Vermeerdering ongeslachtelijk

Inleiding
Het ongeslachtelijk vermeerderen van cultuurplanten gebeurt voornamelijk kunstmatig. Omdat het nogal een voorkomt dat klanten ernaar vragen zullen we de belangrijkste manieren behandelen.

Als we planten vermeerderen door zaad noemen we dat geslachtelijk (generatief).
Als we bij de vermeerdering uitgaan van een stukje plant noemen we dat ongeslachtelijk (vegetatief)  Er zijn vele manieren van ongeslachtelijke vermeerdering. Voorbeelden van ongeslachtelijke vermeerdering zijn stekken, scheuren, uitlopers, broedplantjes, sporen, bolle, knollen, wortelstokken, enten en weefselkweek.

1          zaaien of ongeslachtelijk vermeerderen?
Zaden ontstaan na het bevruchten van eicellen door zaadcellen.  Dit gebeurt, na bestuiving, in de bloem.
Het vermeerderen door zaaien is vrij eenvoudig. De zaaien worden uitgestrooid in zaaigrond en vervolgens afgedekt met een laagje zand ter dikte van het zaad. Dit kan in bloempotjes of in bakjes. De bodem wordt normaal vochtig gehouden. In sommige gevallen moet je de zaaigrond nog afdekken met papier. Om de vochtigheid op peil te houden kun je plastic of glas gebruiken. Na het uitkomen worden ze ruimer gezet. Dit heet verspenen.

Ongeslachtelijk vermeerderen is minder eenvoudig. Hierbij gebruik je een stukje van ėėn plant om een nieuwe plant te krijgen.  Plantendelen kunnen alleen uitlopen als er knoppen opzitten. Normaal geldt dat voor de stengel. Er zijn echter ook planten waarbij andere organen knoppen bevatten. Deze knoppen heten toevallige knoppen ofwel adventiefknoppen, of slapende ogen. In die gevallen kun je voor de vermeerdering ook andere plantendelen gebruiken.

2          Stekken
De meest toegepaste manier van ongeslachtelijke vermeerdering is stekken.
In de meeste gevallen gebruik je bij het stekken een stukje stengel met een of meerdere blaadjes. We maken onderscheid in kopstek en tussenstek.
Ook komt het voor dat men enkel een stukje stengel gebruikt. Je spreekt dan over stengelstek.
Bij sommige plantensoorten maakt men gebruik van andere organen. We hebben dan te maken met bladstek en wortelstek.

2.1 kop- en tussenstek
Men spreekt over kopstek wanneer je voor de vermeerdering een stukje stengel met bladeren en een eindknop gebruikt. De onderste bladeren worden verwijderd.
Bij tussenstekken heb je geen eindknoppen. Als een tussenstek slechts een knop, en dus ook een knoop, bevat spreek je over oogstek. Oog is een ander woord voor knop. In het laatste geval kun je geen blad verwijderen. Kop- en tussenstekken kom je bijvoorbeeld tegen bij Fuchsia en Pelargonium.

Als je een stengel hebt kun je daar een kopstek en meerdere tussenstekken uithalen. Om deze reden kiest men vaak voor tussenstek. Een andere reden om tussenstek te maken is de hardheid. Als kopstek te zacht is zal deze verdrogen of gaan rotten. Als er aan een stek een stukje houtachtige stengel zit spreekt men over stek met een hieltje. Stekken worden recht afgesneden zodat de wond zo klein mogelijk is. Na het snijden worden zo snel mogelijk weggestoken in stekgrond.

 

 

Particulieren stekken wel op water. Het stekje vormt dan waterwortels. Na het oppotten moet de plant dan alsnog grondwortels maken.

 

 

 

 

Voor het stekken in grond gebruikt men allerlei bakjes. Tuincentra verkopen vaak speciale stekbakjes en potjes. De stekken komen tot het onderste blaadje in de grond.  Ze worden goed aangedrukt. Vetplanten laat men na het snijden eerst drogen. Om het bewortelen te versnellen kun je gebruik maken van stekpoeder. Om het uitdrogen door verdamping  te voorkomen worden stekken in veel gevallen onder plastic folie geplaatst. Klanten kun je adviseren om in een bloempotje te stekken met daarover heen een plastic zak.

2.2 Bladstek
Als bladeren toevallige knoppen bevatten kun je deze in veel gevallen stekken. Dit geldt bijvoorbeeld voor Saintpaulia, Peperomia, Begonia, Sansevieria en veel cactussen. Als bladeren niet te groot zijn en ze hebben een duidelijke bladsteel dan wordt de bladsteel tot aan de bladschijf in de stekgrond gestoken. De jonge plantjes ontstaan dan bij de bladsteel. Bij sommige planten gebruikt men stukjes blad om te steken. Dit geldt bijvoorbeeld voor bladbegonia en Sansevieria. Sansevieria heeft als nadeel dat de jonge plantjes de gekleurde bladrand missen.

 

3  Scheuren
Scheuren of delen is een methode die je kunt toepassen bij planten die met meerdere stengels uit de grond komen. Het komt veel voor bij vaste planten.

De plant wordt dan in twee of meerdere stukken opgedeeld. Slechte delen worden verwijderd.
Ook planten die uit zichzelf jonge planten naast de oude plant vormen worden gescheurd bijvoorbeeld Clivia en diverse bromelia’s.

Bij harde wortels moet je vaak gebruik maken van een mes of een schop. Als je de stukken apart uitplant heb je meerder planten gekregen. Deze methode kun je bijvoorbeeld toepassen bij Asparagus en Sansevieria. Het duurt erg lang voordat je op deze wijze veel nakomelingen hebt.

 

4    Uitlopers en broedplantjes
Bepaalde planten vormen zelf nieuwe planten. Deze hangen dan aan de moederplant zoals bij de aardbei, de Chlorophytum en de Saxifraga. Dit heet uitlopers.
Bij andere planten zitten de jonge plantjes  op andere organen als bladeren. Dit komt bijvoorbeeld voor bij Tolmia en Kalanchoe. en heet broedplantjes.

Uitlopers en broedplantjes kun je rechtstreeks oppotten.

 

 

 

5   Sporen

Een aantal planten vormen. Ook dit is ongeslachtelijk. Het zijn stoffijne deeltjes die zich vaak in hoopjes onder het blad bevinden. Bladeren met rijpe sporen kun je verzamelen, in papier gedraaid drogen, fijn wrijven en daarna als zaad uitstrooien.

 

6  Afleggen
Als zijtakken de grond raken gaan deze vaak wortelen. Zijtakken kunnen op die manier uitgroeien tot een nieuwe plant. Bij kunstmatig afleggen wordt een tak van een struik of boom naar de grond gebogen en vast gezet. Om wortelvorming te bevorderen kan er een kleine wond in de tak worden gesneden. (er wordt dan callusweefsel gevormd bij de wond waardoor wortelvorming bevorderd wordt).
Afleggen komt o.a. voor bij bramen, bessen en forsythia.

 

 

 

7  Bollen

Een bol is een ondergronds orgaan, dat bij sommige planten voorkomt. De bol wordt gevormd door een kort stengeldeel (de bolschijf) waarop een aantal bladeren staat. De buitenste bladeren zijn soms droog, vliezig en verkleurd; men noemt ze vliezen. De andere bladeren zijn steeds min of meer sappig en bevatten reservevoedsel; men noemt ze bolrokken.

 

 

schubben

Als de bladeren klein zijn als bij de bol van een lelie worden de bladeren bolschubben genoemd. We spreken van gerokte en geschubde bollen.

Op de bolschijf staan ook de eindknop en de okselknoppen. De eindknop kan uitgroeien tot bovengrondse delen: gewone bladeren en bloemen. De okselknoppen worden bij de bol klisters genoemd. Ze kunnen nieuwe bollen vormen.
Bij bollen maakt men ook onderscheid tussen eenjarige bollen en meerderjarige bollen. Eenjarige bollen worden elk jaar leeggezogen. De okselknoppen in de bol groeien uit tot nieuwe bollen. Meerderjarige bollen als hyacinten en lelies vormen alleen nieuwe bolletjes als de oude bol beschadigd is.

 

8  Knollen
We onderscheiden stengelknollen en wortelknollen.
Stengelknollen zijn verdikte stengels. Ook hier onderscheidt men eenjarige knollen en meerderjarige knollen.
Aardappels zijn eenjarige stengelknollen. Deze plant vormt ondergrondse uitlopers (zijstengels) waaraan knollen (verdikte stengels) ontstaan. Deze jonge knollen kunnen weer uitgroeien tot nieuwe planten. Aan de ogen (okselknoppen) kan men zien met een stengel te doen te hebben. Stengelknollen komen ook voor bij krokus en dahlia. Meerderjarige knollen kun je niet ongeslachtelijk vermeerderen. Deze tref je bijvoorbeeld aan bij knolbegonia en cyclaam.

Wortelknollen zijn verdikte wortels. Dahlia,s zijn planten met wortelknollen. Als er stukken van de wortelpruik afbreken kunnen deze uitgroeien tot nieuwe planten.
Omdat wortels in het algemeen geen knoppen hebben kunnen ze alleen uitlopen als er een stukje stengel met knoppen aanzit.  Bij het scheuren van

9  Wortelstokken
Een wortelstok is een ondergronds stengeldeel. Uit iedere knop kan een nieuw plantje kan ontstaan. Vele lastige onkruiden als brandnetel, kweek en zevenblad vermeerderen zich op deze manier. Ook zijn er veel sierplanten die zich via wortelstokken door de tuin verspreiden.

 

 

 

 

 

 

10  Veredelen (enten)
Bij veredelen ofwel enten wordt het vruchtdragende bovendeel (de ent) van een boom of struik op een onderstam geplaatst. De onderstam kan van dezelfde- maar ook van een ander soort zijn maar moet wel tot de familie behoren.
Enten  wordt gedaan bij bomen, struiken en groenten. Er zijn diverse redenen voor bijvoorbeeld:
– plant wortelt moeilijk;
– plant heeft een lange tijd nodig om vrucht te ontwikkelen ( Walnoot en Kiwi’s  krijgen pas na 10 jaar vrucht).
– Regelen van de groeikracht (grootte en groeisnelheid)
– Voorkomen van bodemziektes.

Oculeren – is een vorm van veredelen. Alleen een knop met een stukje bast wordt op het cambium van de onderstam gezet. Dit past men bijvoorbeeld toe bij rozen en fruitbomen.

11    In vitro-teelt (meristeemcultuur)

Bij meristeemcultuur wordt een uiterst klein groeipuntje (meristeem) op een voedingsbodem gezet. Hieruit ontstaat een klompje cellen, dat men weer kan delen enz. Zo kan men uit één individu zeer veel nakomelingen verkrijgen. Als men een nieuw ras aan het ontwikkelen is en men slechts een of enkele exemplaren hiervan heeft is dit een zeer geschikte manier om in korte tijd toch over veel “nakomelingen” te beschikken. Als planten uit een ouderplant ontstaan zijn spreken we van een kloon. Bij anjers wordt deze techniek gebruikt voor het kweken van virusvrije planten.

 

 

 

 

 

12    Marcotteren
Bij marcoteren wordt een ring uit de bast gesneden of een ijzerdraadje heel strak om de tak gewikkeld, zodat er een wond ontstaat. De wond wordt omwikkeld met vochtig gemaakt veenmos (veenmos) waar omheen een plasticzakje gewikkeld wordt. Daar omheen zwart plastic wikkelen (zwart houdt warmte vast) zodat wortelvorming sneller plaatstvindt.

 

 

 

1 gedachte over “Vermeerdering ongeslachtelijk”

Plaats een reactie