie. Deze geeft men aan door achter de naam var. woodii te schrijven. De eerste letter van woodii moet een kleine letter zijn.

Ficus elastica ‘Decora’

–     Ficus elastica ‘Decora’
Mensen hebben er een variëteit bijgemaakt. Dit heet cultuurvariëteit en schrijft men tussen enkelvoudige haakjes (‘). De eerste letter is een hoofdletter.

–     Ceropegia woodii subsp. debilis
Van deze plant bestaat een ondersoort die erg veel op de soort lijkt. De tussenvoeging subspecies debilis geeft dit aan.

–     Forsythia x intermedia
Deze schrijfwijze geeft aan dat een kweker 2 soorten Forsythia met elkaar heeft gekruist. Het kruisingsproduct wordt aangegeven door voor de nieuwe soortaanduiding maal te plaatsen. Vroeger veranderde de soortaanduiding dan in hybride = bastaard.

–     x Fatshedera lizei
Deze schrijfwijze geeft aan dat een kweker 2 verschillende geslachten met elkaar heeft gekruist. In dit geval Fatsia (vingerplant) en Hedera (klimop)

–     Begonia Elatior Groep
In dit geval kent men van de Begonia elatior zeer veel cultuurvariëteiten die veel op elkaar lijken. Deze cultivars hebben geen eigen namen. Zowel Elatior als groep beginnen met een hoofdletter.

–     Freesia cultivars
In dit geval gaat het om meerdere kruisingsproducten; zowel geslachtskruisingen als soortkruisingen.

–     Freesia ‘Blue Heaven’
Dit is een variëteit van de Freesia cultivars. Hij komt zoveel voor dat men de soortaanduiding heeft weggelaten.

Ficus benjamina cultivars

–     Ficus benjamina cultivars
Onder deze benaming vat men alle cultuurvariëteiten van de Ficus benjamina samen. Ze zijn minder verwant dan bij de toevoeging Groep.

–     Lobularia maritima syn. Alyssum maritima
Deze plant blijkt 2 namen te hebben. De afspraak is dat de oudste naam na Linnaeus de juiste naam is. De andere naam is een synoniem. Doordat het moeilijk is om eenmaal aangeleerde namen af te leren kom je in de praktijk veel synoniemen tegen.

 

1.3   Vertaling van wetenschappelijke namen
Plantennamen zijn door mensen bedacht. Vaak heeft men daarbij een kenmerk van de plant gebruikt. Dit geldt vooral voor de soortaanduiding.
Voorbeelden van veel voorkomende vertalingen zijn:
bicolor: tweekleurig
tricolor: driekleurig
variegata: gevarieerd, bont
alba: wit

In plantenlijsten wordt de vertaling vaak opgenomen om het herkennen en leren van namen gemakkelijker te maken.
Namen die eindigen op ii zijn afgeleid van personen en daardoor nooit te vertalen. Ook voor fantasie namen geldt dat ze in veel gevallen niet te vertalen zijn. Fantasie namen kom je vaak tegen bij variëteitnamen.

1.4   Nederlandse Namen
Wetenschappelijke namen zijn over de hele wereld gelijk. Dit heeft vele voordelen. Naast deze namen kent elk land en soms elke streek zijn eigen benamingen. Deze worden in de winkel veel gebruikt.
Dat Nederlandse namen erg verwarrend kunnen zijn zal blijken aan de hand van het volgende voorbeeld:
Pelargonium wordt in het Nederlands Geranium genoemd. Geranium is een verzamelnaam voor alle soorten en variëteiten van dit geslacht. Dit betekent dat men bij het beschrijven van een Geranium al snel in een lang verhaal vervalt.
Geranium is de wetenschappelijke naam van de vaste plant ooievaarsbek. Het kan dus voorkomen dat je een gesprek voert over een Geranium en het over 2 verschillende planten heeft.

2 Morfologie
Je kunt planten pas een naam geven als je weet hoe deze eruit ziet. Het beschrijven van de uiterlijke kenmerken (vorm, bouw en afmetingen) van een plant heet morfologie.
In de morfologie heeft men afspraken gemaakt over de wijze waarop planten en plantendelen worden benoemd. Hieronder staan een paar veel voorkomende begrippen.

Opbouw van de plant
Aan een kiemplant en aan de verder uitgroeiende plant onderscheidt men drie verschillende hoofdorganen:
–     wortel
–     stengel
–     blad
Alle andere organen die een plant kan bezitten (b.v. bloemen) zijn afgeleid van die hoofdorganen. Ze worden afgeleide organen genoemd.

2.1    De wortel
Als je de wortelstelsels van planten vergelijkt kom je grote verschillen tegen. Zo  zijn er planten met:
* een hoofdwortelstelsel;
* een bijwortelstelsel.
Vertakkingen van de hoofdwortels heten zijwortels.

2.2   De stengel

Stengels zorgen voor transport, stevigheid en aanhechting van andere organen.
De belangrijkste onderdelen zijn:
a) stengellid (lid + Knoop)
b) knoop
c) internodie (stengelstukje tussen 2 leden)
d) okselknop
e) eindknop

2.3    Het blad

Bladeren hebben alles te maken met plantenfysiologie. Denk aan fotosynthese en verdamping. Daarnaast vormen bladeren een belangrijke voedselbron voor mens en dier. Onderdelen zijn:
a) bladschijf
b) bladsteel
c) bladschede
d) nerven
e) bladmoes

Planten zijn vaak te herkennen aan de bladvorm. Hierbij kun je kijken naar:
a) de vorm: plaats van de grootste breedte bijvoorbeeld ovaal, langwerpig, eirond
b) de insnijdingen van de bladrand bijvoorbeeld gaaf, gezaagd, gegolfd, getand, gezaagd
c) de vorm (vertakking) van de nerven bijvoorbeeld veernervig, handnervig

2.4 Bloemen
Bloemen zijn afgeleid van stengels en bladeren. Het zijn de geslachtsorganen van een plant.
Hieronder is een volledige bloem getekend.

Vaak zitten er meerdere bloemen bij elkaar. In dat geval spreekt men over een bloeiwijze. Hieronder zijn een aantal voorbeelden getekend.

 

 

1 gedachte over “Nomenclatuur”

Plaats een reactie